Kinderwens

Denk je erover om kinderen te krijgen? Dan kun je al voor de zwangerschap veel doen om ervoor te zorgen dat je toekomstige kind een gezonde start krijgt. Want de gezondheid van een kind begint al voor de bevruchting.

Goed voorbereiden is belangrijk

Vrouwen zijn meestal al 2 weken zwanger als ze ontdekken dat ze zwanger zijn. Juist in het begin van de zwangerschap is je ongeboren kind erg kwetsbaar. Gelukkig worden de meeste kinderen gezond geboren. Een goede voorbereiding helpt om de kans op een gezonde zwangerschap te vergroten.

Vragen

Heb jij of je partner een ziekte, of komt er in de familie een ziekte voor? Gebruik je wel eens medicijnen? Ook zonder recept? Zijn er risico's op je werk of dat van je partner? Verliep een vorige zwangerschap met problemen?

Heb je dit soort vragen? Of wil je graag advies over wat je zelf kunt doen om zo gezond mogelijk zwanger te worden? Op deze website vind je belangrijke informatie over een goede voorbereiding op de zwangerschap. Ook kun je voordat je zwanger wordt advies vragen aan je huisarts, verloskundige of gynaecoloog.

Kinderwensspreekuur

Het kinderwensspreekuur heeft als doel je zo gezond mogelijk aan een zwangerschap te laten beginnen.

Een gezonde start

De tijd vlak voor je zwanger raakt en de eerste maanden van de zwangerschap, hebben meer invloed dan lang is gedacht. De gezondheid en leefstijl van beide partners blijken van invloed te zijn op de zwangerschap en op de gezondheid van de baby.

Al je vragen stellen

Op het kinderwensspreekuur kun je allerlei vragen stellen.

  • Hoe word ik snel zwanger?
  • Hoe kan ik infectieziektes voorkomen?
  • Hoe kan ik de kans op een kind met een afwijking verkleinen?
  • Kan ik mijn medicijnen blijven gebruiken?
  • Kan mijn kind een ziekte erven?
  • Welke onderzoeken kan ik laten doen?

Afspraak maken

Op het kinderwensspreekuur krijgt je informatie en adviezen over gezond in verwachting raken. Als de verloskundige of huisarts denkt dat er risico's zijn, kan hij of zij je op tijd doorverwijzen. Het is heel gemakkelijk om een afspraak te maken voor een kinderwensconsult bij de verloskundige of huisarts. Veel verloskundigenpraktijken houden kinderwensspreekuren. De verloskundige bij jou in de buurt kun je vinden op de website van de KNOV. Je kunt met je partner gaan of alleen, maar je kunt ook een vriendin of een familielid meenemen.

Vragenlijst

Als je een afspraak hebt gemaakt voor het kinderwens spreekuur kunnen jij en je eventuele partner alvast een vragenlijst invullen. Deze kun je vinden op Zwangerwijzer.nl. Neem deze uitgeprint en ingevuld mee naar de verloskundige of huisarts. Aan de hand van de antwoorden kunnen eventuele risico's makkelijker worden ingeschat.

Wat wordt er nog meer besproken?

De verloskundige of huisarts neemt veel met je door: over familie, erfelijkheid, doorgemaakte ziekten, inentingen, eerdere zwangerschappen (ook abortus en miskraam tellen mee), de medicijnen die je gebruikt, voeding, werk, sporten, enzovoort. Ook de menstruatiecyclus komt aan de orde.

Als je al een tijd zwanger probeert te worden en het lukt niet, zal de verloskundige of huisarts ook naar jouw seksleven vragen. Vrouwen kunnen ook andere dingen bespreken die misschien van belang zijn bij een zwangerschap of bij zwanger worden, bijvoorbeeld ervaring met (seksueel) geweld, besnijdenis en psychische problemen.

Gezond leven

Als je zwanger wilt worden, kun je je voorbereiden. Door gezond te gaan leven, en te stoppen met alcohol, roken en drugs. Maar ook door gezond te eten en foliumzuur te slikken.

Levensstijl

Slaap je goed, beweeg je voldoende, levert de situatie thuis of op je werk extra risico's op, of heb je last van stress? Op het kinderwensspreekuur en op deze website krijgen jij en je partner antwoord op al jullie vragen. Bedenk voordat je gaat, welke vragen je hebt. Weet je welke gezonde levensstijl hoort bij een kinderwens? Lees de informatie en adviezen op deze website of maak een afspraak bij de verloskundige. En kijk ook eens op de website Zwangerwijzer.nl.

Beweging

Voldoende beweging is goed voor je gezondheid en vermindert stress. Door minstens een half uur per dag intensief te bewegen, zorg je er niet alleen voor dat je een gezond gewicht houdt, maar ook dat je lichaam in conditie blijft.

Kinderwens

Als je een kinderwens hebt, is het belangrijk dat je lichaam in goede conditie is. Misschien vind je een vol of een slank lichaam mooi. Maar om gezonde kinderen te krijgen moet je niet te vol (overgewicht) of te slank (ondergewicht) zijn. Dit kan complicaties veroorzaken tijdens je zwangerschap. Daarom zijn beweging en gezond voedsel belangrijk.

Bewegen

Mensen hebben per dag minimaal een half uur beweging nodig om gezond te blijven. Je kunt bijvoorbeeld een sport doen die je leuk vindt, of wandelen, fietsen, stofzuigen en vaak de trap nemen.

Fanatiek sporten

Bewegen is goed, maar heel fanatiek sporten niet. Vrouwen die topsport bedrijven of marathons lopen, hebben meer kans op een ontregelde menstruatie en onvruchtbaarheid. Vrouwen hebben een minimaal vetlaagje nodig om hun cyclus op gang te houden. Maar als je niet over je eigen grenzen heen gaat als je in verwachting wilt raken, dan kun je gewoon lekker blijven sporten.

Stress

Iedereen heeft wel eens stress. Dat hoort bij het leven. Teveel stress kan invloed hebben op je lichaam. Het kan zijn dat je menstruatiecyclus erdoor wordt beïnvloed en dat er geen eisprong komt. Dan raak je dus moeilijker zwanger.

Zorg voor ontspanning

Lukt het niet om snel zwanger te worden, dan kan dat ook stress geven. Maak je niet meteen zorgen. Vrijen moet fijn blijven, maak er geen verplichting van. Plan een paar rustige dagen samen met je partner. Ga bijvoorbeeld eens een weekendje samen weg en wandel regelmatig buiten. Dat kan allemaal voor ontspanning zorgen. En houd in gedachten dat ongeveer 80 procent van de vrouwen met een kinderwens binnen een jaar zwanger is!

Zoek hulp

Als je teveel zorgen hebt, probeer daar dan iets aan te doen. Dat is goed voor jou, voor je vruchtbaarheid maar ook voor je aanstaande baby. Kom je er alleen niet uit, praat dan met iemand die vertrouwd voor je is, bijvoorbeeld een vriendin. Of neem contact op met je huisarts of verloskundige. Als het nodig is, kan je huisarts je ook verwijzen naar een maatschappelijk werker of psycholoog.

Nachtrust

Slapen is goed voor je gezondheid. Als je zwanger wilt worden, is goed slapen belangrijk. Op z'n minst enkele uren achter elkaar. Hoeveel slaap iemand nodig heeft, verschilt. De meeste mensen slapen tussen de 6 en 8 uur. Veel meer slapen is niet nodig. Je kunt er zelfs suf of somber van worden.

Slaaptekort

Bij te weinig slaap ontstaan problemen. Tijdens je slaap komt je lichaam tot rust. Dingen die overdag zijn gebeurd krijgen 's nachts een plaats in je hoofd. Na een slechte nachtrust kun je je heel slecht voelen. Niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk.

Tips voor beter slapen

  • Wil je beter slapen, drink dan 's avonds geen koffie, cola of energiedrankjes. Die drankjes houden je wakker.
  • Eet niet teveel maar ook niet te weinig voor het slapen.
  • Zorg dat je slaapkamer en je bed niet te warm zijn en dat er frisse lucht is.
  • Overdag genoeg bewegen helpt ook. Ga bijvoorbeeld een stukje lopen 's avonds.
  • Voer geen moeilijke of zware gesprekken voor het slapen gaan.
  • Vaste gewoontes zoals even douchen of lezen voor het slapen, helpen ook.

Alcohol

Alcohol maakt minder vruchtbaar. Dat geldt voor vrouwen en voor mannen. Een vrouw heeft zelfs al met een glas per dag veel minder kans om zwanger te worden. Ook vergroot het de kans op een miskraam. Het is dus het best om geen alcohol te drinken als je zwanger wilt worden.

Mannen en alcohol

Mannen die alcohol drinken hebben minder zaadcellen. Bovendien hebben de zaadcellen vaker afwijkingen. Ook is niet uit te sluiten dat het alcoholgebruik van de man voor de bevruchting een hoger risico geeft op een miskraam.

Stoppen met drinken

Het advies is om allebei te stoppen met drinken als jullie proberen zwanger te worden. Voor nu maar ook voor straks als je zwanger bent. Een klein beetje alcohol is al schadelijk voor de ongeboren baby. Voor sommige mensen is het moeilijk om te stoppen met alcohol. Misschien kun je hulp gebruiken. De verloskundige of huisarts kan je verwijzen naar andere hulpverleners die je kunnen begeleiden.

Roken

Roken vermindert de vruchtbaarheid en is slecht voor de ontwikkeling van het ongeboren kind. Als je zwanger wilt worden, is het belangrijk om te stoppen. Het is ook niet goed als anderen om je heen roken, en jij dus meerookt.

Mannen en roken

Als je probeert zwanger te worden, dan is het belangrijk dat ook de man stopt met roken. Rokende mannen maken minder zaadcellen aan. Bovendien hebben zij meer afwijkende zaadcellen. Hierdoor wordt de kans op een zwangerschap kleiner. Als je stopt, duurt het ongeveer 3 maanden voordat de kwaliteit van het zaad verbeterd is. Die 3 maanden is de periode tussen de aanleg van een zaadcel en een zaadlozing.

Stoppen met roken

Het is belangrijk dat je stopt met roken als je zwanger wilt worden. Voor nu en voor straks. Als je zwanger raakt, is roken heel slecht voor je baby.

  • Als je partner ook rookt, is het handig om samen te stoppen. Je kunt elkaar steunen.
  • En anders misschien met een vriend(in).
  • Ook de steun van familie, vrienden of collega's maakt het makkelijker om door te zetten. Vraag hen bijvoorbeeld om niet bij jou in de buurt te roken.

Hulp nodig?

Voor de één is het veel makkelijker om te stoppen dan voor de ander. Valt het je zwaar, praat er dan over met je huisarts of de verloskundige. Hij of zij weet het best wat je nodig kunt hebben om van roken af te komen en hoe je de verslavende werking van nicotine kunt aanpakken.

Of kijk ook eens op de website van Stivoro. Je vindt daar informatie over roken en meeroken, testjes, adviezen en tips om met succes te stoppen met roken. Ook is er een gratis Online StopAdvies beschikbaar voor zwangere vrouwen.

Drugs

Drugsgebruik is slecht voor de vruchtbaarheid. Sommige drugs vergroten voor de bevruchting al de kans op een miskraam of afwijking bij het kind. Dat geldt voor vrouwen, maar ook voor mannen. Cannabis (wiet, hasj) beïnvloedt bijvoorbeeld de bewegelijkheid van de zaadcellen.

Stoppen

Als je gewend bent om te blowen, af en toe XTC te nemen of andere drugs als cocaïne of speed, is het belangrijk om te stoppen. Nu je zwanger wilt worden, maar ook voor straks. Als je eenmaal zwanger bent, kunnen drugs ernstige afwijkingen veroorzaken bij het kindje.

Hulp zoeken

Als jij of je partner drugs gebruikt, kan het moeilijk zijn om te stoppen. Soms word je er onrustig van, angstig of somber. Je kunt zelf stoppen of hier hulp bij zoeken. Zeker bij het stoppen met alcohol, GHB of heroïne is het aan te raden om dit onder toezicht van een arts te doen. Zelfstandig stoppen kan namelijk gevaarlijk zijn. Adressen van instellingen voor verslavingszorg kun je vinden op de website van Drugsinfo.nl. Maar je kunt ook altijd terecht bij je huisarts of verloskundige.

Medicijnen

Met medicijnen moet je voorzichtig zijn als je zwanger wilt worden. Neem alleen medicijnen die door de dokter zijn voorgeschreven. En laat je huisarts en je apotheek weten dat je zwanger wilt worden! Dan kunnen zij er rekening mee houden.

Schadelijke medicijnen

Als je zwanger probeert te worden, kun je zonder dat je het weet al zwanger zijn. En sommige medicijnen en behandelingen kunnen het ongeboren kind schaden.

  • Als je niet zonder bepaalde medicijnen kunt, zal de dokter de voor geschreven medicatie waarschijnlijk verminderen of veranderen.
  • Heb je een chronische aandoening, dan kun je beter voor je zwanger probeert te worden je kinderwens met de huisarts bespreken.
  • Ook als je medicijnen gebruikt die je niet van je eigen dokter kreeg, maar bijvoorbeeld via een familielid, bespreek dat dan met de verloskundige of de huisarts. Zij weten of dat goede of schadelijke medicijnen zijn.

Lees altijd de bijsluiter!

Ook medicijnen die bij de drogist zonder recept verkrijgbaar zijn, zijn niet altijd onschuldig. Bijvoorbeeld ibuprofen. Dat geldt ook voor sommige alternatieve medicijnen. Gebruik ze zo weinig mogelijk en controleer in de bijsluiter of ze veilig zijn als je zwanger raakt. Overleg eventueel met je huisarts.

Vaccinaties

Jij en je partner hebben besloten dat jullie een kind willen. Je weet natuurlijk nooit wanneer je zwanger raakt. Maar het is wel belangrijk om van tevoren na te gaan of je een vaccinatie tegen rodehond hebt gehad.

Rodehond

Rodehond is een relatief onschuldige infectieziekte die in Nederland nog maar zelden voorkomt. Maar riskant is als je zwanger bent. Het virus kan namelijk aangeboren afwijkingen bij je ongeboren kind veroorzaken.

  • Het is dus goed om na te gaan of je gevaccineerd bent of dat je de ziekte ooit hebt gehad. In beide gevallen ben je beschermd en hoef je je geen zorgen te maken.
  • Het is ook altijd mogelijk je bloed bij de huisarts of de GGD te laten onderzoeken op antistoffen.
  • Als blijkt dat je de ziekte nog niet hebt gehad en er ook niet tegen gevaccineerd bent, is het verstandig je alsnog te laten inenten.

Vaccinatie tegen rodehond

De vaccinatie bestaat uit een injectie met een levend vaccin, een verzwakt virus. Omdat dit gevaarlijk kan zijn voor een ongeboren kind, kun je het best de eerste 3 maanden na de vaccinatie nog niet zwanger raken.

Gezond gewicht

Als je graag zwanger wilt worden, is een gezond gewicht belangrijk. Als je te zwaar of te licht bent, kan dat je menstruatiecyclus ontregelen. Maar ook als dat niet gebeurt, kun je door ondergewicht of overgewicht minder vruchtbaar zijn.

Is mijn gewicht goed?

Met de zogenaamde Body Mass Index (BMI) kun je uitrekenen of je een gezond gewicht hebt. Je hebt een gezond BMI als de verhouding tussen je lengte en gewicht klopt. Je kunt je BMI berekenen op de website van het Voedingscentrum.

  • Met een BMI tussen 20 en 25 zit je goed.
  • Mensen met een BMI tussen 25 en 30 zonder extra gezondheidsrisico's moeten voorkomen dat ze dikker worden. Als er wel gezondheidsrisico's zijn, zoals een hoog cholesterolgehalte en hart- en vaatziekten in de familie, dan is afvallen verstandig bij een BMI tussen 25 en 30.
  • Medisch gezien is het noodzakelijk af te vallen bij een BMI boven de 30.

Overgewicht

Als je veel overgewicht hebt, is het verstandig af te vallen, voordat je zwanger raakt. Als je te zwaar bent heb je namelijk meer kans op complicaties, zoals een verhoogde bloeddruk. Zorg ook dat je voldoende beweging krijgt.

Goed gewicht

Als je geen overgewicht hebt en zwanger wilt worden (of al zwanger bent), dan is het niet verstandig om te lijnen. Schommelingen in je gewicht zijn niet bevorderlijk voor het zwanger worden. Je kunt beter gewoon gezond eten. Het is niet nodig om te eten voor 2. De zwangerschap vraagt wel extra energie. Maar omdat je wat minder beweegt, verbruik je ook minder.

Ondergewicht

Als je te weinig weegt en graag zwanger wilt worden, probeer dan om eerst aan te komen. Extreem ondergewicht vermindert je vruchtbaarheid.

Afvallen

Hoe doe je dat: gezond afvallen? Begin in ieder geval met afvallen vóór je zwanger wordt. Voor een goed gewicht is voldoende lichaamsbeweging en gezonde voeding het belangrijkst.

Wil je advies of begeleiding, dan kan de verloskundige of huisarts je verwijzen naar een diëtiste.

Minder calorieën, meer beweging

Om af te vallen, moet je minder calorieën binnenkrijgen dan je lichaam verbruikt. Dan gaat het lichaam de vetreserves opmaken.

  • Gezonde voeding is heel belangrijk.
  • Zorg daarnaast voor voldoende lichaamsbeweging.
  • Geleidelijk afvallen vereist wel doorzettingsvermogen.
  • Een gemiddeld gewichtsverlies van een halve kilo tot één kilo per week is een goede richtlijn.
  • Veel meer dan één kilo per week afvallen is niet goed, omdat je dan mogelijk onvoldoende voedingsstoffen binnenkrijgt.

Aankomen

Ondergewicht (BMI beneden 18,5) is niet goed als je zwanger wilt worden. Maar het is niet eenvoudig voor magere mensen om een paar kilo aan te komen. Het is zelfs moeilijker dan een paar kilo afvallen voor te dikke mensen.

Het kost tijd

Op gewicht komen kost tijd. Eén kilo erbij in 3 tot 4 weken is een goed resultaat. Je kunt daarbij ook advies en begeleiding krijgen van een diëtist. Je verloskundige of de huisarts kan je verwijzen.

Juiste voeding is belangrijk

Voeding met veel vet is ongezond, bijvoorbeeld de zogenaamde 'slagroomkuur'. Je komt het makkelijkst aan als je regelmatig eet: 3 hoofdmaaltijden, een paar tussendoortjes en bijvoorbeeld nog een extraatje voor het slapen gaan. Kies voor tussendoortjes die niet alleen calorieën, maar ook vitamines en mineralen leveren. Goede ideeën kun je vinden op de website van het Voedingscentrum.

Eetproblemen

Wil je zwanger worden en heb je een eetstoornis (gehad)? Dan is het goed om daarover op tijd met je verloskundige of huisarts te praten.

Je lichaam verandert

Tijdens de zwangerschap zal je lichaam zeker veranderen. Je buik wordt dikker en je hele lichaam wordt wat ronder. Dat hoort er nu eenmaal bij. Als je last hebt gehad van anorexia of boulimia kan het voor jou moeilijk te accepteren zijn dat je lichaam verandert. Bij het Kenniscentrum Eetstoornissen Nederland vind je meer informatie over eetstoornissen.

Voeding

Als je zwanger wilt worden, is het belangrijk dat je goede en volwaardige voeding binnenkrijgt.

Gevarieerd en gezond

Je kunt het beste gevarieerd eten, volgens de Schijf van Vijf. Dan krijg je van de meeste vitaminen en mineralen genoeg binnen. Dat betekent bijvoorbeeld dat je bij brood kiest voor volkorenbrood, dat je zorgt voor voldoende fruit en groente en dat je genoeg vocht drinkt. Ook foliumzuur slikken is erg belangrijk.

Vitamines

Je hoeft niet 'voor 2' te eten tijdens je zwangerschap. Als je gevarieerd eet, hoef je geen extra vitamines te slikken, behalve extra foliumzuur en vitamine D. Teveel vitamine A moet je voorkomen. Wil je toch je voeding aanvullen, gebruik dan een vitamine-preparaat speciaal voor zwangeren. Daar zit al voldoende vitamine D en foliumzuur in.

Vitamine D

Vitamine D zorgt ervoor dat calcium goed uit de voeding wordt opgenomen. Calcium zorgt voor de opbouw en het in stand houden van je botten. Vitamine D zit vooral in vette vis. Vitamine D wordt ook toegevoegd aan halvarine, margarine en bak- en braadproducten.

Als je zwanger bent

Zwangeren krijgen tegenwoordig het advies om 10 microgram extra vitamine D te slikken. De verloskundige kan je soms een aangepast advies geven over nog extra vitamine D. Vitamine D is zonder recept verkrijgbaar bij drogist of apotheek.

Foliumzuur

Foliumzuur is een vitamine en zit in verse groenten, vers fruit en volkoren producten. Als je zwanger wilt worden is het aan te raden om alvast extra foliumzuur te gaan slikken.

Waarom is foliumzuur nodig?

Extra foliumzuur verkleint de kans op het krijgen van een kind met een ernstige aandoening zoals een open ruggetje of een open schedel. Mogelijk ook op een open gehemelte (schisis), maar daar wordt nog onderzoek naar gedaan.

Wanneer starten?

Begin met het slikken van extra foliumzuur 4 weken voordat je stopt met voorbehoedmiddelen. Het duurt ongeveer 4 weken tot je lichaam een voldoende voorraad foliumzuur heeft opgebouwd. Je kunt gewoon foliumzuur blijven slikken als je nog niet meteen zwanger raakt. Het is niet schadelijk voor je gezondheid.

Welke dosering?

Je kunt foliumzuurtabletten gewoon zonder recept bij de drogist of de apotheek kopen. Je hebt per dag 1 tablet nodig van 0,4 of 0,5 milligram (0,4 of 0,5 mg). Die hoeveelheid zit ook in het speciale vitaminepreparaat voor zwangeren. Vraag ernaar bij de drogist of apotheek.

Al zwanger?

Als je zwanger raakt, heb je extra foliumzuur nodig tot de 10e week van je zwangerschap. Daarna kun je ermee stoppen. Ben je al zwanger en nog niet gestart met foliumzuur? Je kunt alsnog beginnen!

Meer informatie over foliumzuur vind je op de website Slikeerstfoliumzuur.nl.

Gezonde voeding

Als je zwanger wilt worden, is het belangrijk om gezond te eten. Ook is het verstandig alvast bepaalde soorten eten te laten staan, die schadelijk kunnen zijn voor de ongeboren baby. Je weet immers niet precies vanaf wanneer je zwanger bent.

Wat is gezonde voeding?

Gezonde voeding bestaat uit brood, aardappelen, rijst, pasta, peulvruchten, groente en fruit en 2 keer per week vis, waarvan 1 keer vette vis. Daarbij horen ook nog zuivel en vlees(-vervangers), eieren en margarine en bak- en braadproducten. Natuurlijk is het ook belangrijk dat je voldoende vocht binnenkrijgt. Dit is volgens de regels van de Schijf van Vijf.

Hoeveel heb je nodig?

In deze periode heb je volgens het Voedingscentrum dagelijks nodig:

  • 450 ml zuivel en 1,5 plak kaas (30 gram)
  • 1,5 - 2 liter vocht (inclusief zuivel)
  • 6 sneetjes brood
  • 4 opscheplepels rijst, peulvruchten, pasta of aardappelen
  • 4 opscheplepels groente
  • 2 stuks fruit
  • 100-125 gram vlees(waren), vette vis, ei en vleesvervanger (gaar gewicht)
  • 30 gram halvarine (dat is 5 gram per sneetje brood)
  • 15 gram bak- en braadproducten, olie
  • extra vitamines, zoals vitamine D en foliumzuur

Voorkom besmettingen

Besmettingen met het listeria-bacterie of toxoplasmose-parasiet kunnen een miskraam of afwijkingen aan de ongeboren vrucht veroorzaken.

  • Dit voorkom je door geen rauwe vis, schaaldieren en vlees te eten.
  • Eet ook geen zachte kazen van rauwe melk ('au lait cru').
  • Was groente en fruit goed en bewaar rauwe producten goed afgedekt in de koelkast.

Schijf van Vijf

Om gezond te eten, is de Schijf van Vijf een handig hulpmiddel. Dit is een combinatie van 5 uitgangspunten en 5 vakken.

De vakken uit de Schijf van Vijf

Elk vak uit de Schijf van Vijf bevat vergelijkbare producten. Kies liefst elke dag producten uit alle vakken en varieer zo veel mogelijk.

  • Groente en fruit.
  • Brood, granen, aardappelen, rijst, pasta en peulvruchten.
  • Zuivel, vlees(waren), vis, ei en vleesvervangers.
  • Vetten en olie.
  • Dranken.

Eet zoveel mogelijk groenten en fruit, voldoende brood, zo weinig mogelijk verzadigd vet en niet teveel zout. Het Voedingscentrum raadt ook aan om 2 keer per week vis te eten, waarvan 1 keer per week vette vis.

Uitgangspunten

Wil je gezond eten, let dan op de volgende uitgangspunten.

  • Eet gevarieerd.
  • Niet te veel en beweeg.
  • Eet minder verzadigd vet.
  • Eet veel groente, fruit en brood.
  • Eet veilig.

Hoe kies je?

Binnen de groepen vergelijkbare producten kun je kiezen uit 3 categorieën. Het Voedingscentrum heeft hiervoor een keuzetabel. Sommige keuzes zijn minder gezond dan andere. Door vaak uit de categorie 'bij voorkeur' te kiezen, heb je een andere keer de ruimte om iets uit de categorie 'bij uitzondering' te kiezen.

Hoeveel kies je?

Het Voedingscentrum heeft voor verschillende leeftijdscategorieën tabellen gemaakt met de hoeveelheden die worden aanbevolen om per dag te eten.

Vegetarisch of veganistisch

Als je vegetarisch of veganistisch eet en je wilt zwanger worden, dan is het belangrijk dat je toch genoeg ijzer, eiwitten en vitamine B12 binnenkrijgt. Ook bij een tekort aan vitamine B12 is er meer risico op een kindje met een open ruggetje en andere aangeboren afwijkingen. En vitamine B12 zit alleen in dierlijke producten.

Noodzakelijke voedingsstoffen

Het is verstandig om regelmatig ook vleesvervangers, ei, melk, kaas en andere zuivelproducten te eten.

  • Peulvruchten, sojaproducten, erwten, bonen, brood, rijst en pasta bevatten de eiwitten die je nodig hebt.
  • IJzer zit in: sommige vleesvervangers, volkorenbrood, ontbijtgranen, aardappelen, groente en noten. Eet wat fruit of drink een glas vruchtensap bij je brood en warme maaltijd.
  • Vitamine C in fruit zorgt ervoor dat ijzer beter door je lichaam wordt opgenomen.

Veganistisch

Als je veganistisch eet en dus helemaal geen dierlijke producten neemt, bespreek dit dan bijtijds met je verloskundige of huisarts of vraag een verwijzing naar de diëtiste. Het is echt heel belangrijk om te weten of je voldoende van alle noodzakelijke voedingsstoffen binnenkrijgt.

Vruchtbaarheid

Van mannen wordt wel eens gezegd dat ze altijd vruchtbaar blijven. Dat klopt, maar het sperma van de man wordt na zijn 45e wel kwalitatief minder. Als vrouw ben je tot je 30e het meest vruchtbaar. Daarna neemt je vruchtbaarheid steeds meer af en heb je steeds minder eicellen. Je kunt daarom het best voor je 35e kinderen krijgen.

Zwanger worden

Als je zwanger wilt worden, is het natuurlijk verstandig om vaker te vrijen. Maar daarnaast is het ook handig om te weten op welke dagen je precies vruchtbaar bent. Bij een regelmatige cyclus heb je een eisprong ongeveer 14 dagen voordat je ongesteld moet worden. Er zijn tegenwoordig ook verschillende tests bij de apotheek of de drogist te koop die voorspellen wanneer je een eisprong hebt. Het beste is om 24 tot 48 uur voor de eisprong met elkaar te vrijen.

Negatieve invloeden

Er zijn veel zaken die de vruchtbaarheid negatief kunnen beïnvloeden, zowel bij mannen als bij vrouwen. Je kunt hierbij denken aan giftige stoffen of chemicaliën, roken, alcohol en drugs. Ook bijwerkingen van geneesmiddelen kunnen een rol spelen bij een verminderde vruchtbaarheid. Daarnaast is je lichamelijke gezondheid van belang. Over- en ondergewicht, eetstoornissen (of extreem afvallen) en zware lichamelijke inspanningen kunnen de vruchtbaarheid verminderen.

Wat is wel goed?

Een gezonde levensstijl is belangrijk voor mannen en vrouwen. Je kunt hierbij denken aan gezonde voeding, voldoende beweging, en stoppen met roken. Ook je psychische gezondheid is belangrijk, neem daarom op tijd rust en vermijd stress.

Wat als het niet lukt?

Ongeveer 80 tot 90 procent van de vrouwen met een kinderwens wordt binnen een jaar zwanger. Misschien ben je niet op de hoogte hoe je zelf de kans op een zwangerschap kan verhogen. Bijvoorbeeld wanneer je vruchtbare dagen zijn en wanneer je dus het best met elkaar kunt vrijen om zwanger te worden.

Als je na een jaar (gericht) proberen nog niet zwanger bent, ga dan naar je huisarts. Hij of zij kan jullie verwijzen naar het ziekenhuis, waar ze nader onderzoek kunnen doen naar de oorzaken. De gynaecoloog (fertiliteitsarts) zal met jullie eventuele vervolgstappen doornemen.

Biologie van de man

Onder de penis hangt de balzak met daarin 2 zaadballen. Ze hangen buiten het lichaam waardoor de zaadballen koel blijven, ongeveer 3 graden lager dan de lichaamstemperatuur. Dat is de juiste temperatuur voor een goede zaadproductie.

Afbeelding 254

Zaadcellen

Binnenin elke bal worden voortdurend zaadcellen (spermacellen) gemaakt. Dus niet alleen als een man vrijt. Als een man klaarkomt, komen de zaadcellen uit de zaadballen, via de penis in de vagina, samen met vloeistof uit de prostaat. De zaadcellen en vloeistof samen heet het 'sperma'.

Bevruchting

De zaadcellen kunnen met een soort staartje zwemmen en zo de eicel opzoeken. Hoe meer zaadcellen en hoe beweeglijker ze zijn, des te beter is de kwaliteit van het zaad en des te groter de kans op een bevruchting. Een zaadcel blijft in het lichaam van een vrouw 3 tot 5 dagen leven.

Meer informatie over het mannelijk geslachtsorgaan vind je op de website Seksualiteit.nl van Rutgers WPF.

Vruchtbaarheid man

Om een eicel te kunnen bevruchten, is het belangrijk dat de man voldoende beweeglijke en gezonde zaadcellen heeft. Dat is nodig, omdat alleen gezonde zaadcellen het vermogen hebben om de eicel ook werkelijk te bereiken en te bevruchten.

Niet te warm

Het is belangrijk voor de kwaliteit van het sperma om je zaadballen (testikels) een beetje koel te houden. Voor een goede aanmaak van sperma is een temperatuur van de zaadballen van ongeveer 34 graden het best.

  • Het is beter om geen strakke onderbroeken te dragen, ook 's nachts niet. Draag voldoende ruime, bij voorkeur katoenen, bovenbroeken.
  • Warme ligbaden en saunabezoek zijn lekker ontspannend, maar minder goed voor de spermakwaliteit.

Lang zitten

Je kunt beter niet te lang achtereen zitten. Mannen met een zittend beroep, bijvoorbeeld vrachtwagenchauffeurs, kunnen minder vruchtbaar zijn. De zaadballen worden door het zitten warmer dan wanneer ze vrij hangen.

Een gezonde levensstijl

Een gezonde levensstijl is belangrijk voor de vruchtbaarheid van mannen. Je kunt hierbij denken aan gezonde voeding, voldoende beweging en stoppen met (of vermijden van) chemicaliën, alcohol, roken en drugs.

Voeding

Wat betreft voeding is voldoende inname van vitaminen en mineralen noodzakelijk. Vooral voor de productie van zaadcellen zijn vitamine C en zink belangrijk. Voor mannen geldt dus: eet voldoende verse groenten, vruchten, verse vis, vlees, ei, bruine boterhammen en appelstroop.

Chemicaliën

Werk je in de tuinbouw, bij een schildersbedrijf of in een fabriek? Kijk dan uit met chemicaliën, zoals lood, verf en pesticiden. Chemicaliën hebben een negatieve invloed op de kwaliteit van sperma.

Leeftijd

Bij mannen heeft de leeftijd veel minder invloed op de vruchtbaarheid dan bij vrouwen. Mannen kunnen vaak tot op hoge leeftijd kinderen verwekken. De kwaliteit van het sperma lijkt bij oudere mannen wel minder te worden. Vanaf 45 jaar worden de zaadcellen namelijk minder beweeglijk en de zaadlozingen worden kleiner. Het aantal afwijkende zaadcellen neemt licht toe.

Zaadlozingen

Veel mannen kunnen het niet geloven, maar het is echt waar! Het sperma van een man wordt minder goed als hij op een dag meerdere zaadlozingen heeft. De voorraad rijpe zaadcellen raakt dan uitgeput. Het zaad is het krachtigst als je om de dag vrijt.

Grieperig, verkouden of koortsig?

Na griep, verkoudheid of koorts is de kwaliteit van het sperma bij de meeste mannen wat minder. Dat wil zeggen: er zijn minder zaadcellen en ze bewegen wat minder snel, waardoor de kans op een zwangerschap iets minder groot is. De aanmaak van nieuw sperma duurt ongeveer een maand. Ongeveer 3 maanden nadat je ziek bent geweest, zijn de zaadcellen weer van dezelfde kwaliteit.

Biologie van de vrouw

De vagina ligt binnenin het lichaam van de vrouw en is bedekt door 2 paar schaamlippen, de buitenste en de binnenste. Binnenin de vagina kom je bij de baarmoedermond uit. Dat is het einde van de baarmoederhals. Die gaat over in de baarmoeder en daaraan vast zitten de eileiders. Naast elke eileider zit een eierstok. Dit zijn geen stokjes maar bolletjes, zo groot als een olijf. In die eierstokken zitten eitjes.

Afbeelding 255

Vrijkomen van de eitjes

Ongeveer middenin de menstruatiecyclus van een vrouw wordt er een eitje uit een van de eierstokken gestoten. Zo'n eitje is niet groter dan de punt van een speld. Het belandt in de eileider. In dezelfde tijd wordt het slijm in de baarmoederhals wat dunner, zodat de zaadcellen er makkelijker door kunnen.

Aanmaak van hormonen

Maar middenin de cyclus, als het slijm goed is voor de zaadcellen, kunnen ze daar soms wel 3 tot 5 dagen lang in leven blijven om alsnog een eicel te bevruchten. Het vrijkomen van het eitje en het dunner worden van het slijm wordt in de hersenen van de vrouw geregeld door de aanmaak van hormonen.

Op zoek naar elkaar

Wanneer een man tijdens het vrijen is klaargekomen, komt zijn sperma in de vagina. Alle zaadcellen in het sperma verzamelen zich bij de baarmoederhals en in groepjes zwemmen ze door de 'poort' naar de eileiders. Hier komen de zaadcellen de eicel tegen. Het lukt meestal maar 1 zaadcel om het eitje binnen te dringen. Dat is het begin van de zwangerschap!

Meer informatie over het vrouwelijk geslachtsorgaan vind je op de website Seksualiteit.nl van Rutgers WPF.

Vruchtbaarheid vrouw

Tot je 30e ben je als vrouw het meest vruchtbaar, daarna neemt de hoeveelheid eicellen die je hebt snel af. Het wordt daarom aangeraden om voor je 35e kinderen te krijgen.

Vruchtbare dagen

Een vrouw heeft iedere maand vruchtbare en onvruchtbare dagen. Als je zwanger wilt worden, is het verstandig om in ieder geval seks te hebben op de vruchtbare dagen. Als je vruchtbaar bent, heb je (tot je 30e jaar) elke maand gemiddeld 20 procent kans om zwanger te worden. Dat betekent dat het 1 of meerdere jaren kan duren voordat je zwanger bent, ook als er geen medische problemen zijn.

Gezond gewicht en gezondheid

Voor de vruchtbaarheid is het belangrijk dat je gezond eet en een gezond lichaamsgewicht hebt. Als je onder- of overgewicht hebt dan kan dat een directe weerslag hebben op je vruchtbaarheid. Ook als je ziek bent geweest of langere tijd minder gezond hebt geleefd, kan dit van invloed zijn.

Diëtiste

Om je kansen op zwanger worden te vergroten, vormt gezond leven de basis. Het is een goed idee om advies van een diëtiste in te winnen, en te kijken of je wellicht ook bepaalde vitamine- of mineralentekorten hebt.

Mentaal

Er is goede reden om aan te nemen dat ook spanningen (bijvoorbeeld de spanning over de beslissing voor een kind of het gevoel dat het nu toch echt moet gaan lukken) de vruchtbaarheid negatief beïnvloeden. Soms worden vrouwen juist zwanger als ze net de hoop hebben laten varen. Het klinkt gemakkelijker gezegd dan gedaan, maar probeer toch niet te gefixeerd te raken. Misschien helpt een korte vakantie, of je zinnen verzetten op een andere manier.

Na je 35e?

Naarmate je ouder wordt, neemt de kwaliteit van de eicellen af. De kans op een miskraam of een kindje met een aangeboren afwijking is hierdoor wat groter. Als je pas op latere leeftijd aan kinderen begint, is het goed dat je deze risico's kent.

Stoppen met anticonceptie

Een spannende en emotionele dag breekt aan als je voor het eerst gaat vrijen zonder voorbehoedsmiddelen. Tot nu toe heb je meestal je best gedaan om juist niét zwanger te worden en nu is alles anders.

Je lichaam heeft tijd nodig

Misschien denk je dat je meteen in verwachting raakt, maar dat komt niet zo vaak voor. Als je stopt met de pil, is je menstruatiecyclus soms niet meteen regelmatig en als je de prikpil gebruikte kan een normale cyclus enkele maanden op zich laten wachten. Het lichaam van een vrouw heeft tijd nodig om de natuurlijke cyclus te herstellen.

Hormoonstaafje

Gebruik je een hormoonstaafje als voorbehoedsmiddel, dan kun je dat door de huisarts laten verwijderen. Hetzelfde geldt voor een spiraaltje. Ook als een hormoonstaafje is weggehaald, kan het enige tijd duren voor je cyclus weer normaal is. Als een spiraaltje is verwijderd, kun je wel meteen zwanger raken.

Vruchtbare dagen

Om te beginnen kun je gewoon spontaan en op goed geluk vrijen. Zwanger worden lukt niet altijd meteen, dat is normaal. Van de stellen met een kinderwens is 80 procent binnen een jaar zwanger.

Vrijen op de meest gunstige dagen

Als je na een half jaar nog niet zwanger bent geraakt, kun je ervoor kiezen om te vrijen op dagen die gunstig zijn om zwanger te worden. Je hebt als vrouw 2 tot 3 vruchtbare dagen per cyclus. Je kunt zelf uitrekenen welke dagen dat zijn. Dit heet ook wel 'Natural Family Planning' (NFP).

Afbeelding 256

Vruchtbare dagen berekenen

Als je zwanger wilt worden, kun je het best vrijen in de dagen voor de eisprong (ovulatie). Dat kan wel tot 5 dagen voor de eisprong zijn, omdat het sperma ongeveer 3 tot 5 dagen in leven blijft.

  • Meestal is de eisprong 2 weken voor de menstruatie.
  • In de periode vóór de ovulatie tot en met de dag van de ovulatie kun je het best om de dag vrijen.
  • Bij een cyclus van 28 dagen gaat het om de dagen 10 tot en met 15 na het begin van de laatste menstruatie.
  • De 3 dagen rond de eisprong ben je het vruchtbaarst.

Belangrijke lichaamssignalen van een eisprong

  • De schommelingen in de basistemperatuur van je lichaam. Het gaat hier om de lichaamstemperatuur, opgenomen 's ochtends voordat je uit bed komt.
  • De verandering van de afscheiding. Enkele dagen voor de eisprong produceren de kliertjes in de baarmoederhals een speciaal soort slijm. Je kunt het aan de buitenkant van de vagina zelf vaststellen. Dit slijm is helder en glanzend (als rauw eiwit), soms ook draderig. Dan ben je vruchtbaar. Als de vruchtbare dagen voorbij zijn, verandert het slijm weer en wordt het heldere slijm witter en dikker. De slijmverandering duurt 3 tot 4 dagen.
  • De verandering van de baarmoedermond. Ook de baarmoederhals verandert in de loop van de cyclus. Als je vruchtbaar bent, is de baarmoedermond zo zacht als je oorlel of lippen en hij staat een beetje open. Buiten deze vruchtbare dagen is de baarmoedermond harder (als het topje van je neus) en gesloten. Deze veranderingen van de baarmoedermond kan een vrouw door inwendig zelfonderzoek herkennen.
  • Sommige vrouwen kunnen de eisprong voelen: een beetje kramp of pijn links of rechts onderin de buik. Vaak hebben vrouwen dan ook extra zin om te vrijen. Dat is allemaal de invloed van de hormonen.

Temperatuur meten

Als je een onregelmatige cyclus hebt, kun je je eisprong vaststellen door je eigen lichaamstemperatuur te meten.

  • Doe dat elke keer op dezelfde manier en op hetzelfde tijdstip, op een rustig moment.
  • Houd deze informatie netjes bij door het tijdstip en de temperatuur op te schrijven.
  • Je zult zien dat je temperatuur soms dagen achtereen laag is en dan met ongeveer 0,4 graden stijgt. De echte eisprong moet dan 1 of 2 dagen voor die tijd zijn geweest.

Dit temperaturen moet je enkele maanden volhouden, zodat je het patroon leert kennen. Dan kun je beter inschatten wanneer je het best kunt vrijen: namelijk enkele dagen voor de te verwachten eisprong.

Manier van vrijen

De manier waarop je vrijt, speelt ook een beetje mee. De 'missionarishouding' (de man boven en de vrouw onder) geeft een grotere kans op een zwangerschap, omdat de zaadcellen dan makkelijker omhoog kunnen zwemmen. Daarbij is het ook goed dat de vrouw na het vrijen even (ongeveer 15 minuten) blijft liggen, zodat een deel van het sperma niet uit de vagina loopt als ze opstaat na het vrijen.

Ovulatietest

Een ovulatietest meet de hoeveelheid LH (luteïniserend hormoon) in je urine. Dit hormoon zorgt ervoor dat er een eicel vrijgegeven wordt. De ovulatietest meet een stijging van dit hormoon en stelt de dagen vast waarop je het best kunt vrijen. Ovulatietesten zijn bij de drogist of de apotheek te koop.

Hersteloperatie

Mannen die zich ooit hebben laten steriliseren, kunnen daar door verschillende oorzaken later spijt van krijgen: het leven kan immers veranderen. Vandaar dat mannen die zich nu laten steriliseren er soms voor kiezen wat zaad in te laten vriezen.

Herstelpoging

Tevens is het mogelijk om een poging te doen de sterilisatie te herstellen, waarbij de chirurg zal proberen de zaadleiders weer met elkaar te verbinden en doorgankelijk te maken. Deze operatie valt onder het specialisme microchirurgie. De ingreep kan gedaan worden onder plaatselijke verdoving. De ingreep wordt niet door alle verzekeringen vergoed.

Slaagkans

De kans van slagen bij deze ingreep is ongeveer 50 procent. Soms is een deel van de zaadleider te zeer beschadigd en is herstellen moeilijk. Ook als het wel lukt de zaadleiders weer te herstellen, geeft dat nog niet de garantie dat de vruchtbaarheid geheel terug is. Soms vormt het lichaam namelijk antistoffen die de kwaliteit van het sperma verminderen.

Kans op meerling

De kans op het krijgen van een meerling is niet zo groot. De meeste meerlingen zijn tweelingen. Je hebt 1,6 procent kans op het krijgen van een tweeling. 3 of meer baby's tegelijk krijgen, komt heel weinig voor. Moderne vruchtbaarheidstechnieken zorgen voor een groter aantal meerlingen dan vroeger.

Twee-eiige tweeling

Een twee-eiige tweeling komt het meest voor. Een twee-eiige tweeling ontstaat uit 2 eicellen en 2 afzonderlijke zaadcellen. Deze baby's kunnen hetzelfde geslacht hebben, maar het hoeft niet. Ze lijken net zoveel op elkaar als een gewone broer en zus.

Eeneiige tweeling

Een eeneiige tweeling komt minder vaak voor dan een twee-eiige tweeling. Bij een eeneiige tweeling is er een bevruchte eicel, die zich deelt in 2 identieke embryo's van hetzelfde geslacht. Dat betekent dat als je een eeneiige tweeling krijgt, dan krijg je of 2 jongetjes of 2 meisjes die sterk op elkaar lijken. Het kan zijn dat ze ieder hun eigen vruchtwaterzak en placenta hebben. Maar het kan ook zijn dat ze samen in een vruchtwaterzak zitten, en samen een placenta hebben.

Erfelijkheid

Komen er in je familie twee-eiige tweelingen voor, dan heb je wat meer kans op zwanger worden van een twee-eiige tweeling. Soms komen er bij de vrouwen in een bepaalde familie meer eitjes vrij bij de ovulatie. Ook als dit in de familie van je vader voorkomt, heb je een grotere kans op een meerling. Verder heb je iets meer kans op het krijgen van een meerling als je wat ouder bent en als je al meerdere kinderen hebt gekregen.

Kans bij IVF groter

De kans om bij een IVF-behandeling zwanger te worden van een meerling, is afhankelijk van het aantal bevruchte embryo's dat bij één behandeling wordt teruggeplaatst. Het aantal meerlingen dat uit een IVF-behandeling ontstaat, is kleiner dan vroeger. Dat komt omdat er minder bevruchte eicellen tegelijkertijd worden teruggeplaatst dan voorheen. De kans op een zwangerschap als er één bevruchte eicel wordt gebruikt, is groter dan vroeger. In 2009 kreeg ruim 10 procent van de vrouwen die een IVF-behandeling hadden ondergaan, een meerling.

Risico's

De kans op problemen is bij een meerlingzwangerschap groter dan wanneer je zwanger bent van één baby.

Vruchtbaarheidsproblemen

Het lijkt zo'n natuurlijk iet: zwanger worden. En toch hebben steeds meer vrouwen ermee te maken dat het niet lukt. Dat komt ook doordat we in Nederland op steeds latere leeftijd proberen zwanger te raken. En als vrouw ben je op je 35e nu eenmaal veel minder vruchtbaar dan op je 20e.

Wat kun je zelf doen?

Als je zwanger wilt worden, zijn er manieren voor man en vrouw om de vruchtbaarheid te bevorderen. Het gaat hier om eenvoudige leefregels en tips, van gezond eten tot op de juiste momenten vrijen. De meest algemene leefregel is: niet roken, geen alcohol drinken en voor vrouwen met name: gezond eten.

Wanneer is nader onderzoek nodig?

Een jaar proberen zonder zwanger te worden, is nog niet zo zorgwekkend. Zeker als je nog onder de 30 bent. Duurt het langer en ben je ouder dan 30, of heb je duidelijk klachten? Dan is het hoe dan ook verstandig om je huisarts op te zoeken en te laten onderzoeken waar het aan zou kunnen liggen. Het liefst binnen een half jaar.

Wanneer het echt niet lukt

Er zijn verschillende oorzaken waarom het niet lukt om zwanger te worden. Ook zijn er diverse mogelijke behandelingen. Wanneer behandelingen niet aanslaan of lukken, kun je eventueel nog verschillende alternatieven overwegen, als je hier voor open staat.

Oorzaken onvruchtbaarheid

Ben je na een jaar nog niet zwanger? Dan kun je een afspraak maken met je huisarts of met een gynaecoloog. Hij zoekt dan uit wat de reden is dat je nog niet zwanger bent.

Gezond leven

Voor beide partners geldt dat gezond leven (goed en gezond eten, een gezond gewicht, genoeg ontspanning en beweging) helpen bij verbetering van de vruchtbaarheid. Daarnaast zijn er andere mogelijke oorzaken die zwanger worden in de weg kunnen staan, zoals teveel stress, schadelijke stoffen en genotmiddelen (sigaretten, drugs en alcohol).

Medische oorzaken

Er kunnen diverse medische redenen zijn die de vrouw en de man onvruchtbaar of verminderd vruchtbaar maken. Bijvoorbeeld als:

  • de zaadcellen van de man niet vruchtbaar zijn;
  • de eileiders van de vrouw verstopt zijn;
  • de eicellen van de vrouw niet vruchtbaar zijn;
  • de eicellen niet goed in kunnen nestelen;
  • de vrouw hormonale problemen heeft.

Soms blijft de oorzaak onbekend of gaat het om een combinatie van verminderde vruchtbaarheid bij de vrouw en de man.

Medische oorzaken bij de man

Ook de man kan verminderd vruchtbaar zijn. Dit houdt vaak in dat de kwaliteit van het sperma onvoldoende is.

Onderzoek

Een onderzoek naar de kwaliteit van het sperma is de manier om dit vast te stellen. Het enige wat daarvoor nodig is, is dat de man een potje sperma inlevert. Als de kwaliteit van het zaad slecht is, wordt gekeken of er een medische oorzaak is. Het kan natuurlijk ook zijn dat bijvoorbeeld een hersteloperatie na een sterilisatie is mislukt.

Antistoffen

Bij 70 procent van de mannen die eerder gesteriliseerd waren, komen antistoffen tegen zaadcellen voor. Die blijven actief na een hersteloperatie. Soms ontstaan ook antistoffen na een ontsteking. Bij het overgrote deel van de mannen met antistoffen tegen zaadcellen is de vruchtbaarheid duidelijk minder, maar er zijn ook mannen met antistoffen die normaal vruchtbaar zijn.

Medische oorzaken bij de vrouw

Wanneer je vruchtbaar bent, produceren de eierstokken gezonde eicellen en laten deze op tijd los. Het slijm in de baarmoedermond is daarbij ook van belang.

Gezondheid

Je hormoonhuishouding moet goed op orde zijn net als de gezondheid van je organen in je buik. Een blindedarmontsteking, een ontstoken eierstok of endometriose (een aandoening van binnenbekleding van de baarmoeder) kunnen de vruchtbaarheid verminderen. Vleesbomen (goedaardige gezwellen in de baarmoeder) kunnen ook negatief werken. Medisch onderzoek kan je over al deze zaken meer duidelijkheid geven.

Vaginisme

Wanneer je als vrouw vaginisme (moeite om de penis binnen te laten) hebt, dan is zwanger worden lastig. Je kunt advies vragen bij een seksuoloog of gynaecoloog, misschien een doorverwijzing naar een therapeut. Eventueel kan het kunstmatig inbrengen van sperma een alternatief zijn.

Schildklieraandoening

Naar schatting hebben 850.000 mensen in Nederland een schildklieraandoening. Bij vrouwen komt een schildklieraandoening 4 tot 8 keer vaker voor dan bij de man. Daarom is het goed om extra alert te zijn bij een zwangerschap. Een slecht functionerende schildklier beïnvloedt het zwanger worden en heeft gevolgen voor moeder en kind tijdens de zwangerschap en de bevalling en ook voor de periode na de bevalling. De Schildklierstichting Nederland heeft de website Weekvandeschildklier.nl gelanceerd met meer informatie.

Zelfonderzoek

Als het maar niet lukt om in verwachting te raken, kan dat heel verdrietig zijn. Je verlangt naar een kind. Je hebt je misschien al goed voorbereid en je leven aangepast.

Gevoelens

Intussen hebben vrienden of collega's die pas later een kindje wilden al een baby in de wieg. Natuurlijk gun je ze dat, maar het is een grote teleurstelling en het kan voelen als onrechtvaardig dat bij jullie nog geen kind in aantocht is. Andere mensen weten of begrijpen niet altijd hoe sterk die gevoelens kunnen zijn en hoe die van invloed zijn op jullie leven.

Wat kun je zelf doen?

Als je na 6 tot 12 maanden proberen nog niet zwanger bent, kun je om te beginnen nagaan of je elke maand een eisprong hebt. Dat is mogelijk met de 'temperatuurmethode'. Maar doe dat alleen als je al enige tijd vergeefs hebt geprobeerd om zwanger te worden. Begin er niet te snel mee. Veel mensen raken zo geobsedeerd door hun cyclus dat ze niet meer spontaan en met plezier vrijen.

Hoe werkt de temperatuurmethode?

Om te beginnen moet je weten dat de lichaamstemperatuur stijgt zodra de eisprong voorbij is. Het verschil met je normale temperatuur is die dag ongeveer 0,3 tot 0,5 graden. De temperatuur daalt weer als je opnieuw ongesteld wordt. Als je zwanger wordt, blijft je temperatuur wat verhoogd.

  • Elke ochtend vóór het opstaan of naar de wc gaan en wassen neem je je temperatuur op.
  • Die noteer je in een grafiek.
  • Zodra de temperatuur 0,3 tot 0,5 graden hoger is, ben je dus te laat om te vrijen voor de eisprong, want die is dan al geweest.

Een voorbeeld

Stel je temperatuur is altijd 36,5 graden en de dag na de eisprong stijgt je temperatuur 0,3 graden, dus naar 36,8 graden.

  • Je kijkt op welke dag dit is in je cyclus. Stel dit is de 15e dag.
  • Als dat na 3 maanden steeds de 15e dag is, weet je dat je eisprong de 14e dag was en dat je op de dagen ervoor kunt vrijen om de kans op een zwangerschap zo groot mogelijk te maken.

Tip

Een temperatuurcurve is ook handig om mee te nemen als je naar de dokter gaat omdat je nog steeds niet zwanger bent. Er is dan snel inzicht in een van de meest voorkomende problemen: wel of geen eisprong.

Kinderwensspreekuur

Je kunt ook een afspraak maken bij een verloskundige met een kinderwensspreekuur of je huisarts. Kijk voor verloskundigen met een kinderwensspreekuur op de website van de KNOV.

Extern onderzoek

Als het niet lukt om zwanger te worden, kun je een vruchtbaarheidsonderzoek laten doen. In eerste instantie gaat het om een gesprek met de arts en een kort lichamelijk onderzoek, eventueel aangevuld met een echo(grafie).

Onderzoek bij man en vrouw

De volgende stappen zijn een onderzoek naar de spermakwaliteit bij de man en een bloedonderzoek bij de vrouw. Bij dit laatste onderzoek wordt gekeken naar afweerstoffen tegen rodehond en chlamydia. Dit zijn ziekten die de vruchtbaarheid kunnen schaden.

Lichamelijk onderzoek en echo

Als het resultaat van deze onderzoeken onvoldoende duidelijkheid biedt, kunnen ook de baarmoeder en de eierstokken onderzocht worden. Dat gebeurt via een vaginaal onderzoek en een echo(grafie). Ook kan er met de echo gezien worden of er rijpende eicellen aanwezig zijn.

Baarmoederslijm

Het vaginaal baarmoederonderzoek houdt in dat er uitstrijkjes gemaakt worden om het baarmoederslijm te onderzoeken. Deze uitstrijkjes vinden plaats ongeveer 5 dagen, 3 dagen en 1 dag voor de te verwachten eisprong. Er wordt gekeken of je genoeg slijm produceert en of het slijm voldoende doorgankelijk is voor de zaadcellen.

Bloedonderzoek

Via bloedonderzoek (in combinatie met vragenlijsten) wordt gekeken of de juiste hormonen in de juiste hoeveelheid in je bloed aanwezig zijn. Op deze manier wordt de werking van de eierstokken onderzocht en hieruit is af te leiden of je een eisprong hebt en hoe vaak je dat hebt.

Poliklinische kijkoperatie

Een laatste mogelijkheid om meer duidelijkheid te krijgen, is een poliklinische kijkoperatie (laparoscopie). Hierbij worden de baarmoeder, de eileiders en de eierstokken van binnen bekeken en onderzocht op eventuele afwijkingen.

Sperma-analyse

Bij een sperma-analyse wordt gekeken naar de bijdrage van de man: hoeveel zaadcellen bevat een zaadlozing en wat is de kwaliteit en de vorm van de cellen en de beweeglijkheid ervan?

Echografie bij de man

Als uit de sperma-analyse blijkt dat er geen tot weinig bewegende zaadcellen zijn, kan een echo(grafie) gemaakt worden van de zaadballen om te zien of er niet ergens een blokkade is die de zaadcellen tegenhoudt.

Naar de gynaecoloog

Als je na een jaar nog niet zwanger bent, en je wilt nog steeds graag zwanger worden dan is het verstandig om een afspraak te maken met je huisarts of verloskundige. Als de huisarts of verloskundige geen oorzaak vindt voor een uitblijvende zwangerschap, zal hij of zij je doorverwijzen naar een gynaecoloog.

Niet zwanger worden

Ook bij complexe vruchtbaarheidsproblemen verwijst de huisarts of de verloskundige je naar de specialist. In de loop van de jaren is duidelijk geworden dat bij ongeveer 3 op de 10 paren de oorzaak van het uitblijven van een zwangerschap bij de vrouw ligt. Bij 3 op de 10 bij de man. En bij 3 op de 10 bij beiden. Bij 1 op de 10 paren wordt uiteindelijk geen oorzaak gevonden. De leeftijd van de vrouw is een belangrijke factor bij het wel of niet zwanger raken.

Signalen

In de volgende gevallen is het verstandig om meteen voor advies naar je huisarts te gaan. Je huisarts kan je dan adviseren en eventueel doorverwijzen naar een gynaecoloog.

  • Als je nooit of bijna nooit menstrueert.
  • Als je een cyclus hebt van korter dan 24 dagen. De cyclus duurt van de eerste dag van de menstruatie tot de eerste dag van de volgende menstruatie.
  • Als je een cyclus hebt van langer dan 35 dagen.
  • Als er in het verleden vruchtbaarheidsproblemen waren die nu nog kunnen bestaan.
  • Als je een aangeboren afwijking hebt die mogelijk onvruchtbaarheid tot gevolg kan hebben.
  • Als je ooit een medische behandeling hebt ondergaan waarvan de arts heeft vertelt dat die onvruchtbaarheid tot gevolg kan hebben.
  • Als je ooit een chlamydia- of gonorroe-infectie hebt doorgemaakt (dit zijn geslachtsziekten).
  • Als je ooit een ontsteking van een eileider hebt gehad.
  • Als bij de man ooit is vastgesteld dat hij zwak zaad heeft.
  • Als er problemen zijn tijdens het vrijen, zoals bijvoorbeeld pijn of impotentie.

Behandelingen

Wanneer het niet lukt om zwanger te worden en de oorzaak daarvan is vastgesteld via onderzoek, dan kan er gekozen worden voor een passende behandeling.

Problemen bij de vrouw

Meestal doen zich bij de vrouw problemen voor met de eicellen of met de eisprong. De medische behandelingen die daarbij mogelijk zijn, zijn een hormoonbehandeling en een reageerbuisbevruchting (IVF). Andere mogelijkheden zijn In Vitro Maturatie en een eiceldonor.

Problemen bij de man

De vruchtbaarheidsproblemen bij de man hebben veelal met de kwaliteit van het sperma te maken. Het kan zijn dat er geen, heel weinig of slecht sperma is. De vruchtbaarheidbehandelingen daarvoor zijn MESA, PESA en TESE.

Kunstmatige bevruchting

Soms is het mogelijk om via een kunstmatige bevruchting zwanger te worden. Hierbij kun je denken aan kunstmatige inseminatie en inseminatie met donorzaad.

Kunstmatige bevruchting

Als de zwangerschap niet spontaan ontstaat, biedt de medische wetenschap verschillende mogelijkheden om de natuur een handje te helpen.

Insemineren

Kunstmatige inseminatie (KI) houdt in dat het sperma met een spuitje tot voor de baarmoedermond gebracht wordt. Dat kan een zaadcel van de eigen partner zijn. Dit noemen ze KIE. KIE staat voor kunstmatig inseminatie met eigen zaad. Als het nodig is, kan het zaad eerst nog verbeterd worden door alleen de 'snelle zaadcellen' eruit te pikken en die in te spuiten. Dit heet IUI (intra-uteriene inseminatie). In sommige ziekenhuizen spuit men ook grotere hoeveelheden van dit 'snelle zaad' hoog in de baarmoederholte. Deze techniek bevindt zich echter nog in de onderzoeksfase.

Inseminatie met donorzaad

Eén van de mogelijkheden bij inseminatie is het laten inspuiten van zaad van een donor. Dat noemen ze KID. KID staat voor kunstmatige inseminatie met donorzaad. De regels rondom het donorschap zijn veranderd: het mag niet meer anoniem. Hierdoor willen minder mannen zaaddonor zijn. Gevoelsmatig is het natuurlijk ook een hele grote stap om te besluiten tot insemineren met het zaad van een donor. Doe dit daarom nooit overhaast en praat er samen heel goed en eerlijk over.

Alleenstaanden en lesbische stellen

Omdat er niet veel donorzaad beschikbaar is, hanteren sommige ziekenhuizen het beleid dat ze voorrang geven aan stellen die om medische redenen donorzaad nodig hebben. Dit geldt niet overal: je kunt bellen met klinieken en vragen wat hun regels hierin zijn.

Meer weten?

Er is een vereniging voor mensen met vruchtbaarheidsproblemen: Freya. Zij hebben veel ervaring met vruchtbaarheidsbehandelingen. Ze weten ze veel over de emoties die daarbij komen kijken. Ook houden ze een overzicht bij van wachtlijsten voor de diverse behandelingen in ziekenhuizen.

Hormoonpreparaten en IVF

Bij sommige vrouwen rijpen de eitjes wel, maar komt de eisprong niet tot stand. Als je geen eisprong hebt, kun je niet zwanger worden.

Hormonen

Een mogelijkheid om de eisprong te bevorderen, is het gebruik van hormoonpreparaten. Dit noemt men ovulatie-inductie. Het gebruik van hormonen die de eisprong bevorderen, verhoogt de kans op meerlingzwangerschappen. Daarom wordt je meestal ook aan medische controles onderworpen. Er wordt regelmatig bloedonderzoek gedaan en een echo gemaakt. Alleen als je niet te veel rijpe eitjes hebt (en wel voldoende!) dan mag je gaan vrijen om te proberen zwanger te worden.

Reageerbuisbevruchting

Bij een reageerbuisbevruchting (In Vitro Fertilisatie: IVF) haalt de arts met een naald enkele rijpe eicellen bij de vrouw weg, nadat zij hormonen heeft gekregen die de eicelrijping bevorderen. Deze eicellen komen in een reageerbuis samen met de zaadcellen van de man. Na enkele dagen worden 1 of 2 bevruchte eicellen (beginnende embryo's) in de baarmoeder geplaatst. Als de beweeglijkheid van het sperma niet zo sterk is, dan kan de arts eventueel een zaadcel in de eicel injecteren.

Cryopreservatie

De overgebleven embryo's kunnen worden ingevroren: dit heet cryopreservatie. Als er een ingevroren embryo wordt teruggeplaatst is de kans op een zwangerschap 10 procent.

De ingreep bij de vrouw

Reageerbuisbevruchting is enigszins belastend voor de vrouw, omdat er een eicel aangeprikt moet worden door de buik heen. De ingreep is meestal kort, maar het aanprikken van de eicel (de follikel eromheen) kan pijnlijk zijn. Het beleid voor de pijnstilling verschilt per ziekenhuis en de ervaringen per vrouw verschillen ook. Laat je hierover daarom goed voorlichten.

In Vitro Maturatie en eiceldonor

Bij sommige vrouwen rijpen de eitjes niet, of niet voldoende. Dan zijn er 2 mogelijkheden.

In Vitro Maturatie

In Vitro Maturatie is een nieuwe techniek die lijkt op reageerbuisbevruchting (IVF). Ook hier wordt een eicel en een zaadcel samengebracht. Alleen hoeft de eicel op het moment van oogsten nog niet rijp te zijn. Er worden onrijpe cellen gebruikt, die ongeveer 30 uur in het laboratorium worden 'gerijpt'.

Deze techniek staat echter nog wel in de kinderschoenen. Het voordeel ervan is dat de vrouw geen hormonen hoeft te slikken. Hierdoor daalt de kans op een meerlingzwangerschap.

Eiceldonor

Het is ook mogelijk dat je een eicel gebruikt van een andere vrouw. Deze vrouw is dan eiceldonor. Het geeft een goede kans om zwanger te worden. Maar de grootste drempel is dat het kind niet je eigen genetisch materiaal krijgt. In feite is de eiceldonor de 'biologische moeder', ook al ben je zelf zwanger.

Aan deze behandeling zitten nogal wat haken en ogen. Het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO heeft samen met diverse partijen, waaronder de NVOG, een Modelprotocol Embryowet opgesteld.

MESA, PESA en TESE

Er zijn verschillende vruchtbaarheidsbehandelingen voor de man.

MESA

Mannen die geen levend zaad in hun sperma hebben, kunnen in aanmerking komen voor een MESA behandeling: Microchirurgische Epididymale Sperma Aspiratie. Hierbij worden levende zaadcellen opgezogen uit de bijbal. Voor deze ingreep gaat de man onder narcose. De ingreep wordt gedaan door een uroloog, met behulp van een microscoop.

PESA

Vrijwel dezelfde behandeling kan ook zonder microscoop gedaan worden. Dit heet Percutane Epididymale Sperma Aspiratie (PESA). Hier komt dan een kleine injectienaald aan te pas en de man wordt alleen plaatselijk verdoofd. Deze behandeling is poliklinisch en wordt uitgevoerd door een uroloog. Het zaad wordt direct getest, eventueel is er meer zaad nodig en wordt er ook in de andere bijbal geprikt. Als er voldoende zaad is verkregen, wordt dit ingevroren.

TESE

TESE staat voor 'Testiculaire Sperma-Extractie'. Deze techniek is lastig en wordt daarom slechts in 2 ziekenhuizen in Nederland uitgevoerd: in Amsterdam en in Nijmegen. Hierbij worden er operatief zaadbuisjes verwijderd uit de testikels. Met een zeer klein naaldje worden de zaadbuisjes 'leeg gestreken'. De beweeglijke zaadcellen uit de zaadbuisjes worden vervolgens ingevroren en later in een eicel ingespoten.

Alternatieven

Als je geen kinderen kunt krijgen, althans als het langs de natuurlijke weg niet lukt, dan betekent dit nog niet dat je de rest van je leven geheel kinderloos blijft. Ook al zijn de kansen op een eigen kind voorbij, er zijn genoeg kinderen die behoefte hebben aan aandacht en genegenheid. Ook kun je bijvoorbeeld een rol van betekenis spelen in het leven van neefjes en nichtjes.

Pleegkinderen en adoptiekinderen

Je kunt pleegouder worden of een kind adopteren. Beide situaties zijn natuurlijk anders dan zelf een kind krijgen, dat van eigen vlees en bloed is. Of je dit verschil kunt accepteren en hoe je het beleeft, is voor elk persoon anders.

Gevoelskwestie

Als je heel sterk verlangd hebt naar een kind van jezelf en het is niet gelukt, dan kan het moeilijk zijn om de stap te zetten naar een ander kind. Een adoptiekind of pleegkind zal nooit helemaal die leegte opvullen van het niet zwanger kunnen worden. Je kunt het best eerst de tijd nemen om die gevoelens te verwerken, voordat je kiest voor een pleegkind of een adoptiekind.

Voor meer informatie en ondersteuning, kun je naar de FIOM.

Adoptie

Adoptie is al lange tijd een alternatief voor mensen die geen kinderen (meer) kunnen krijgen. Op dit moment kan het tussen de 3 en 6 jaar duren voor je een kind kunt adopteren. Dit is mede afhankelijk van je situatie en van wat je wilt.

Waarom zijn er zo weinig adoptiekinderen?

De reden hiervoor is dat kinderen steeds meer in eigen land worden geadopteerd. En in Nederland zelf zijn er niet zoveel kinderen die voor adoptie in aanmerking komen. Momenteel worden er jaarlijks ongeveer 15 Nederlandse kinderen ter adoptie afgestaan. De overige adoptiekinderen komen uit het buitenland zoals Korea, China, Afrika of Zuid-Amerika. Als je een kind adopteert, krijgt het kind jullie achternaam.

Voorwaarden om adoptieouder te worden

Als je overweegt een kind te adopteren, kun je allereerst contact opnemen met de stichting adoptievoorzieningen. Bij hen kun je informatie inwinnen en een aanvraagformulier indienen. Je wordt dan ook uitgenodigd om deel te nemen aan een voorlichtings- en voorbereidingstraject. Dit is verplicht.

Over leeftijd

Als je ouder bent dan 42 jaar (maar nog geen 46) kom je alleen in aanmerking voor een kind, dat op het moment dat de procedure start al minimaal 2 jaar is of een handicap heeft. Beide zaken moet je goed overwegen. Bij een zichtbare handicap weet je wat er aan de hand is. Bij een kind waar meer dan 2 jaar niet goed voor gezorgd is, kan emotionele schade zijn ontstaan. Dit openbaart zich vaak pas in de vroege puberteit.

Alleenstaand?

Als je alleenstaand bent en een kind wilt adopteren, dan kan dat ook. Je mag dan bij de start van de procedure nog geen 44 jaar zijn. Het is echter wel zo dat in veel landen getrouwde mensen voorrang krijgen.

Draagmoeder

Homoseksuele stellen en vrouwen die niet zwanger kunnen worden of niet in staat zijn een zwangerschap uit te dragen, kunnen voor een draagmoeder kiezen.

Het biologische moederschap

In Nederland is het niet meer mogelijk om draagmoederschap via IVF te doen. Dit betekent dat het binnen Nederland alleen mogelijk is om het zaad van de vader en de eicel van de draagmoeder te combineren. Kortom: het wordt het kind van je partner en een andere vrouw. De draagmoeder staat het kind vervolgens af aan jou via stiefouderadoptie. Hetzelfde geldt voor een zaaddonor.

Betaling is verboden

Draagmoeder zijn tegen betaling is bij de wet verboden en strafbaar. Je mag geen kind kopen, hoe graag je ook een kindje zou willen. Draagmoederschap uit menslievendheid of vriendschap mag natuurlijk wel. Hierover wordt vaak heel verschillend gedacht. Er zijn landen waarin het bijvoorbeeld heel gewoon is om één van je kinderen aan je zus te geven.

Afspraken

Als je draagmoederschap overweegt, realiseer je dan dat je van te voren ontzettend goede afspraken met elkaar moet maken. Informeer je ook goed over alle juridische zaken die erbij komen kijken. Maar ook over alle mogelijke spanningen die kunnen ontstaan en hoe je die kunt oplossen.

Gevoelskwestie

Het verschil tussen bedenken dat je een kind gaat krijgen en daadwerkelijk een kind in je armen houden is heel groot. Er kunnen gevoelens bijkomen die je niet had verwacht. Dit geldt ook voor draagmoeders. Er kan bijvoorbeeld een band ontstaan tussen de draagmoeder en het kind, ook al is het aan jou gegeven. Maar het kan ook zijn dat de draagmoeder vindt dat jij de opvoeding beter zou moeten doen of dat je niet zo ver weg moet gaan wonen. Dat geeft natuurlijk wrijvingen. Toch zijn er veel gevallen bekend waarin het draagmoederschap een succes is. Dus als de mogelijkheid zich aandient, is het daarom zeker de moeite waard om er samen eens over te praten.

Voor meer informatie en ondersteuning, kun je naar de Fiom.

Pleegzorg

Natuurlijk is het prachtig als je wat ruimte in je hart en je huis hebt om een kind op te vangen.

Als je ongewenst kinderloos bent is het over het algemeen aan te raden om eerst het rouwproces daarover af te sluiten, voordat je begint aan pleegkinderen. Anders leg je misschien te veel verwachtingen op het pleegkind en krijg je het zelf zwaar, zo blijkt in de praktijk.

Er zijn verschillende vormen van pleegzorg

Er is tijdelijke pleegzorg, regelmatige pleegzorg en langdurige pleegzorg. Bij deze mogelijkheden zijn er verschillende varianten mogelijk. Het kan bijvoorbeeld zijn dat je een kind voor een korte periode bij je hebt, omdat de problemen thuis snel opgelost kunnen worden. Maar het kan ook zijn dat een kind regelmatig bij je komt of zelfs voor lange tijd bij je komt wonen.

Het wordt nooit je eigen kind

Een pleegkind wordt nooit je eigen kind. Zolang de biologische ouders leven, is er een kans dat het kind op een gegeven moment weer teruggaat naar de ouders. Bijvoorbeeld omdat hun situatie verbeterd is en ze weer in staat zijn voor hun kind te zorgen. Soms kan dit voor pleegouders erg pijnlijk zijn, omdat de rechten van pleegouders veel minder sterk zijn dan die van biologische ouders.

Nooit helemaal zonder problemen

Pleegkinderen hebben natuurlijk een geschiedenis die ze meedragen. De meeste kinderen zijn ook in zekere mate beschadigd, doordat ze bij hun ouders zijn weggehaald. Je merkt dat aan hun gedrag. Vooral rust en aandacht helpt vaak enorm. Als het beter gaat en je ziet het kind opbloeien, dan maakt dat het pleegouderschap ook vervullend. Jonge baby's kunnen zich nog wel hechten aan hun pleegmoeder.

Voorbereidingstijd

Via de stichting Pleegzorg Nederland kun je veel te weten komen over het pleegouderschap en de zorg voor pleegkinderen. Elke regio heeft zijn eigen pleegzorginstelling die regelt dat pleegkinderen geplaatst worden bij pleegouders.

Als je je verder wilt oriënteren op pleegzorg kun je contact zoeken met de pleegzorgafdeling van Jeugdzorg bij jou in de buurt. Je krijgt dan bezoek thuis van een intakemedewerker en je zult een cursus gaan volgen om te bepalen of het pleegouderschap voor jou een goede keuze is

Kun je kiezen?

Je kunt niet zelf een pleegkind kiezen. Wat wel kan, is je voorkeur aangeven voor de leeftijd van het kind. Dit gaat in overleg met de intakemedewerker.

Ongewenste kinderloosheid

Er kan een punt komen waarop je beseft dat het ouderschap niet voor jou is weggelegd. Misschien heb je bijna alles geprobeerd en zijn er alleen nog enkele (medische of alternatieve) opties over die je niet meer wilt of kunt proberen.

Rouwproces

Als je eenmaal beseft en accepteert dat je kinderloos blijft, kom je op een gegeven moment in een rouwproces. Dat proces kan bij mannen en vrouwen verschillend verlopen. Bij vrouwen is het vaak een fysieker gevoel. Het enige wat je kunt doen, is je eigen gevoelens en die van je partner serieus nemen.

Ongrijpbaar verdriet

Eén van de kenmerken van verdriet over ongewenste kinderloosheid is dat je eigenlijk rouwt om iets dat er nooit is geweest. Dat gevoel kan ook vaker in je leven terugkomen, bijvoorbeeld bij het ouder worden en het zien van de kinderen van vrienden en familie bij wie het wel gelukt is. Een ander kenmerk is dat je vaak vragen uit je omgeving krijgt, zoals: "Heb je ook kinderen?" Of: "Wilde jij geen kinderen?"

Wapen je tegen vragen

Om het rouwproces goed in te gaan, is het belangrijk dat je het verdriet erkent en dat je naaste omgeving dit ook doet. Op (soms domme) vragen uit je omgeving kun je bedacht zijn en je voorbereiden. Bijvoorbeeld door een goed standaardantwoord te verzinnen waarmee je ook meteen duidelijk maakt dat je er liever niet over wilt praten.

Acceptatie

Het kan moeilijk zijn om kinderloosheid te accepteren, zeker als je lange tijd heel intensief met kinderen krijgen bezig bent geweest. Als je je aandacht weer verlegt naar andere dingen zal het beter gaan. Het rouwproces is iets waar je zelf door moet. Informatie, ondersteuning of gesprekken kunnen helpen. Uiteindelijk is het zeker mogelijk om ermee in het reine te komen. Het feit dat je zo graag zoveel van een kind zou willen houden, blijft iets moois.

Heb je vragen, dan kun je terecht bij de FIOM voor meer informatie en ondersteuning.

Erfelijkheid

Kinderen krijgen hun erfelijke eigenschappen van hun ouders: de helft van de vader en de helft van de moeder. Maar niemand weet tevoren wát een kind van de vader meekrijgt en wát van de moeder.

Mogelijke aandoeningen

Je kunt leuke eigenschappen, zoals bijvoorbeeld je blonde haar of je blauwe ogen doorgeven aan je kinderen. Maar er zijn soms ook minder leuke erfelijke eigenschappen die je kinderen kunnen krijgen. Met de minder leuke erfelijke eigenschappen bedoelen we aandoeningen.

Praat erover

Als er in je familie een erfelijke of aangeboren aandoening voorkomt is het verstandig om dit al vóór de zwangerschap met de verloskundige of de huisarts te bespreken. Aanvullend onderzoek is dan mogelijk voordat je zwanger wordt. Je kunt hiervoor ook bij een kinderwensspreekuur terecht.

Checklist erfelijkheid

Wil je weten of je kans hebt op een kind met een aandoening? Beantwoord dan hieronder alle vragen.

Vragenlijst

Alle vragen gelden ook voor je partner. Geef dus allebei antwoord op deze vragen!

  • Komt er in je familie een erfelijke of aangeboren ziekte voor?
  • Heb je al eens een zwangerschap afgebroken omdat het kindje een aangeboren afwijking had?
  • Heb je een afwijking of ziekte, waarmee je geboren bent?
  • Heb je een erfelijke ziekte?
  • Zijn jij en je partner familie van elkaar, bijvoorbeeld nicht en neef?
  • Heb je een kind met een afwijking?
  • Heb je een kind met een vertraagde ontwikkeling?
  • Heb je 2 of meer miskramen gehad?
  • Zijn er in jouw familie kinderen dood geboren of jong dood gegaan?
  • Zijn er kinderen in jouw familie met een ziekte of afwijking?

Familieleden?

Ook is het belangrijk om te kijken naar aandoeningen en ziektes binnen de familie. Hebben jullie familieleden met:

  • taaislijmziekte;
  • een stofwisselingsziekte;
  • een spierziekte;
  • een open ruggetje;
  • en aangeboren hartafwijking;
  • een psychiatrische aandoening;
  • de ziekte van Huntington;
  • het Downsyndroom
  • of een andere erfelijke of aangeboren aandoening?

Herkomst?

Ben je geboren in een gebied waar erfelijke bloedarmoede vaker voorkomt? Dat zijn Afrika, landen rond de Middellandse Zee (zoals Marokko, Turkije), het Midden Oosten, het Verre Oosten (Azië), Suriname, de Antillen en het Caribische gebied? Of is er familie van jou geboren? Jouw ouders, grootouders, overgrootouders of nog verdere familie?

De uitslag van de checklist

Is je antwoord 'ja' op één of meer vragen? Ga dan naar je huisarts als je zwanger wilt worden. De huisarts kan eventueel een afspraak voor je maken bij een arts. Je krijgt dan een gesprek of een erfelijkheidsonderzoek.

Je kunt ook online op ZwangerWijzer.nl een vragenlijst invullen om te kijken of er risico's zijn voor jou, je partner of je kind.

Meer informatie

Ben je op zoek naar meer informatie? Ga dan naar de website Erfelijkheid.nl van het Erfocentrum.

Chromosomen

De erfelijke eigenschappen liggen opgeslagen in de lichaamscellen. Bij de mens liggen ze op 23 verschillende paren chromosomen. Ieder chromosoom bevat enorme hoeveelheden genen, die allemaal zorgen voor iets dat het lichaam moet kunnen.

46 Chromosomen

Een mens heeft alle soorten chromosomen dubbel, 23 van de vader, 23 van de moeder. Dat is prettig! Want als er in één chromosoom een foutje geslopen is, kan het andere chromosoom het probleem vaak opvangen. En kan je lichaam nog steeds alles doen wat het moet kunnen.

Foutjes

Foutjes in het erfelijke materiaal komen vaak voor. We zijn dus bijna allemaal drager van een aantal van zulke foutjes. Maar meestal merk je daar dus niets van.

Erfelijke afwijkingen

Er zijn ook foutjes die kunnen leiden tot erfelijke afwijkingen. Die foutjes kun je doorgeven aan je kinderen. Soms kan je kind dan een erfelijke of aangeboren aandoening hebben. Wil je meer weten over de kans op erfelijke afwijkingen ga dan naar je huisarts of naar het Erfocentrum.

Recessieve ziekten

Bij sommige erfelijke ziekten is het niet erg dat je foutjes in je genen hebt. Heb je een foutje op het chromosoom van je moeder meegekregen, dan vangt die van je vader dat wel op. En andersom ook.

Je noemt die ziektes recessieve erfelijke afwijkingen: het gezonde gen is de baas. Daarom komt de ziekte niet tot uiting.

Ziekte in de familie

Meestal merk je dus generaties lang niets van die 'ziekte in de familie' en weet je helemaal niet dat je dat foutje bij je draagt. Het gaat mis als beide ouders toevallig hetzelfde foutje hebben. Als je allebei dat foutje aan je kind doorgeeft, wordt het kind geboren met een aandoening. Op sommige van deze aandoeningen worden baby's kort na de geboorte getest.

Kans voor volgende kinderen

Als je als ouders al een kind hebt met een aandoening, heb je een kans van 1 op 4 dat een volgend kind dezelfde aandoening heeft. De kans dat het kind van één of beide ouders een gezond chromosoom krijgt, is wel groter.

Cystic fibrosis

De recessieve aandoening die het meest voorkomt in Nederland is cystic fibrosis (taaislijmziekte). Door de verbeterde behandeling is de kwaliteit van leven voor mensen met cystic fibrosis verbeterd. Iemand met cystic fibrosis kan een kind krijgen zonder de ziekte, als hun partner niet ook drager is. Dat kind is dan wel drager.

Omdat vrij veel mensen drager zijn van cystic fibrosis, is het verstandig erfelijkheidsadvies te vragen als deze ziekte in de familie van één van beide partners voorkomt.

Familie van elkaar

Als jij en je partner familie van elkaar zijn, kunnen jullie meer dezelfde erfelijke eigenschappen hebben dan andere paren. Het is niet erg dat sommige eigenschappen dan misschien wat meer benadrukt worden. Misschien zijn die familietrekjes zelfs wel leuk.

Erfelijke aandoening

We zijn allemaal (zonder het zelf te weten) drager van enkele erfelijke aandoeningen. Je merkt daar meestal niets van. Maar je kunt ze wel doorgeven aan je kinderen. Ongeveer 3 tot 5 procent van de kinderen wordt geboren met een erfelijke en/of aangeboren aandoening.

Neef en nicht

Als je partner je neef of nicht is, dan geldt het volgende:

  • je hebt 5 tot 8 procent kans op een kind met een aandoening;
  • ook als er verder geen aandoeningen in de familie voorkomen.

Ook als je partner je achterneef of achternicht is, heb je een iets verhoogde kans op een kind met een aandoening. Als bekend is dat in je familie erfelijke aandoeningen voorkomen, dan kan de kans op een kind met een aandoening groter zijn.

Praat erover

Het wordt aangeraden om dit onderwerp al vóór de zwangerschap met de verloskundige, huisarts of klinisch geneticus (specialist op het gebied van erfelijkheid) te bespreken. Als er in jullie familie erfelijke aandoeningen voorkomen, dan kan soms met onderzoek bepaald worden of jullie drager zijn van deze aandoening.

Meer informatie over erfelijkheid kun je vinden op de website Erfelijkheid.nl van het Erfocentrum.

Downsyndroom

Tijdens je zwangerschap kan ook iets misgaan bij het 'sorteren' van het erfelijk materiaal in de geslachtscellen van jou of je partner. Dus in de eicel of de zaadcel.

Bij de aanmaak van eicellen en zaadcellen kan het wel eens zijn dat deze cellen niet 23 chromosomen, maar bijvoorbeeld 22 of 24 chromosomen krijgen. Als deze cellen dan samensmelten met een andere geslachtscel ontstaat er een vruchtje met meer of minder chromosomen.

3 keer chromosoom 21

Een voorbeeld van een vermeerdering van deze chromosomen is het Downsyndroom. Bij het Downsyndroom is er sprake van trisomie 21, dit houdt in dat er 3 (tri) chromosomen 21 aanwezig zijn. Deze kinderen worden ook wel 'mongooltjes' genoemd. Zij hebben 3 chromosomen nummer 21 in plaats van 2.

Beperkingen

Mensen met Downsyndroom hebben een lichte tot ernstige verstandelijke handicap. Ook hebben mensen met Downsyndroom vaak een aantal herkenbare uiterlijke kenmerken. Daarnaast ontwikkelen zij zich lichamelijk trager.

Zwanger op latere leeftijd

Bij oudere moeders is de kans groter dat het sorteren van het erfelijk materiaal misgaat. Zij hebben dan ook meer kans op een baby met zo'n chromosomale afwijking en kunnen zich daarop vroeg in de zwangerschap laten onderzoeken.

Geslachtgebonden

Als het X-chromosoom van een jongen een foutje heeft, kan dat een probleem zijn. Omdat een jongen maar 1 X-chromosoom heeft, kan het foutje niet door het andere X-chromosoom opgevangen worden. Soms ontstaat een ziekte. Dat zijn de geslachtsgebonden aandoeningen.

Voornamelijk bij jongens

Geslachtsgebonden aandoeningen komen bijna alleen bij jongens voor. Het kan gaan om bepaalde spierziekten, ziekten die om behandeling vragen, zoals bloederziekte (hemofilie). Het kan ook om iets onschuldigs gaan, zoals verminderd kleuren zien.

Erfelijkheidsonderzoek

Erfelijkheidsonderzoek kan worden gedaan als er misschien een kans is op een kind met een erfelijke of aangeboren aandoening.

Klinisch genetische centra doen erfelijkheidsonderzoek. Als iemand in aanmerking komt voor erfelijkheidsonderzoek dan is er meestal een buisje bloed nodig van beide partners. De genen worden onderzocht op afwijkingen.

Wat kan er ontdekt worden?

Wat gevonden kan worden is, dat jij en/of je partner een bepaald gemuteerd gen hebben. Dat is eigenlijk een verandering in je erfelijke materiaal. Deze verandering kan bij een kind soms leiden tot een aandoening.

Wat de gevolgen voor een kind kunnen zijn, is afhankelijk van de uitslag van het erfelijkheidsonderzoek. Soms kan na erfelijkheidsonderzoek (nog) niets gezegd worden over de kans dat een kind een bepaalde aandoening krijgt.

Wil je het wel of niet weten?

Er zijn ook mensen die ervoor kiezen om niets te willen weten over erfelijkheid, ook niet als ze een ziekte dragen. Of je wel of geen erfelijkheidsonderzoek laat doen, als je hiervoor in aanmerking komt, is een persoonlijke keuze. Wat voor jezelf belangrijk is, is dat je van te voren kunt bedenken wat je gaat doen met de kennis die je eventueel zult krijgen.

  • Niet zwanger worden?
  • Wel zwanger worden en hoe dan ook het kind laten komen en de beperkingen accepteren?
  • Of gewoon maar beginnen, jezelf tijdens de zwangerschap laten onderzoeken en bij slecht nieuws de zwangerschap afbreken?

Mensen kiezen heel verschillende wegen hierin. Geen enkele keuze is gemakkelijk.

Laat je voorlichten

De medewerkers van een klinisch genetisch centrum kunnen je voorlichten over jouw specifieke situatie. Erfelijkheid en genenonderzoek zijn ingewikkelde onderwerpen. Hierbij kun je zelf het volgende doen:

  • check of je de informatie echt goed hebt begrepen;
  • schrijf je vragen op;
  • en vraag of ze de informatie op schrift hebben, zodat je het nog eens kunt lezen.

Adressen

De adressen van de klinisch genetische centra kun je vinden op de website Erfelijkheid.nl.

Zwanger!

Misschien had je al een vermoeden dat je wel eens zwanger kon zijn. Als dan de zwangerschapstest positief is, kunnen er ineens een heleboel verschillende gevoelens bij je loskomen: blijdschap, geluk, verwarring, verbazing, onzekerheid, ongerustheid, maar ook een gevoel van "Help! Kan of wil ik dit wel?"

Emoties

Het is allemaal normaal. Een zwangerschap heeft een enorme invloed op je leven, dus het is logisch dat je zoveel verschillende emoties hebt. Er kunnen ineens ook veel vragen bij je opkomen. Hiermee kun je terecht bij een verloskundige bij jou in de buurt, of bij je huisarts.

Ben ik zwanger?

Misschien probeer je al een tijdje zwanger te worden, of misschien is het (nog) niet de bedoeling. Als je weet wat de symptomen zijn van een zwangerschap, kun je misschien eerder ontdekken dat je zwanger bent.

Symptomen zwangerschap

  • Allereerst stopt natuurlijk de menstruatie, of deze wordt veel minder hevig dan normaal.
  • Je borsten kunnen gevoelig zijn en opzwellen en je tepels worden groter en donkerder van kleur.
  • Je moet waarschijnlijk vaker plassen dan normaal.
  • Je kunt last krijgen van je maag (brandend maagzuur) en van verstopping.
  • Je kunt je behoorlijk misselijk (vooral als je opstaat) en rusteloos voelen.
  • Je kunt vaak hoofdpijn krijgen en je kunt je erg moe voelen.
  • Je krijgt misschien last van stemmingswisselingen (snel huilen of snel boos zijn).
  • Je hebt geen zin in ander eten en drinken dan je gewend bent.
  • Of je hebt geen zin in eten en drinken, dat je normaal heel lekker vindt (zoals koffie).

Zwangerschapstest

Als je een aantal van deze symptomen herkent en vermoedt dat je zwanger bent, is het natuurlijk verstandig om zo snel mogelijk een zwangerschapstest te doen. Een zwangerschapstest biedt voldoende zekerheid. Je kunt een zwangerschapstest kopen om het zeker te weten. Deze test is niet goedkoop. De test meet of je het zwangerschapshormoon hCG in je lichaam hebt. Dat hormoon maakt je lichaam aan als de eicel en zaadcel samen in jouw baarmoeder een plek vinden.

Beste moment zwangerschapstest

Je kunt al een test doen als je 1 of 2 dagen over tijd bent. Maar als je zeker wilt zijn, kun je beter wachten tot je 10 dagen over tijd bent. Het kan zijn dat het vruchtje in het begin van de zwangerschap wordt afgebroken. Soms laat de test ook zien dat je niet zwanger bent terwijl je dat al wel bent. Dat kan komen omdat er nog niet genoeg hormonen in je urine zit. Denk je toch dat je zwanger bent? Doe de test na een week nog een keer.

Natuurlijk kun je ook even langs de huisarts gaan.

Zwangerschapstest

Om te testen of je zwanger bent kun je naar je huisarts en verloskundige gaan, maar je kunt ook zelf een zwangerschapstest doen.

Een test kopen

Je kunt een test kopen bij de drogist. Er zijn veel verschillende soorten testen te krijgen. Veel drogisten verkopen 'eigen merk' testen. Deze testen zijn erg betrouwbaar. Je kunt er ook direct 2 kopen, zodat je de test voor de zekerheid nog een keer kunt herhalen. Het testen kost maar enkele minuten en de test is, als je het zorgvuldig doet, behoorlijk betrouwbaar.

Wanneer kun je de test doen?

Als je zwanger bent dan maakt je lichaam het zwangerschapshormoon hCG aan. Dat hormoon komt in je urine terecht. Eerst weinig, dan steeds meer. Normaal gesproken kun je de test uitvoeren op de dag dat je eigenlijk ongesteld had moeten worden (ongeveer rond de 2 weken na de bevruchting dus).

Soms geeft een test de uitslag 'niet zwanger', maar als je je wél zwanger voelt, kan dit komen doordat er nog net niet genoeg hormoon in je urine zit voor een positieve uitkomst van de test. Als je het niet vertrouwt, kun je na ongeveer 7 à 10 dagen de test nog eens herhalen.

Aan de pil, met de pil gestopt of net zwanger geweest?

Als je net met de pil bent gestopt dan is het normaal dat je menstruatie wat langer uitblijft. Als je net bent bevallen, is je hormoonhuishouding ook anders dan anders. In die beide gevallen kun je het best wachten met de test tot de datum dat je al wel 3 weken zwanger zou kunnen zijn. Dit geldt ook als je aan de pil bent en je vermoedt dat je misschien toch zwanger bent. Dit komt zelden voor, maar is wel mogelijk.

Het uitvoeren van de test

Bij het uitvoeren van de test is het belangrijk dat je bij voorkeur de eerste ochtendurine gebruikt. De ochtendurine is vers en niet te veel verdund. Je kunt daarom ook beter niet te veel water drinken de avond ervoor. Het potje waarin je de urine opvangt moet goed schoon en droog zijn en mag geen restjes schoonmaakmiddel bevatten. Volg verder de gebruiksaanwijzing bij de test. En raadpleeg bij twijfel je huisarts.

Gewenst zwanger of niet?

Voor de één is zwanger worden een vurige wens, voor een ander komt de zwangerschap misschien als een schok. Voor hulp bij een onbedoelde zwangerschap of als zwanger raken niet lukt, kun je terecht bij diverse hulpinstanties.

Emoties

Als de zwangerschapstest positief is, kunnen er ineens een heleboel verschillende gevoelens bij je loskomen: blijdschap, geluk, verwarring, verbazing, onzekerheid, ongerustheid, maar ook een gevoel van "Help! Kan of wil ik dit wel?" Het is allemaal normaal.

Vragen

Een zwangerschap heeft een enorme invloed op je leven, dus het is logisch dat je zoveel verschillende emoties hebt. Er kunnen ineens ook veel vragen bij je opkomen. Hiermee kun je terecht bij de verloskundige. Ben je op zoek naar een verloskundige? Kijk dan op de website van het KNOV

Naar de verloskundige

De verloskundige begeleidt je tijdens je zwangerschap, bevalling en de kraamtijd. Zij controleert of de zwangerschap goed verloopt en stuurt je door naar de gynaecoloog als er complicaties optreden. Zij geeft zoveel mogelijk antwoord op al je vragen.

Informatie

Je krijgt van haar bovendien informatie over gezonde leefgewoonten en over onderzoeken tijdens de zwangerschap. Jouw eventuele medewerking aan Moeders voor Moeders komt ook ter sprake. Sommige informatie is al vroeg in de zwangerschap belangrijk, daarom is het goed zo snel mogelijk een afspraak te maken met de verloskundige.

De eerste afspraak in de zwangerschap is meestal als je tussen 8 en 10 weken in verwachting bent. De huisarts kent alle verloskundigen in de buurt. Ook kun je kijken op de website van de KNOV.

Miskraam

De eerste weken van een zwangerschap zijn spannend. Er gebeurt van alles in je lichaam en je hebt er geen controle over. Veel mensen zouden het liefst elke dag controleren of het nog wel goed gaat daarbinnen.

Gezond leven

De kans op een miskraam is in de eerste 12 weken het grootst. Veel drank- en drugsgebruik of veel roken verhogen de kans op een miskraam. Je kunt dus het best zo gezond mogelijk leven als je zwanger wilt worden. Toch kun je niets anders doen dan afwachten. Pas bij 7 tot 8 weken zwangerschap is op de echo een kloppend hartje te zien. Maar dan weet je nog steeds niet zeker of de zwangerschap goed blijft gaan.

Bloedverlies

Het kan gebeuren dat je in het begin wat bloedverlies hebt. Dit komt vaak voor en er zit niets anders op dan even afwachten.

  • Verlies je maar weinig bloed, stopt het vanzelf, en heb je geen krampen, dan is er meestal niets aan de hand.
  • Verlies je veel, helderrood bloed en heb je krampen, dan kan het betekenen dat je een miskraam krijgt. Bel dan met de verloskundige, zij zal met je doornemen wat er kan gebeuren, je informatie geven en begeleiden waar nodig en mogelijk.

Curettage

Soms komt het voor dat pas bij de eerste echo blijkt dat het vruchtje al eerder is gestopt met leven. Dat is een enorm verdriet, zeker als je dit niet had verwacht. Veel vrouwen willen dan het liefst zo snel mogelijk van deze zwangerschap af. Toch is het gezonder om eerst even af te wachten wat er gebeurt en je lichaam de kans te geven om het vruchtje zelf af te stoten. Als dit niet gebeurt of je wilt zelf niet langer wachten, dan kun je naar de gynaecoloog voor een curettage. Bij een curettage wordt het vruchtje in jouw baarmoeder weggezogen. Dit gebeurt onder algehele narcose of een ruggenprik.

Chromosomenonderzoek

Heb je 2 of meer miskramen gehad dan kun je een chromosomenonderzoek laten doen. Dit is een onderzoek waarbij je kijkt of je een bepaalde afwijking hebt in jouw DNA waardoor je vaker een miskraam krijgt. De reden van 1 of meerdere miskramen is vaak, helaas, niet duidelijk. Wil je een chromosoomonderzoek dan kun je dat regelen via de huisarts.

Verdriet

Een miskraam kan je erg verdrietig maken, ongeacht hoe lang je zwanger was. Je kunt een tijdlang rouwen om de baby die je niet kreeg. Dit is normaal, je moet afscheid nemen van dit kindje en van het idee van een zwangerschap. Je kunt je ook schuldig voelen. Het is goed om te weten dat uit onderzoek is gebleken dat de meeste miskramen ontstaan omdat er iets niet in orde was met het vruchtje. Neem de tijd om een miskraam zowel lichamelijk als geestelijk te verwerken.

Meer informatie over een miskraam kun je vinden op de website van de NVOG, maar je kunt ook altijd je verloskundige om advies en medische begeleiding vragen.

Nadenken over borstvoeding

Borstvoeding geven is meer dan alleen je baby voeden. Het is intiem, gezellig en een goede manier om een sterke band te krijgen met je kind. De hechting tussen jou en je kind zal daardoor bevorderd worden. Daarom is het goed om nu alvast samen met je partner na te denken over borstvoeding.

Borstvoeding is teamwerk

Je partner kan ook een belangrijke rol spelen. Hij kan de baby aangeven, helpen bij het zoeken naar een juiste voedingshouding en je steunen als je het even niet meer ziet zitten. Borstvoeden wordt zo echt teamwerk. Samen zorgen jullie ervoor dat de borstvoeding een succes kan worden.

Moedermelk

Moedermelk is ook de beste voeding voor je kind. Het bevat alle noodzakelijke voedingsstoffen en is precies afgestemd op de behoeften van je baby. Bovendien bevat moedermelk afweerstoffen die je baby beschermen tegen ziekten en infecties. Moedermelk is ook altijd op de juiste temperatuur, heel handig! Het geven van borstvoeding laat daarnaast de baarmoeder weer goed samentrekken.

Borstoperatie

Heb je een borstoperatie gehad en maak je je zorgen of je je kind straks borstvoeding kan gaan geven? Met goede informatie en steun is het vaak mogelijk om de melkproductie volledig of gedeeltelijk op gang te brengen.

Lactatiekundige

Een lactatiekundige (in samenwerking met de kraamverzorgende) kan je goed helpen. Zelfs als je melkproductie beperkt is zijn er mogelijke oplossingen te bedenken, zodat jij en je kind toch van de borstvoeding kunnen genieten.

Relaties

De meeste kinderen groeien op in een gezin. Vroeger bestond het gezin meestal uit een vader en moeder met broertjes en/of zusjes. Maar tegenwoordig kennen we ook gezinnen met bijvoorbeeld gescheiden ouders, alleenstaande ouders, pleegouders en homoseksuele ouders.

Waardevolle basis

Hoe je gezin ook is samengesteld: het blijft een belangrijke thuishaven voor een kind. Dé plek waar hij moet kunnen rekenen op veiligheid, liefdevolle aandacht, zorg en respect. Wanneer je een kinderwens hebt, is een stabiele basis belangrijk.

Hier vind je informatie over gezinssamenstelling, gezinsuitbreiding, en samenlevingsvormen.

Gezinsuitbreiding

Misschien weet je al precies hoeveel kinderen je zou willen. Of misschien twijfel je nog. Als je een partner hebt, zul je er waarschijnlijk samen over beslissen. Jouw of jullie beslissing is afhankelijk van veel factoren, zoals jullie gevoel, visie over de samenleving en meer praktische zaken als inkomen, huisvesting en levensstijl.

Eerste kind

Als je een partner hebt, ben je met z'n tweetjes. Als je een kinderwens hebt, zal hier verandering in komen. Dit heeft veel gevolgen voor jezelf, je eventuele partner en misschien nog andere mensen in je omgeving.

Nog een kind

Als je al een kind hebt, is het misschien makkelijker om voor nog een kind te kiezen. Maar ook in dit geval zul je waarschijnlijk opnieuw goed nadenken over deze keuze en je situatie. Maar het kan natuurlijk ook dat het zwanger worden je overkomt.

Wel of geen kinderen?

Wil je graag een kind? Misschien zie je jezelf al als ouder. Of weet je het niet zeker? En wat wil je eventuele partner? Is je relatie sterk genoeg? Kun je wel blijven werken?

Misschien weet je het heel zeker, of misschien twijfel je nog. Maar het kan ook zijn dat je gewoon liever het juiste moment afwacht.

Het moedergevoel

Bij sommige vrouwen komt de kinderwens voort uit een sterk, onverklaarbaar moedergevoel. Je verlangt naar een baby. Je ziet jezelf al als moeder. Kinderen zijn leuk en lief. Een kind herinnert je aan je eigen kindertijd. Misschien wil je een baby als teken van de liefde tussen jou en je partner. Een baby kan voor een sterke band tussen de ouders zorgen.

Andere vrouwen hebben (nog) niet zo'n sterk moedergevoel. Hun kinderwens is meer afhankelijk van hun situatie. Het is hoe dan ook verstandig om goed naar je gevoel en situatie te kijken om af te wegen of je er klaar voor bent om kinderen te krijgen.

Vader of duo-moeder worden

Misschien heb je een sterke wens om ouder te worden? Je ziet jezelf al met je kind fietsen, voetballen of knuffelen. Maar je kunt ook twijfelen. Bijvoorbeeld vanwege de grote gevolgen die het krijgen van een kind heeft voor je leven. Je kunt daar met je partner en vrienden over praten.

De afweging

Kinderen krijgen brengt grote aanpassingen met zich mee van je huidige leven. Natuurlijk zijn kinderen een verrijking van je leven. Maar kinderen vergen ook veel van je, omdat ze veel zorg en aandacht nodig hebben. Je moet in staat zijn om ze onderdak te bieden en om ze financieel te ondersteunen.

Aspecten waar je keuze van af kan hangen, zijn:

  • inkomen
  • huisvesting
  • stabiele relatie
  • samenlevingsvorm
  • gezonde levensstijl

Leefsituatie

Een goed inkomen, een ruim huis, een stabiele relatie en een gezonde levensstijl zijn waarschijnlijk belangrijk voor je. Er zijn verschillende samenlevingsvormen zoals samenleven, trouwen of een geregistreerd partnerschap. Als je niet zit te wachten op allerlei wettelijke regelgeving, is het handig dat je getrouwd bent of je partnerschap registreert voordat je kinderen krijgt. Als man en vrouw ben je dan allebei automatisch de wettelijke ouder van je kind. Als jullie een homo-relatie hebben, is dat anders. De wetgeving voor homo-relaties is ingewikkeld, je kunt het beste advies vragen.

Wat er verandert

Je kind is er altijd: 24 uur per dag, 7 dagen per week. Je moet bij alles wat je doet aan je kind denken. Je wordt gevoeliger als je een kind krijgt. Dat helpt je om beter te weten wat je kind nodig heeft.

  • Je moet kinderopvang hebben als je werkt.
  • Je moet soms verhuizen naar een groter huis. Of naar een buurt die beter is voor je kind.
  • Als je een relatie hebt, verandert jullie relatie. Je kind vraag altijd aandacht!
  • Je kunt niet zomaar weg. Uit of op reis. Je hebt kinderopvang of oppas nodig. En niet elke reis is leuk voor een kind.

Kinderen kosten geld

Houd ook rekening met je financiële situatie. Kinderen kosten geld. Denk aan zwangerschapskleren, kinderkleren, meubels voor de kinderkamer en eten voor je kind. Het Nibud heeft de kosten voor je op een rijtje gezet. Zij hebben een geldwijzer voor kinderen gemaakt.

Voorbereiden op een kind

Het kind dat je zo graag en bewust geboren wilt laten worden, heeft recht op een goede start in het leven. Tijdens de zwangerschap leg je de basis voor een gezond leven voor je kind.

Je ongeboren kind is geheel afhankelijk van wat jouw lichaam hem aanbiedt: voedingsstoffen, zuurstof, maar ook schadelijke stoffen of straling. Daarom is het goed dat je let op wat je eet en drinkt en in welke omgeving je verblijft.

Alcohol, roken en chemische dampen

Alcohol, roken en chemische dampen zijn slecht voor de ontwikkeling van je kind. Daarom is het verstandig om te stoppen met alcohol en roken al voor je stopt met anticonceptie.

Medicijnen

Bepaalde medicijnen kunnen ook een risico zijn. Gebruik je medicijnen en wil je zwanger worden? Overleg dit met je arts en vertel het aan de apotheek. De apotheek legt het vast in de computer en zal je waarschuwen als medicijnen niet gebruikt mogen worden in de zwangerschap. De apotheker kan altijd overleggen met de arts om samen te bepalen wat het beste voor je is en eventueel een ander medicijn te gebruiken. Ook middelen die je bij de drogist, of elders, zonder recept kunt kopen kunnen niet veilig zijn. Overleg met je apotheker of een middel veilig is.

Een broertje of zusje

Misschien had je ooit al eens bedacht hoeveel kinderen je zou willen. Alleen ben je nu een ervaring rijker en weet je wat het is om ouder te worden. Deze ervaring zul je waarschijnlijk meenemen in de keuze om nog een kind te krijgen. Samen met andere belangrijke aspecten, zoals je inkomen, je relatie en je huisvesting. Dat geldt natuurlijk ook voor je eventuele partner.

Een broertje of zusje

Misschien wil je niet dat je kind het enigst kind blijft. Je vraagt je misschien af wat dit voor je kind betekent. Elk kind reageert anders op de komst van een broertje of zusje. Hoe jonger je kind, hoe minder hij zich daarvan bewust is.

Kinderen

Oudere kinderen hebben meestal goed in de gaten wat er aan de hand is. Sommige kinderen vinden het leuk om een broertje of zusje te krijgen. Andere kinderen snappen niet goed wat er gebeurt of worden jaloers als het kindje er is. Ze hebben er moeite mee dat de aandacht van hun ouders wordt verdeeld. Hoe je kind reageert hangt natuurlijk ook met de leeftijd van je kind samen. Peuters reageren anders dan basisschoolkinderen. Het is belangrijk om je kind zo goed mogelijk te betrekken bij wat er gebeurt en gaat gebeuren.

Gezinssituatie

Volgens de overheid is een gezin een leefverband van 1 of meer volwassenen die verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en de opvoeding van 1 of meer kinderen.

Volgens deze definitie zijn er veel verschillende gezinssamenstellingen mogelijk. Bijvoorbeeld gezinnen met een vader en een moeder, maar ook gezinnen met 2 vaders, of 2 moeders. Daarnaast zijn er ook nog adoptieouders, pleegouders, stiefouders, jonge ouders, co-ouders en alleenstaande ouders.

Bijzondere gezinssituatie

Behalve gezinssamenstellingen zijn er ook situaties die maken dat je een bijzondere gezinssituatie hebt als je kinderen krijgt. Bijvoorbeeld een groot gezin, een samengesteld gezin, of een multicultureel gezin.

Wat de gezinssamenstelling of de gezinssituatie ook is, het belangrijkste is dat je samen gelukkig bent en goed voor elkaar zorgt.

Alleenstaande ouders

Als je er als ouder alleen voor staat, is het misschien niet makkelijk om voor je kind(eren) te zorgen. Zeker als je een scheiding hebt doorgemaakt, of als je je partner bent verloren. Maar het kan natuurlijk ook zijn dat je alleenstaand ouderschap een bewuste keuze is.

Bewuste keuze

Ook als alleenstaande kan je kinderwens hebben. Al heb je geen partner, zwanger raken kan natuurlijk ook op andere manieren. Een vrouw kan een kind krijgen met behulp van een spermadonor. Je kunt ook kiezen voor een pleegkind, of voor adoptie. Je kunt je kinderwens bespreken met een verloskundige of met je huisarts.

Werk en inkomen

Alleen je kind opvoeden kan lastig zijn als je de zorg voor je kind moet combineren met je werk of je studie. Als je geen werk hebt, kom je misschien eerst in de bijstand terecht. Je moet dan leven van een bestaansminimum, en daarom is het bijna altijd beter om een goede opleiding te volgen en een leuke baan te zoeken.

Ontheffing arbeidsplicht

Je kunt ontheffing van de arbeidsplicht krijgen om voor je kind te zorgen. Maar als je kind jonger is dan 5, heb je wel scholingsplicht. Je kunt maar één keer voor maximaal 6 jaar ontheffing van arbeidsverplichting aanvragen. Ook al krijg je er meer kinderen bij in de tijd voordat je kind 5 wordt.

Alleenstaande ouderkorting

Als alleenstaande ouder heb je recht op alleenstaande ouderkorting. Deze korting kun je krijgen als je je kind zelf onderhoudt en als je de kosten van het onderhoud kunt aantonen.

Co-ouders

Co-ouderschap is een manier waarop je samen de zorg voor je kind draagt, bijvoorbeeld na een scheiding.

Scheiding

Als je zwanger bent en je gaat van elkaar scheiden voordat jullie kind geboren wordt, dan moet de vader zijn kind erkennen bij de gemeente om de wettelijke vader te worden van het kind. Als hij de wettelijke vader is, heeft hij een erfelijke band met het kind en ook onderhoudsplicht.

Onderhoudsplicht

Als je kiest voor het co-ouderschap, dan zegt dat veel over de manier waarop je de onderhoudsplicht invult. Dus de manier waarop je kind wilt opvoeden en hoe je voor hem gaat zorgen. In een co-ouderschap deel je zo veel mogelijk de zorg en opvoeding van je kind, ook al ben je vanaf het moment van de scheiding feitelijk een alleenstaande ouder.

Afspraken maken

Bij scheidingen die niet goed verlopen en waarbij de partners veel ruzie hebben, is het meestal onmogelijk om een goede relatie te behouden en samen zorg te dragen voor de kinderen. Het co-ouderschap vereist een stabiele basis. Het is belangrijk dat je met elkaar kunt praten, dat je dicht bij elkaar woont, dat je goede afspraken maakt en dat je het belang van je kind voorop stelt.

Meerouderschap

Meerouderschap houdt in dat je een kind krijgt samen met een ander paar of met een andere persoon met wie je geen liefdesrelatie mee hebt. Je deelt als het ware een kind en je zorgt als co-ouders dus ook samen voor het kind. Dit is bijvoorbeeld mogelijk voor homoseksuele stellen met een kinderwens. Het is raadzaam om van te voren goede afspraken te maken over het co-ouderschap en eventueel deze afspraken op papier vast te leggen bij de notaris.

Homoseksuele ouders

Wanneer je als homoseksueel of lesbisch paar een kinderwens hebt, zijn er verschillende manieren om je kinderwens te vervullen.

Een vrouw kan een kind krijgen met behulp van een spermadonor. Homomannen kunnen kiezen voor een pleegkind, meerouderschap of voor adoptie. Als een vrouw geen partner heeft, maar wel erg verlangt naar een kind, kan zij die wens met een verloskundige of huisarts bespreken.

Adoptie

Als homoseksueel of lesbisch paar kun je kiezen voor adoptie. Vanaf 1 januari 2009 is het voor Nederlandse homoseksuele of lesbische paren mogelijk om onder voorwaarden samen een buitenlands kind te adopteren.

Draagmoeder of eigen zwangerschap

Als homoseksueel kun je ook kiezen voor een draagmoeder. Of als lesbisch stel voor een eigen zwangerschap met een zaaddonor. Wanneer de draagmoeder of de zaaddonor niet anoniem is, dan moet de niet-biologische vader of moeder het kind adopteren. Dit heet stiefouderadoptie. Alleen voor homostellen is het ook mogelijk dat de niet-biologische vader het kind erkent en vervolgens gezamenlijk gezag aanvraagt.

Stiefouderadoptie

Bij stiefouderadoptie worden de banden verbroken met de draagmoeder of met de zaaddonor. Hier moet uiteraard iedereen mee instemmen. Na de stiefouderadoptie zijn beide homoseksuele of lesbische partners de wettelijke ouders van het kind. Om stiefouderadoptie toe te passen moet je kunnen aantonen dat je minstens 3 jaar hebt samengeleefd. Je hoeft dus niet getrouwd te zijn. Daarnaast moet je het kind minstens één jaar samen hebben verzorgd en opgevoed.

Pleegzorg en meerouderschap

Tot alle andere mogelijkheden behoren ten slotte nog pleegzorg en meerouderschap. Pleegkinderen kun je tijdelijk of voor langere tijd verzorgen. Meerouderschap houdt in dat je samen met andere ouders (bijvoorbeeld met een andere homoseksueel of lesbisch stel) een kind krijgt.

Pleegouders

Pleegouders zijn mensen die voor korte of langere tijd een kind in huis opnemen dat niet thuis kan wonen.

Bureau Jeugdzorg

Voordat een kind bij pleegouders wordt geplaatst, moet de kinderrechter een uithuisplaatsing uitspreken, meestal op verzoek van Bureau Jeugdzorg. Op basis van gesprekken en onderzoek wordt bepaald of het kind in een pleeggezin komt en voor hoe lang. Daarna wordt er een geschikt gezin uitgezocht en zal de kennismaking plaatsvinden.

Pleegzorg in Nederland

Via de stichting Pleegzorg Nederland kun je veel te weten komen over het pleegouderschap en de zorg voor pleegkinderen. Elke regio heeft zijn eigen pleegzorginstelling die regelt dat pleegkinderen geplaatst worden bij pleegouders. Je kunt je bij hen opgeven als je pleegouder zou willen worden.

Introductieprogramma

Bij de pleegzorginstelling volg je eerst een introductieprogramma. Aan de hand daarvan weet je of je inderdaad pleegouder wilt worden en kan de instelling voor pleegzorg inschatten of je daarvoor geschikt bent. Wil je pleegouder worden en zijn er geen bezwaren, dan kom je in het bestand van beschikbare pleegouders. Je kunt dan kiezen voor bepaalde vormen van pleegzorg, namelijk kortdurende, deeltijd- en langdurige pleegzorg.

Kortdurende pleegzorg

Soms gaat het maar om een korte periode waarin pleegzorg nodig is. Die periode is genoeg om ervoor te zorgen dat de problemen thuis worden opgelost. Het doel van deze vorm is dat het kind weer terug naar huis gaat. Deze vormen van pleegzorg heten crisispleegzorg, pleegzorg ter overbrugging of pleegzorg ter observatie.

Deeltijdpleegzorg

Sommige kinderen wonen thuis, maar gaan ook regelmatig naar hun pleegouders. Bijvoorbeeld in de weekenden en in de vakanties. Dit heet vakantiepleegzorg, weekendpleegzorg en ondersteunende pleegzorg.

Langdurige pleegzorg

Wanneer het kind niet zo makkelijk naar huis kan, vanwege grote problemen thuis, dan kan het zijn dat het kind voor langere tijd bij zijn pleegouders verblijft. Dit kan in principe duren totdat het kind 18 is geworden. Maar het kan ook nog langer duren dan dat.

Stiefouders

Als je een relatie aangaat met iemand die kinderen meeneemt uit een vorige relatie, dan& krijg je in de praktijk meestal de rol van stiefouder als jullie relatie steeds meer een serieuze vorm krijgt. Je zult dan ook meer betrokken raken bij de kinderen van je partner.

Acceptatie

Misschien vinden de kinderen het moeilijk om jou te accepteren als stiefouder. Het is niet zo dat je de plaats in neemt van hun vader of moeder. Je hebt in feite ook weinig zeggenschap over de kinderen van je partner. Natuurlijk kun je wel je best doen om je partner te helpen bij de zorg en opvoeding van zijn kinderen. Het is belangrijk dat je dit soort kwesties met elkaar bespreekt. Ook wanneer je merkt dat de kinderen moeite hebben om jou als stiefouder te accepteren. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat de kinderen zich tegen je keren.

Familie

In je relatie heb je meestal ook te maken met de ex van je partner. De kinderen hebben het volste recht om hun ouders te zien en ook met hun familie om te gaan. Het kan soms lastig zijn om een goede band te onderhouden met de ex-partner en de familie. Toch is het in veel situaties belangrijk voor de kinderen.

Als er geen contact meer is met de ex van je partner, of als deze is overleden, dan kun je overwegen om je stiefkinderen te adopteren.

Stiefouderadoptie

In principe zijn je stiefkinderen niet je echte kinderen. Je hebt niet het ouderlijk gezag over hen, ook niet als je met je partner trouwt. Als je wel het ouderlijk gezag over je stiefkinderen wilt krijgen, dan is er de mogelijkheid tot adoptie van je stiefkind. Dit heet stiefouderadoptie. De rechter zal daarbij altijd rekening houden met de mening van het kind. Vanaf 12 jaar is de instemming van het kind nodig voor de stiefouderadoptie. Ook de ex van je partner moet met de stiefouderadoptie willen instemmen.

Adoptieouders

Als je zelf geen kinderen kunt krijgen en je wilt toch graag je kinderwens in vervulling laten gaan, is adoptie een mogelijkheid om dat te doen. Op die manier kun je een kind, dat waarschijnlijk uit een kansarme situatie komt, een beter leven geven.

Adoptie

Veel kinderen worden geadopteerd als ze baby zijn. Baby's hebben natuurlijk niet veel meegemaakt en passen zich daardoor makkelijk aan hun nieuwe situatie aan. Buitenlandse adoptiekinderen die iets ouder zijn moeten vaak erg wennen aan hun nieuwe situatie. Vooral als ze in hun nog korte verleden al aardig wat hebben meegemaakt, zoals verwaarlozing en verzwakking door honger en armoede. Na de adoptie kan een kind daardoor problemen vertonen.

Probleemgedrag

De problemen uiten zich meestal in het gedrag van je kind. Je kind wil bijvoorbeeld niet aangeraakt worden, of is juist heel erg aanhalig. Het kan ook zijn dat je kind niet goed leert, niet goed overweg kan met klasgenootjes en misschien zelfs agressie toont. Als je kind ouder wordt, kunnen deze problemen groter worden.

Samenlevingsvormen

Wanneer je in een relatie echt voor elkaar kiest kun je trouwen, een samenlevingscontract of een geregistreerd partnerschap met elkaar aangaan. Tussen deze vormen van verbintenissen zijn een aantal duidelijke verschillen aanwezig met betrekking tot de rechten en plichten die je naar elkaar hebt en bij het krijgen van kinderen.

Rechten en plichten

Een samenlevingscontract kent minder rechten en plichten dan een huwelijk en een geregistreerd partnerschap. Daarom moeten er goede afspraken gemaakt worden over het samenleven. Een huwelijk kent natuurlijk de meeste rechten en plichten. Er is bijvoorbeeld een onderhoudsplicht en vaak ook gemeenschap van goederen.

Kinderen

Bij kinderen is altijd van belang dat er 'familierechtelijke betrekkingen' bestaan. Als er tussen ouders en kind familierechtelijke betrekkingen bestaan, dan heeft dat gevolgen voor onder andere de achternaam van het kind, het gezag, het omgangsrecht, de nationaliteit en het erfrecht.

Zijn een man en een vrouw gehuwd en wordt er in dit huwelijk een kind geboren? Dan zijn zij automatisch de ouders van dit kind. Dit is niet automatisch zo bij ouders die een geregistreerd partnerschap hebben of van gelijk geslacht zijn. En dat is ook niet automatisch zo bij een samenlevingscontract.

Samenlevingscontract

Door te gaan samenwonen regel je nog niet meteen de bekostiging van je gezamenlijke huishouden. In een samenlevingscontract kan dit, en nog veel meer, officieel vastgelegd worden.

Andere manieren om je gezamenlijke huishouden officieel vast te leggen zijn door te trouwen of een geregistreerd partnerschap aan te gaan.

Wonen

Over het samenwonen kun je in een samenlevingscontract duidelijke afspraken maken. Bijvoorbeeld over het samen huren van een woning. Wanneer je samen een woning koopt, maak dan goede afspraken over de financiering van het huis en wat er gebeurt bij een eventuele scheiding.

Geldzaken

Het voeren van een gezamenlijke huishouding brengt veel kosten met zich mee. In een samenlevingscontract wordt beschreven waaruit deze kosten precies bestaan en hoeveel kosten ieder voor zijn eigen rekening neemt. Hierbij wordt er rekening gehouden met het netto-inkomen van jezelf en het netto-inkomen van je partner.

Kinderen

Wanneer jullie een kind krijgen, dan heeft de moeder automatisch een familierechtelijke betrekking tot haar kind. In een relatie tussen een vrouw en een man moet de vader zijn kind erkennen bij de notaris of bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Daarna moet hij officieel nog het ouderlijk gezag aanvragen bij de rechter. Voor beide procedures heeft hij altijd de toestemming nodig van de moeder van het kind.

2 vaders of 2 moeders?

Als een lesbisch stel een kind krijgt en de partner van de moeder wil het kind adopteren, kan zij een adoptieverzoek indienen bij de rechtbank. Als een homopaar een kind uit het buitenland heeft geadopteerd, kan de partner van de adoptieouder het kind na een jaar ook adopteren als zij het kind in dat jaar samen hebben verzorgd en opgevoed.

Scheiding en overlijden

Het samenlevingscontract eindigt als de relatie wordt beëindigd of als één van jullie overlijdt. Het is verstandig om van te voren een testament te maken, zodat je van elkaar erft. Ook is verstandig in het samenlevingscontract afspraken te maken over hoe de relatie beëindigd wordt. En wat vervolgens beide partners toekomt. Ook al hoop je natuurlijk dat dit niet zal gebeuren.

Trouwen

Voor veel mensen is hun trouwdag de mooiste dag van hun leven. Want als je gaat trouwen met de persoon van wie je houdt, is dat natuurlijk een feestje waard!

Andere manieren om je gezamenlijke huishouden officieel vast te leggen zijn een samenlevingscontract of een geregistreerd partnerschap aangaan.

Formaliteiten

Nadat jullie samen hebben besloten om te gaan trouwen, doe je hiervan aangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Als jullie willen trouwen op huwelijkse voorwaarden, is het van belang om van te voren contact op te nemen met de notaris. Als je dit niet doet, trouwen jullie in gemeenschap van goederen. Dit betekent dat alle schulden of eigendommen gedeeld worden.

Na het huwelijk zijn jullie officieel voor de wet: man en vrouw, man en man, of vrouw en vrouw. Dit betekent dat je naar elkaar een aantal rechten en plichten hebt. Hieronder vallen bijvoorbeeld het erfrecht, het successierecht en de onderhoudsplicht.

Kinderen

Als jullie als man en vrouw getrouwd zijn en een kind krijgen, dan ben je allebei automatisch de wettelijke ouders van het kind. Bij alle andere vormen van samenleven, ben je dat niet en moet de vader officieel het kind erkennen. Vervolgens moet hij het ouderlijk gezag aanvragen bij de rechter.

2 vaders of 2 moeders?

Als een lesbisch stel een kind krijgt en de partner van de moeder wil het kind adopteren, dan kan zij een adoptieverzoek indienen bij de rechtbank. Als een homopaar een kind uit het buitenland heeft geadopteerd, kan de partner van de adoptieouder het kind ook adopteren als zij het kind in dat jaar samen hebben verzorgd en opgevoed.

De familierechtelijke band met je kind

Als je als man en vrouw getrouwd bent en kinderen krijgt, zijn jullie de wettelijke ouders van het kind. Je hebt het ouderlijk gezag. Dat betekent dat je onder andere onderhoudsplicht hebt naar jullie kind, en dat er een erfrechtelijke band is.

Geregistreerd partnerschap

Het geregistreerd partnerschap lijkt in veel opzichten op het huwelijk. De voorwaarden voor het aangaan van een huwelijk en een geregistreerd partnerschap zijn gelijk aan elkaar. Net als de rechten en plichten van beide partners. Er zijn wel verschillen in de manier waarop de verbintenis tot stand komt of eventueel wordt beëindigd. En er zijn ook grote verschillen in de familierechtelijke relatie tot de kinderen.

Een andere manier dan om je gezamenlijke huishouden officieel vast te leggen is door een samenlevingscontract aan te gaan met elkaar.

Formaliteiten

Het geregistreerd partnerschap komt niet tot stand met het jawoord, maar met een verklaring. Hier moeten 2 tot 4 meerderjarige getuigen bij aanwezig zijn. Mochten jullie ooit in de toekomst nog overwegen te gaan trouwen, dan kan dit alleen door 'omzetting'. Dit betekent dat jullie in de woongemeente moeten trouwen. Er zijn ook geen getuigen bij het huwelijk aanwezig en je geeft dan ook niet formeel het jawoord.

Beëindiging van het partnerschap

Wanneer het geregistreerd partnerschap wordt beëindigd, kan dit alleen buiten de rechter om gaan als jullie het eens zijn over de beëindiging ervan en geen minderjarige kinderen hebben. In alle overige gevallen moet het geregistreerd partnerschap beëindigd worden door de rechter.

Kinderen

Wanneer jullie een kind krijgen, dan heeft de biologische moeder automatisch een familierechtelijke betrekking tot het kind. In een relatie tussen een man een een vrouw kan de vader alleen een familierechtelijke betrekking krijgen als hij het kind officieel erkent.

2 vaders of 2 moeders?

Ook bij geregistreerde partnerschappen en huwelijken tussen 2 partners van hetzelfde geslacht geldt dat alleen de biologische ouder automatisch een familierechtelijke betrekking heeft tot het kind.

Als een lesbisch stel een kind krijgt en de partner van de moeder wil het kind adopteren, kan zij een adoptieverzoek indienen bij de rechtbank. Als een homopaar een kind uit het buitenland heeft geadopteerd, kan de partner van de adoptieouder het kind ook adopteren als zij het kind in dat jaar samen hebben verzorgd en opgevoed.

Wonen en werken

Als je een kinderwens hebt, zal er veel veranderen op het gebied van wonen en werken.

Misschien wil je stoppen met werken of ga je liever parttime werken. Maar voordat het zover is, zijn er ook andere onderwerpen van belang zoals je werkomstandigheden. Veiligheid staat voorop wanneer je probeert zwanger te raken. Als je bijvoorbeeld werkt met schadelijke stoffen, kan dat van invloed zijn op je vruchtbaarheid. Dit geldt voor zowel mannen als vrouwen.

Werkomstandigheden

Als je een kinderwens hebt of zwanger bent, is het verstandig dat je de werkomstandigheden goed bekijkt. De werkomstandigheden kunnen van invloed zijn op je eigen gezondheid of op de gezondheid van je ongeboren kind.

Bedrijfsarts

Als er risico's zijn, dan kun je het best contact opnemen met je bedrijfsarts. Het liefst voordat je zwanger wordt. Je kunt dan bespreken of er op je werk extra maatregelen nodig zijn. Met de adviezen van de bedrijfsarts kun je naar je werkgever gaan. Heb je geen bedrijfsarts, dan kun je dit overleggen met je huisarts, verloskundige of gynaecoloog.

Stress

Als je ongezonde stress hebt, is er te veel spanning. Bij ongezonde werkstress heb je teveel stress en spanningen op je werk. De oorzaak is meestal een (te) hoge werkdruk, terwijl er geen mogelijkheden zijn om dit anders (beter) te regelen. Minder ongezonde stress kan een positieve invloed hebben op je gezondheid en vruchtbaarheid.

Veiligheid

Elke werkgever moet zorgen dat je veilig en gezond kunt werken. Als je werkzaamheden gevolgen kunnen hebben voor je kind, dan moet je werkgever daar iets aan doen. Je werkgever kan informatie geven over eventuele risico's. En hoe je zo veilig mogelijk je werk kunt blijven doen. Blijven de risico's te groot? Of is dat onduidelijk? Dan is het nodig dat je werk wordt aangepast. Als het echt niet anders kan, kun je een tijd ander werk krijgen. Of je hoeft een tijd geen werkzaamheden te doen.

Schadelijke stoffen en chemicaliën

Als je werkt met bepaalde schadelijke stoffen kan dat de vruchtbaarheid van zowel mannen als vrouwen verminderen. Sommige stoffen kunnen ook gevolgen hebben voor de zwangerschap en de gezondheid van je ongeboren kind. Van enkele stoffen is bekend dat ze schadelijk kunnen zijn voor een kind als je borstvoeding geeft. Ook als je werk doet waarbij je bepaalde infecties kunt oplopen, kan dat gevolgen hebben voor je vruchtbaarheid en ongeboren kind.

Lichamelijk zwaar werk

Lichamelijk zwaar werk is werk waarbij je veel kracht nodig hebt. Dit kan van invloed zijn op de zwangerschap.

Andere risico's

Er zijn nog andere werkomstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor een zwangerschap, zoals onregelmatige werktijden; werken in een omgeving met lawaai, overdruk, lichaamstrillingen, extreme hitte of kou, werken met radioactieve straling. Hierover kun je meer lezen op de website van het RIVM.

Veiligheid op het werk

Als je bijvoorbeeld in de fabriek of in de bouw werkt, dan kan het zijn dat je relatief grote veiligheidsrisico's loopt op je werk. Maar ook als je in een ziekenhuis werkt, is arbeidsveiligheid belangrijk. Een ongeluk zit soms in een klein hoekje!

Je werkgever

Werkgevers zijn verantwoordelijk voor de veiligheid van al hun werknemers op de werkvloer. Ze zijn verplicht om een inventarisatie te maken van alle risico's op het gebied van veiligheid. Aan de hand van deze inventarisatie stelt je werkgever regels op voor de veiligheid.

Je eigen veiligheid

Het is natuurlijk verstandig om je te houden aan de veiligheidsegels van je werkgever. Het gaat uiteindelijk om je eigen veiligheid. Behalve deze regels kun je ook zelf bedenken wat onveilig is, welke risico's je loopt en hoe je de werkplek veiliger kunt maken. Daarnaast kun je ook met je collega's bespreken hoe zij met hun veiligheid omgaan. Ten slotte is het verstandig om onveilige situaties altijd te melden bij de leidinggevende.

De Arbeidsinspectie

De Arbeidsinspectie ziet er op toe dat werkgevers en werknemers de Arbowet naleven. In deze wet staan de verplichtingen betreffende de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers. Als je vindt dat je leidinggevende of je werkgever niet goed omgaat met de veiligheid van jou en van je collega's, dan kun je dit (anoniem) melden bij de Arbeidsinspectie.

Schadelijke stoffen

Sommige schadelijke stoffen, die je bijvoorbeeld op je werk tegenkomt, kunnen een slechte invloed hebben op je vruchtbaarheid, de gezondheid van je ongeboren kind, of je borstvoeding. Zowel de vruchtbaarheid van mannen als van vrouwen kan hierdoor verstoord worden.

Effecten van schadelijke stoffen

Schadelijke stoffen die een negatieve invloed kunnen hebben op de voortplanting, zijn bijvoorbeeld kankerverwekkende stoffen. Effecten van deze schadelijke stoffen kunnen zijn dat je hormoonbalans verstoord wordt, dat je ongeboren kind te langzaam ontwikkelt en dat je kind daardoor ook een te laag geboortegewicht heeft.

De effecten van schadelijke stoffen kunnen per persoon verschillen. Ook zijn er factoren van belang zoals hoe lang en hoe vaak je met de schadelijke stoffen in aanraking komt. En het kan ook zijn dat een effect veroorzaakt is door een ander (onopgemerkt) effect.

Hoe herken je schadelijke stoffen?

Op de etiketten van de verpakkingen van schadelijke stoffen, moet vermeld worden wat voor stof het is en of deze stof schade kan veroorzaken. Op een etiket moet dan bijvoorbeeld staan: "Kan de vruchtbaarheid schaden."

Bescherming

De ondernemingsraad, de bedrijfsarts en andere deskundigen van de arbodienst van je bedrijf moeten weten of er schadelijke stoffen aanwezig zijn die een negatieve invloed hebben op de vruchtbaarheid. Je werkgever heeft een registratieplicht van alle gevaarlijke stoffen in het bedrijf. Je werkgever is ook verplicht om je altijd tegen deze stoffen te beschermen. Dat kan bijvoorbeeld door goede ventilatie, betere verpakkingen, of beschermende middelen zoals beschermende kleding, brillen en handschoenen.

Wanneer je zwanger bent, is je werkgever zelfs verplicht om eventueel tijdelijk ander werk te bieden, als hij niet genoeg bescherming kan bieden voor het werken met schadelijke stoffen.

Adoptieverlof

Adoptieverlof, of pleegzorgverlof, kun je opnemen als je een kind adopteert of als je een pleegkind in het gezin opneemt. Je krijgt dit verlof zodat iedereen in het gezin kan wennen aan de nieuwe situatie.

Aanvraag adoptieverlof

Beide partners mogen 4 weken adoptieverlof opnemen. Je vraagt het adoptieverlof minimaal 3 weken voordat je het in wilt laten gaan aan bij je werkgever. Je werkgever mag dit niet weigeren. Om je aanvraag goed te keuren, heeft je werkgever de officiële documenten nodig van de adoptie of van de pleegzorg, zoals een uittreksel van het bevolkingsregister of een pleegcontract.

Word je doorbetaald?

Via je werkgever ontvang je een uitkering van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Deze uitkering is in de meeste gevallen even hoog als je salaris, maar nooit meer dan het maximumdagloon: €191,82 bruto per dag. Tijdens je verlof bouw je gewoon vakantiedagen op. Je werkgever mag je adoptieverlof niet compenseren met je vakantiedagen.

Voorwaarden

  • Je kunt alleen adoptieverlof aanvragen als het kind nog geen 16 weken in je gezin verblijft. Als het kind langer dan 16 weken bij je is, dan vervalt het recht op adoptieverlof.
  • Het is ook niet mogelijk om het adoptieverlof te onderbreken en op een later moment weer op te nemen (ook niet als je ziek wordt tijdens het verlof).
  • Als je toch meer tijd nodig hebt voor de zorg van je kind, dan kun je ouderschapsverlof opnemen zolang het kind nog geen acht jaar is geworden.
  • Als je meerdere kinderen tegelijk adopteert, kun je toch maar 1 keer adoptieverlof opnemen.

Meer informatie over adoptieverlof en de voorwaarden kun je vinden op de website van de Rijksoverheid, daar vind je ook een handige rekentool.

Geldzaken

Als je een kinderwens hebt, denk je waarschijnlijk goed na over je financiële situatie. Zekerheid is belangrijk.

Wat kost een kind?

Wat kost een kind eigenlijk en wat heb je allemaal nodig voor de bevalling en daarna? Het is slim om van te voren een aantal belangrijke kostenposten op een rijtje te zetten.

  • Denk je erover om na de bevalling minder te gaan werken? Dan heb je ook een lager inkomen. Ouderschapsverlof kan uitkomst bieden.
  • Hogere dagelijkse uitgaven (extra eten en drinken, luiers, verzorgingsproducten, enzovoort)
  • Een hoger water- en energieverbruik.
  • De kosten van kinderopvang.
  • Eénmalige kosten zoals de uitgaven voor de babyuitzet.

Natuurlijk komt er ook geld binnen, bijvoorbeeld kinderbijslag. En een aantal zaken worden vergoed door je zorgverzekeraar.

Zorgverzekering

Wil je graag zwanger worden? Er kunnen verschillen tussen verzekeringen zijn voor wat betreft de voorwaarden en vergoedingen rond vruchtbaarheidsbehandelingen, bevallen en kraamzorg.

Hoe ben je verzekerd?

Het is dus slim om nu al na te gaan hoe je bent verzekerd en of het zin heeft om een aanvullende verzekering af te sluiten of om over te stappen naar een andere verzekeraar.

Overstappen

In november ontvang je de nieuwe voorwaarden en de premie van je ziektekostenverzekeraar. Als je niets doet, loopt je verzekering gewoon door. Wil je overstappen? Zeg je oude verzekering dan op vóór 1 januari. Je nieuwe zorgverzekering moet je vóór 1 februari afsluiten.

Vergoeding van onderzoeken

Een onderzoek wordt in principe alleen vergoed door je zorgverzekering:

  • als er een medische indicatie is (als er aangeboren of erfelijke aandoeningen voorkomen binnen je naaste familie of in de familie van je partner);
  • als je 36 jaar of ouder bent;
  • als jij of je partner zelf een bepaalde aandoening hebben, zullen onderzoeken bij bepaalde afwijkingen worden vergoed;
  • als je medicijnen (heeft) gebruikt die misschien schadelijk zijn voor de baby.

De verloskundige kan je precies vertellen voor welke onderzoeken je in aanmerking komt. Verder kun je in de verzekeringspolis zien wat financieel mogelijk is. Je kunt natuurlijk ook altijd zelf contact opnemen met je verzekeraar.

Zwanger

En dan ben je zwanger! Een blije periode, waarin tegelijkertijd veel op je afkomt. Dat geldt zeker ook voor je partner. Na het goede nieuws borrelen vast ook allerlei vragen op.

Ouderschap

Zowel voor jou als je partner als toekomstige ouders is het wennen en aanpassen. Je zult in deze periode van alles moeten regelen en klaarmaken voordat je baby komt. Bijvoorbeeld de voorbereiding op de bevalling en het kopen van allerlei spullen voor de baby.

Vragen

Je kunt je misschien ook onzeker voelen, zeker als je voor de eerste keer zwanger bent. Hoe weet je of het goed gaat met de baby in je buik? En wat komt er eigenlijk allemaal kijken bij zwanger zijn en bevallen? Wat mag je nu wel eten en wat niet? Wat vindt je partner ervan? Hoe moet het met je werk? En heb je straks geld genoeg?

Gelukkig sta je er niet alleen voor en kun je altijd terecht bij je verloskundige of gynaecoloog.

Maar wat als je het niet wilt?

Als je zwanger bent zonder dat je het wilde, vind je op deze website informatie die je nodig hebt om de juiste beslissing te nemen. Blijf je vragen houden? Neem dan contact op met het CJG bij jou in de buurt.

Groei en ontwikkeling

Dit gedeelte van de site geeft een overzicht van de diverse stadia in de groei en ontwikkeling van je ongeboren kind.

Je kunt hier ook uitrekenen hoe lang je al zwanger bent. Je leest wat je kunt betekenen voor andere vrouwen met een kinderwens. En je vindt informatie over de verloskundige en over zwangerschapsonderzoeken.

Ben ik zwanger?

Misschien probeer je al een tijdje zwanger te worden, of misschien is het (nog) niet de bedoeling. Als je weet wat de symptomen zijn van een zwangerschap, kun je misschien eerder ontdekken dat je zwanger bent.

Symptomen zwangerschap

Je kunt een zwangerschap herkennen aan één of meerdere van de volgende symptomen.

  • Allereerst stopt natuurlijk de menstruatie, of deze wordt veel minder hevig dan normaal.
  • Je borsten kunnen gevoelig zijn en opzwellen en je tepels worden groter en donkerder van kleur.
  • Je moet waarschijnlijk vaker plassen dan normaal.
  • Je kunt last krijgen van je maag (brandend maagzuur) en van verstopping.
  • Je kunt je behoorlijk misselijk (vooral als je opstaat) en rusteloos voelen.
  • Je kunt vaak hoofdpijn krijgen en je kunt je erg moe voelen.
  • Je krijgt misschien last van stemmingswisselingen (snel huilen of snel boos zijn).
  • Je hebt geen zin in ander eten en drinken dan je gewend bent.
  • Of je hebt geen zin in eten en drinken, dat je normaal heel lekker vindt (zoals koffie).

Zwangerschapstest

Als je een aantal van deze symptomen herkent en vermoedt dat je zwanger bent, is het natuurlijk verstandig om zo snel mogelijk een zwangerschapstest te doen. Een zwangerschapstest biedt voldoende zekerheid. Je kunt een zwangerschapstest kopen om het zeker te weten. Deze test is niet goedkoop. De test meet of je het zwangerschapshormoon hCG in je lichaam hebt. Dat hormoon maakt je lichaam aan als de eicel en zaadcel samen in jouw baarmoeder een plek vinden.

Beste moment zwangerschapstest

Je kunt al een test doen als je 1 of 2 dagen over tijd bent. Maar als je zeker wilt zijn, kun je beter wachten tot je 10 dagen over tijd bent. Het kan zijn dat het vruchtje in het begin van de zwangerschap wordt afgebroken. Soms laat de test ook zien dat je niet zwanger bent terwijl je dat al wel bent. Dat kan komen omdat er nog niet genoeg hormonen in je urine zit. Denk je toch dat je zwanger bent? Doe de test na een week nog een keer.

Natuurlijk kun je ook even langs de huisarts gaan.

Zwangerschapstest

Om te testen of je zwanger bent kun je naar je huisarts en verloskundige gaan, maar je kunt ook zelf een zwangerschapstest doen.

Een test kopen

Je kunt een test kopen bij de drogist. Er zijn veel verschillende soorten testen te krijgen. Veel drogisten verkopen 'eigen merk' testen. Deze testen zijn erg betrouwbaar. Je kunt er ook direct 2 kopen, zodat je de test voor de zekerheid nog een keer kunt herhalen. Het testen kost maar enkele minuten en de test is, als je het zorgvuldig doet, behoorlijk betrouwbaar.

Wanneer kun je de test doen?

Als je zwanger bent dan maakt je lichaam het zwangerschapshormoon hCG aan. Dat hormoon komt in je urine terecht. Eerst weinig, dan steeds meer. Normaal gesproken kun je de test uitvoeren op de dag dat je eigenlijk ongesteld had moeten worden (ongeveer rond de 2 weken na de bevruchting dus).

Soms geeft een test de uitslag 'niet zwanger', maar als je je wél zwanger voelt, kan dit komen doordat er nog net niet genoeg hormoon in je urine zit voor een positieve uitkomst van de test. Als je het niet vertrouwt, kun je na ongeveer 7 à 10 dagen de test nog eens herhalen.

Aan de pil, met de pil gestopt of net zwanger geweest?

Als je net met de pil bent gestopt dan is het normaal dat je menstruatie wat langer uitblijft. Als je net bent bevallen, is je hormoonhuishouding ook anders dan anders. In die beide gevallen kun je het best wachten met de test tot de datum dat je al wel 3 weken zwanger zou kunnen zijn. Dit geldt ook als je aan de pil bent en je vermoedt dat je misschien toch zwanger bent. Dit komt zelden voor, maar is wel mogelijk.

Het uitvoeren van de test

Bij het uitvoeren van de test is het belangrijk dat je bij voorkeur de eerste ochtendurine gebruikt. De ochtendurine is vers en niet te veel verdund. Je kunt daarom ook beter niet te veel water drinken de avond ervoor. Het potje waarin je de urine opvangt moet goed schoon en droog zijn en mag geen restjes schoonmaakmiddel bevatten. Volg verder de gebruiksaanwijzing bij de test. En raadpleeg bij twijfel je huisarts.

Gewenst zwanger of niet?

Voor de één is zwanger worden een vurige wens, voor een ander komt de zwangerschap misschien als een schok. Voor hulp bij een onbedoelde zwangerschap of als zwanger raken niet lukt, kun je terecht bij diverse hulpinstanties.

Andere vrouwen helpen

Wil je andere vrouwen helpen om zwanger te worden? Dat kan door je urine te bewaren. In urine van zwangere vrouwen zit een hormoon. Dat heet het hCG-hormoon.

hCG-hormoon

Het hCG-hormoon is een hormoon dat alle vrouwen in de eerste 4 maanden van hun zwangerschap in ruime mate aanmaken. Via een ingewikkelde en kostbare procedure kan uit de urine uiteindelijk een klein beetje hCG-hormoon worden gehaald. Daarom is het belangrijk dat zo veel mogelijk zwangere vrouwen hun urine willen afstaan. Uiteindelijk wordt het hCG-hormoon verwerkt in medicijnen die vrouwen gebruiken zodra zwanger worden niet lukt.

Moeders voor Moeders

Als je mee wilt helpen, kun je je aanmelden bij de organisatie Moeders voor Moeders. Dat kun je doen zodra je weet dat je zwanger bent. Iemand van Moeders voor Moeders komt dan bij je thuis. Zij legt uit wat je moet doen. Van Moeders voor Moeders krijg je bussen waarin je de urine bewaart. Zij halen de bussen bij jou thuis op. Je kunt dit doen tot en met week 16 van je zwangerschap.

Goed om te weten

  • Wil je helpen? Of wil je meer weten? Kijk op website van Moeders voor Moeders of bel naar 0800 022 80 70. Dit telefoonnummer is gratis.
  • Ben je langer dan 11 weken zwanger? Dan kun je je niet meer aanmelden.

De verloskundige

Het is belangrijk om op tijd naar de verloskundige te gaan. Dat is als je ongeveer 8 weken zwanger bent. Of zodra je weet dat je zwanger bent.

Je kunt zonder verwijzing terecht bij een verloskundige, daarvoor hoef je dus niet eerst langs de huisarts. Die verloskundige kies je zelf. Op de website van de KNOV kun je een verloskundige vinden bij jou in de buurt.

Meerdere controles

In het begin van je zwangerschap ga je elke 4 weken naar de verloskundige voor controle. Tijdens je zwangerschap ga je steeds vaker. Het aantal controles hangt ook af van hoe je zwangerschap verloopt.

Huisarts

Naast de verloskundigen, is er ook nog een kleine groep verloskundig actieve huisartsen. Deze huisartsen begeleiden vanuit hun visie als gezinsarts ook zwangerschappen en bevallingen.

Gynaecoloog

En het kan ook zijn dat je onder controle van de gynaecoloog komt.

Wat doet de verloskundige?

Je verloskundige begeleidt jou tijdens je zwangerschap, bij de bevalling en tijdens het kraambed. Ze kijkt of het goed gaat met jou en je kind. Stel haar alle vragen die je hebt, want zij heeft alle kennis en ervaring om je te adviseren en te coachen.

De verloskundige:

  • vraagt tijdens het eerste bezoek naar je gezondheid;
  • vraagt aan jou en je partner of er ziektes in jullie familie zijn, zoals erfelijke aandoeningen;
  • begeleidt de medische kant van je zwangerschap;
  • controleert of de baby goed groeit;
  • geeft je adviezen en tips over een gezonde zwangerschap;
  • verwijst je door naar een gynaecoloog of andere specialist, als dat nodig is;
  • informeert je over Moeders voor Moeders;
  • bespreekt met je hoe je je voelt en beantwoordt al je vragen.

Meer informatie over de taken van de verloskundige en wat je van haar kunt verwachten kun je vinden op de website van het KNOV.

Eerste afspraak

Sommige informatie is al vroeg in de zwangerschap belangrijk, daarom is het goed zo snel mogelijk een afspraak te maken met de verloskundige.

Eerste afspraak verloskundige

Wanneer weet dat je zwanger bent, is het verstandig om snel een verloskundige te kiezen en te bellen voor een eerste afspraak. Verloskundigen willen graag dat je zo snel mogelijk langskomt, zodat ze je zo goed mogelijk kunnen informeren en begeleiden.

De eerste afspraak in de zwangerschap is meestal als je tussen 8 en 10 weken in verwachting bent. De huisarts kent alle verloskundigen bij jou in de buurt. Je kunt zelf ook een verloskundige zoeken. Op de website van KNOV vind je een overzicht.

Eerder contact?

Misschien wil je niet wachten tot je 8 weken zwanger bent. Je kunt eerder contact opnemen met je verloskundige. Bijvoorbeeld als je niet precies weet hoe lang je zwanger bent of als er een erfelijke ziekte voorkomt in de familie. Ook als je medicijnen slikt waarvan je niet zeker weet of die veilig zijn, kun je je verloskundige bellen.

Wat neem je mee naar je eerste afspraak?

Schrijf alles op en neem dat mee naar de eerste afspraak. Bijvoorbeeld:

  • de eerste dag van je laatste ongesteldheid;
  • hoe vaak je ongesteld werd voordat je zwanger werd (hoe regelmatig was dat?);
  • wanneer je gestopt bent met de pil;
  • wanneer uit de zwangerschapstest bleek dat je zwanger was;
  • of er afwijkingen of ziekten in de familie zijn.

Neem ook mee:

  • je verzekeringspasje;
  • je legitimatiebewijs (paspoort of rijbewijs);
  • gegevens over je vorige bevalling.

De eerste afspraak

Tijdens de eerste afspraak zal de verloskundige jou veel vragen stellen. Ze heeft informatie nodig over je algemene gezondheid en je eventuele medische geschiedenis.

De verloskundige geeft daarnaast ook een heleboel informatie, bijvoorbeeld over voeding, kraamzorg, prenatale onderzoeken, zwangerschapscursussen en de kans op een verhoogde bloeddruk. Natuurlijk kun je de verloskundige ook alles vragen over je zwangerschap en over de bevalling.

Lichamelijk onderzoek

Tijdens de eerste afspraak zal de verloskundige meestal nog geen uitwendig onderzoek doen. Je bent dan waarschijnlijk nog maar in de 9e week van je zwangerschap. Je kunt dan nog niets voelen en ook nog niet het hartje van je baby horen. Het enige wat je verloskundige waarschijnlijk zal doen, is het opmeten van je bloeddruk.

Bloedonderzoek

De verloskundige zal bij je eerste bezoek bloed laten afnemen. Het laboratorium onderzoekt je bloed op:

  • bloedgroepen ABO, Rhesus D en Rhesus c;
  • antistoffen tegen bloedgroepen;
  • de infectieziekten hepatitis B, syfilis en hiv;
  • of je bloedarmoede hebt;
  • en je bloedsuiker.

Soms wijst het onderzoek uit dat de baby kans heeft om ziek te worden. Vaak is behandeling mogelijk. Voor meer informatie over de bloedonderzoeken, kun je terecht op de website van het RIVM.

Vervolgafspraken

Tijdens je zwangerschap zul je regelmatig naar het spreekuur gaan, zodat de verloskundige de ontwikkeling van je baby kan controleren en eventuele complicaties snel kan ontdekken. In het begin kom je maandelijks op afspraak. Wanneer je zwangerschap vordert, zul je vaker op afspraak komen.

Vervolgafspraken verloskundige

In het begin van de zwangerschap ga je ongeveer om de 4 weken naar de verloskundige voor controle. De verloskundige kan de ontwikkeling van je baby controleren en eventueel complicaties snel ontdekken.

Hoe vaak op controle?

Tijdens de zwangerschap worden de periodes tussen de controles korter. Het aantal controles hangt af van het verloop van je zwangerschap. De verloskundige bespreekt elke keer hoe het met jou en de baby is en ze voert controles uit.

Baarmoeder

Bij iedere controle kijkt de verloskundige naar de grootte van je baarmoeder. De verloskundige voelt met haar handen aan je buik hoe je baarmoeder groeit.

Bloeddruk

De verloskundige controleert ook je bloeddruk. Bij een hoge bloeddruk let de verloskundige extra goed op je gezondheid en die van je baby. Een lage bloeddruk is niet erg, maar soms lastig. Je kunt er duizelig door worden.

Hartslag en ligging baby

De verloskundige controleert de hartslag van je baby. Vanaf de 3e maand kun je de hartslag van je baby horen. En ze controleert de ligging van je baby. In de laatste maanden van je zwangerschap controleert de verloskundige hoe je baby in de baarmoeder ligt.

  • Ligt je baby met zijn hoofd naar beneden? Zo liggen de meeste kindjes.
  • Ligt je baby met zijn billetjes naar beneden? Dat heet een stuitligging.

Hoe groter je baby wordt, hoe moeilijker het voor je baby is om zelf te draaien. Soms probeert de verloskundige je baby te draaien in je buik. Of ze stuurt je hiervoor naar een gynaecoloog of een echopraktijk.

Gewicht bijhouden

Bij de meeste verloskundigen hoef je niet op de weegschaal te staan. Je let zelf op je gewicht. Heb je een normale zwangerschap? Dan is je gewicht niet belangrijk.

Gemiddeld word je 10 tot 15 kilo zwaarder als je zwanger bent. Maak je geen zorgen als dat meer of minder is.

Verloskundige of gynaecoloog

In Nederland wordt een onderscheid gemaakt tussen zwangerschappen met en zonder medische indicatie. Als je zwangerschap normaal verloopt en je hebt geen medische indicatie, dan begeleidt de verloskundige jouw zwangerschap en bevalling.

Complicaties

Indien er complicaties zijn of dreigen te ontstaan, zul je over het algemeen in een ziekenhuis gaan bevallen en door een gynaecoloog of een klinisch verloskundige worden begeleid.

Verloskundige

Wanneer je zwangerschap normaal verloopt, dan begeleid de verloskundige je. Ze is makkelijk bereikbaar en controleert regelmatig de ontwikkeling van je ongeboren kind. Daarnaast informeert ze je over alle bijkomstige zaken, zoals zwangerschapscursussen , borstvoeding en prenataal onderzoek.

Doorverwijzen

Wanneer de verloskundige bepaalde complicaties of een verhoogd risico signaleert, dan zal ze je doorsturen naar het ziekenhuis waar de gynaecoloog je verder zal begeleiden. Er hoeft dan niet meteen iets ernstigs aan de hand te zijn, de verloskundige doet dit meestal uit voorzorg. Zolang je zwangerschap normaal verloopt, kan zij je begeleiden en is het ook mogelijk om thuis te bevallen.

Gynaecoloog

Een gynaecoloog is een arts die gespecialiseerd is in bepaalde aandoeningen bij vrouwen. Je kunt hierbij denken aan aandoeningen aan de vrouwelijke geslachtsorganen, maar ook aan vruchtbaarheidsbehandelingen.

Zwangerschappen en bevallingen waarbij bepaalde complicaties zijn opgetreden worden meestal door de gynaecoloog behandeld. Ook wanneer je zwanger bent van een meerling, kom je bij de gynaecoloog terecht.

Bevallen

Wanneer je in behandeling bent bij de gynaecoloog beval je vrijwel altijd in het ziekenhuis, omdat je een medische indicatie hebt. Als er geen complicaties of andere verhoogde risico's zijn, dan kun je in principe gewoon begeleid worden door de verloskundige en thuis bevallen.

Zwangerschapsduur

Op het moment dat je merkt dat je zwanger bent, breekt een bijzondere periode aan. Je kunt uitrekenen wanneer je ongeveer zult bevallen.

Uitgerekende datum

Een zwangerschap duurt gemiddeld 38 weken vanaf de bevruchting. Maar voor de berekening van het aantal weken dat je zwanger bent, wordt uitgegaan van de eerste dag van je laatste menstruatie. Vanaf die dag duurt een zwangerschap ongeveer 40 weken.

Termijnecho

Tegenwoordig wordt de zwangerschapsduur echografisch berekend. Dit heet ook wel een 'termijnecho'.

Wanneer vertellen?

Op welk moment je aan je familie en vrienden vertelt dat je zwanger bent, is heel persoonlijk. Sommige mensen vertellen het pas na de eerste 3 maanden van de zwangerschap, omdat de kans op een spontane miskraam in de eerste 3 maanden het grootst is. Misschien vind je het fijn om het direct aan iedereen te vertellen.

De bevalling nadert

Maar weinig baby's worden precies op de uitgerekende datum.geboren. Je bevalling kan ook al eerder of later beginnen. De meeste vrouwen bevallen tussen de 37 en 42 weken. Dit is normaal.

Na 42 weken

Als de bevalling 2 weken na de uitgerekende datum (42 weken) niet op gang is gekomen, heet dat overdragenheid (serotiniteit). Dan wordt meestal besloten om de bevalling in te leiden. Dit gebeurt altijd in het ziekenhuis. 5 tot 10 procent van alle zwangerschappen duurt langer dan 42 weken. De placenta gaat dan wel eens minder goed werken. De baby kan zo geleidelijk minder voeding krijgen en de hoeveelheid vruchtwater vermindert. Het is een goed teken als je de baby voelt bewegen.

Zwangerschap onderzoeken

Je kunt verschillende prenatale onderzoeken laten uitvoeren. Bijvoorbeeld om erachter te komen hoe je kind zich ontwikkelt, welk geslacht het heeft en of er misschien sprake is van een afwijking.

Echo

Een echo in het begin van de zwangerschap is er om te kijken hoe lang je zwanger bent en hoe je kind zich ontwikkelt. Een pretecho is meer 'voor de lol', omdat je het leuk vindt om je kind te zien of om te weten welk geslacht je kind heeft. Om erachter te komen of je kind een afwijking heeft, kun je (als je dat wilt) kiezen voor een 20 wekenecho.

Bloedonderzoek en lichamelijk onderzoek

De verloskundige houdt de gezondheid van jou en je kind goed in de gaten door onder andere bloedonderzoek en lichamelijk onderzoek uit te voeren. Bij het bloedonderzoek kijken ze welke bloedgroep je hebt en of er bijvoorbeeld bepaalde schadelijke antistoffen, bacteriën of virussen in je bloed zitten. Bij een lichamelijk onderzoek worden bijvoorbeeld de ligging en de hartslag van je baby gecontroleerd.

Screening op Downsyndroom

Je kunt (als je dat wilt), prenatale screening op Downsyndroom laten uitvoeren om de kans te laten bepalen of je kind het Downsyndroom heeft. Je weet dan hoe groot de kans is dat je kind Downsyndroom heeft. Maar met een goede uitslag weet je niet helemaal zeker of je baby gezond is.

Vervolgonderzoek

Vervolgonderzoek kan duidelijkheid geven over de afwijking die je kind misschien heeft. Hierbij kun je denken aan een vlokkentest of een vruchtwaterpunctie. Het is belangrijk dat je goed nadenkt of je inderdaad een vervolgonderzoek wilt laten uitvoeren. Je beslist dat zelf. Want wat doe je als je een slechte uitslag krijgt?

Zorgverzekering

Je zorgverzekering betaalt de arts of de verloskundige. Dit zit in het basispakket. Sommige onderzoeken moet je zelf betalen. Dat ligt aan je verzekering. Misschien heb je een aanvullend pakket. Vraag dus altijd zelf na bij je verzekeringsmaatschappij welke onderzoeken worden vergoed en welke niet.

Meer informatie

Wil je meer informatie over onderzoeken tijdens je zwangerschap? Kijk dan eens op de website van RIVM. Wil je meer weten over erfelijke afwijkingen, dan kun je terecht op de website van het Erfocentrum.

Echo

Als je 8 tot 12 weken zwanger bent, krijg je een echo om te zien hoe lang je precies zwanger bent en om te kijken of je kind zich goed ontwikkelt. Ook kan de arts zien of de foetus zich in de baarmoeder bevindt en of er genoeg vruchtwater in de baarmoeder zit.

Een jongetje of een meisje?

Op de echo is het meestal moeilijk te zien welk geslacht je kind heeft, omdat de foetus nog zo klein is. Maar daar is de eerste echo eigenlijk ook niet voor bedoeld. Als je het erg graag wilt weten, kun je een pretecho laten maken.

Afwijkingen

Het kan zijn dat de arts bepaalde afwijkingen kan zien op de eerste echo. Maar de foetus is eigenlijk nog te klein is om het goed te kunnen zien. Als je wilt weten of je kind een afwijking heeft, kun je een 20 wekenecho laten maken of de screening op Downsyndroom laten doen.

Medische indicatie

Ook bij een medische indicatie kun je een echo krijgen. Een medische indicatie is bijvoorbeeld wanneer je bloedverlies hebt, wanneer er afwijkingen worden gevoeld tijdens een vaginaal toucher of wanneer de verloskundige denkt dat je in verwachting bent van een meerling.

Meer informatie

Wil je meer informatie over onderzoeken tijdens je zwangerschap? Kijk dan eens op de website van het RIVM. Wil je meer weten over erfelijke afwijkingen, kijk dan op de website van het Erfocentrum.

Pretecho

Je kunt ook een echo laten maken zonder dat er een medische indicatie is. Dit heet ook wel de 'pretecho'.

Het is niet noodzakelijk, maar wel leuk om je kind te kunnen zien via de echo. En meestal kun je dan ook al zien of het een jongetje of een meisje wordt.

Professionele bureaus

Je kunt een pretecho laten maken bij een commercieel echobureau. Een bureau dat pretecho's maakt, heeft niets te maken met je verloskundige of het ziekenhuis.

Als je hiervoor kiest kun je het best van te voren vragen of de echo wordt uitgevoerd door een gediplomeerd echografist en of hij werkt met de nieuwste technieken. Er zijn namelijk geen wettelijke regels voor om een echobureau te beginnen. Iedereen kan dus een echobureau beginnen.

2D-echo

Als je kiest voor een 2D-echo dan kun je die het best laten maken in de 19e tot en met de 26e week van je zwangerschap. Een echo in 2D is min of meer een 'plat plaatje'. Het voordeel van 2D is dat je de baby kunt zien bewegen.

3D-echo

Als je kiest voor een 3D-echo dan kun je die het beste laten maken in de 26e tot en met de 34e week van je zwangerschap. Hoe later in de zwangerschap je een echo laat maken, hoe reëler het beeld is. Bij 3D kun je de baby helemaal rondom bekijken, maar je kunt de baby niet zien bewegen. Bij 3D krijg je een goed beeld van het uiterlijk van je baby. Bespreek dit wel ruim van te voren met het echobureau, soms zijn er lange wachttijden.

Afwijking baby

Het medische doel van een echo is dat een arts afwijkingen kan opsporen en constateren. Daar is de pretecho echter niet voor bedoeld. Meestal vraagt een echobureau ook of je van te voren een verklaring wilt ondertekenen waarbij het bedrijf niet verantwoordelijk gesteld kan worden wanneer ze afwijkingen niet hebben gezien. Een ervaren en gediplomeerd echografist zal misschien wel afwijkingen kunnen zien en ook stappen ondernemen.

De kosten

Een pretecho betaal je zelf. Het is niet goedkoop. De prijs ligt tussen de € 100,- voor een 2D-echo en € 200,- voor een 3D-echo.

20 Wekenecho

Veel aanstaande ouders vragen zich af of hun kind wel gezond zal zijn. Gelukkig worden de meeste kinderen gezond geboren. Met de 20 wekenecho kun je tijdens de zwangerschap laten onderzoeken of je kind ernstige lichamelijke afwijkingen heeft.

Eerst een uitgebreid gesprek

Overweeg je om de 20 wekenecho te laten doen? Dan heb je eerst een uitgebreid gesprek met de verloskundige, huisarts of gynaecoloog. Het is belangrijk dat je goed nadenkt over waarom je een 20 wekenecho wilt laten maken.

Je kunt op elk moment stoppen

De 20 wekenecho kan je geruststellen over de gezondheid van je kind. Maar de uitslag kan je juist ook ongerust maken en voor moeilijke keuzes stellen. Je bepaalt zelf of je een echo wilt en of je bij een ongunstige uitslag een vervolgonderzoek wilt laten doen. Je kunt op elk moment stoppen.

De kosten van de echo

De kosten van het uitgebreide gesprek en de echo worden vergoed uit de basiszorgverzekering.

Meer weten?

Op de website van het RIVM kun je meer lezen over de 20 wekenecho en structureel echoscopisch onderzoek.

Waarom een 20 wekenecho?

De 20 wekenecho wordt ook wel 'structureel echoscopisch onderzoek' genoemd. Deze echo is vooral bedoeld om tijdens de zwangerschap te onderzoeken of je kind een open rug of open schedel heeft.

Ernstige lichamelijke afwijkingen

Naast een open rug of open schedel kunnen tijdens de 20 wekenecho ook andere ernstige lichamelijke afwijkingen worden gezien. Bijvoorbeeld een waterhoofd, hartafwijkingen, een breuk of gat in het middenrif, een breuk of gat in de buikwand, afwezigheid of afwijking van de nieren en botten, afwijkingen van armen of benen. Ook wordt onderzocht of je kind goed groeit en of er voldoende vruchtwater is.

Geen garantie voor een gezond kind

De 20 wekenecho is geen garantie voor een gezond kind. Niet alle afwijkingen worden gezien op de echo.

Geen pretecho

Wordt het een jongen of een meisje? Je bent misschien nieuwsgierig, maar de 20 wekenecho is geen pretecho. Het gaat om een medisch onderzoek, niet om het bepalen van het geslacht van je kind. Als het geslacht te zien is, kun je dat te horen krijgen, maar alleen als je daar om vraagt.

Wel of geen 20 wekenecho?

Heb je behoefte aan ondersteuning bij het maken van de keuze om wel of geen 20 wekenecho te laten uitvoeren? Dan kun je altijd terecht bij de verloskundige, huisarts of gynaecoloog.

Heb je besloten dat je een 20 wekenecho wilt? Na een gesprek met de verloskundige, huisarts of gynaecoloog maak je zelf een afspraak. Je kunt zelf een zorgverlener of zorginstelling in de buurt uitzoeken die de 20 wekenecho kan uitvoeren.

Hoe verloopt een 20 wekenecho?

Je bepaalt zelf of je de 20 wekenecho wilt laten uitvoeren. Als er tijdens de echo een ernstige lichamelijke afwijking wordt gevonden, bepaal je ook zelf of je vervolgonderzoek wilt.

Het gesprek vooraf

Voor de 20 wekenecho heb je eerst een gesprek met de verloskundige, huisarts of gynaecoloog. Tijdens dit gesprek kun je al je vragen stellen. Ook krijg je uitleg en informatie over:

  • het onderzoek;
  • de manier waarop het onderzoek wordt uitgevoerd;
  • de betekenis van de uitslag;
  • lichamelijke afwijkingen die met de echo ontdekt kunnen worden, zoals een open rug of open schedel.

Tijdens de echo

Tijdens de echo lig je op je rug. Degene die de echo uitvoert, zal vragen om je buik te ontbloten. Daarna krijg je wat gel op je buik en wordt er een echoapparaat over je buik bewogen. Vanaf dat moment verschijnen de echobeelden op een monitor. De echo werkt met onhoorbare geluidsgolven en brengt geen risico's met zich mee voor moeder en kind.

De 20 wekenecho bij tweelingen

Ben je in verwachting van een tweeling? Dan wordt elk kind apart onderzocht

De uitslag

De uitslag van de 20 wekenecho krijg je meestal direct na afloop. Als bij de 20 wekenecho een lichamelijke afwijking wordt gezien, zijn de gevolgen voor je kind niet altijd duidelijk. Meestal wordt een vervolgonderzoek aangeboden. Tijdens een gesprek met de echoscopist, verloskundige, huisarts of gynaecoloog word je uitgebreid voorgelicht over dit vervolgonderzoek.

Bloedonderzoek

Aan het begin van de zwangerschap wordt bloed bij je afgenomen voor nader bloedonderzoek. Dat gebeurt alleen met jouw toestemming. Als blijkt dat er bacteriën, virussen of schadelijke stoffen in je bloed zitten, kan door behandeling worden voorkomen dat baby daar schade van ondervindt.

Bloedarmoede (Hb-gehalte)

Dit onderzoek kan diverse keren tijdens je zwangerschap plaatsvinden. Het Hb-gehalte van de rode bloedcellen wijst uit of je bloedarmoede hebt. Meestal is bloedarmoede goed te behandelen en niet schadelijk voor de baby.

Glucose

Soms wordt bloed onderzocht op een te hoog suikergehalte. Dat is meestal goed te behandelen.

Bloedgroep

Voor het geval je een bloedtransfusie nodig hebt is het goed om te weten welke bloedgroep je hebt. Het laboratorium stelt vast of je bloedgroep A, B, AB, of O hebt. Ook bepaalt het laboratorium 2 verschillende Rhesusbloedgroepen: Rhesus D en Rhesus c.

Antistoffen tegen bloedgroepen

Heel soms zijn er tijdens een eerdere zwangerschap of na een bloedtransfusie antistoffen gemaakt tegen bloedgroepen. Als deze antistoffen in jouw bloed zijn gevonden, onderzoekt het laboratorium om welke antistoffen het precies gaat en of deze schadelijk kunnen zijn voor je kind. De verloskundige zal je hier meer over vertellen. Het RIVM heeft meer informatie over bloedgroepantistoffen.

Rhesus

Het laboratorium onderzoekt je bloed op 2 Rhesus bloedgroepen: Rhesus D en Rhesus c.

  • De uitslag kan 'positief' zijn: je bent dan bijvoorbeeld Rhesus D-positief.
  • De uitslag kan ook 'negatief' zijn: je bent dan Rhesus D-negatief.
  • Hetzelfde geldt voor de Rhesus c-bloedgroep: je bent Rhesus c-positief of Rhesus c-negatief.
  • Of je positief of negatief bent, is een kwestie van erfelijkheid, net als de kleur van je haar of ogen.

Negatief

Zwangere vrouwen die 'negatief' zijn voor één van deze 2 bloedgroepen krijgen tijdens de zwangerschap wat extra aandacht. Zij lopen namelijk de kans om antistoffen te maken tegen het bloed van hun kind. Het kind kan dan bloedarmoede krijgen.

Je hebt bloedgroep Rhesus-D-negatief

De verloskundige neemt in week 27 van de zwangerschap nog een keer bloed bij je af om vast te stellen of je antistoffen maakt tegen het bloed van je kind. In hetzelfde bloed bepaalt het laboratorium ook de Rhesus D-bloedgroep van je kind.

  • Als je kind bloedgroep Rhesus D-positief heeft, krijg je een injectie. Deze injectie verkleint de kans dat je antistoffen gaat maken tegen het bloed van je kind. Je krijgt deze injectie 2 keer: in week 30 van de zwangerschap en direct na de bevalling. De baby merkt niets van de injectie en loopt geen enkel risico.
  • Als uit het bloedonderzoek blijkt dat je kind net als jijzelf ook bloedgroep Rhesus D-negatief heeft, krijg je geen injecties.

Na een miskraam, abortus of vruchtwaterpunctie

De injectie heb je ook nodig na een miskraam, een buitenbaarmoederlijke zwangerschap, een vruchtwaterpunctie, een abortus of een ongeluk. Dus in alle situaties waarin bloed van de vrucht in jouw bloed terecht heeft kunnen komen. Het is belangrijk dat je de injectie binnen 48 uur toegediend krijgt. Hiermee voorkom je problemen als je later nog een keer zwanger bent.

Je hebt bloedgroep Rhesus c-negatief

De verloskundige neemt in week 27 van de zwangerschap nog een keer bloed bij je af. Het laboratorium onderzoekt dit bloed op antistoffen tegen het bloed van je kind. Als het laboratorium antistoffen vindt, krijg je verder onderzoek. De verloskundige geeft je hier meer informatie over.

Meer informatie over Rhesus kun je ook vinden in de folder 'Zwanger' die je krijgt van de verloskundige of op de website van het RIVM.

Soatest

Aan het begin van de zwangerschap wordt je bloed onderzocht op 3 infectieziekten, namelijk hepatitis B, syfilis en hiv.

Soms hebben vrouwen één van deze ziekten zonder dat zelf te weten. Als je aan één van deze infectieziekten leidt, kun je je kind besmetten. Door vroeg in de zwangerschap te beginnen met een behandeling kan besmetting van je kind meestal worden voorkomen.

Syfilis

Syfilis is een seksueel overdraagbare aandoening (soa) die je onopgemerkt kunt oplopen. Het moet zo vroeg mogelijk in de zwangerschap behandeld worden om te voorkomen dat een kind geïnfecteerd wordt. Als een moeder met syfilis is besmet, krijgt zij antibiotica.

Hepatitis B

Hepatitis B kan een infectie van de lever veroorzaken, die soms onopgemerkt verloopt. Bij bijna alle mensen wordt dit virus door het eigen lichaam opgeruimd. Tijdens de infectie, of als na de infectie blijkt dat iemand drager is van het hepatitis B virus, kan deze persoon andere mensen besmetten.

Als een moeder het virus bij zich draagt, heeft de baby daarvan geen schade tijdens de zwangerschap. Maar bij de bevalling kan de baby met het virus in aanraking komen en geïnfecteerd raken.

Als je drager bent van het hepatitis B-virus kan de verloskundige je vertellen hoe je zo goed mogelijk kunt voorkomen dat je je omgeving besmet. Je baby wordt in dat geval onmiddellijk na de geboorte door de verloskundige en later door de GGD ingeënt.

Hiv

Hiv is een virus en kan de ziekte aids veroorzaken. Iemand die zwanger is kan het virus overdragen op de baby. Daarom is een hiv-test aan het begin van de zwangerschap belangrijk. Door een snel begin van de behandeling kan de overdracht van hiv op de baby worden voorkomen. Een bevalling kan dan volgens de natuurlijke weg plaatsvinden. Als een aanstaande moeder drager van het hiv-virus is, wordt zij doorverwezen naar een gespecialiseerd hiv-centrum.

Andere soa's

Je wordt tijdens de zwangerschap alleen getest op syfilis, hepatitis B en hiv. Ben je bang dat je een andere seksueel overdraagbare aandoening (soa) hebt? Vertel dit dan aan de verloskundige of gynaecoloog. Chlamydia of gonorroe bijvoorbeeld geven niet altijd klachten, maar ze kunnen onvruchtbaarheid veroorzaken en een baby kan er na de geboorte oogontsteking of longontsteking van krijgen. Een uitstrijkje geeft duidelijkheid. De behandeling bestaat uit een kuur met antibiotica die onschadelijk is voor de baby.

Screening op Downsyndroom

Veel aanstaande ouders vragen zich af of hun kind wel gezond zal zijn. Gelukkig worden de meeste kinderen gezond geboren.

Met de screening op Downsyndroom kun je laten onderzoeken hoe groot de kans is dat je kind Downsyndroom heeft. Hoe ouder de moeder, hoe groter de kans op een kind met Downsyndroom.

Eerst een uitgebreid gesprek

Overweeg je om de screening op Downsyndroom te laten doen? Dan heb je eerst een uitgebreid gesprek met de verloskundige, huisarts of gynaecoloog. Je bespreekt alle keuzes waar je tijdens de screening mee te maken kunt krijgen. Ook kun je al je vragen stellen en krijg je uitleg en informatie over:

  • de aandoeningen die gevonden kunnen worden;
  • het onderzoek;
  • de manier waarop het onderzoek wordt uitgevoerd;
  • en de betekenis van de uitslag.

De combinatietest

Voor de screening op Downsyndroom wordt gebruik gemaakt van de combinatietest. Deze test bestaat uit 2 onderdelen.

  • Een bloedonderzoek bij de moeder in de periode van 9 tot 14 weken van de zwangerschap. Bij dit onderzoek wordt wat bloed afgenomen en onderzocht in een laboratorium.
  • Een echo in de periode van 11 tot 14 weken van de zwangerschap. Bij dit onderzoek wordt de dikte van de nekplooi van je kind gemeten. De nekplooi is een dun vochtlaagje onder de huid in de nek. Dit laagje vocht is altijd aanwezig, ook bij gezonde kinderen. Hoe dikker de nekplooi, hoe groter de kans is dat het kind Downsyndroom heeft.

Je kunt op elk moment stoppen

De screening kan je misschien geruststellen over de gezondheid van je kind. Maar de uitslag kan je ook ongerust maken en je voor moeilijke keuzes stellen. Je bepaalt zelf of je de screening wilt en of je bij een ongunstige uitslag een vervolgonderzoek wilt laten doen. Je kunt op elk moment stoppen.

De kosten van de screening

De kosten van het uitgebreide gesprek worden vergoed uit de basiszorgverzekering. De kosten van de combinatietest worden alleen vergoed uit de basiszorgverzekering als je 36 jaar of ouder bent of als je een andere indicatie hebt.

Wat is Downsyndroom?

Downsyndroom is een aangeboren aandoening. Kinderen met Downsyndroom hebben een verstandelijke beperking. Daarnaast hebben zij vaak lichamelijke afwijkingen en gezondheidsproblemen.

De oorzaak van Downsyndroom

Downsyndroom wordt veroorzaakt door een extra chromosoom. Chromosomen zitten in al onze lichaamscellen en bevatten onze erfelijke eigenschappen. Normaal gesproken hebben we in elke cel 2 exemplaren van elk chromosoom. Iemand met Downsyndroom heeft van één bepaald chromosoom (chromosoom 21) geen 2, maar 3 exemplaren in elke cel.

Verstandelijke beperking en gezondheidsproblemen

Alle kinderen met Downsyndroom hebben een verstandelijke beperking. Dit kan een milde tot matige, en soms een ernstig verstandelijke beperking zijn. Een kind met Downsyndroom ontwikkelt zich langzamer dan leeftijdgenootjes, zowel lichamelijk als verstandelijk. Ook hebben zij vaker lichamelijke afwijkingen en gezondheidsproblemen. Hoe zij zich ontwikkelen en hoe ernstig de gezondheidsproblemen zijn, verschilt van persoon tot persoon.

Zorg, begeleiding en gezondheid

Mensen met Downsyndroom hebben hun hele leven begeleiding en ondersteuning nodig. De afgelopen jaren is de zorg voor mensen met Downsyndroom sterk verbeterd. Jonge kinderen met Downsyndroom en hun ouders kunnen terecht bij Downsyndroomteams. Deze teams zijn samengesteld uit onder andere een kinderarts, logopedist, fysiotherapeut en een maatschappelijk werker.

Ook hebben mensen met Downsyndroom een grotere kans op een goede gezondheid dan vroeger. Tegenwoordig bereikt de helft van de mensen met Downsyndroom de leeftijd van 60 jaar.

Kiezen voor een screening

Hoe ouder de moeder, hoe groter de kans op een kind met Downsyndroom. De screening op Downsyndroom laat zien of je inderdaad een verhoogde kans hebt op een kind met Downsyndroom.

Met die informatie kun je een beslissing nemen over vervolgonderzoek. Dit vervolgonderzoek geeft je meer zekerheid. Je bepaalt zelf of je de screening op Downsyndroom laat afnemen.

Andere afwijkingen

Naast de kans op Downsyndroom geeft de uitslag van test ook informatie over de kans op Patausyndroom en Edwardssyndroom. Je krijgt deze informatie, tenzij je aangeeft dit niet te willen weten.

Wel of geen screening op Downsyndroom?

Heb je behoefte aan ondersteuning bij het maken van de keuze om wel of geen screening op Downsyndroom te laten uitvoeren? Dan kun je altijd terecht bij je eigen verloskundige, huisarts of gynaecoloog.

Een andere mogelijkheid is de digitale keuzehulp, die helpt bij de afweging van de mogelijkheden, keuzes en bezwaren. De keuzehulp zet alle argumenten voor en tegen de screening op Downsyndroom op een rij.

Een zorgverlener in de buurt

Heb je besloten dat je de screening op Downsyndroom wilt laten uitvoeren? Na een gesprek met de verloskundige, huisarts of gynaecoloog maakt je zelf een afspraak bij een zorgverlener of zorginstelling in de buurt, die de screening kan uitvoeren.

Uitslag screening Downsyndroom

De uitslag van de combinatietest laat zien wat de kans is dat je zwanger bent van een kind met Downsyndroom. Als je een 'verhoogde kans' hebt, krijg je de mogelijkheid van een vervolgonderzoek aangeboden. Pas dan kan met zekerheid worden vastgesteld of je kind Downsyndroom heeft of niet.

Verhoogde kans

Een verhoogde kans betekent dat er een kans is van 1 op 200 of hoger dat je kind Downsyndroom heeft. Een kans van 1 op 200 betekent dat van elke 200 zwangere vrouwen er één zwanger is van een kind met Downsyndroom. De andere 199 vrouwen zijn in verwachting van een kind dat geen Downsyndroom heeft. Een verhoogde kans is dus niet hetzelfde als een hoge of grote kans.

Geen garantie op een gezond kind

Als je geen verhoogde kans hebt op een kind met Downsyndroom, is dat geen garantie op een gezond kind.

Verdikte nekplooi

Een verdikte nekplooi komt niet alleen voor bij Downsyndroom. Ook bij gezonde kinderen wordt soms een verdikte nekplooi gezien. Een verdikte nekplooi kan ook wijzen op andere chromosoomafwijkingen en lichamelijke aandoeningen bij een kind, zoals hartafwijkingen. Is de nekplooimeting 3,5 millimeter of meer? Dan krijg je altijd een extra echo aangeboden voor nader onderzoek.

Wanneer krijg je de uitslag?

Wanneer je de uitslag te horen krijgt, hangt af van het onderzoek en verschilt per verloskundige, huisarts of ziekenhuis. Je wordt hierover voor het onderzoek geïnformeerd.

Miskraam

Als je zwanger bent van een kind met Downsyndroom, heb je een grotere kans dan gemiddeld op een miskraam tijdens de eerste 16 weken van de zwangerschap. Ook daarna is de kans groter dat het kind voor de geboorte overlijdt.

Lichamelijk onderzoek

Bij iedere controle voelt de verloskundige met haar handen op jouw buik hoe de baarmoeder groeit. Zo krijgt zij een indruk van de groei van de baby.

Inwendig onderzoek

Soms besluit de verloskundige of de gynaecoloog tot een inwendig onderzoek. Als je om één of andere reden moeite hebt met een inwendig onderzoek, bespreek het dan. Je verloskundige en gynaecoloog zullen er zeker rekening mee houden.

Ligging baby

In de laatste maanden wordt gecontroleerd hoe jouw baby in de baarmoeder ligt.

  • Ligt hij met zijn hoofd naar beneden (de normale ligging)?
  • Of ligt je baby met zijn billetjes naar beneden (stuitligging)?

Hoe groter de baby wordt, hoe moeilijker het voor hem is om in de baarmoeder te draaien. Op een gegeven moment is dat bijna niet meer mogelijk en dan is het belangrijk om te weten hoe de baby precies ligt. Dat bepaalt namelijk hoe hij geboren zal worden.

Hartslag

Ongeveer vanaf de 3e maand kan de verloskundige de hartslag van de baby horen. Vanaf dat moment luistert zij iedere keer naar de harttonen van jouw kind. Meestal kun je meeluisteren. Het kan heel emotioneel zijn om het hartje van je nog ongeboren baby zo snel te horen kloppen!

Bloeddruk

Tijdens de controle wordt je bloeddruk gemeten. De bloeddruk wordt weergegeven met een getal voor de bovendruk en een getal voor de onderdruk (bijvoorbeeld 120/80). De verloskundige let vooral op de onderdruk. Die mag niet te hoog worden.

Bij een hoge bloeddruk let de verloskundige extra op de gezondheid van jou en je baby. Tegen het einde van de zwangerschap stijgt je bloeddruk meestal wel iets. Een lage bloeddruk kan geen kwaad, maar is soms lastig omdat het tot duizeligheid kan leiden. Wees dus voorzichtig met uit bed komen en opstaan uit een stoel.

Vervolgonderzoek

Afhankelijk van de afwijking die je kind misschien heeft, kunnen er verschillende vervolgonderzoeken gedaan worden. Bij elk onderzoek bepaal je zelf of je het wilt en wat je doet met de uitslag.

Vervolgonderzoek na de 20 wekenecho

Het vervolgonderzoek na de 20 wekenecho bestaat uit een uitgebreide echo in een ziekenhuis. Soms krijg je ook een vlokkentest, vruchtwaterpunctie of bloedonderzoek aangeboden.

Vervolgonderzoek na een screening op Downsyndroom

Heb je volgens de combinatietest een verhoogde kans dat je kind Downsyndroom heeft? Dan kun je kiezen voor vervolgonderzoek om zekerheid te krijgen. Dit vervolgonderzoek bestaat uit een vlokkentest of een vruchtwaterpunctie. Soms wordt een uitgebreide echo gedaan.

Wel of geen vervolgonderzoek?

Je bepaalt zelf of je een vervolgonderzoek laat uitvoeren. Wat zijn je afwegingen? Je kunt daarbij denken aan de volgende vragen.

  • Hoeveel wil je weten over je kind voordat het wordt geboren?
  • Uit het vervolgonderzoek kan blijken dat je kind inderdaad een ernstige lichamelijke afwijking heeft. Hoe bereid je je daarop voor?
  • Hoe kijk je aan tegen het eventueel voortijdig beëindigen van een zwangerschap bij een ernstige lichamelijke afwijking?

Direct kiezen voor vervolgonderzoek

In sommige gevallen kun je ook direct kiezen voor vervolgonderzoek. Bijvoorbeeld als je 36 jaar of ouder bent of als er een medische reden is.

De uitslag van het vervolgonderzoek

Uit het vervolgonderzoek kan blijken dat er niets aan de hand is met je kind. Uit het vervolgonderzoek kan ook blijken dat je in verwachting bent van een kind met een aandoening. Je krijgt dan altijd een gesprek met één of meerdere medische specialisten. De uitkomsten van de onderzoeken worden uitgebreid met je besproken.

Wat als je kind een afwijking heeft?

Uit het vervolgonderzoek kan blijken dat je in verwachting bent van een kind met een afwijking of aandoening. Dat kan je voor moeilijke keuzes plaatsen

Sommige afwijkingen hebben grote gevolgen voor je kind, voor jezelf en voor je partner. Je staat dan voor de moeilijke keuze om de zwangerschap uit te dragen of te laten beëindigen. Praat hierover met je partner, met je verloskundige, huisarts of gynaecoloog. Als je besluit dat je de zwangerschap voortijdig wilt beëindigen, dan kan dat tot 24 weken zwangerschap.

Vlokkentest

Als in het begin van de zwangerschap wordt vastgesteld dat er een verhoogd risico is op bepaalde afwijkingen, is het mogelijk om daar onderzoek naar te doen. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een vlokkentest en een navelstrengpunctie, maar ook door middel van een vruchtwaterpunctie.

De vlokkentest

Bij de vlokkentest worden er 'vlokken' opgezogen uit de placenta (de moederkoek). Wat ze uit de moederkoek halen, ziet er vlokkig uit. Daarom heet deze test de vlokkentest. In de vlokken is het genetisch materiaal (het DNA) van je kind te vinden. Door dit te onderzoeken, kunnen chromosoomafwijkingen zoals het Downsyndroom opgespoord worden. Ook is het mogelijk om DNA-afwijkingen op te sporen die zich voordoen bij erfelijke ziekten, zoals spierziekten en taaislijmziekte. Het is niet mogelijk om neurale buisdefecten (zoals een open ruggetje) op te sporen.

Methodes

Er zijn 2 methodes om de vlokken uit de placenta op te zuigen.

  • De eerste methode is vaginaal. Hierbij wordt met behulp van een echo en een eendenbek voorzichtig een naald ingebracht tot aan de placenta in de baarmoeder.
  • De andere methode is via de buikwand. Hierbij wordt er (weer met behulp van een echo) een punctie gemaakt om bij de placenta te kunnen komen.

Vlokkentest vroeg in zwangerschap

Een vlokkentest is redelijk vroeg tijdens de zwangerschap mogelijk. Dit heeft als voordeel dat je snel weet of er iets aan de hand is. Bij slecht nieuws heb je genoeg tijd om een beslissing te kunnen nemen. Wanneer je kiest voor een vaginale vlokkentest, dan kan dat vanaf 10 weken zwangerschap. Een vlokkentest via een punctie, kan pas vanaf 12 weken zwangerschap plaatsvinden. De uitslag van de test kan 7 tot 10 dagen duren.

Risico's

De vlokkentest is relatief betrouwbaar, maar niet geheel zonder risico's. Er is ongeveer 1 procent kans op een miskraam na het uitvoeren van de vlokkentest. Wanneer er via de buikwand een punctie plaatsvindt, is de kans op een miskraam iets kleiner dan 1 procent.

Vruchtwaterpunctie

Als in het begin van de zwangerschap vastgesteld wordt dat er een verhoogd risico is op bepaalde afwijkingen, is het mogelijk om daar onderzoek naar te doen. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een vlokkentest en een navelstrengpunctie, maar ook door middel van een vruchtwaterpunctie.

Vruchtwater

In het vruchtwater zit het genetisch materiaal van de baby. Door dit te onderzoeken kan met zekerheid vastgesteld worden of je kind een bepaalde aandoening heeft of niet.

Methode

Het vruchtwater wordt opgezogen door met een dunne naald een punctie te maken via de baarmoederwand tot in de vruchtzak. Zo wordt wat vruchtwater opgezogen. Daar zitten lichaamscellen van de baby in. Hiermee kunnen meer afwijkingen worden opgespoord dan met de vlokkentest.

Aandoeningen

Aandoeningen die opgespoord kunnen worden zijn:

  • neurale buisdefecten, zoals een open ruggetje;
  • chromosoomafwijkingen, zoals het Downsyndroom;
  • afwijkingen in het DNA die bijvoorbeeld taaislijmziekte veroorzaken;
  • erfelijke stofwisselingziekten.

Vruchtwaterpunctie laat in de zwangerschap

Het nadeel van de vruchtwaterpunctie is dat het pas laat in de zwangerschap kan plaatsvinden, namelijk vanaf de 16e week. Ook duurt het ongeveer 2 tot 3 weken voor de uitslag bekend is. Wanneer er slecht nieuws is, is de beslissing om de zwangerschap af te breken vaak extra moeilijk. In de meeste gevallen is de zwangerschap al zichtbaar en het kan ook zijn dat je al leven voelt. Het afbreken van de zwangerschap kan meestal alleen plaatsvinden door het inleiden van de bevalling.

Risico's

Het afnemen van een vruchtwaterpunctie is niet geheel zonder risico's. De kans op een miskraam is een half procent. Dit lijkt een hele kleine kans, maar toch is het belangrijk om daar rekening mee te houden.

Slecht nieuws

De vraag wat te doen bij slecht nieuws zal door iedereen verschillend beantwoord worden.

Een keuze maken

Het is duidelijk dat slecht nieuws in dit geval altijd veel impact zal hebben op de rest van je leven. Welke beslissing je ook neemt. Je krijgt een kind met beperkingen dat misschien niet oud kan worden. Daar kun je ongelukkig of toch heel gelukkig mee worden. Of je besluit de zwangerschap af te breken en dan kun je daar misschien vrede mee vinden of misschien ook niet. Het blijft een moeilijke keuze omdat je van te voren nooit weet hoe het zal zijn.

Er zijn ook mensen die hoe dan ook hun kind geboren willen laten worden, omdat ze elk leven welkom willen heten of omdat ze het onethisch vinden om als mens te bepalen welk kind wel of niet recht op leven heeft. Zij laten de tests doen om zichzelf emotioneel en ook in praktische zin voor te kunnen bereiden op de geboorte van een kind met een handicap.

Praten met anderen

Eén van de dingen die je kunt doen is praten met mensen uit je omgeving. Bij heel veel erfelijke en aangeboren aandoeningen heb je ouderverenigingen, waar ze ook vaak telefonische spreekuren houden. Hier zitten veel ouders die besloten hebben hun kind wel geboren te laten worden en weten wat dit inhoudt.

Zwangerschap afbreken

Medisch en juridisch gezin is het in Nederland mogelijk om op basis van zeer ernstige afwijkingen een zwangerschap af te breken. Dat kan tot de 14e week via een zuigcurettage. Dat kan in de 18e of 20e week alleen via het opwekken van de bevalling.

Zwangerschap en bevalling

Als je besluit om de zwangerschap uit te dragen, kun je daarbij begeleid worden door de verloskundig hulpverlener.

Bij bepaalde afwijkingen is het voor het kind beter dat de bevalling plaatsvindt in een gespecialiseerd ziekenhuis. Dan kan je kind meteen na de geboorte de juiste zorg krijgen. Er zijn ook afwijkingen die zo ernstig zijn, dat het kind kan overlijden voor of tijdens de geboorte.

Registratie van gegevens

Voor medisch-wetenschappelijk en statistisch onderzoek is het belangrijk om medische gegevens te verzamelen rond zwangerschap en geboorte. Op die manier kan de medische kennis en de kwaliteit van de zorg verbeterd worden. Artsen en verloskundigen werken daarom hieraan mee.

Ben je akkoord?

De verloskundige zal vragen of je met de registratie van jouw gegevens akkoord gaat. Als je dit niet wilt, heeft dat natuurlijk geen gevolgen voor je behandeling.

Anoniem

Je gegevens worden bewaard op een manier dat je niet te herkennen bent. Je kunt altijd vragen om inzage in je geregistreerde gegevens. Meer informatie hierover vind je op de website van het Ministerie voor Volksgezondheid.

Zwangerschap ontwikkeling moeder

Je lichaam verandert. Je buik wordt dikker. Je borsten worden groter. De zwangerschap is onder te verdelen in 3 fases.

De eerste 3 maanden

Ben je pas zwanger, dan is het normaal dat je erg moe bent. Misschien heb je last van ochtendmisselijkheid of andere zwangerschapskwaaltjes. Tijdens het innestelen van de bevruchte eicel in je baarmoederwand kan er soms een bloedvat geraakt worden. Je kunt dan een klein beetje bloed verliezen, op het moment dat je ongesteld had moeten worden. Heb je een beetje bloedverlies en geen buikpijn, dan is er meestal niets aan de hand.

Middelste 3 maanden

Dit is de periode dat de meeste vrouwen zich waarschijnlijk wat beter voelen. De misselijkheid is vaak voorbij en je bent minder moe. Dit is een tijd waarin je je vaak lichamelijk goed voelt. Zo rond de 20 weken kun je de baby voor het eerst voelen bewegen. Het kan best zijn dat je je pas later realiseert dat je die kriebels in je buik al eerder voelde. En dat je ze toen niet herkende als bewegingen van je baby. Als je voor de 2e keer zwanger bent, herken je de bewegingen meestal eerder.

De laatste 3 maanden

In de laatste 3 maanden is je buik flink aan het groeien. Hij gaat je in de weg zitten bij het lopen, zitten en liggen. Ook je baby wordt groter en je baarmoeder met baby drukt je ingewanden aan de kant. Hierdoor zul je aan het einde van je zwangerschap minder grote porties kunnen eten en vaker moeten plassen. Ook kan je vermoeidheid weer toenemen.

Wisselend humeur

Er gebeurt van alles met je lichaam. Veel dingen kun je ook even niet meer of zijn ongemakkelijk. En je hebt hormonen in je lichaam. Dat zorgt ervoor dat je humeur nogal eens wisselt. Het ene moment voel je je geweldig en het andere moment wil je het liefst huilen. Zonder dat je zelf begrijpt waarom.

Dat is heel normaal als je zwanger bent!

Piekeren

Blijf je piekeren over de gezondheid van de baby? Het kan zijn dat  je die zorgen niet goed kunt stoppen. Of je hebt al veel stress of psychische klachten. Dan kan het krijgen van een kind extra spannend zijn. Je vraagt je misschien af of je goed voor je baby kunt zorgen? Of dat dit het goede moment is om een kind te krijgen? Of wat je moet doen met je medicijnen?

Tips

  • Praat over je zorgen! Met je partner, moeder, zus, vriendin, verloskundige, huisarts of een andere hulpverlener.
  • Schrijf je gevoelens op. Doe dat 1 of 2 keer per dag. Dan ben je er misschien niet de hele dag mee bezig.
  • Doe leuke dingen naast je werk. Zorg voor afleiding. Dat geldt ook voor je partner.

Angsten

Niemand kan je vertellen hoe jouw bevalling zal zijn. De geboorte van je kind is altijd een geweldige ervaring. Maar omdat je niet precies weet hoe het gaat, kan het ook best eng zijn. Wat kun je doen als je er tegen op ziet?

  • Praat over je angsten en zorgen met je arts of verloskundige. Misschien heeft zij antwoorden, zodat je je zekerder voelt. Maak een lijstje van jouw angsten en zorgen en neem dat mee naar de verloskundige. Zij vindt het fijn om te weten wat jou verwachtingen over de bevalling zijn.
  • Volg een zwangerschapscursus. Je leert daar bijvoorbeeld hoe je weeën kunt opvangen. Ook je partner kan één of meerdere keren meekomen. Je partner leert dan hoe hij (of zij) jou kan helpen tijdens de bevalling.
  • Ben je bang voor pijn? Praat hierover met je arts of verloskundige. Er zijn mogelijkheden om met je pijn om te gaan. Het is heel gewoon om daar naar te vragen.
  • Bespreek met je  verloskundige hoe je wilt bevallen. In bed, op een baarkruk of misschien in het water? Als je dit van tevoren bespreekt, weet je wat de mogelijkheden zijn.
  • Denk erover na of je iemand bij de bevalling wilt hebben of niet. Wil je alleen zijn met je partner? Of vraag je je moeder, schoonmoeder, zus of vriendin om erbij te zijn? Het kan fijn zijn om bepaalde vertrouwde personen er bij te hebben.

Buik

Bij de ene vrouw zie je al snel dat ze zwanger is. Bij de andere vrouw zie je het pas na 7 maanden. Dat heeft met allerlei factoren te maken, bijvoorbeeld met de bouw van je lichaam.

Harde buiken

Na 4 of 5 maanden gaat je lichaam soms oefenen voor de bevalling. De spieren van je baarmoeder trekken dan samen. Zo oefenen ze voor de weeën. Je buik voelt dan strak en hard. Daarom zeggen we dan dat je een 'harde buik' hebt.

Liggen en slapen

Aan het einde van de zwangerschap is het soms moeilijk om lekker te slapen. Je kunt dan moeilijk een goede manier vinden om te liggen. Soms krijg je klachten als je op je rug slaapt. Je baarmoeder drukt dan op je aders. Daar kun je duizelig of benauwd van worden. Dan is het beter op je zij te slapen. Met een kussentje onder je buik, een kussentje tussen je benen en een kussentje in je onderrug.

Tips

  • Smeer je huid vaak in met crème. Je huid blijft dan soepel.
  • Wordt je buik erg zwaar? Dan kun je een steunband dragen. Dat voelt prettiger.

Borsten

Je borsten worden groter en zwaarder en je tepels kunnen groter en gevoeliger worden. Soms worden ze ook donkerder van kleur.

Beschermend vet

Op je tepels komen kleine bobbeltjes. Hier komt vet uit. Dat beschermt de tepels. Ze geven de tepels ook een eigen geur. Hierdoor kan de baby de borst van zijn moeder herkennen.

Na de zwangerschap

Na de zwangerschap worden je borsten misschien kleiner en slapper dan in de zwangerschap. Voor je borsten maakt het niets uit of je borstvoeding geeft of niet. Hierdoor worden ze niet kleiner en slapper.

Tips

  • Gebruik geen zeep of crème op je tepels. De kliertjes van je tepel geven talg af. Dat zorgt ervoor dat je tepels soepel en schoon blijven. Was je tepels daarom niet met zeep en gebruik ook geen crème.
  • Na de 5e maand van je zwangerschap kunnen je borsten gaan lekken. Maar dat hoeft niet. Als je borsten lekken, kun je zoogkompressen in je beha leggen. Deze vangen de melk op. Zoogkompressen koop je bij de drogist.
  • Draag een goede beha die je borsten steun geven. De beha mag niet te strak zitten. Een sportbeha of een 'meegroeibeha' is vaak prettig. Aan het einde van je zwangerschap kun je alvast een voedingsbeha kopen. Daarvan kan de voorkant (de cups) open. Dat is handig als je borstvoeding geeft.

Benen

In je zwangerschap kun je last van je benen krijgen.

Dat komt omdat je steeds zwaarder wordt. Je bent vaak meer dan 12 kilo zwaarder aan het einde van de zwangerschap. Maar je benen houden ook meer vocht vast. En de bloedvaten in je benen worden slapper. Dat komt door het zwangerschapshormoon progesteron. Door dit hormoon heb je meer kans op spataderen.

Tips

  • Leg je benen vaak even omhoog.
  • Sta niet te lang achter elkaar.
  • Blijf niet te lang zitten en beweeg regelmatig.
  • Eet niet te veel zout (zoals chips, soep, koek en pizza).
  • Probeer je kuiten op te rekken.
  • Neem een wisselbad. Dat is een bad waarin je warm en koud water afwisselt.
  • Laat je masseren.

Kriebel in je benen

Je kunt wakker worden van gekriebel in je benen. Je kunt je benen dan bijna niet stilhouden. Dat komt omdat de bloedcirculatie in je benen verstoord is.

De baby voelen

Als je ongeveer 20 weken zwanger bent, voel je meestal je baby voor het eerst bewegen. Ben je al eerder zwanger geweest? Dan voel je het misschien eerder. Want dan herken je het gevoel. De meeste vrouwen zeggen dat het voelt als vlinders of kriebels in hun buik.

De baby beweegt

Vanaf ongeveer 28 weken moet je je baby iedere dag voelen schoppen. De meeste baby's bewegen vooral:

  • 's morgens als je opstaat.
  • 's avonds voordat je naar bed gaat.

Aan het einde van de zwangerschap

Niet iedere vrouw voelt de bewegingen op dezelfde manier. Aan het einde van de zwangerschap worden de bewegingen meestal anders. Want je baby heeft steeds minder ruimte. Hij kan daarom niet meer alle kanten op schoppen. Als de bewegingen echt anders of minder zijn dan je gewend bent, neem dan contact op met je verloskundige.

Verlies slijmprop

Tijdens de zwangerschap wordt de baarmoedermond afgesloten door een slijmprop. Deze kan tegen het einde van je zwangerschap loslaten en naar buiten komen, samen met wat slijm en bloed. Het ziet eruit als een propje taai en glazig slijm.

Start van de weeën

Dat is een teken dat het lichaam zich klaarmaakt voor de weeën, maar het betekent niet dat je nu snel gaat bevallen. Soms duurt dat nog dagen, maar soms gaat het ook sneller. Daarom is het niet nodig om de verloskundige hierover te bellen. Misschien merk je niet eens dat je de slijmprop verliest, bijvoorbeeld omdat het op de wc gebeurt. Veel vrouwen verliezen de slijmprop ook pas bij de bevalling.

Zwangerschap ontwikkeling baby

Een zwangerschap duurt ongeveer 40 weken. De bevruchte eicel groeit in die tijd uit tot een baby. Hier vind je informatie over de groei en ontwikkeling van je baby tussen:

De bevalling

Na ongeveer 40 weken wordt je baby geboren. Bij de geboorte weegt een baby van ongeveer 50 centimeter lang, gemiddeld 3500 gram.

Ontwikkeling 0-12 weken

Het bevruchte eitje nestelt zich in je baarmoederwand. Reken vanaf de eerste dag van je laatste ongesteldheid. De bevruchting van de eicel is pas 2 weken later. Ben je 6 weken zwanger? Dan is je ongeboren kindje dus 4 weken oud.

De eerste 12 weken zijn cruciaal

De eerste 12 weken van je zwangerschap zijn cruciaal, omdat de belangrijkste organen van de baby zich ontwikkelen. Het zenuwstelsel wordt aangelegd tussen de 5e en 7e week van je zwangerschap, het hart klopt al na ongeveer 5 tot 6 weken. De foetus is dan nog maar 4 mm lang. Daarna worden armen en benen gevormd. Ook hersenen, ruggenmerg en inwendige organen ontwikkelen zich nu. Inmiddels voorziet de placenta je baby van voeding en zuurstof en zorgt voor het afvoeren van afvalstoffen.

Bij 12 weken

Als de foetus 12 weken oud is, dan is het hoofd nog bijna net zo groot als het lijf. Langzamerhand zal hij nu uitgroeien tot normale verhoudingen. Het gezicht van je kind ontwikkelt zich. Hij heeft nu ook armpjes en beentjes met handjes en voetjes. Je baby beweegt zich, maar dat kun je nog niet voelen. Je kind is nu ongeveer 8 centimeter groot.

Afbeelding 257

Ontwikkeling 13-26 weken

De vingertjes en teentjes hebben 10 piepkleine nageltjes gekregen. En op het gezichtje komen wenkbrauwen en wimpertjes. Je kind is ongeveer 17 centimeter en weegt ongeveer 120 gram. Bij de verloskundige kun je zijn hartje nu goed horen kloppen.

20 weken

Is je baby 20 weken, dan heeft hij al de helft van de lengte die hij bij de geboorte zal hebben. Rond deze tijd hebben zijn armen en benen ook de juiste lengte in verhouding tot het lijf. Ook ontstaat er nu hoofdhaar en donshaartjes op zijn huid. Hij reageert op geluiden van buitenaf. De bewegingen van je kind kun je nu voelen. Bij een eerste zwangerschap kan het nog wel 3 weken duren voordat je dat gevoel herkent. In het begin denk je misschien dat het je darmen zijn. Maar als je het een paar keer hebt gevoeld, weet je het zeker: het is je baby! Je kind is nu ongeveer 23 centimeter groot. En hij weegt ongeveer 300 gram.

Afbeelding 258

24 weken

Je baby doet nu soms zijn oogjes open. De oortjes zijn bijna klaar en horen steeds meer. Hij hoort jouw darmen rommelen en jouw hart kloppen. En ook je stem. De liedjes die je nu zingt, herkent je kind na de geboorte. Dan wordt hij er waarschijnlijk ook rustig van. Je kunt nu ook contact maken. Leg je hand op je buik. Misschien reageert je kind. Je kind is nu ongeveer 30 centimeter groot en weegt ongeveer 600 gram.

26 weken

Als je baby 26 weken is, weegt hij gemiddeld nog maar 900 gram. Hij is ongeveer 32 cm lang. In principe is een kind met 26 weken zwangerschap levensvatbaar.

Ontwikkeling 27-40 weken

Tijdens de laatste 3 maanden moet je baby nog flink in gewicht toenemen, ongeveer 2,5 kilo. In deze tijd wordt je baby ronder en voller, doordat hij nu onderhuids vet gaat opslaan. Je baby krijgt voeding en zuurstof via de navelstreng en de placenta.

28 weken

Je baby slaapt, wordt wakker en zuigt op zijn duim. Hij krijgt nu smaakpapillen. Dat merkt hij pas na de geboorte, want het vruchtwater heeft geen smaak. Zijn botten zijn al best stevig. Maar zijn schedel blijft zacht genoeg om straks door het geboortekanaal te kunnen. Je baby kan nu ook geluiden opvangen. Hij zal vooral het lawaai van je ingewanden horen, maar ook je stemgeluid. Je kind is ongeveer 35 centimeter en weegt meer dan 1 kilo.

Afbeelding 259

36 weken

Langzamerhand krijgt de baby steeds minder ruimte om zich te bewegen. In de laatste weken van je zwangerschap zal de baby in de goede houding gaan liggen: met zijn hoofd naar beneden.

Is dit je eerste kind? Dan zal hij nu met zijn hoofdje dieper in jouw bekken zakken. Een tweede kind doet dit vaak later. Je buikspieren zijn dan meer uitgerekt. Je baby heeft dus nog ruimte. Meestal ligt hij met zijn hoofdje naar beneden. Als je baby slaapt, dan is hij rustig. Je voelt hem dan niet bewegen. Je kind is nu ongeveer 45 centimeter en weegt bijna 2,5 kilo. Vanaf nu komt er elke dag 30 gram bij.

40 weken

De 40e week is ongeveer het einde van je zwangerschap. Je baby is nu helemaal klaar. Ben je langer dan 40 weken zwanger? Dat betekent meestal dat je kind het goed heeft in je buik. Maak je dus geen zorgen: hij komt echt wel! Bij de geboorte weegt je kind ongeveer 3,5 kilo. En hij is ongeveer 50 centimeter groot.

Afbeelding 260

Je baby hoort je stem

Het lijkt soms moeilijk voorstelbaar, maar onderzoek toont duidelijk aan dat pasgeboren baby's de stem van hun moeder meteen herkennen. Hun vader herkennen ze over het algemeen niet zo goed, gewoon omdat ze zijn stem minder hebben gehoord toen ze nog in de buik zaten.

Praten tegen je ongeboren kind

Het is goed voor de ontwikkeling van je baby als beide ouders al tijdens de zwangerschap zo veel mogelijk tegen hun ongeboren kind praten en bijvoorbeeld liedjes voor hem zingen. Veel ouders vinden dat leuk om te doen. Via moeders buikwand kun je hem ook strelen en aanraken. Zo leer je het lichaam en het temperament van je kind al een beetje kennen. Het is verrassend om te ontdekken dat hij echt met bewegingen of met plotselinge rust reageert op jouw aanrakingen en jouw stem. Daarmee 'zegt' hij al dingen tegen je!

Een band opbouwen

Communicatie met je ongeboren kind is heel goed mogelijk. Als je baby eenmaal geboren is blijft praten, aanraken, aankijken en aandacht geven belangrijk. Door daar al mee te beginnen als je baby nog niet ter wereld is gekomen, bouw je een band met hem op. En dat is goed voor heel zijn verdere ontwikkeling.

Ligging van de baby

Als de baby met zijn hoofd naar beneden ligt, ligt hij in een ideale positie voor de bevalling. Het beste is, als je baby met het gezichtje naar de rug van de moeder gekeerd ligt, maar niet elk kind ligt zo.

Stuitligging

Vroeg in de zwangerschap liggen veel kinderen in stuitligging. Tot 34 weken is dat normaal. Je baby ligt met de billetjes omlaag, in plaats van met het hoofd. Dit wordt minder naarmate de zwangerschap vordert.

Rond de uitgerekende datum ligt nog ongeveer 3 procent van de kinderen in stuitligging. Er is meestal geen oorzaak voor, maar het komt vaker voor bij een meerlingzwangerschap. Sommige baby's liggen op hun zij, dit noemt men dwarsligging.

Baby gaat zelf beter liggen

Natuurlijk kan je kind bewegen in je buik. Sommige baby's (1 of 2 op de 10) gaan tegen de tijd dat de bevalling aanstaande is alsnog op een goede manier liggen. Rond de 36e of 37e week kan de verloskundige nog proberen het kind te laten draaien in de buik.

Einde van de zwangerschap

Aan het einde van de zwangerschap zakt het hoofdje van de baby wat dieper in je bekken: de baby 'daalt in'. Je voelt dat, want de druk op je schaambeen en bekken wordt wat groter en je maag en longen krijgen meer ruimte. Wanneer de baby is ingedaald, kan hij niet meer van positie veranderen. Dit is de laatste fase voor de bevalling. Bij een eerste zwangerschap daalt de baby ruim voor de bevalling in. Bij volgende zwangerschappen kan dit later gebeuren en soms pas als de bevalling al begonnen is.

Draaien van de baby

Als een baby na 34 weken zwangerschap in stuitligging ligt, kan hij soms nog uitwendig gedraaid worden. Dit heet 'versie'. Als je baby weer goed ligt, geeft dit veel voordelen tijdens de bevalling. Er is dan veel minder kans op een keizersnede.

Een tweede baby kan vaak wat later nog gedraaid worden. Als je een tweeling verwacht is het niet mogelijk een of beide kinderen te draaien.

Hoe gaat het draaien?

  • Je ligt met iets opgetrokken benen op de onderzoekbank.
  • Je buik wordt ingesmeerd met gel of talkpoeder.
  • De verloskundige, soms de gynaecoloog, tilt met beide handen via de buitenkant van je buik de billetjes van de baby tot boven je bekken.
  • Daarna beweegt ze de billetjes opzij en steunt de billetjes dan met één hand.
  • Met de andere hand beweegt ze het hoofd van de baby naar zijn eigen buik of rug.
  • De baby maakt als het ware een koprol voor- of achterover binnenin de baarmoeder.
  • Daar is wel wat kracht voor nodig, want de baby ligt in het vruchtwater in de baarmoeder. Het draaien kan daarom pijnlijk zijn.
  • Soms moet later nog eens worden geprobeerd om de baby te draaien.
  • Na het draaien worden de harttonen van de baby gecontroleerd.
  • Als de draaiing is gelukt, kun je meestal gewoon thuis bevallen.

Veilig alternatief

Er zijn ook alternatieve manieren waarop mensen proberen hun baby te stimuleren om met het hoofdje naar beneden te gaan liggen. Bijvoorbeeld door de zogenaamde 'moxatherapie'. Dit is een soort acupunctuur met warmte in plaats van naalden. Deze therapie kun je zelf leren en toepassen tijdens de 33e, 34e en 35e week van de zwangerschap. Of het ook echt helpt, daar zijn de meningen over verdeeld.

Een kleine baby

Het komt voor dat de verloskundige een kind aan de kleine kant vindt. Ze zal een zwangerschap dan vaker willen controleren. Soms vindt ze het nodig om een echo te laten maken.

Groeivertraging

Blijven er zorgen over de groei van je kind, dan verwijst ze je door naar de gynaecoloog voor verder onderzoek en controle van de zwangerschap.

Oorzaken

De meest voorkomende oorzaak van een te kleine baby is roken. Stop naast roken ook met alcohol, drugs en andere pepmiddelen. Dat zijn allemaal middelen die slecht zijn voor de groei en de gezondheid van een ongeboren kind.

Stress vermijden

Het is ook verstandig om stress zoveel mogelijk te vermijden. Dat is soms moeilijk, maar stress is van invloed op de groei van je baby.

Meerling zwangerschap

Het is bijzonder om zwanger te zijn van een meerling, want het komt niet zo vaak voor. En de boodschap dat er niet 1, maar 2 (of meer) baby's in je buik groeien, komt misschien als een enorme verrassing.

Kortere zwangerschap

De zwangerschap van een meerling duurt korter dan 40 weken, dat wil zeggen dat de bevalling eerder op gang komt. De ligging van de baby's, heeft gevolgen voor de wijze van bevallen. Sommige vrouwen die zwanger zijn van een meerling hebben meer last van zwangerschapskwaaltjes.

Kans op een meerling

Een vrouw van 25 heeft een kans van ongeveer 1 op 90 op een tweeling. Voor een vrouw van 40 is dat 1 op 60. Van elke 1000 zwangerschappen in Nederland zijn er ongeveer 15 een tweelingzwangerschap. Spontane drielingzwangerschappen zijn zeldzaam. In Nederland zijn er gemiddeld 20 tot 25 per jaar.

Vruchtbaarheidstechnieken

Moderne vruchtbaarheidstechnieken, zoals IVF, zorgen voor een toename van het aantal meerlingen. Met hormonen stimuleert men de eisprong, waardoor er soms meer eitjes vrijkomen. Bij reageerbuisbevruchting (IVF en ICSI) worden soms 2 bevruchte eicellen in de baarmoeder teruggeplaatst. Dit gebeurt wel minder vaak dan voorheen, omdat een tweeling of meerlingzwangerschap risico's met zich meebrengt.

Meerling of niet?

Tegenwoordig kun je al vrij vroeg in je zwangerschap te horen krijgen dat je een meerling verwacht. Veel vrouwen krijgen al in het begin van hun zwangerschap een echo. Als er sprake is van een meerling, dan zal de echo dat vrijwel zeker laten zien.

Er zijn ook lichamelijke tekenen die erop kunnen wijzen dat je zwanger bent van een tweeling:

  • overmatig overgeven;
  • extreme moeheid;
  • je baarmoeder is veel meer uitgezet dan je zou verwachten.

Je verloskundige controleert elke keer de grootte van je baarmoeder. Zij weet precies hoe hoog je baarmoeder zou moeten zitten volgens de duur van je zwangerschap. Zit je baarmoeder hoger dan normaal, dan is er een kans dat je zwanger bent van een meerling. Een echo kan dan definitief uitsluitsel geven.

Ontstaan van meerlingen

Eeneiige tweeling

Een eeneiige tweeling ontstaat als één bevruchte eicel zich splitst. Ongeveer 1 op de 3 tweelingen is eeneiig.

Twee-eiige tweeling

Als er 2 eicellen bevrucht worden, ontstaat een tweelingzwangerschap. Men spreekt dan van een twee-eiige meerling.

De meeste spontane tweelingzwangerschappen ontstaan doordat bij de eisprong 2 eicellen vrijkomen, die beide worden bevrucht. Ongeveer 2 op de 3 tweelingen is twee-eiig. Bij deze twee-eiige tweelingen speelt erfelijkheid via de familie van de vrouw een rol. De kans op een spontane tweelingzwangerschap neemt ook toe met de leeftijd van de vrouw.

Drielingzwangerschap

Bij bevruchting van 3 eicellen ontstaat een drielingzwangerschap. Men spreekt dan van een drie-eiige meerling. Een drieling kan bijvoorbeeld bestaan uit een eeneiige tweeling en een derde kind uit een andere eicel. Drielingen zijn meestal drie-eiig.

Zwangerschapsduur meerling

Ben je zwanger van een meerling? Dan is de kans groot dat je baby's eerder op de wereld komen dan na 40 weken zwangerschap.

De gemiddelde zwangerschapsduur is:

  • bij een tweeling 37 weken;
  • bij een drieling 34 weken;
  • en bij een vierling 31 weken.

Lager geboortegewicht

Dat tweelingen vanaf ongeveer 32 weken zwangerschap langzamer groeien dan eenlingen, is niet ongewoon. Meerlingen wegen bij de geboorte vaak minder dan eenlingen bij een zelfde zwangerschapsduur. Van de tweelingen weegt 8 procent minder dan 1500 gram bij de geboorte, van de drielingen is dat 30 procent.

Waarom eerder bevallen?

Je baarmoederwand rekt extra op door de aanwezigheid van meer dan één baby. Daardoor komt de weeënactiviteit eerder op gang. Je wordt daarom meestal ter observatie in het ziekenhuis opgenomen. Als de bevalling echt te vroeg op gang komt, geeft de verloskundige of de gynaecoloog soms weeënremmende medicijnen.

In het ziekenhuis

Voor het bevallen van een meerling ga je altijd naar het ziekenhuis. De risico's op complicaties zijn namelijk groter dan bij één baby. De kans is ook aanwezig dat de baby's nog een tijdje in de couveuse moeten liggen.

Ligging van de baby's

Meerlingen delen de ruimte in je baarmoeder. Ze kunnen in allerlei mogelijke posities liggen. Omdat de ruimte beperkt is, zullen de baby's al vroeg in de zwangerschap hun uiteindelijke positie innemen.

Hoe liggen de baby's?

Bij een tweeling liggen de baby's vaak met de hoofden naar beneden.

  • Bij 80 procent van de tweelingen ligt het eerste kind met het hoofd naar beneden.
  • Bij 60 procent liggen beide kinderen in hoofdligging.
  • De baby's kunnen ook allebei in stuitligging liggen, dat betekent met de voeten en billen naar beneden.
  • Soms ligt de eerste in stuit- en de tweede in hoofdligging, of soms ligt één van beiden dwars.
  • Heb je een drieling of zelfs een vierling, dan zijn allerlei variaties mogelijk.

Wat heeft dit voor gevolg?

De ligging van de baby's bepaalt vaak op welke wijze ze geboren worden. Liggen bij een tweeling de baby's met de hoofden naar beneden, dan is de kans groot dat de bevalling op natuurlijke wijze kan gebeuren. Soms besluit de gynaecoloog na de geboorte van de eerste baby alsnog tot een keizersnee voor het tweede kind. De reden is dan vaak dat het tweede kind niet snel genoeg geboren wordt of dat hij het benauwd heeft. Pas na de geboorte van het tweede kind worden de placenta's geboren.

Ga je bevallen van meer dan 2 kinderen? Dan zal het vrijwel zeker een keizersnee worden.

Complicaties

Zwanger zijn van een meerling betekent dat je wat meer kans hebt op zwangerschapskwaaltjes en complicaties. Je bent daarom onder controle van een gynaecoloog. De gynaecoloog houdt de groei van de baby's nauwkeurig in de gaten. Bevallen van een meerling gebeurt altijd in het ziekenhuis.

Complicaties

  • Buitensporig overgeven.
  • Tekort aan ijzer, mineralen en vitaminen. Je kunt het best met je gynaecoloog overleggen wat je hieraan kunt doen.
  • Rugklachten, een pijnlijk bekken of 'zwangerschapsischias'. Dit komt doordat je extra gewicht mee moet dragen.
  • Lager geboortegewicht van je baby's door een groeivertraging na 30-32 weken zwangerschap.
  • Hoge bloeddruk.

Rustig aan

Misschien heb je niet zoveel last van complicaties. Over het algemeen kun je ook alles blijven doen zolang je je daar goed bij voelt: werk, sport, seks, fietsen, autorijden, enzovoort. Toch is het verstandig om het een beetje rustig aan te doen als je zwanger bent van een meerling. Het is ook prettig om nu nog wat rust te nemen. Straks heb je je handen vol aan het voeden en verzorgen van je baby's.

Verhoogde kans op vroeggeboorte

Bij meerlingen is de kans op een vroeggeboorte verhoogd. Een vroeggeboorte is meestal het gevolg van spontane voortijdige weeën. De kans is sterk verhoogd bij een drieling en nog sterker bij een vierling. Soms komen de kinderen te vroeg omdat de gynaecoloog het raadzaam vindt in te grijpen. Als bijvoorbeeld bij echoscopisch onderzoek blijkt dat één of meer kinderen te weinig groeien, adviseert de gynaecoloog vaak opname in het ziekenhuis.

Keizersnede

Blijkt de conditie van een van de kinderen achteruit te gaan en de zwangerschap is meer dan 33 à 34 weken gevorderd, dan is het advies bijna altijd om de zwangerschap te beëindigden. Dat kan een keizersnede betekenen. De gynaecoloog overlegt met de kinderarts en vertelt je hoe het best behandeld kan worden. Je hoort ook welke gezondheidsproblemen bij de kinderen te verwachten zijn. Een injectie met corticosteroïden kan de longrijping van de kinderen bevorderen.

Bij een tweelingzwangerschap beval je in principe normaal, tenzij de gynaecoloog een ander advies geeft.

Soms gaat het niet goed

Zwanger zijn maakt je kwetsbaar. Er kan ook iets misgaan in de zwangerschap of bij de geboorte. Natuurlijk wil jij, en je eventuele partner, een gezonde baby en hoop je op een goede zwangerschap en geboorte. Als dat niet zo is, dan kun je veel verdriet hebben. Als je een partner hebt, is het voor hem of haar ook moeilijk. Je kunt elkaar steunen en praten over je gevoelens.

Je baby verliezen

Het doet veel pijn om je baby te verliezen, vroeg of laat in de zwangerschap. Of te zien dat je partner jullie baby verliest. Dit geeft onzekerheid bij een volgende zwangerschap. Daarom is het belangrijk dat je er aandacht aan geeft, zodat je het kunt verwerken. Het is fijn als je steun hebt van elkaar of van anderen. En ook goede begeleiding bij een volgende zwangerschap is dan heel belangrijk.

Miskraam

Ongeveer 10 procent van alle zwangerschappen eindigt in een miskraam. Ondanks dit hoge aantal, houd je hier misschien maar weinig rekening mee. Als je zwanger bent, kijk je uit naar je kindje en denk je niet direct na over wat er allemaal fout kan gaan.

Spontane abortus tot 16 weken

Als er iets mis is met de vrucht (bijvoorbeeld als het niet meer leeft) dan stoot het lichaam de vrucht af. Dit is een miskraam of een 'spontane abortus'. Het wordt een miskraam genoemd als dit gebeurt voor de 16e week van de zwangerschap. De kans op een miskraam is in de eerste 12 weken het grootst.

Doodgeboorte na 16 weken

Na de 16e week is de kans dat het misgaat veel kleiner. Als het dan toch nog misgaat, wordt dit een doodgeboorte genoemd.

Leefstijl van belang

Veel drank- en drugsgebruik of veel roken verhogen de kans op een miskraam. Je kunt dus het best zo gezond mogelijk leven als je zwanger wilt worden. Je verloskundige kan je daar informatie en advies over geven.

Wat gebeurt er bij een miskraam?

  • Als het lichaam de vrucht afstoot, dan begint dit eerst met licht bloedverlies en buikpijn. Dat kan een aantal dagen duren.
  • Bel dan met je verloskundige, zij zal met je doornemen wat er kan gebeuren, je informatie geven en begeleiden waar nodig en mogelijk.
  • De krampen en het bloedverlies worden steeds heviger (te vergelijken met weeën). Het bloedverlies wordt zelfs zo hevig, dat maandverband amper helpt.
  • Op een gegeven moment voel je dat de vrucht uitgestoten wordt en als het ware uit de baarmoeder 'floept'.

Het is belangrijk om te proberen de vrucht op te vangen. Op die manier kunnen artsen onderzoeken wat er aan de hand was met de vrucht en waarom je misschien een miskraam hebt gehad. Een arts kan ook zien of alles uitgestoten is. Wanneer dit niet zo is, heb je misschien nog een curettage nodig.

Curettage

Eventueel kan de baarmoeder dus 'schoon gemaakt' worden door middel van een curettage. Maar ook wanneer de verloskundige of de huisarts al eerder vaststelt dat er iets mis is met het vruchtje (bijvoorbeeld geen hartactie), dan kun je kiezen voor een curettage. Dit is dus nog voordat het lichaam zelf de vrucht heeft uitgestoten, wat ook wel een 'gemiste miskraam' wordt genoemd.

Meestal wordt geadviseerd om niet meteen te kiezen voor een curettage, maar te wachten op de natuurlijke miskraam. Omdat dit de natuurlijk weg is, is het soms ook iets makkelijker te verwerken. Het ging immers niet goed met de vrucht en het lichaam heeft het zelf afgestoten.

Chromosomenonderzoek

Bij een curettage wordt het vruchtje in je baarmoeder weggezogen. Dit gebeurt onder algehele narcose of een ruggenprik. Heb je 2 of meer miskramen gehad dan kun je een chromosomenonderzoek laten doen. Dit is een onderzoek waarbij je kijkt of je een bepaalde afwijking hebt in je DNA waardoor je vaker een miskraam krijgt. De reden van één of meerdere miskramen is vaak, helaas, niet duidelijk. Wil je een chromosoomonderzoek dan kun je dat regelen via je huisarts.

Rouwproces

Veel vrouwen hebben erg veel verdriet van een miskraam en gaan ook echt door een rouwproces heen. Als je zwanger wordt, ben je er meteen mee bezig. Er is al een band tussen jou en je baby. Als die opeens stopt, doet dat pijn. Het doet ook pijn als mensen om je heen niet begrijpen dat je al van je kindje hield. Toch kan dat zo voelen. Je mag echt verdrietig zijn.

  • Je mag verdrietig zijn, maar probeer dat niet te lang te zijn. Dat levert je niets op.
  • Probeer te weten te komen waarom je een miskraam had. En of er een kans is dat het weer gebeurt. Praat hierover met je huisarts of verloskundige.

Voor meer informatie kun je terecht op de website van NVOG. Eventueel kun je voor extra ondersteuning contact opnemen met de FIOM.

De baby overlijdt

Van alle 100 baby's die in Nederland geboren worden, overlijdt er 1 tijdens of direct na de geboorte. De reden waarom dit getal zo hoog ligt, is niet bekend.

Als een baby dood geboren wordt, of kort na de geboorte overlijdt, beleef je als ouders één van de moeilijkste perioden in je leven. Het is een periode van verdoving, niet accepteren, boosheid en verdriet. Je hebt je kind nauwelijks leren kennen, als vader misschien nog minder dan de moeder.

Slecht nieuws

Het komt ook voor dat je als ouders te horen krijgen dat je ongeboren kind in de baarmoeder overleden is, of dat het kind geen overlevingskansen heeft. Dat kan veel oorzaken hebben. Het is een enorme slag. Men zal je vaak adviseren om tussen dat slechte nieuws en de geboorte wat tijd te nemen om de boodschap door te laten dringen. Dan kun je thuis met familie en vrienden erover praten en rouwen, voordat de baby dood wordt geboren. Het verlies is altijd groot. Je moet afscheid nemen van een kindje dat je al lang in je buik had. En in je hart.

Steun

Familie en vrienden bieden waarschijnlijk veel steun en hulp. Voor emotionele steun verwijzen we graag naar de lotgenotencontactgroep voor ouders die een kind verloren hebben. Je kunt ze bellen voor advies. Voor het regelen van de begrafenis is er op internet een checklist te vinden, die kan helpen om de begrafenis zo vorm te geven dat je een goede start maakt met het rouwproces.

Regelen

Als ouder van een overleden baby zijn er bepaalde administratieve zaken die je binnen 5 dagen moet regelen. Misschien wil je onderzoek laten doen naar eventuele (medische) oorzaken van het overlijden van je kind. Het kan zijn dat je gevraagd wordt of je organen van je baby wilt afstaan voor donatie. Hoe cru dat misschien ook klinkt: dit kan voor een andere baby levensreddend zijn.

Afscheid van je baby

Verder zul je je ook bezig gaan houden met het afscheid, de begrafenis en het inlichten van al je dierbaren, je familie en misschien ook bekenden in bredere kring.

Vroeger haalden artsen een doodgeboren kind meteen bij de moeder weg. Nu is dat gelukkig niet meer zo. Contact met je baby is voor de meeste ouders belangrijk. Dan kun je de dood van het kind beter verwerken. Het is jouw kindje. Je geeft het een naam. Je geeft het aan bij de burgerlijke stand. Het kind hoort voor altijd bij jou en jullie gezin.

Adviezen

  • Ga af op je gevoel, zoals jij afscheid wil nemen.
  • Je kunt je baby als je dat wilt zelf wassen en aankleden na de geboorte.
  • Maak foto's als je wilt. Dan kun je altijd zien hoe je baby eruit zag.
  • Misschien wil je je baby laten zien aan je familie. Voordat hij begraven of gecremeerd wordt. Het kan een steun voor je zijn dat anderen je baby gezien hebben.
  • Op de website van Stichting Achter de Regenboog kun je meer informatie en advies vinden.

Bevalling overleden baby

Het moment waarop de bevalling wordt ingeleid wordt meestal afgesproken. Soms willen mensen graag de start van een natuurlijke bevalling afwachten. Het uiterlijk van je baby kan wel veranderen als het overleden is.

Begraven of cremeren

Een baby mag je altijd begraven. Als je baby ouder is dan 24 weken zwangerschap moet het verplicht worden aangegeven bij burgerlijke stand en worden begraven of gecremeerd.

Hoe vertel ik het?

Als je kind overlijdt, is dit moeilijk. Op een gegeven moment, als je er klaar voor bent, kun je je verdriet delen met mensen uit je intieme kring, familie en hartsvrienden.

Broertjes en zusjes

Wat het overlijden betekent voor je andere kinderen is afhankelijk van hun leeftijd. In ieder geval is openheid van groot belang. Verberg het overlijden niet. Vertel ze wat er gebeurd is en laat je kinderen, als ze dat willen, hun overleden broertje of zusje zien en eventueel aanraken. Probeer vragen zo goed mogelijk te beantwoorden.

De bredere kring

Als je mensen die dichtbij staan vertelt dat je je kind verloren hebt, kan dat emotioneel zijn, maar ook heilzaam. Het kan helpen bij het allereerste begin van de verwerking. Het ligt anders als het gaat om het inlichten van kennissen, collega's, achterneven en anderen met wie je een minder hechte band hebt, maar die zich wel afvragen wat er aan de hand is. Het is over het algemeen aan te raden om iedereen in te lichten over wat er gebeurd is. Bijvoorbeeld via een rouwkaart of een advertentie.

Steun krijgen

Mensen zullen geschokt zijn en meeleven. Als je dat ervaart als een warm bad, dan is het prima. Het kan ook zijn dat de verhalen van anderen teveel ballast worden. Bedenk wat jou, of jullie, zou helpen. Wil je bezoek ontvangen of niet? Wil je telefoontjes ontvangen of liever e-mail en kaartjes. Wat te doen met de kraamcadeautjes? In ontvangst nemen of weggeven aan een goed doel? Geef dat soort dingen zo duidelijk mogelijk aan. Als je zegt wat je nodig hebt op dit moment, geef je mensen ook de kans om je te steunen op en manier waar je iets aan hebt. Al is het maar dat je de buurvrouw vraagt om een pan soep te maken voor familie die van ver komt.

Verdriet en het rouwproces

Mensen zeggen vaak dat je verdriet moet verwerken. Dat klinkt misschien als wegwerken, maar dat wordt niet zo bedoeld. Als ouder vergeet je een overleden kind nooit.

Leegte en verdriet

De eerste weken en maanden zullen in het teken staan van het verlies. Iedereen heeft zijn eigen rituelen, emoties en gedachten, maar je zult op veel momenten in gedachten bij het verlies zijn. Intens verdriet en leegte overheersen. Soms ook ongeloof: is dit echt gebeurd? Ook twijfel en boosheid komen veel voor, vooral als je het gevoel hebt dat het ziekenhuis of doktoren niet goed gehandeld hebben.

Partners rouwen soms verschillend om de dood van hun kind. Dat geldt ook voor de eventuele andere kinderen en familieleden. Het is belangrijk om die verschillen te begrijpen en op je eigen manier afscheid te nemen van je overleden kind.

Partners

Mensen kunnen verschillen in de manier waarop ze zich uiten. Soms zie je bijvoorbeeld dat de vrouw behoefte heeft om zich te uiten en een man zich vaak erg verantwoordelijk voelt voor zijn partner en het gezin. Soms kunnen mannen moeilijk praten over het verlies. Als er veel verschil is in de manier waarop jullie rouwen, is goed om ook steun te zoeken bij anderen.

Lichamelijke klachten

Je kunt lichamelijke klachten krijgen na het verlies van je kind en het verdriet dat dat met zich meebrengt. Gebrek aan eetlust, slapeloosheid, depressies, onrust, enzovoort. Deels horen deze klachten bij het rouwproces, maar als de klachten te lang blijven bestaan, vraag dan advies aan je huisarts.

Vereniging Ouders van een Overleden Kind

De Vereniging Ouders van een Overleden Kind (VOOK) is een landelijke zelfhulporganisatie die lotgenoten met elkaar in contact brengt, bijvoorbeeld via gespreksgroepen. Telefoonnummer 0900-2022723 (€0,05 per minuut).

Administratieve verplichtingen

Als je kind na 24 weken zwangerschap dood geboren wordt of overlijdt na de geboorte, dan ben je verplicht om de baby aan te geven bij de burgerlijke stand.

Bij een zwangerschap korter dan 24 weken mag dat, maar het is niet verplicht. Veel ouders doen wel aangifte, om te bevestigen dat het kind er geweest is.

Papieren mee

Formeel is het zo dat eerst de geboorte aangegeven moet worden en dan het overlijden. Dit kan in één bezoek aan het gemeentehuis.

  • Hierbij moet wel een verklaring van overlijden overhandigd worden. Dat papier moet zijn ondertekend door een arts.
  • Bij een zwangerschap van minder dan 24 weken is ook een verklaring nodig van een geneeskundige waaruit de duur van de zwangerschap blijkt.

Als de aangifte voltooid is wordt er een formulier afgegeven waarop staat dat begraven of cremeren is toegestaan. Deze toestemming is verplicht voor kinderen die geboren zijn na een zwangerschap langer dan 24 weken.

Naamskeuze

Wanneer je al een naamskeuze had gemaakt (akte van naamskeuze) komt deze te vervallen.

Begrafenisvergoeding

Bij de meeste verzekeringsmaatschappijen kun je de kosten voor de uitvaart van een baby die nog geen 24 weken gedragen is, vergoed krijgen. Het is verschillend vanaf hoeveel weken zwangerschap zij dit doen, maar meestal houden ze 16 weken aan.

Wie moet dit regelen?

De vader van de baby is in eerste instantie de persoon die de aangifte bij de gemeente moet doen. Wanneer de vader niet aanwezig is of niet in staat is aangifte te doen kan ook iemand anders die aanwezig was bij de bevalling dit doen. Eventueel is het ook mogelijk dat de uitvaartverzorger of een medewerker van het ziekenhuis dit verzorgd.

De begrafenis of crematie

Om op een goede manier het rouwproces in te gaan, is een passend afscheid en een mooie begrafenis of crematie heel belangrijk. Een begrafenis of crematie van een baby is heel anders dan het begraven van een volwassene. Je neemt afscheid van al dat moois dat had kunnen zijn en van het unieke wezentje dat je zo graag zoveel langer bij je had willen hebben.

Ritueel aanpassen aan kind

De woorden en rituelen die je bij volwassenen gebruikt, lijken niet passend voor een kind. Er zijn veel mogelijkheden om het ritueel aan te passen aan het kind. Een mooi gedicht, een ritueel met bloemen of ballonnen, een mandje of een wit kistje. De mogelijkheden zijn er allemaal. Kijk wat bij het meest bij jullie zelf past.

Uitnodigen

Eén van de dingen die je moet bedenken is wie je uitnodigt. Je kunt kiezen voor een uitvaart in zeer besloten kring, of voor een uitvaart waar juist veel mensen zijn. Het is afhankelijk van de vraag wat je aankan en wat je als steunend ervaart. Als het allemaal veel teveel wordt, kun je bijvoorbeeld kiezen voor een begrafenis of crematie in kleine kring en in een later stadium een herdenkingsbijeenkomst houden.

Uitvaartverzorger

Het organiseren van een uitvaart vraagt veel kracht en ook aandacht voor details. Je kunt hierbij hulp krijgen van de uitvaartverzorger. Die weet ook wat gebruikelijk is en kan je informeren over de vele mogelijkheden. Elke stap en elke keuze is een stap op weg naar het definitieve afscheid. Om je te oriënteren kan het heel nuttig zijn om te kijken wat andere ouders gedaan hebben, die in dezelfde situatie geweest zijn als jij nu.

Vrienden en familie

Ook kun je een goede vriend(in) of familieleden om ondersteuning te vragen. Zeker als het gaat om praktische hulp en organiseren van de uitvaart, zullen veel mensen je graag willen helpen. De meeste mensen vinden het fijn om iets voor je te kunnen doen. Ze voelen zich dan meestal ook iets minder machteloos bij al dat verdriet. Het geeft ook voor later in het rouwproces een troostend gevoel dat er meer mensen waren, die intensief meegeleefd hebben.

Medische oorzaken en vragen

Als je baby thuis overlijdt, is de huisarts verplicht om de lijkschouwer in te schakelen. Na het overlijden van een baby in het ziekenhuis wordt ouders vaak toestemming gevraagd om nog een onderzoek (obductie of autopsie genoemd) te mogen doen, om erachter te komen wat de oorzaak is van het overlijden van de baby.

Opheldering en zekerheid

Dat kan van belang zijn om een goede diagnose te kunnen stellen. Zo'n onderzoek wordt gedaan uit belang van de wetenschappelijke kennis maar vooral om nog opheldering en zekerheid te geven over wat mis ging.

Nagesprek

De kinderarts zal jullie na enkele weken uitnodigen om alle gegevens omtrent het overlijden van je baby na te bespreken. Je kunt ook zelf een gesprek aanvragen. Het teruggaan naar het ziekenhuis en de kinderarts weer spreken, is vaak een zeer moeilijk moment. Maar het kan wel helpen bij het rouwproces. Meestal is het toch beter om te weten wat er bekend is over het overlijden van je kind. Wat was de oorzaak, was er iets wat je had kunnen doen, heeft het kind geleden?

Hulp van de huisarts

Wanneer je teveel opziet tegen het gesprek met de kinderarts kun je ook je huisarts vragen of je dit gesprek met hem of haar kunt voeren. Stel gerust alle vragen die je op je hart hebt. Ook vragen die misschien niet reëel lijken, maar je wel bezighouden.

Bevalling

Over bevallen doen veel verhalen de ronde. Helaas overheersen bij deze verhalen vaak de negatieve ervaringen. Maar er zijn ook genoeg leuke verhalen van vrouwen waarbij de bevalling ondanks dat het hard werken is, een geweldige ervaring was.

Verschillen tussen vrouwen

Hoe je bevalling zal verlopen, is moeilijk te voorspellen. Hoe je de weeën zult beleven nog minder. De weeën kunnen best heftig en pijnlijk zijn. Maar de kracht en de frequentie van de weeën wordt meestal langzaam opgebouwd, waardoor je er in mee groeit. Tussen iedere wee heb je ook tijd (een pauze) om op adem te komen. De pijn kun je in de meeste gevallen goed aan, zeker als je goede begeleiding krijgt en niet alleen gelaten wordt.

Omgaan met de pijn

Je hoeft niet bang te zijn voor ondraaglijke pijn. Met degene die je bevalling gaat begeleiden, heb je van tevoren afspraken gemaakt over het omgaan met de pijn. Als het nodig is, is er pijnbehandeling. Verdiep je van te voren wel in de voor- en nadelen van de verschillende methoden. Pijnbestrijding met de ruggenprik kan alleen in het ziekenhuis. De verloskundige thuis heeft ook middelen om je pijn te verminderen, zij zal deze in de zwangerschap met je bespreken.

Hoe bevallen?

Er zijn verschillende houdingen om in te bevallen.

Liggend

Als je ligt, kan de verloskundige goed zien hoe de bevalling gaat. Ook je partner kan het goed zien. Je kunt gaan liggen om uit te rusten, tussen de weeën door. Als je wilt, kun je met een spiegel meekijken hoe je baby geboren wordt. Het nadeel is dat je zelf weinig controle over de situatie hebt. En niet iedereen vindt het fijn om plat op haar rug te persen.

Op je hurken

Als je op je hurken zit, is er meer ruimte tussen je bekken. De uitgang wordt dan groter.

  • Je partner kan je helpen om zo te zitten. Je partner kan op een stoel zitten waarbij jij dan steunt met je armen op de benen van je partner.
  • Na een wee kun je gaan staan.
  • Als je begint met persen, hoef je niet zo diep door je knieën.
  • Als je het hoofdje kunt zien, zak je wel diep door je knieën. Je bekken 'kantel' je dan naar voren.

Niet iedere vrouw kan goed hurken. Als de bevalling lang duurt, is het zwaar om zo te zitten, maar zeker aan het einde van het persen is het een fijne houding. Je maakt gebruik van de zwaartekracht, kunt de mensen om je heen goed aankijken en de baby zelf aanpakken.

De baarkruk

De baarkruk is een kruk met een gat. Jij zit op je hurken op de kruk. Je partner zit achter je en houdt je vast. Zo gebruik je de zwaartekracht. Bevallen op de baarkruk heeft dezelfde voordelen als gehurkt bevallen, alleen doordat je op de kruk zit, hou je het vaak wat langer vol. Aan het einde wordt de kruk ook wel eens weggehaald, waardoor je de baby op je hurken geboren laat worden.

Op je handen en knieën

Op handen en knieën lijkt een vreemde houding om te bevallen, maar deze heeft ook veel voordelen. Tussen een wee door, kun je bijvoorbeeld op een omgekeerd babybadje hangen. Het is een fijne houding als het niet je eerste kind is en het persen bijvoorbeeld erg snel gaat. Je hebt dan wat meer controle. Ook als de baby aan het einde nog een beetje moet draaien kan deze houding daar erg goed bij helpen.

Thuis- of ziekenhuisbevalling

In veel landen om ons heen is het standaard dat je in het ziekenhuis bevalt. In Nederland is een thuisbevalling heel normaal. Als je zwangerschap normaal verloopt, kun je prima thuis bevallen. Dit kan met de hulp van de verloskundige.

Poliklinisch

Je kunt ook kiezen voor een poliklinische bevalling in het ziekenhuis. Veel vrouwen vinden dit een prettig idee, omdat er dan eerder medisch ingegrepen kan worden.

Thuis bevallen en poliklinisch bevallen zijn even veilig. Je moet kiezen waar je je het prettigst bij voelt.

Ziekenhuisbevalling

Als je zwangerschap niet zonder problemen verloopt of als er bij de geboorte complicaties dreigen, zul je in het ziekenhuis bevallen en wellicht voor die tijd opgenomen worden op de kraamafdeling.

Thuisbevalling

Wanneer je zwangerschap normaal verloopt kun je thuis bevallen. Veel vrouwen voelen zich in hun vertrouwde omgeving het meest op hun gemak. Je wilt misschien het liefst in je eigen bed, of in je eigen slaapkamer bevallen.

Voorbereiding

Een goede voorbereiding zorgt ervoor dat je beter weet wat er kan gebeuren. Er zijn een aantal belangrijke zaken waar je van te voren rekening mee moet houden. De verloskundige zal deze met je bespreken. Er moet bijvoorbeeld altijd op dezelfde verdieping stromend water aanwezig zijn. En als er iets niet goed gaat, dan moet je makkelijk naar het ziekenhuis vervoerd kunnen worden. Een slaapkamer waarvoor je 2 trappen op moet, is dan niet de beste plek om te bevallen.

Om je huis op de bevalling voor te bereiden is niet zoveel nodig. Veel zwangere vrouwen krijgen wel 'nestdrang' en poetsen soms nog het hele huis vlak voor de bevalling. Een lekker schoon huis is prima, maar je hoeft echt niet alles te ontsmetten. Je bent aan de bacteriën in je eigen huis gewend en je baby heeft er de eerste tijd ook geen last van.

Praktische zaken

Voor de bevalling moeten er ook een aantal praktische zaken geregeld worden of in orde zijn.

  • Het bed moet 80 centimeter hoog zijn.
  • Om je bed hoger te maken, kun je er klossen onderzetten. Klossen leen je bij de thuiszorgwinkel. Meestal is dat gratis.
  • Gebruik het kraampakket dat je van je zorgverzekeraar kunt krijgen.
  • Zet alvast een ingepakte tas klaar met kleding, kinderkleertjes en toiletspulletjes, voor als je onverhoopt toch nog naar het ziekenhuis gaat.
  • Zorg voor een matrasbeschermer. In je kraampakket zit ook een matrasbeschermer. Het is handig om dit om je matras te doen vanaf het moment dat je 36 weken zwanger bent. Als je vliezen breken, blijft je matras droog en schoon.

Complicaties

Als er complicaties optreden zal de verloskundige meteen deskundige hulp bieden en als het nodig is ervoor zorgen dat je snel naar het ziekenhuis wordt gebracht.

Ziekenhuisbevalling

In vrijwel elk ziekenhuis worden voorlichtingen georganiseerd voor zwangeren die poliklinisch willen bevallen. Het is aan te raden om alvast eens te gaan kijken, bijvoorbeeld met je partner, een vriend(in) of familielid. Dan kun je de sfeer proeven en heb je een beeld van de plek waar het straks allemaal gaat gebeuren.

Wat is poliklinisch bevallen?

Als je er zelf voor kiest om in het ziekenhuis te bevallen (zonder medische indicatie) dan heet dit een poliklinische bevalling. Je kiest hier misschien voor omdat het een veilig gevoel geeft.

Een nadeel van de poliklinische bevalling is echter dat je pas naar het ziekenhuis gaat als de ontsluitingsfase van de bevalling al is begonnen. Je moet ook zelf zorgen voor het vervoer naar het ziekenhuis. Je eigen verloskundige gaat wel mee naar het ziekenhuis. En als de bevalling goed verloopt, mag je vaak na een paar uur weer naar huis.

Gynaecoloog of verloskundige?

Het is logisch dat je bij de bevalling een prettige en deskundige begeleider wilt hebben. Sommige vrouwen willen liever een gynaecoloog bij de bevalling hebben en anderen een verloskundige. Als je een voorkeur hebt, vraag dan bij het ziekenhuis na of dat altijd mogelijk is. In veel ziekenhuizen begeleiden verloskundigen ook de medische bevallingen, maar dan onder verantwoordelijkheid van de gynaecoloog.

Tas met spullen

Het is handig om, tegen de tijd dat je uitgerekend bent, alvast een tas klaar te zetten met spullen die je nodig hebt als je gaat bevallen.

Kraampakket

Ook als je poliklinisch bevalt, kun je een kraampakket bij de zorgverzekeraar bestellen. Dit is handig omdat er onder andere een matrasbeschermer inzit, maar ook kraamverband, alcohol en gaasjes voor de baby. Ook in het geval van een onverwachte thuisbevalling of als je nog niet weet waar je wilt gaan bevallen is een kraampakket erg handig om in huis te hebben.

De kosten

Bij een aantal zorgverzekeraars betaal je een eigen bijdrage voor een poliklinische bevalling. Wanneer de poliklinische bevalling om medische redenen klinisch wordt, hoef je de kosten van een poliklinische bevalling niet te betalen.

Waterbevalling

Je kunt overwegen om een bad te huren om in te bevallen. Het kan niet in je eigen bad.

Je hebt dan wel thuis een kamer nodig die goed verwarmd kan worden en die is voorzien van een stevige vloer die een groot gewicht kan dragen, in verband met het gewicht van het water. Vraag aan je verloskundige of je in het water kunt bevallen.

Een bijzonder bad

Het bad dat je huurt is geen gewone badkuip. Het is een stuk groter en van een nette schone hoes voorzien, die na het huren weer ververst wordt. Je vult het bad zelf met warm water.

De grootte is ongeveer 1,80 bij 1,50 meter. Die grootte is ook wel nodig, omdat je er ook in moet kunnen bewegen. Sommige baden hebben een apart zitje, zodat je partner ook in bad kan gaan zitten.

Warm water verzacht de weeënpijn

Een goede reden om te kiezen voor een bevalling in warm water, is dat het de pijn van de weeën verzacht. Warm water ontspant. Neem een warm bad als je weeën hebt. Dat maakt de pijn minder. Het zorgt er ook vaak voor dat de weeën goed doorzetten.

Veilig voor de baby

Veel vrouwen zijn ten onrechte bang dat de baby water binnenkrijgt bij de geboorte. Het water is ongeveer op lichaamstemperatuur en daardoor voelt de baby nog geen impuls om te gaan ademen. Voor moeder en baby kan deze manier van bevallen wat soepeler zijn dan 'droog' bevallen.

Angst voor de bevalling

Een luchtige benadering van de bevalling is het gemakkelijkst. Gewoon denken: ik laat het over me heen komen en ik zie wel.

Niet iedereen zit zo in elkaar. Sommige vrouwen zien op tegen de bevalling. Ze vragen zich af of alles goed is met de baby en of ze tijdens de bevalling veel pijn zullen hebben. Mentale voorbereiding op de bevalling is voor iedereen goed.

Voorbereiden

Een handige tip is om alvast te beginnen met een zwangerschapscursus. Dat is een goede manier om je voor te bereiden op de bevalling. Hier leer je technieken om je tussen de weeën door te ontspannen of hoe je het best de weeën kunt opvangen.

Wie zijn erbij?

Verder is het goed om van tevoren te bedenken waar je wilt bevallen en wie je er graag bij wilt hebben om je te steunen. Dat kan je partner zijn, een zus, je moeder, een vriend of een vriendin. En tenslotte kun je proberen met een positieve houding de bevalling in te gaan.

Deel je angst

Word in ieder geval niet bang voor de angst zelf. Dat hoeft niet. Deel in ieder geval je angst met je verloskundige of gynaecoloog, zij kunnen samen met jou kijken hoe je je bevalling het best kunt voorbereiden.

Ingeleide bevalling

Meestal begint de bevalling vanzelf. Niet dat het geen energie kost, maar er hoeven geen kunstgrepen aan te pas te komen.

Dit is de bevalling zoals je je die wenst. De weeën komen op tijd, je krijgt persweeën, het kind wordt geboren met het hoofdje naar beneden en dan volgt de placenta. In veel gevallen verloopt de bevalling gewoon volgens dit plan.

Inleiden van de bevalling

Soms moet de natuur een handje geholpen worden. Als het te lang duurt voordat de bevalling op gang komt of als er een andere medische noodzaak is om het kind geboren te laten worden, kan de bevalling worden ingeleid. Dat gebeurt altijd in het ziekenhuis onder leiding van een gynaecoloog.

Dit betekent dat je een middel toegediend krijgt dat de weeën op gang brengt. Dat kan een infuus met oxytocine zijn, of een gel met prostaglandine, die op de baarmoedermond wordt aangebracht.

Waarom een ingeleide bevalling?

Veel voorkomende redenen voor een inleiding zijn:

  • over tijd zijn (serotiniteit), 42 weken zwanger;
  • hoge bloeddruk;
  • een infectie van de moeder;
  • langdurig gebroken vliezen;
  • groeivertraging van het kind;
  • een placenta die slechter werkt.

Ervaringen

In veel bevallingsverhalen wordt verteld dat een ingeleide bevalling erg vervelend kan zijn. Nu is het vaak zo dat een bevalling ingeleid wordt als er problemen zijn,. De spanning en stress maakt vaak ook dat vrouwen de pijn als extra zwaar ervaren. Het is wel waar dat de weeën na een inleiding heftiger kunnen zijn. Bij erge pijn is pijnstilling mogelijk.

Inleiden bevalling

Een inleiding van de bevalling is pas mogelijk als de baarmoedermond al een beetje open ('rijp') is.

Baarmoedermond

Als er toch een dwingende reden is om de bevalling op gang te brengen, kan de gynaecoloog de baarmoedermond 'rijp' maken ('primen', Engels voor voorbereiden). Dat doet ze vaak door prostaglandinen in de vagina (schede) of de baarmoedermond in te brengen. Prostaglandinen zijn hormonen die de rijpheid van de baarmoedermond bevorderen. Ze spelen ook een rol als de bevalling begint.

Breken van de vliezen

Het op gang brengen van de weeën gebeurt vaak met het kunstmatig breken van de vliezen. Vaak is dan nog een weeënopwekkend middel nodig via een infuus. Je krijgt een naaldje in een bloedvat van je hand of onderarm en daarop wordt een dun slangetje aangesloten. Via het infuus worden medicijnen (oxytocine) toegediend. Geleidelijk beginnen dan de weeën.

De conditie van je kind wordt constant gecontroleerd. Het verloop van de bevalling is in principe hetzelfde als bij een 'normale' bevalling.

Tangverlossing of Vacuümbevalling

Soms verloopt de bevalling in de eerste fase goed, maar is het moeilijk om de baby naar buiten te persen. Als de bevalling niet meer verder komt, dan is verdere begeleiding in het ziekenhuis nodig.

De tang

Bij een tangverlossing zal de arts met een tang de vaginaopening ingaan om het hoofd van het kind voorzichtig te omvatten en bij de eerstvolgende perswee voorzichtig mee te trekken.

De tang die hierbij gebruikt wordt, lijkt wel wat op het soort tang dat je gebruikt om vlees op de barbecue om te draaien, maar dan met uiteinden die heel mooi om een babyhoofdje passen. Soms is inknippen nodig om de tang te kunnen plaatsen.

De pomp

Een ander hulpmiddel is de vacuümpomp. Dat is een soort zuignap die geplaatst wordt op dat stukje van het hoofd van de baby dat op dat moment zichtbaar is. Ook in dat geval trekt de arts voorzichtig mee op het moment dat je een perswee hebt.

Ervaringen

Het plaatsen van een tang of pomp gebeurt op een pijnlijk moment en een pijnlijke plek. Het is niet plezierig, maar soms is het noodzakelijk. Voor het kind zelf is een tang of vacuümextractie, zoals dat medisch heet, ook niet altijd fijn. Er ontstaat weleens een bult of bloeduitstorting op het hoofd of in het gezicht van de baby. Je baby zal de eerste dag ook hoofdpijn kunnen hebben, wat meestal bestreden wordt met paracetamol.

Voorbereiding bevalling

Het meest spannende moment van je zwangerschap is natuurlijk de bevalling. Misschien heb je hier van te voren al goed over nagedacht en weet je wat er ongeveer zal gaan gebeuren.

Het is verstandig om je goed voor te bereiden, bijvoorbeeld door een zwangerschapscursus te volgen, een geboorteplan te maken, je koffer klaar te maken voor een bevalling in het ziekenhuis en het kraampakket te bestellen.

Pijnbestrijding

Voorbereiden doe je samen met degene die je zwangerschap en bevalling begeleidt. Die kan je veel vertellen over de bevalling en wat er gaat gebeuren.

Elke bevalling doet pijn. Maar iedere vrouw voelt dit weer anders. De pijn kan bestreden worden als het te erg wordt. Pijnbestrijding met de ruggenprik kan alleen in het ziekenhuis. De verloskundige thuis heeft ook middelen om je pijn te verminderen. Bereid je goed voor door de voor- en nadelen van de verschillende vormen van pijnbehandeling te bespreken. Als je midden in je bevalling bent, kunt je daar niet meer zo goed over nadenken.

Zwangerschapscursus

En als het zover is? Probeer te ontspannen. Dan kun je het best met de weeën omgaan. Doe ademhalingsoefeningen. Of ontspanningsoefeningen. Die leer je allemaal tijdens een zwangerschapscursus. Dat helpt je om rustig te blijven. Haal adem tot diep in je buik. Dat zorgt ervoor dat je niet in paniek raakt.

Zwangerschapscursus

Je kunt voor ondersteuning van je zwangerschap en ter voorbereiding van je bevalling meedoen aan een zwangerschapscursus.

Wat leer je?

Je leert in deze cursus praktische en informatieve zaken omtrent je zwangerschap en bepaalde technieken die je kunnen helpen bij de bevalling. Je krijgt onder andere voorlichting over de bevalling, over borstvoeding en over het contact met jullie baby. Bovendien krijg je bewegings-, houdings- en ontspanningstips voor in de zwangerschap en voor bij de bevalling.

Wanneer kun je je opgeven?

Meestal start je als je ongeveer 26 tot 28 weken zwanger bent, aanmelden moet eerder. Vaak wordt een zwangerschapscursus in groepsverband gegeven. Je hebt dan de mogelijkheid om ervaringen en tips uit te wisselen met de andere cursisten.

Gymnastiek

Het aanbod van zwangerschapscursussen is omvangrijk. Welke cursus jij kiest of samen met je partner kiest, hangt helemaal af waar je behoefte aan hebt. De meest bekende is waarschijnlijk de zwangerschapsgym. Veel thuiszorginstellingen bieden deze cursus aan. Naast oefeningen om je spieren soepeler te maken en de spieren die je bij de bevalling veel gaat gebruiken, te verstevigen, krijg je zoals bij alle cursussen veel informatie over de zwangerschap en bevalling.

Zwemmen

Maar misschien lig je liever in het water. Zwanger zijn en zwemmen is namelijk een heel goede combinatie. In het water ben je gewichtsloos en kan je je lichaam even wat ontspanning geven. Zwangerschapszwemmen is dan een goede aanvulling op andere cursussen en wordt onder professionele begeleiding gegeven.

Yoga of samen bevallen?

Zwangerschapsyoga of een cursus 'Samen bevallen' behoort ook tot de mogelijkheden. Tijdens een cursus zwangerschapsyoga leer je vooral je zwanger zijn en bevalling bewust en ontspannen mee te maken. Ook worden er lichamelijk oefeningen gedaan om bijvoorbeeld rugklachten te verminderen. Een cursus samen bevallen volg je samen met je partner. Je partner is actief betrokken in deze cursus en hij (of zij) leert jou te ondersteunen tijdens je zwangerschap en bevalling.

Haptonomie

Jij en je partner leren contact te maken met jullie kind tijdens de zwangerschap.Dit is geen groepscursus.

Mensendieck

Deze cursus speelt een belangrijke rol in het leren kennen en voelen van je lichaam tijdens je zwangerschap en bevalling. Naarmate je meer bewust met je lichaam omgaat, krijg je meer vertrouwen in jezelf en in de bevalling.

Online cursus

Tegenwoordig kun je zelfs online een zwangerschapscursus volgen. Het zal per aanbieder verschillen, maar onderwerpen die aan bod kunnen komen zijn bijvoorbeeld de groei van je baby, wat gebeurt er met jouw lichaam en hoe ga je straks werk en gezin met elkaar combineren. Maar ook de aanstaande vaders worden bij een online cursus niet vergeten. Bijvoorbeeld wat hen te wachten staat en hoe zijn zwangere vrouw of vriendin zich eigenlijk voelt.

Kosten

Je kunt het best van de voren vragen naar de kosten en bij je zorgverzekeraar informeren of de cursus wordt vergoed.

Kraampakket

Er zijn een aantal zaken die je nodig hebt voor de bevalling en de tijd daarna. Je verloskundige of gynaecoloog zal je hier meer over vertellen.

Zorgverzekeraar

Veel dingen die je nodig hebt, zitten in een kraampakket. Dat krijg je meestal via je zorgverzekeraar. Vraag dat na. Je kunt ook een kraampakket kopen bij de drogist, de apotheek of de thuiszorgwinkel.

In dit kraampakket zitten de minimale benodigdheden voor tijdens en direct na de bevalling. Het is verstandig om het kraampakket voor week 37 in huis te hebben.

Wat zit er in het kraampakket?

  • 1 of 2 navelklemmetjes
  • 5 tot 10 celstofmatjes
  • 2 kraammatrassen
  • matrasbeschermer (of bedzeil)
  • 1 flesje alcohol (om mee te ontsmetten)
  • verbandwatten
  • steriele gaasjes
  • desinfecterende zeep
  • kraamverband

Thuisbevalling

Kraammatrassen, matrasbeschermers en celstofmatjes zijn er om het matras en het beddengoed zoveel mogelijk te beschermen bij de thuisbevalling. Het is natuurlijk verstandig om daarnaast ook oude lakens en oude handdoeken te gebruiken.

Ziekenhuisbevalling

Als je in het ziekenhuis bevalt heb je ook recht op een kraampakket. In principe heb je minder nodig dan bij een thuisbevalling, maar toch heeft het kraampakket altijd dezelfde inhoud

Matrasbeschermer

De matrasbeschermer kun je vanaf 37 weken onder je laken leggen om je matras te beschermen bij het eventueel breken van de vliezen.

Geen kraampakket?

Als je zorgverzekeraar geen kraampakket verstrekt, dan kun je dit pakket ook via de drogist of apotheek bestellen. Je kunt bij de thuiszorginstelling in de buurt informeren naar het kraampakket en de kosten hiervan.

Ziekenhuiskoffer

Het kan gebeuren dat je tijdens de thuisbevalling toch nog naar het ziekenhuis moet. Bijvoorbeeld omdat het bijvoorbeeld niet vordert of als er pijnbestrijding nodig is. Het is dan erg fijn als je tas met spullen klaarstaat, zodat je je daar geen zorgen over hoeft te maken.

Inpakken

In deze 'ziekenhuiskoffer' neem je zowel spullen voor jezelf als spullen voor je baby mee. Voor jezelf kun je denken aan een oud T-shirt of nachthemd waarin je het prettig vindt om te bevallen. Maar ook schoon ondergoed (geen strings), warme sokken, schone kleren, stevige beha's, speciale voedingsbeha's, een ochtendjas en pantoffels of slippers. Maar neem natuurlijk ook je eigen toiletspulletjes mee, zoals een tandenborstel, lipbalsem en lenzenvloeistof. Vergeet ook niet het kraamverband en de zoogkompressen.

Voor je baby

Voor je baby kun je het beste wat kleding meenemen: rompertjes, sokjes, een jasje en een mutsje. Maar ook: een speentje, een omslagdoek en een extra deken voor in de auto. En natuurlijk een autozitje en een maxicosi.

Overige praktische zaken

Een aantal praktische zaken die je ook mee kunt nemen zijn een fototoestel (denk aan een opgeladen batterij) of een videocamera, tijdschriften, een telefoonadresboekje en kleingeld voor het parkeren. Zorg daarnaast dat je ook je verzekeringspapieren en je identificatiebewijs in de tas zitten. En als je die hebt ook je ponskaart van het ziekenhuis en je zwangerschapskaart.

Extra tip!

Zorg in de periode waarin je uitgerekend bent voor een goed gevulde benzinetank van de auto. Je wilt natuurlijk niet onderweg naar het ziekenhuis met een lege tank komen te staan.

Benodigdheden thuisbevalling

Wat heb je nodig voordat je gaat bevallen? En wat moet je regelen als je thuis wilt bevallen? Van je verloskundige of gynaecoloog kun je een lijst krijgen met spullen die je nodig hebt voor de bevalling en de tijd daarna. Zorg ervoor dat je alles voor week 37 van je zwangerschap in huis hebt.

Kraampakket

De meeste zorgverzekeraars bieden je een kraampakket aan. In dit pakket zitten standaard benodigdheden, zoals navelklemmen, kraamverband, en desinfecterende zeep. Krijg je van je zorgverzekeraar een kraampakket? Controleer dan of daar alles in zit wat je nodig hebt.

Heb je nog speciale dingen nodig die niet op deze lijst staan? Dan hoor je dat van je verloskundige.

Het bed verhogen

Naast het kraampakket hoef je zelf nog maar voor een paar andere zaken te zorgen. Bijvoorbeeld bedklossen en een ondersteek (een po). Met klossen kun je je bed verhogen tot minimaal 80 centimeter hoog. De verloskundige en kraamverzorgende kunnen je op deze manier goed helpen bij de bevalling. Ook als je in het ziekenhuis bevalt, moet je je bed verhogen. Dat is nodig voor de kraamverzorgende en verloskundige. Bedklossen en een ondersteek kun je huren bij de thuiszorgorganisatie.

Andere aandachtspunten

Andere belangrijke aandachtspunten en benodigdheden voor de bevalling zijn goede verlichting en verwarming, een goede zaklamp, 2 emmers met vuilniszakken, oude lakens, handdoeken, een wasteiltje, extra kussens, warme kruiken (met het groene keurzegel van het Keurmerkinstituut), luiers en zachte (flanellen) doeken voor je baby.

De ziekenhuiskoffer

Als je onverwacht toch naar het ziekenhuis moet, is het verstandig om van te voren een tas klaar te zetten met spullen. Hierbij kun je denken aan een pyjama, schone kleding en schoon ondergoed. Maar ook spullen voor je baby zoals rompertjes, een mutsje en sokjes.

Nodig voor jezelf

Een groot deel van onderstaande benodigdheden zit al in het kraampakket.

  • maandverband (2 pakken)
  • kraamverband (2 pakken, bij thuisbevalling 3 pakken)
  • 10 celstofmatjes
  • 1 pakje boterham- of diepvrieszakjes (om verband in weg te gooien)
  • 1 maatkan
  • 1 thermometer (geen oorthermometer)
  • 1 (pompje vloeibare) zeep

Nodig bij thuisbevalling

  • 2 emmers
  • 2 vuilniszakken
  • zaklamp en batterijen
  • 2 kraammatrassen (grootste maat)
  • 10 grote steriele gazen 10/10
  • 1 navelklem
  • ruim zittend T-shirt dat vuil mag worden
  • eventueel een strijkplank om materialen op te zetten
  • een 'ziekenhuiskoffertje' met verzekeringspapieren, zwangerschapskaart, toiletartikelen en eventueel foto- en filmapparatuur (voor als je toch nog naar het ziekenhuis moet)

Spullen thuiszorgorganisatie

  • 1 ondersteek lenen
  • bedverhogers lenen

Dit kan vanaf ongeveer 3 weken voordat je bent uitgerekend.

Benodigdheden ziekenhuisbevalling

Als je naar het ziekenhuis moet om te bevallen, is het verstandig om van te voren een tas klaar te zetten. Hierbij kun je denken aan een pyjama, schone kleding en schoon ondergoed. Maar ook spullen voor je baby zoals rompertjes, een mutsje en sokjes. Bij thuiskomst heb je natuurlijk ook spullen voor jezelf en je baby nodig.

Nodig voor jezelf

  • maandverband (2 pakken)
  • kraamverband (2 pakken, bij thuisbevalling 3 pakken)
  • 10 celstofmatjes
  • 1 pakje boterham- of diepvrieszakjes (om verband in weg te gooien)
  • 1 maatkan
  • 1 thermometer (geen oorthermometer)
  • 1 (pompje vloeibare) zeep
  • bedzeil

De meeste spullen zitten ook al in kraampakket van je zorgverzekeraar. Controleer dit goed.

Nodig in het ziekenhuis

  • ruim zittend T-shirt dat vuil mag worden
  • pyjamajasje of korte nachtpon
  • 1 paar sokken
  • 1 ochtendjas of badjas
  • pantoffels of slippers
  • toiletartikelen
  • verzekeringspapieren of ponsplaatje van het ziekenhuis
  • mobiele telefoon
  • telefoonnummers
  • 1 stel babykleertjes
  • eventueel foto- en filmapparatuur
  • maxicosi en dekentje.

Van de thuiszorgorganisatie lenen

  • een ondersteek
  • bedverhogers

Dit kan vanaf ongeveer 3 weken voordat je bent uitgerekend.

De bevalling begint

De bevalling begint meestal met weeën. Je voelt hoe de baarmoeder zich regelmatig samentrekt. Je voelt dat in je onderbuik en rug, en soms ook in je benen. Maar voor de weeën beginnen, kun je ook al signalen krijgen dat de bevalling niet lang op zich laat wachten.

Slijmprop

Tegen het einde van je zwangerschap kun je een slijmprop verliezen. Dat is dikke slijmerige vaginale afscheiding, soms gemengd met een beetje bloed. Dat is een teken dat het lichaam zich klaarmaakt voor de weeën. Soms duurt dat nog een paar dagen, maar soms gaat het ook sneller.

Vliezen breken?

Als je opeens helder gekleurde, of soms groenige vloeistof verliest, dan betekent dat dat de beschermende vruchtzak die om de baby heen zit, is gescheurd. De vliezen zijn gebroken.

De verloskundige waarschuwen

Degene die je bevalling gaat begeleiden kan je verloskundige maar ook de verloskundig actieve huisarts of gynaecoloog zijn.

Wanneer bellen?

Je verloskundige of gynaecoloog zal met jou bespreken dat je het best kunt bellen als je denkt dat de bevalling begonnen is. Tijdens de zwangerschap krijg je informatie over hoe een bevalling meestal begint en wanneer je in ieder geval moet bellen. In geval van twijfel kun je altijd bellen om te overleggen.

Gebroken vliezen

  • Overdag kun je gewoon doorgeven dat de vliezen gebroken zijn. De verloskundige komt dan langs in de loop van de dag.
  • Als de vliezen 's nachts breken, kun je de volgende ochtend bellen (als het hoofdje is ingedaald en het vruchtwater helder is).

Maar bel altijd als je je ongerust maakt! Bel het liefst zelf, dan krijgt de verloskundige inlichtingen uit de eerste hand.

Slijmprop

Verlies je de slijmprop? Een klein beetje bloed met slijm? Daarvoor hoef je de arts of verloskundige niet te bellen. Het betekent dat de bevalling langzaam gaat beginnen. Maar het kan nog wel een paar dagen duren.

De vliezen breken

Als je opeens helder gekleurde, of soms groenige vloeistof verliest, dan betekent dat dat de vruchtzak die om de baby heen zit, is gescheurd.

Dat voelt alsof je onbedoeld urine verliest. Het verschil is dat je vruchtwater, in tegenstelling tot urine, niet kunt ophouden en telkens een beetje blijft lopen. Bovendien ruikt vruchtwater zoetig en is het meestal kleurloos.

Voor 37 weken?

Als dit gebeurt voordat je 37 weken zwanger bent, bel dan altijd direct de verloskundige of arts. Bel het liefst zelf, dan krijgt de verloskundige inlichtingen uit de eerste hand.

Is het vruchtwater groen of bruin?

Vruchtwater ziet eruit als kraanwater, met vlokjes en een beetje bloed. Bel direct als het vruchtwater niet kleurloos of wit is, bijvoorbeeld als het vruchtwater groen of bruin is. Ook als het hoofdje van de baby nog niet is ingedaald, is het beter om meteen te bellen. De verloskundige heeft je verteld of het hoofdje is ingedaald of niet.

Binnen 24 tot 48 uur bevallen

Op zich is het breken van vliezen normaal, maar het is wel belangrijk dat de bevalling binnen 24 uur tot 48 uur begint. De kans op infecties wordt daarna namelijk groter. Meestal komt de bevalling na het breken van de vliezen binnen 24 uur op gang, maar vaak breken de vliezen pas als de weeën al begonnen zijn. In 9 van de 10 gevallen komt de bevalling na het breken van de vliezen spontaan op gang. Als dat niet zo is, moet de bevalling ingeleid worden.

Als je vliezen gebroken zijn en je hebt nog helemaal geen weeën, ga dan niet in bad in verband met risico op infecties. Douchen kan nog wel, veel vrouwen vinden dat heerlijk.

De verloskundige bellen

Tijdens je zwangerschap krijg je instructies wanneer je moet bellen in geval van gebroken vliezen.

Keizersnee bevalling

Bij een keizersnede wordt de baby geboren via een snee in de onderbuik van de moeder. Het is een echte buikoperatie die de gynaecoloog altijd in het ziekenhuis uitvoert.

De verdoving

Een keizersnede wordt onder verdoving uitgevoerd. Je kunt daarbij vaak zelf kiezen of je onder algehele narcose wilt of dat je een ruggenprik wilt.

  • Bij een algehele narcose maak je de keizersnede zelf niet bewust mee omdat je buiten bewustzijn bent.
  • Bij de ruggenprik wordt je hele onderlichaam vanaf de navel verdoofd. Je ziet de ingreep zelf niet omdat er doeken voor worden gehangen. Je voelt wel wat getrek en geduw en ervaart misschien een beetje een drukkend of benauwd gevoel vanwege de verdoving. Maar het doet geen pijn.

De ingreep

Er worden 2 sneden gemaakt.

  • De eerste komt in de buikwand. Dat kan een bikinilijnsnede worden, die van links naar rechts over de onderbuik loopt. Of een snede van boven naar beneden.
  • De tweede snede wordt in de baarmoeder zelf gemaakt, waarbij de darmen en blaas opzij geschoven worden. Dat binnenlitteken kan ook pijn veroorzaken, die je wat hoger in de buik voelt (rond de navel).

Wie mogen erbij zijn?

In de meeste ziekenhuizen mag de partner bij de keizersnede aanwezig zijn op het moment dat het kind echt uit de buik gehaald wordt. Dat is meestal zo'n 15 minuten na het begin van de ingreep. Als je er iemand anders bij wilt hebben of als je wilt filmen of fotograferen, moet je dit van tevoren vragen. Meestal mogen er pas foto's worden gemaakt op het moment dat het kind uit de buik wordt gehaald. Filmen tijdens de operatie is in de meeste ziekenhuizen niet toegestaan.

Herstellen

Na een keizersnede is de hersteltijd langer dan na een vaginale bevalling. Je verblijft meestal enkele dagen in het ziekenhuis. Eenmaal thuis moet je het de eerste tijd rustig aan doen. Het litteken, je darmen en je algehele conditie hebben hersteltijd nodig. Over de nazorg en risico's ontvang je informatie in het ziekenhuis.

Redenen voor keizersnede

Een keizersnede kan gepland zijn, maar is ook wel onverwachts nodig. Redenen voor een keizersnede zijn onder andere:

  • een baby met een in verhouding groot hoofd;
  • een te nauw bekken;
  • stuitligging of een andere ongunstige ligging van de baby, de moederkoek of de navelstreng;
  • afwijkingen aan de baarmoeder;
  • de bevalling duurt te lang;
  • de conditie van de baby gaat achteruit.

Eens een keizersnede, altijd een keizersnede?

Het hoeft niet zo te zijn dat je bij een volgende zwangerschap ook een keizersnede krijgt. Vaak is dat niet nodig. Wel moet de volgende bevalling weer plaatsvinden in het ziekenhuis onder begeleiding van een gynaecoloog. Dat is vanwege het litteken in de baarmoeder. Na overleg kan de verloskundige meestal de controles in de zwangerschap uitvoeren.

Voorbereiding keizersnee bevalling

Als je van tevoren weet dat je een keizersnede moet ondergaan wordt je de dag voor de operatie in het ziekenhuis opgenomen. Misschien moet je je eigen medicijnen meenemen. Bespreek dat vooraf even met de gynaecoloog.

De verdoving

De anesthesist (de verdovingsspecialist) komt met jou je conditie bespreken en samen beslis je welke verdoving er gebruikt zal worden. Laat het weten als je allergisch bent voor jodium of andere stoffen! In het ziekenhuis wordt ook je bloedgroep bepaald.

De voorbereiding

De avond voor de operatie mag je na middernacht niets meer eten of drinken, want je maag en blaas moeten leeg zijn tijdens de operatie. Daarom wordt de urine via een katheter (een dun slangetje in de blaas) in een zakje opgevangen. Als het nodig is, waarschuwt het ziekenhuis een kinderarts en wordt er een couveuse gereserveerd voor je baby.

Tijdens de operatie

Je partner of een ander vertrouwd iemand mag meestal bij de geboorte van de baby aanwezig zijn. Hij of zij mag bij je zitten, aan het hoofdeinde van de operatietafel. En er mogen ook foto's worden genomen. Het is natuurlijk handig om dat allemaal op tijd met elkaar af te spreken.

Narcose of ruggenprik

Een keizersnede wordt onder verdoving uitgevoerd. Je kunt daarbij vaak zelf kiezen of je onder algehele narcose wilt of dat je een ruggenprik wilt.

Narcose

Omdat de baby zo weinig mogelijk verdovende stoffen binnen moet krijgen, wordt je pas op het allerlaatste moment verdoofd. Je maakt dus alle voorbereidingen op de operatiekamer mee. Als alles klaar is, geeft de anesthesist je de narcose. Via een infuus (een naald in de arm) loopt de vloeistof in je bloed. Je bent snel in slaap en de operatie begint.

Ruggenprik

Als je met een ruggenprik wordt verdoofd, krijg je ook een infuus om vocht en eventueel geneesmiddelen toe te dienen.

  • Voor de ruggenprik zelf moet je op je zij liggen of op de rand van het bed zitten.
  • De anesthesist vraagt je om voorover te buigen en je knieën op te trekken.
  • Dan wordt je rug gedesinfecteerd en de huid verdoofd.
  • Met een naald spuit de anesthesist daarna de verdovingsvloeistof tussen 2 wervels.
  • Je hele onderlichaam en je benen worden gevoelloos.

Geboorte bewust meemaken

Omdat je niet helemaal 'weg' bent, kun je de geboorte van je baby bewust meemaken. Je hoort hem huilen en je kunt hem meteen aanraken. Je baby krijgt bij een ruggenprik minder verdoving te verwerken.

Als een keizersnede spoed heeft, is een ruggenprik niet altijd mogelijk.

Verloop keizersnee bevalling

Bij een keizersnede maakt de gynaecoloog 2 snedes.

  • Bijna altijd maakt de gynaecoloog een horizontale snede vlak boven het schaambeen (bikinisnede). De snede loopt van links naar rechts over de onderbuik. Of soms van boven naar beneden.
  • De andere snede wordt in de baarmoeder zelf gemaakt, waarbij de darmen en blaas opzij geschoven worden. Dat binnenlitteken kan ook pijn veroorzaken, die je wat hoger in de buik voelt (rond de navel).

De geboorte

Hierna kan de gynaecoloog de baby eruit tillen. Jouw baby is geboren! De navelstreng wordt afgebonden en doorgeknipt. Dat mag je partner eventueel doen.

Hechten

Vervolgens worden de vliezen en de placenta (moederkoek) weggehaald. De wonden worden daarna gehecht. Dat neemt nog de meeste tijd, want het is secuur werk.

Vlak na de keizersnee bevalling

Na een ruggenprik mag je baby even bij je blijven als het goed met hem gaat.

Hoe is het met je baby?

Veel baby's die met een keizersnede zijn geboren, hebben tijdelijk wat moeite met ademhalen. Soms komt dat door de narcose. Soms komt het omdat de baby voor de geboorte al niet in goede conditie was. Dat was dan ook de reden voor de keizersnede. Als het nodig is, wordt je baby direct na de geboorte onderzocht en behandeld door de kinderarts. Misschien moet hij tijdelijk in een couveuse liggen.

Hoe gaat het met jou?

  • Na een narcose kun je ook wat slaperig en misselijk zijn. Soms hebben vrouwen last van hun keel. Dat komt omdat er tijdens de operatie een buisje voor de beademing in de keel heeft gezeten. Maar het gaat allemaal snel over.
  • Na een ruggenprik heb je de eerste uren geen controle over je blaas en benen. Je houdt de katheter zolang nog even.

Pijn

Als de verdoving is uitgewerkt, krijg je pijn. De oorzaak is de wond in je buik. Soms zijn er ook pijnlijke naweeën. De eerste 24 uur na de operatie krijg je daarom injecties met morfine. Daarna is paracetamol voldoende. Na 1 of 2 dagen komen je darmen weer op gang en daarvan kun je ook pijn hebben. Die eerste dagen ben je waarschijnlijk slap en duizelig als je opstaat. Maar dat gaat snel beter.

De verpleegkundige controleert je conditie regelmatig na de operatie. 2 keer per dag krijg je een prikje in je bovenbuik om trombose te voorkomen. De katheter en het infuus zijn na de operatie meestal meteen verwijderd.

Naar huis

Ongeveer de 5e dag na de keizersnede haalt de verpleegkundige de hechtingen weg. Dan kun je ook weer naar huis als er geen problemen zijn.

Herstellen van een keizersnee

De buikwond heeft zeker 6 weken nodig om goed te genezen. In die tijd verlies je vaak bloed via de vagina. Dat is normaal, net als bij een 'gewone' bevalling. Als je borstvoeding geeft, kan dat iets langer duren.

Rustig aan

Het is goed om het een tijdlang kalm aan te doen om je buikspieren niet te zwaar te belasten. Per slot van rekening heb je een flinke buikoperatie ondergaan. Dat is een aanslag op je conditie.

Ook de baby vraagt veel van je energie. Het is daarom heel gewoon dat je een hele tijd nog snel erg moe kan zijn. Misschien kun je zo nu en dan wat hulp krijgen van de thuiszorg en van familie of buren.

Emoties

Emotioneel gezien kan een keizersnede soms voor beide partners ingrijpend zijn. Praat met elkaar over alle gevoelens en angsten en de eventuele teleurstelling dat de bevalling niet natuurlijk kon plaatsvinden.

Je kunt eventueel bellen met De Vereniging Keizersnede-ouders (VKO): 076 503 7117 of 0252 230 712.

Tijdens de bevalling

Je weet nooit precies hoe je bevalling gaat verlopen. Dat geldt voor de bevalling van je eerste kind, maar ook voor het verloop van de bevalling van je volgende kind.

Verloop van een bevalling

Een bevalling begint met ontsluitingsweeën. Je voelt dat je baarmoeder zich steeds samentrekt en dat dit steeds wat sneller gaat en sterker wordt. Als je denkt dat je bevalling begonnen is, bel je je verloskundige of als je onder leiding van de gynaecoloog bevalt, bel je het ziekenhuis. De verloskundige zal altijd eerst thuis bij je komen kijken.

Soms begint een bevalling met het breken van de vliezen, maar meestal breken deze pas als je ontsluitingsweeën hebt. Als de vliezen nog niet gebroken zijn als je gaat persen, zal de verloskundige deze kunstmatig bereken. Bij 10 centimeter ontsluiting, mag je gaan persen. De verloskundige begeleidt je bij het persen.

Normaal verloop eerste bevalling

Als je voor het eerst gaat bevallen, wil je graag in grote lijnen weten wat je te wachten staat. Bij de gemiddelde bevalling gaat het als volgt. De uren die genoemd zijn, zijn gemiddeld. Bij de één duurt het korter, bij de ander langer.

De eerste fase van de ontsluiting

Je krijgt weeën. Je voelt de samentrekkingen van de baarmoeder. De weeën kunnen in het begin nog wat onregelmatig komen maar worden steeds regelmatiger. En ze worden ook wat krachtiger. De weeën zijn goed te verdragen. De baarmoedermond gaat open staan, waardoor er zogenaamde ontsluiting ontstaat.

De actieve fase van de ontsluiting

De weeën zijn nu krachtig en komen om de paar minuten. Je hebt bijna altijd nog een minuutje rust tussen de weeën door om even op adem te komen. De baby daalt nu meestal ook wat dieper in het bekken. Je kunt de aandrang voelen om te gaan persen. Als je 10 centimeter ontsluiting hebt, heb je 'volledige ontsluiting' en krijg je vaak ook onhoudbare persdrang. Dat is het moment dat de volgende fase kan beginnen.

De uitdrijving

Als je volledige ontsluiting hebt, mag je persen bij elke wee. Hoe lang dit duurt hangt van veel dingen af zoals hoe sterk je weeën zijn, of het je eerste of tweede kindje is en hoe deze ligt in je bekken. Gemiddeld duurt het bij je eerste kindje een uur.

In het begin als je perst zie je nog helemaal niets en voel je de baby ook nog niet komen. Toch gebeurt er binnen in je bekken wel al veel. De baby is daar aan het draaien om er goed uit te komen. Aan het einde voel je de opening van je vagina langzaam oprekken en wordt je baby geboren.

Na de geboorte van de baby

Als de baby er is, moet de placenta (moederkoek) nog geboren worden. Dat gebeurt soms na een paar minuten, maar het kan ook nog een uur duren. In de tussentijd kunnen jullie kennismaken met je baby en kun je hem of haar alvast aan de borst leggen om de placenta sneller geboren te laten worden. Meestal krijg je eerst ook weer wat weeënachtige krampen.

Normaal verloop volgende bevalling

Meestal verloopt de de tweede bevalling sneller dan de eerste, omdat de weefsels door de eerste bevalling al wat opgerekt zijn.

De fase van de ontsluiting

Je krijgt weeën. Je voelt de samentrekkingen van de baarmoeder. De baarmoedermond is soms al 1 of 2 centimeter geopend. De weeën worden steeds krachtiger, maar zijn nog goed te verdragen. Deze aanloopfase tot goede regelmatige weeën, kan wat sneller gaan dan bij je eerste bevalling

De actieve fase van de ontsluiting

De ontsluiting van de baarmoederhals gaat verder van 4 tot 10 centimeter: de volledige ontsluiting. In principe gaat het hier hetzelfde als bij je eerste bevalling, alleen heb je vaker iets sneller volledige ontsluiting en mag je gaan persen.

De geboorte

Na de volledige ontsluiting duurt het persen gemiddeld 10 tot 30 minuten.

Na de geboorte van de baby

Als de baby geboren is, moet de placenta (moederkoek) nog geboren worden. Soms duurt dat enkele minuten, soms nog een uur. Als je bevalling erg snel is gegaan, kun je wat meer last van naweeën hebben.

De verloskundige helpt

Je arts of verloskundige helpt jou om je kind veilig geboren te laten worden. Thuis wordt de verloskundige geassisteerd door de kraamverzorgende.

De verloskundige:

  • let vanaf het begin van de bevalling tot en met de nageboorte op jouw toestand en die van je baby;
  • grijpt in als dat nodig is;
  • ondersteunt jou bij het opvangen van de weeën;
  • geeft je aanwijzingen bij het persen;
  • belt een gynaecoloog als dat nodig is;
  • controleert jouw gezondheid en die van je kind na de geboorte.

Ontsluitingsweeën

Veel bevallingen beginnen met ontsluitingsweeën. Deze beginnen meestal vrij rustig en worden naarmate de bevalling vordert steeds regelmatiger en krachtiger. Ze zorgen ervoor dat de baarmoedermond langzaam opengaat.

Hoe gaat dat?

Ontsluitingsweeën kunnen door je hele lichaam trekken: buik, rug en bovenbenen. Ze zijn zeker aan het eind van de ontsluiting pijnlijk.

  • Een flinke ontsluitingswee kan een minuut aanhouden.
  • De weeën komen heel regelmatig, om de 3 tot 4 minuten.
  • Een wee is te vergelijken met een golf. Hij komt aanrollen, wordt hoger en hoger, en zakt op het hoogtepunt weer weg.
  • Vooral het hoogtepunt van de wee is pijnlijk, en dan neemt de pijn weer snel af. Tot de volgende wee.
  • Tussen de weeën door heb je rust, voel je geen pijn en kan je op adem komen.

Ontsluiting

Tegen het einde van de ontsluiting zijn de weeën het krachtigst. De baarmoedermond staat dan bijna 10 centimeter open. De verloskundige controleert regelmatig hoe ver de ontsluiting gevorderd is.

Heftige weeën

Worden de weeën heel heftig? Dan is het moeilijker om je te ontspannen. Het lukt dan ook vaak niet meer om tot in je buik te ademen. Wat doe je dan?

  • Je kunt je weeën 'wegpuffen'. Adem diep in door je neus. En adem uit in kleine korte pufjes. Je blaast de lucht door je mond naar buiten.
  • Je kunt tijdens het wegpuffen een zinnetje voor jezelf opzeggen. In het ritme van je pufjes. Bijvoorbeeld: "Deze wee komt nooit meer terug." Dit leidt de aandacht wat af van de pijn.
  • Je kunt in iets knijpen. Bijvoorbeeld in een tennisbal, in een kussen, of in de hand van je partner.
  • Soms helpt het om tijdens het hoogtepunt van de wee hardop te tellen. Je telt de wee als het ware naar het einde toe.

Persweeën

Als de ontsluiting volledig is ontstaan er persweeën en kan de baby aan zijn weg naar de buitenwereld beginnen.

Persdrang

Persdrang voelt net zo aan als een hevige aandrang om te poepen. Het is nauwelijks tegen te houden. Dit komt doordat het hoofdje van de baby steeds dieper komt. Het hoofdje drukt tijdens een wee op de anus. Dit geeft je het gevoel dat je moet poepen. En dat zijn dus persweeën.

Leren hoe te persen

Op een zwangerschapscursus leer je hoe je kan persen, en de verloskundige vertelt het je natuurlijk ook. Maar met echte persdrang gaat het helemaal vanzelf en kun je het ook niet tegenhouden. Tussen de persweeën door zijn er pauzes, die lang genoeg duren om even op adem te komen en energie te verzamelen voor de volgende wee.

Einde van de bevalling

Tegen het eind van de bevalling is op het hoogtepunt van een perswee een stukje van het babyhoofdje te zien. Als de wee wegzakt, zakt ook het kind een stukje terug. Elke perswee stuwt het kind een stukje verder door het geboortekanaal. Het hoogtepunt van de uitdrijving is vaak ook het pittigst: een groot gedeelte van het hoofdje is te zien en glijdt niet meer terug. Dit kan erg pijnlijk zijn. Toch is het einde van de bevalling nu definitief in zicht. Nog een paar persweeën en de baby is er. Welkom op de wereld, kleintje! Tijdens de bevalling kun je wat bloed verliezen. Dat komt door het open gaan van de baarmoedermond. Het is heel normaal en niet gevaarlijk.

Pijn en bevallen

Pijn hoort bij een bevalling, het is een normaal verschijnsel.

  • Bijna alle vrouwen vinden de ontsluitingsweeën pijnlijk.
  • Datzelfde geldt voor de uitdrijvingsweeën, die samen met het persen ervoor zorgen dat het kind geboren wordt.
  • Meestal neemt de pijn toe als de ontsluiting van de baarmoeder vordert.

Waar zit de pijn?

De pijn zit vooral onder in de buik, maar barende vrouwen hebben ook vaak rugpijn. Tijdens het persen verschilt de pijn: de één vindt het een opluchting om mee te mogen persen, bij een ander doet persen juist het meeste pijn.

Endorfinen

Het lichaam maakt zelf stoffen aan die een pijnstillend effect hebben: endorfinen. De endorfinen zorgen ervoor dat de pijn te verdragen is.

Toch komt het regelmatig voor dat vrouwen de pijn onverdraaglijk vinden. Uitputting, angst of spanning spelen soms een rol.

Omgaan met pijn

Ademhalings- en ontspanningsoefeningen helpen de weeën op te vangen. Dit kun je al tijdens de zwangerschap in verschillende cursussen leren. Door geconcentreerd de weeën 'weg te puffen', kom je in een ritme waarbij het lichaam zelf voor de pijnstilling gaat zorgen. Een warme douche of een warm bad, massage of een andere houding helpen ook.

Pijnbehandeling

Om een vicieuze cirkel van pijn en niet kunnen ontspannen te doorbreken, kan de pijn met medicijnen worden onderdrukt. In Nederland wordt het meest gebruik gemaakt van medicijnen met een 'morfineachtig' effect (pethidine) en de ruggenprik (epidurale of spinale anesthesie). Dit kan alleen in het ziekenhuis.

Ruggenprik

Een ruggenprik (epidurale pijnbestrijding) wordt door een anesthesist gegeven. In sommige ziekenhuizen gebeurt dit op de verloskamer. In de meeste ziekenhuizen moet je even naar de operatiekamer.

  • De arts schuift door een naald een klein slangetje (katheter) tussen de wervels in de epidurale ruimte van de wervelkolom.
  • Door inspuiting van verdovingsvloeistoffen worden de zenuwen tijdelijk uitgeschakeld.
  • Tegen de tijd dat je volledige ontsluiting hebt, wordt de toediening van medicijnen vaak verminderd. Zo voel je de weeën die nodig zijn om goed mee te kunnen persen.
  • Het kan even duren voordat de spontane persdrang op gang komt.

Bespreek het met je verloskundige

Bereid je voor je bevalling goed voor door je te informeren over wat je thuis tegen de pijn kunt doen en wat de voor- en nadelen zijn van pijnbehandeling met medicijnen. Je verloskundige vertelt je er graag meer over.

Inknippen of inscheuren

Als het hoofdje van de baby de vagina passeert, is het belangrijk dat dit zo voorzichtig mogelijk gebeurt. De huid en spieren van de bekkenbodem staan strak gespannen en dat betekent dat er een gevaar van scheuren is.

Dit is één van de momenten waarop je een ervaren verloskundige of arts nodig hebt, die je kan vertellen wanneer je mag persen en wanneer niet.

Een knip

Als het niet anders kan, kan de arts of verloskundige besluiten een 'knip' te zetten om de vaginaopening groter te maken. Een knip wordt gemaakt van de vagina naar achteren toe. Dus richting de anus en niet richting de plasbuis en clitoris. Indien nodig wordt de knip na afloop zo snel mogelijk onder verdoving gehecht. Daarna geneest het vanzelf.

Een scheur

Een knip wordt gezet om te voorkomen dat het weefsel zelf uitscheurt. Toch is uitscheuren niet altijd te voorkomen. Een scheur kan ontstaan in de baarmoederhals, de vagina of het gebied eromheen. Deze scheuren moeten ook na de bevalling onder verdoving gehecht worden.

Een dilemma

Hoewel een knip op zich meestal prima geneest, is het niet goed om te snel een knip te zetten. Bij een volgende bevalling vergroot dit de kans op uitscheuren namelijk juist weer.

Net na de bevalling

Als de baby er is, moet de placenta (moederkoek) nog geboren worden. Dat gebeurt soms na een paar minuten, maar het kan ook nog een uur duren.

Je baby moet drinken

Kort na de bevalling laat je je baby voor het eerst aan je borst drinken. Hij is dan heel wakker. En hij wil graag zuigen. Dat is een goed moment om te oefenen. En zo leer je elkaar ook kennen. Houd je kindje lekker vast en streel hem zachtjes. Dan voelt hij zich op zijn gemak in de nieuwe situatie.

Wil of kun je geen borstvoeding geven? Geef je baby dan kunstvoeding (flesvoeding) die goed is voor pasgeborenen.

Navelstreng

Na de geboorte is de baby nog even met de moeder verbonden via de navelstreng. Vlak na de geboorte stroomt er nog bloed door de navelstreng naar de baby. De baby gaat nu zelf ademhalen en heeft de verbinding met zijn moeder niet meer nodig. Na enkele minuten houdt de navelstreng op met 'kloppen': er stroomt geen bloed meer door.

Navelstreng doorknippen

De arts of verloskundige klemt de navelstreng af met een navelklemmetje. Vaak mag je partner daarna de navelstreng doorknippen.

Controle baby

De verloskundige controleert je baby meteen na de geboorte. Daarbij let ze vooral op de:

  • hartslag;
  • ademhaling;
  • spierspanning;
  • reflexen;
  • en huidskleur.

Apgarscore

Voor elk van deze onderdelen krijgt je baby maximaal 2 punten. En die punten telt de verloskundige bij elkaar op. Dat is de Apgarscore. Deze test wordt direct na de geboorte uitgevoerd. Hij is ontwikkeld rond 1950 door dokter Virginia Apgar en bestaat uit 5 controlepunten. Na 5 minuten doet ze de test nog een keer. Meestal scoort je baby dan hoger dan de eerste keer.

Nageboorte

Enkele minuten nadat de baby is geboren, volgt de nageboorte (de placenta of moederkoek).

  • Soms glijdt deze heel makkelijk naar buiten, maar meestal moet de moeder even meepersen.
  • De moederkoek zit vast aan de binnenkant van je baarmoeder. De verloskundige geeft soms een injectie om het naar buiten komen van de placenta te versnellen.
  • Zodra de placenta eruit is, controleert de verloskundige of deze compleet is. Er mogen geen stukjes in de baarmoeder achterblijven, omdat ze ontstekingen of nabloedingen kunnen veroorzaken.

Naweeën

De samentrekkingen van de baarmoeder na de geboorte worden naweeën genoemd. Deze kunnen ook nogal pijnlijk zijn.

Pijn

Naweeën zijn na tweede en volgende bevallingen vaak heftiger dan na de eerste bevalling. Je kunt de naweeën op dezelfde manier opvangen als de weeën tijdens de bevalling.

  • Soms helpt een warme kruik.
  • Bij heftige pijn kun je een paracetamol nemen. Dat kan geen kwaad voor de borstvoeding. In de bijsluiter staat hoeveel paracetamol je veilig kunt innemen.

Baarmoeder

Je baarmoeder is tijdens je zwangerschap veel groter geworden. Nu is je baby eruit. En je baarmoeder moet weer klein worden. Je verloskundige en je kraamverzorgende kijken of je baarmoeder goed samentrekt. Met platte vingers drukken ze vlak boven je navel op je buik. Zo voelen ze hoe groot je baarmoeder nog is. Borstvoeding geven zorgt er ook voor dat je baarmoeder samentrekt

Plas regelmatig

Je baarmoeder kan alleen goed samentrekken als je een lege blaas hebt. Plas daarom regelmatig, ongeveer elke 3 uur. Ook na de bevalling moet je zo snel mogelijk plassen.

  • Doet het pijn, omdat de urine prikt? Giet dan een fles lauw water langs je vagina terwijl je plast. Of plas onder de douche.
  • Lukt het niet om binnen 6 uur te plassen? Bel dan met je verloskundige.

Hechten en controle

Tijdens de geboorte scheuren de randen van de vagina soms een stukje in. Ook zet de verloskundige wel eens een knip om je baby sneller geboren te laten worden. Op het moment zelf merk je daar nauwelijks iets van.

Als de nageboorte er is, zal de verloskundige een wondje vaak hechten. Daarvoor krijg je een verdoving. Je voelt er dus niets van. De hechtingen lossen na een aantal dagen vanzelf op. Hechtmateriaal dat niet oplosbaar is, wordt na een week tijdens een controle verwijderd.

Bloedverlies

Na de bevalling verlies je nog steeds bloed. Dit komt doordat er een wond zit op de plek waar de moederkoek zat. Die wond geneest langzaam doordat je baarmoeder nog samentrekt.

  • In het begin is het bloed helder rood.
  • Het kan ook best veel zijn.
  • Na een tijdje verlies je minder bloed.
  • De kleur wordt roze of bruin. Dit heet 'kraamzuivering'.
  • Het duurt soms een paar weken.

Herstellen van de bevalling

Het is fijn als je de kans hebt om voldoende te rusten. Benut die kans vooral zolang de kraamverzorgende er nog is!

De kraamtijd kun je ook gebruiken om uit te zoeken hoe je aan voldoende rust komt als de kraamzorg voorbij is. Misschien kun je gaan slapen als de baby ook slaapt. Of je kunt een aantal vaste uren per dag de voordeur op slot houden en de stekker van de telefoon eruit trekken. Onderschat niet hoeveel rust je voorlopig nog nodig hebt. Het lichaam heeft tijd nodig om te herstellen.

Bevalling en risico's

Niet elke bevalling verloopt soepel. Zo kun je bijvoorbeeld te vroeg bevallen of kan je kind verstrengeld raken in zijn eigen navelstreng of in een stuit liggen.

Het is belangrijk om de risico's van te voren te kennen en je erop voor te bereiden. Maar bedenk daarbij wel dat bij een normale zwangerschap en een normale bevalling de kans dat alles gewoon goed gaat, nog altijd groter is.

Medische indicatie

Wanneer je een meerling verwacht of wanneer je een medische indicatie hebt, is er meer kans op complicaties. In dat geval wordt je vrijwel altijd begeleid door een gynaecoloog en moet je ook in het ziekenhuis bevallen.

Meconiumhoudend vruchtwater

Als de bevalling zwaar is of moeilijk verloopt, kan de baby daar ook de gevolgen van ondervinden. Als er reden tot bezorgdheid is, wordt de hartslag van de baby in de baarmoeder in de gaten gehouden.

Stethoscoop of kastje

De arts of verloskundige kan de hartslag bijvoorbeeld elk kwartier controleren met een stethoscoop. Als een volledig beeld nodig is, word je verbonden aan een kastje dat de hartslag van de baby voortdurend bijhoudt. Dit kan in het ziekenhuis.

Meconium in het vruchtwater

Soms blijkt bij het breken van de vliezen dat het vruchtwater groenig van kleur is. Dat houdt in dat de eerste ontlasting van de baby in het vruchtwater is gekomen (meconiumhoudend vruchtwater). Dit kan een teken zijn dat de baby het moeilijk heeft, maar het kan op zich geen kwaad. Het komt niet zo vaak voor dat de baby tijdens de bevalling echt in nood komt. Toch is het verstandig direct je verloskundige te bellen.

Meerling bevalling

De laatste jaren raken meer vrouwen dan vroeger zwanger van een tweeling, drieling of zelfs van een vierling. Dat komt deels doordat meer vrouwen met behulp van medische technieken zwanger raken.

Risico's tijdens de zwangerschap

Het dragen van een meerling is zwaarder dan het dragen van een eenling: de kans op zwangerschapsvergiftiging en vroeggeboorte is groter.

Vaak te vroeg geboren

Bijna de helft van alle meerlingen komt te vroeg ter wereld. En nog eens 20 procent daarvan komt veel te vroeg, zo rond de 34 weken. Ook kunnen de baby's (of één van de baby's) kleiner blijven dan gemiddeld.

Bevalling

Een vaginale bevalling is bij een tweeling soms niet mogelijk, omdat de baarmoederhals te ver opgerekt raakt en meer moeite heeft om goed samen te trekken bij de weeën. Soms kan het eerste kind wel via de natuurlijke weg geboren worden, maar lukt dat bij het tweede kind niet goed, omdat de placenta verschuift. In dat geval is een keizersnede mogelijk.

Navelstrengverstrengeling

De baby is in de baarmoeder met de navelstreng verbonden met de placenta. De navelstreng is ongeveer 50 centimeter lang en wordt doorgeknipt nadat het kind geboren is.

Voor de geboorte

Bij 1 op de 4 baby's wikkelt de navelstreng zich voor de bevalling op de één of andere manier om de nek. Dat is dus een vrij normaal en veel voorkomend verschijnsel en het is geen reden voor bezorgdheid: de streng is soepel en lang en verstikt het kind niet.

Tijdens de geboorte

Tijdens de bevalling kan een navelstreng om de nek wel problemen geven: vooral als hij 2 keer om de hals zit, zodat hij tijdens het persen als het ware aangetrokken wordt. Hierdoor kan de baby stikken.

Controle

Om dit te voorkomen controleert de arts of verloskundige hoe de navelstreng zit. Vaak kan de streng over het hoofdje gehaald worden en wordt de nek weer vrij. In noodgevallen wordt de navelstreng al geknipt en afgeklemd voordat de baby helemaal geboren is.

Rhesus D-negatief

Vrouwen met bloedgroep Rhesus D-negatief krijgen tijdens de zwangerschap extra zorg.

Als je bloedgroep Rhesus D-negatief hebt en je bent zwanger van een kind met bloedgroep Rhesus D-positief, heb je in week 30 van de zwangerschap een injectie gekregen. Na de bevalling krijg je die nog een keer. Zo wordt voorkomen dat je zelf antistoffen gaat maken tegen de Rhesus D-bloedgroep. Door jezelf gemaakte antistoffen kunnen namelijk problemen geven als je nog een keer zwanger wordt van een kind met bloedgroep Rhesus D-positief.

Miskraam, abortus of vruchtwaterpunctie

De injectie heb je ook nodig na een miskraam, een buitenbaarmoederlijke zwangerschap, een vruchtwaterpunctie, een abortus of een ongeluk. Dus in alle situaties waarin bloed van de vrucht in jouw bloed terecht heeft kunnen komen. Zorg altijd dat je de injectie binnen 48 uur toegediend krijgt. Hiermee voorkom je latere problemen.

Stuitligging en dwarsligging

Als de baby met zijn hoofd naar beneden ligt, ligt hij in een ideale positie voor de bevalling. Het best is, als hij met het gezichtje naar de rug van de moeder gekeerd ligt, maar niet elk kind ligt zo.

  • 2 of 3 op de 100 baby's liggen met de billen naar beneden, dit noemt men stuitligging.
  • Sommige baby's liggen op hun zij, dit noemt men dwarsligging.

Beide liggingswijzen zijn niet gunstig. Een stuitbevalling moet altijd in het ziekenhuis onder leiding van een gynaecoloog plaatsvinden, omdat er speciale deskundigheid voor nodig is.

Baby gaat zelf beter liggen

Natuurlijk kan je kind bewegen in je buik. Sommige baby's (1 of 2 op de 10) gaan tegen de tijd dat de bevalling aanstaande is alsnog op een goede manier liggen. Rond de 36e of 37e week kan de verloskundige nog proberen het kind te laten draaien in de buik. Dit heet versie. Het is een onprettige behandeling, maar als het lukt, geeft het veel voordelen tijdens de bevalling.

Problemen bij stuitligging en dwarsligging

Als een kind in stuitligging indaalt, zullen meestal de billetjes als eerste geboren worden (heel soms de voetjes). Dat gebeurt in 60 procent van de gevallen.

  • Bij een stuitligging moet het hoofd als laatste door het bekken. En als een bevalling moeilijker of langzamer gaat dan normaal, kan deze niet bespoedigd worden door een vacuümextractie of tangverlossing.
  • Doordat het geboortekanaal niet genoeg wordt opgerekt, wordt het hoofd moeilijk geboren. Er komen trekkrachten op de nek, terwijl het beter is als het hoofdje door het geboortekanaal geduwd zou worden.
  • Bij zijligging wordt eerst de schouder geboren. Dan komt de baby behoorlijk klem te zitten.

Keizersnede

Voor de veiligheid van het kind wordt in deze gevallen een keizersnede aangeraden, hoewel dat voor de moeder ook risico's meebrengt. Het percentage vrouwen bij wie een keizersnede nodig is bij een stuitligging is daarom groter (ongeveer 40 procent) dan bij een hoofdligging (ongeveer 17 procent).

Te vroeg geboren

De geboortedatum wordt gewoonlijk berekend aan de hand van de laatste dag van de laatste menstruatie. Daar tel je 40 weken bij op en zo kom je op de datum waarop je uitgerekend bent. Soms komen kinderen vroeger. Spontaan of door een medische oorzaak.

Extreem vroeg

Als het kind voor de 32e week geboren wordt, is dat extreem vroeg. Dit noemt men ook wel extreme prematuriteit. Dit komt voor bij 2 of 3 op de 100 bevallingen. Dankzij de goede medische zorg en het bestaan van couveuses liggen de overlevingskansen van te vroeg geboren baby's tegenwoordig bij 23 weken rond de 65 procent. Bij 27 weken is dat rond de 90 procent.

Er zijn ziekenhuizen die gespecialiseerd zijn in te vroeg geboren baby's. Dat noemen we neonatale centra. Zij verplegen baby's die nog eerder geboren worden dan 28 weken. Soms kan een baby van 26 weken in leven blijven.

Gewoon te vroeg

Als de baby geboren wordt tussen de 23e week en de 37e week, spreekt men van vroeggeboorte of prematuur. In dit geval zal het kind een tijdje in de couveuse moeten liggen. Kinderen die na 37 weken geboren worden en nog voor de datum dat je uitgerekend bent, zijn gewoon te vroeg. Maar als er geen verdere complicaties zijn, is een gewone thuisbevalling mogelijk.

Geboorte tegenhouden

Als de ontsluiting meer dan 5 centimeter is, kan de bevalling nauwelijks uitgesteld worden. Als het kind veel te vroeg komt en er geen reden is om de bevalling door te zetten, kan de arts besluiten om (afhankelijk van de problematiek), antibiotica, weeënremmers en corticosteroïden toe te dienen.

Voorkomen?

Een vroeggeboorte kan problemen opleveren voor de gezondheid en de ontwikkeling van het kind. Er zijn enkele dingen die je zelf kunt doen om vroeggeboorte te voorkomen, zoals gezond leven, verantwoord sporten en zorgen voor voldoende ontspanning. Daarmee kan niet elke vroeggeboorte voorkomen worden, maar het kan zeker helpen.

Te vroeg geboren, wat nu?

Als je kind veel te vroeg geboren wordt, is dat een zware periode. Je hebt je verheugd op je kind. Maar de bevalling is te vroeg begonnen. Dat zorgt voor veel angst en spanning. En nu ligt je kind in een couveuse.

  • Is je kind niet in levensgevaar? Dan doet de verpleging alles aan een goede start. Om te zorgen voor een goede band tussen jullie en je kind. Ze steunen jullie met praktische zaken en goede adviezen.
  • Is je kind in levensgevaar? Dan begeleidt de verpleging jullie bij moeilijke momenten. Je weet niet of je kind uit de couveuse komt. En hoe. Blijft je baby in leven? Hoe is de kwaliteit van leven? Is je baby erg ziek? Dan moeten jullie misschien beslissen om het leven van je kind niet verder te rekken. Of je kind overleeft het niet.

Tips

  • Vraag zoveel mogelijk aan de artsen. Zodat je begrijpt wat er aan de hand is.
  • Geef zoveel mogelijk warmte en liefde aan je kind. Denk positief en probeer je kind zo te steunen.

Zuurstof tekort

Als de bevalling zwaar is of moeilijk verloopt, kan de baby daar ook de gevolgen van ondervinden. Als er reden tot bezorgdheid is, wordt de hartslag van de baby in de baarmoeder in de gaten gehouden.

Stethoscoop of kastje

De arts of verloskundige kan de hartslag bijvoorbeeld elk kwartier controleren met een stethoscoop. Als een volledig beeld nodig is, word je verbonden aan een kastje dat de hartslag van de baby voortdurend bijhoudt. Dit kan in het ziekenhuis.

Zuurstoftekort

Eén van de gevaren van een moeilijke bevalling is dat het kind een zuurstoftekort krijgt. Met name de hersenen zijn gevoelig voor te weinig zuurstof. Dit kan tot problemen leiden die variëren van lichte motorische beperkingen tot ernstige handicaps.

Het komt niet zo vaak voor dat de baby tijdens de bevalling echt in nood komt.

Voorbereiding kraamtijd

Zwanger worden en een kind krijgen is een van de ingrijpendste gebeurtenissen in een mensenleven. Zelden staan je lijf en je leven zo op hun kop. Er zijn dan ook zijn er een aantal zaken die je beter zo snel mogelijk kunt regelen.

Alles wat je moet regelen!

Het is slim om een lijst te maken van alles wat je moet regelen. Soms kun je ook een lijst krijgen van de verloskundige. Hierop staat bijvoorbeeld welke spullen je allemaal nodig hebt voor je baby. Maar ook dat je je kind alvast kan inschrijven bij de kinderopvang. Natuurlijk moet je van te voren ook een naam bedenken voor je kind. Na de geboorte moet geboorteaangifte worden gedaan bij de gemeente. Dat doet meestal de partner van de moeder, maar het kan ook iemand anders zijn.

Niet getrouwd?

Ben je niet getrouwd? Dan is er ook nog een erkenning van het kind nodig. Door de erkenning is de vader of de co-moeder nog geen wettelijke vertegenwoordiger van het kind en mag dan formeel geen beslissingen nemen over de opvoeding en verzorging van het kind. Daarvoor moet de vader eerst het ouderlijk gezag aanvragen. Bij homoseksuele ouders moet het kind worden geadopteerd door de mede-ouder.

Kraamzorg

Kraamzorg is zorg die verleend wordt door een verpleegkundige tijdens en direct na de bevalling. Zodra de verloskundige denkt haar hulp nodig te hebben, dan belt ze de kraamverzorgende. Ze komt de eerste week elke dag. Dat doet ze 8 dagen. Je kiest zelf hoeveel uren ze per dag komt.

Kraamzorg regelen

Wil je thuis bevallen? Dan moet je kraamzorg hebben.

  • Vraag het zo vroeg mogelijk aan via de zorgverzekering. Dit kun je doen als je ongeveer 8 weken zwanger bent.
  • Vraag aan je arts of verloskundige wat een goed kraamzorgbureau is. Vaak kan dit tijdens de eerste afspraak bij de verloskundigenpraktijk al geregeld worden via een inschrijfformulier.
  • Ook als je in het ziekenhuis gaat bevallen, is het nodig dat je thuis kraamzorg regelt. Je verblijft namelijk maar kort in het ziekenhuis en daarom heb je na de bevalling thuis alsnog hulp nodig van de kraamverzorgende.
  • Als je te laat bent met de aanvraag, dan kan het zijn dat je aangewezen bent op duurdere, particuliere kraamzorg.

Wat doet de kraamverzorgende?

  • Zij helpt de verloskundige als je baby thuis wordt geboren.
  • Zij zorgt na de bevalling voor jou, je baby en je gezin.
  • Zij controleert je gezondheid en ook die van de baby.
  • Zij begeleidt de voedingen van je baby.
  • Zij adviseert over jouw voeding.
  • Zij helpt jou en je gezin een ritme te vinden.
  • Zij helpt om je baby een deel te laten worden van je gezin.
  • Zij zorgt ervoor dat alle belangrijke gegevens doorgegeven worden aan het consultatiebureau.

Het is belangrijk dat je een fijne kraamtijd hebt. Die eerste week is een goede basis voor de rest van de tijd met je baby. Je leert veel over de verzorging van jezelf en je baby. En je hebt nog even de kans om goed uit te rusten. Want straks sta je er alleen voor.

Handig om te weten

De arts of verloskundige is verantwoordelijk voor de gezondheid van jou en je baby. Heeft jouw kraamverzorgende vragen? Dan belt ze met je verloskundige, je arts of de kraamzorgorganisatie.

Kosten van kraamzorg

Afhankelijk van je verzekeringspolis is het mogelijk om bij een willekeurig kraamcentrum kraamzorg te regelen of alleen bij bepaalde kraamcentra waar je zorgverzekeraar een contract mee heeft.

  • Je hebt in ieder geval recht op minimaal 24 uur kraamzorg, verdeeld over meerdere dagen.
  • Als je meer kraamzorg nodig hebt, dan bepaalt het kraamcentrum dit op basis van je gezinssituatie en medische situatie.

Je zorgverzekering betaalt alle kosten van de verloskundige. En je zorgverzekering betaalt een deel van de kosten voor kraamzorg. Je betaalt zelf nog een eigen bijdrage.

Kraamvisite

Tijdens de kraamtijd willen familie en vrienden natuurlijk je baby komen bewonderen. Ze zijn nieuwsgierig naar je baby. Het is daarbij belangrijk dat je zelf kunt aangeven op welke tijden ze welkom zijn, zodat jij en je baby tussendoor genoeg kunnen uitrusten. Je kunt deze tijden bijvoorbeeld op het geboortekaartje vermelden.

Organisatie

Een bevalling gaat je niet in de koude kleren zitten. Je lichaam is moe en je kunt het gevoel hebben dat je geen energie meer hebt om ook nog eens alles te regelen voor je kraamvisite. Je kraamverzorgende kan het meeste werk even van je overnemen. En misschien heb je ook een partner, moeder of zus die de bezoekjes van familie en vrienden kan organiseren.

Stel zelf de data en tijden vast

Het is bijvoorbeeld mogelijk om een groot kraamfeest of meerdere kleine kraamfeestjes te organiseren. Je kunt de data en de tijdstippen bekend maken aan iedereen en vragen of mensen willen bellen als ze langskomen. Op die manier komt iedereen op data en tijden waarop het jou het best uitkomt. En zo voorkom je ook dat sommige familieleden en vrienden nog na 3 maanden op kraamvisite willen komen.

Tips

  • Verstuur de geboortekaartjes een paar dagen later.
  • Vermeld de tijden waarop je rust op het geboortekaartje.
  • Vraag mensen eerst te bellen voordat ze langskomen.
  • Zet de telefoon en deurbel uit op rustmomenten.
  • Zorg al voor de bevalling dat je genoeg koffie, thee, frisdrank en beschuit in huis hebt. De muisjes kun je natuurlijk pas kopen zodra je weet of je een zoon of een dochter hebt gekregen!

Geboorteaangifte

Als je kind is geboren, dan moet je binnen 3 werkdagen de geboorte van je kind aangeven bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Dit is verplicht, omdat de geboorteakte het juridisch bewijs is van de geboorte. Zonder dit bewijs heeft je kind geen identificatie. Je kunt je kind dan bijvoorbeeld niet verzekeren, en ook niet inschrijven bij scholen.

Wie doet aangifte?

In principe doet de vader van het kind de geboorteaangifte. Als de vader daartoe niet in staat is, dan kan een ander persoon die bij de geboorte aanwezig was aangifte doen. Deze persoon hoeft geen familie te zijn.

Waar en wat neem je mee?

Je doet geboorteaangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar je kind geboren is. Dat hoeft dus niet per definitie je eigen gemeente te zijn. Hiervoor neem je een aantal documenten mee: je eigen identiteitsbewijs, het identiteitsbewijs van de moeder en het geboortebewijs van de arts of verloskundige.

Eventueel neem je (indien van toepassing) ook mee: de akte van erkenning, de akte van naamskeuze of je trouwboekje.

Binnen welke termijn?

Je moet geboorteaangifte doen binnen 3 werkdagen nadat je kind geboren is. De geboortedag zelf telt niet mee. Dus als je kind op dinsdag geboren is, dan moet je uiterlijk op vrijdag aangifte doen. Als je kind op vrijdag geboren wordt, dan heb je tot woensdag om aangifte te doen. Weekenden en feestdagen tellen niet mee. Maar als er veel vrije dagen en feestdagen elkaar opvolgen, dan moet je toch zo snel mogelijk (op de allereerste werkdag die volgt) aangifte doen van de geboorte van je kind.

Wat als je het niet doet of vergeet?

Als je niet op tijd geboorteaangifte doet, dan meldt de ambtenaar van de burgerlijke stand dit bij het Openbaar Ministerie (OM). Het kan zijn dat je van het OM een boete krijgt.

Vaccinaties en hielprik

Nadat je geboorteaangifte hebt gedaan, wordt de geboorte van je kind doorgegeven aan de Jeugdgezondheidszorg en de RIVM-Regionale Coördinatie Programma's (RCP). Zij zorgen ervoor dat je kind wordt opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma. De JGZ-organisatie zorgt ervoor dat in de eerste week na de geboorte iemand bij je aan huis komt voor de hielprik.

Overlijden

Als je kind doodgeboren wordt, of overlijdt binnen het termijn van aangifte, dan ben je toch verplicht om aangifte te doen van de geboorte. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt dan ook een overlijdensakte op.

Mentale voorbereiding

Tijdens je zwangerschap verandert je lichaam. En na de bevalling duurt het een tijdje voordat je je weer 'gewoon' voelt. Je lichaam heeft tijd nodig om te herstellen. Je hebt niet meteen je oude figuur terug. In ieder geval duurt het een paar weken voordat de zwangerschapshormonen uit je lichaam verdwijnen.

Emoties

Zwanger zijn en een kind krijgen is heel bijzonder. Je hebt vaak de ene emotie na de andere. Een paar dagen na de bevalling komen vaak al je emoties los. Je moet dan huilen om kleine dingen. Dat heet ook wel 'kraamtranen'. Wil je praten over je gevoelens? Over de bevalling, over je nieuwe rol als ouder, over je nieuwe gezin? Je kunt praten met je eventuele partner, vrienden of familieleden. En je kunt altijd terecht bij je verloskundige, arts of je kraamverzorgende.

Vader of duo-moeder worden

Jij als vader of duo-moeder bent erg belangrijk voor je partner. Je kunt veel steun bieden. Maar ook voor jou zal er veel veranderen. Er gaat met de geboorte van de baby een nieuwe levensfase in met veel verantwoordelijkheden. En je bent waarschijnlijk ook erg betrokken.

Grappig is dat ook veel vaders, vooral bij hun eerste kind, last krijgen van 'zwangerschapssymptomen': moe, misselijk, hoofdpijn, rugpijn en zelfs maagzweren. Zij zijn de eerste 3 maanden vaker verkouden en vertonen in de laatste 3 maanden meer gewichtstoename. Of dit ook voor duo-moeders geldt is niet bekend. En natuurlijk hoef jij die symptomen niet per se te krijgen.

Verder blijkt dat geïnteresseerd meeleven tijdens de zwangerschap een positief verband houdt met de omgang met je baby. Vaders die veel interesse hebben, houden hun baby bijvoorbeeld meer vast. Dit is goed voor de hechting.

Voornaam

Daan, Julia, Ruben, Selma, Bram, Jasmijn, Max, Deniz, Abdel, Elvira en Sam. Zomaar een aantal leuke en populaire kindernamen.

Naam met een betekenis

Wanneer je een naam bedenkt voor je ongeboren kind, dan kies je natuurlijk een naam die je mooi vindt. Maar misschien let je ook op de betekenis van de naam. Tess is bijvoorbeeld een afkorting van Theresa of Theresia. Deze naam is oorspronkelijk Grieks en betekent 'warmte' en 'zomer'. Of je noemt je kind naar een belangrijk persoon uit je religie of iemand die je bewondert.

Een naam doorgeven

Binnen families worden namen soms doorgegeven. Je vernoemt je kind dan naar zijn grootvader of haar grootmoeder. Dat kan volgens traditionele regels, maar het kan ook zijn dat je je kind vernoemd naar een ander belangrijke persoon in je leven.

Wat mag wel en wat mag niet?

Er zijn veel voornamen mogelijk en je bent in principe vrij om zelf een mooie naam te bedenken. Er zijn echter 2 beperkingen voor de keuze van de voornaam.

  • Ten eerste mag de naam geen ongepaste naam zijn. Een ongepaste naam is een naam die in strijd is met de geldende normen, een spottende naam, of een naam die bestaat uit een absurd groot aantal namen.
  • Ten tweede mag een voornaam geen bestaande achternaam zijn. Een uitzondering hierop is als de bestaande achternaam ook een gebruikelijke voornaam is.

Wat als de voornaam niet wordt geaccepteerd?

De ambtenaar van de burgerlijke stand bepaalt uiteindelijk op grond van deze voorwaarden of de voornaam geaccepteerd wordt.

Geef je je kind geen voornaam of weigert de ambtenaar van de burgerlijke stand de door jou opgegeven voornaam? Dan geeft hij of zij jouw kind een voornaam. Ben je het hier niet mee eens, dan kun je binnen 6 weken een verzoekschrift indienen bij de rechtbank. Dit verzoek moet ingediend worden door een advocaat.

Voornaam bij buitenlandse of dubbele nationaliteit

Als je kind niet de Nederlandse nationaliteit heeft, mag je óók zelf de voornaam kiezen. Buitenlandse autoriteiten accepteren echter soms alleen namen die op grond van de wet- en regelgeving van het desbetreffende land zelf zijn toegestaan. Dit geldt ook als je kind zowel de Nederlandse als een buitenlandse nationaliteit heeft. In het land van herkomst wordt de keuze voor Nederlandse voornamen soms niet geaccepteerd. Je kunt dit navragen bij de betreffende ambassade of het consulaat.

Achternaam

Het is mogelijk om de achternaam van je kind te kiezen. Dit is een eenmalige keuze, omdat alle kinderen van dezelfde vader en moeder dezelfde achternaam dragen.

Gehuwde ouders

Als het kind de Nederlandse nationaliteit heeft, kunnen gehuwde ouders samen de achternaam van hun eerste kind kiezen: de achternaam van de moeder óf die van de vader. Krijg je nog meer kinderen, dan krijgen zij ook die achternaam.

  • Als je kiest voor de achternaam van de vader, dan hoef je dit niet apart aan te geven bij het gemeentehuis. Bij de geboorteaangifte ontvangt jullie kind namelijk automatisch de achternaam van de vader.
  • Als je echter kiest voor de achternaam van de moeder, is het verstandig om dit te doen vóór de geboorte van jullie kind. Je moet namelijk samen naar het gemeentehuis om een handtekening te zetten voor de vaststelling van de achternaam van jullie kind.

Ongehuwde ouders

Een kind krijgt automatisch de achternaam van de moeder als de ouders ongehuwd zijn en er ook geen geregistreerd partnerschap is. Dus ook als je een alleenstaande moeder bent, krijgt je kind je eigen achternaam.

Als je je kind de achternaam wilt geven van de vader, dan moet de vader eerst het kind erkennen. Vervolgens ga je samen naar de gemeente om de naamskeuze vast te laten stellen. Dit kun je dus het best voor de geboorte van je kind doen. De man die je baby erkent, is of wordt de vader van je baby. Dat staat in de wet. Hij wordt familie van jouw kind. Hij is dan verplicht om voor je kind te zorgen. De man die het kind erkent, hoeft niet de biologische vader te zijn.

In principe kun je slechts eenmaal een keuze maken voor de achternaam van je kinderen. Tenzij jullie besluiten om te trouwen, dan is het mogelijk om alsnog de naamskeuze van jullie kinderen te herzien.

Achternaam kind bij duomoeders

Een kind van duomoeders krijgt automatisch de achternaam van de biologische moeder. In sommige situaties is het mogelijk een naamskeuze te maken voor de naam van de niet-biologische moeder.

Keuze achternaam bij adoptie

Wanneer je als echtpaar in Nederland een kind adopteert, kies je voor het kind de achternaam van de moeder of van de vader. Is je adoptiekind niet je eerste kind? Dan krijgt het kind dezelfde naam als je andere kinderen. De naamskeuze gebeurt als de rechter de adoptie bekrachtigt.

Achternaam kind met dubbele nationaliteit

Wordt een kind in Nederland geboren en heeft het ook een andere nationaliteit, dan wordt de naam naar Nederlands recht vastgesteld. Voor kinderen met een dubbele nationaliteit is naamswijziging aan te vragen in de achternaam die zij volgens het recht van het andere land hebben.

Erkenning van het kind

Wanneer je voor de wet met elkaar getrouwd bent, ben je als ouders automatisch 'familiaire betrekkingen' tot het kind.

Zijn jullie niet getrouwd en hebben jullie ook geen geregistreerd partnerschap met elkaar, dan moet de vader het kind erkennen bij de gemeente. Hij heeft hiervoor toestemming nodig van de moeder. Een man hoeft overigens niet de biologische vader te zijn van het kind, om het kind toch te erkennen.

Erkenning

Door erkenning wordt de vader de wettelijke ouder en krijgt hij daarmee de onderhoudsplicht en een erfrechtelijke band met het kind. Erkenning kan zowel voor de geboorte als na de geboorte van het kind. Bijvoorbeeld tegelijk met de aangifte van de geboorte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van jullie woongemeente.

Ouderlijk gezag

De vader heeft door erkenning nog niet het ouderlijk gezag over het kind. Dit gezag houdt in dat de vader rechtshandelingen kan verrichten namens het kind, bijvoorbeeld het zetten van een handtekening. Om het ouderlijk gezag over het kind te krijgen, moeten jullie als ouders samen een verzoek indienen bij de administratie van de rechtbank.

Wat als de vader het kind niet wil erkennen?

Het kan voorkomen dat de biologische vader weigert om je kind te erkennen. Je kunt dan zijn vaderschap gerechtelijk laten vaststellen

Erkenning ongedaan maken

Het is alleen mogelijk om de erkenning te vernietigen als de erkenner niet de biologische vader is. De moeder, het kind, de erkenner van het kind en het Openbaar Ministerie kunnen bij de rechtbank een verzoek tot vernietiging indienen. Het is niet mogelijk voor de biologische vader om een verzoek tot vernietiging in te dienen wanneer een andere man het kind heeft erkend.

Vaderschapstest

De vaderschapstest, of de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, is een laatste mogelijkheid om een familierechtelijk band tot stand te brengen tussen de biologische vader en het kind.

Geen erkenning van het kind

Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat de vader zijn vaderschap niet wil erkennen. Maar ook wanneer de moeder geen toestemming wil verlenen voor de erkenning van het kind door de vader, kan het kind later alsnog via een gerechtelijke procedure de familierechtelijke band met de vader vastleggen.

Gerechtelijke vaststelling vaderschap

Een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap kan alleen door de moeder of door het kind aangevraagd worden.

  • De moeder kan een verzoek indienen tot het kind 5 jaar is.
  • Een kind kan altijd een verzoek indienen.
  • De vader kan geen verzoek indienen voor de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Wanneer de moeder zijn erkenning bij de geboorte van het kind heeft geweigerd, kan hij wel vervangende toestemming voor de erkenning van zijn kind aanvragen aan de rechtbank.

DNA-onderzoek

Wanneer de moeder of het kind een verzoek heeft ingediend tot een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, dan kan er een DNA-onderzoek afgenomen worden. Dit gebeurt alleen als het aannemelijk is dat de man inderdaad de vader is. Mocht hij het DNA-onderzoek weigeren, dan kan de rechter het DNA-onderzoek bij hem afdwingen.

Gevolgen van de vaderschapstest

Wanneer het vaderschap gerechtelijk is vastgesteld, heeft dit gevolgen voor de band met het kind. De vader wordt onderhoudsplichtig, het kind erft van hem en kan zijn naam krijgen. Het kind krijgt ook de Nederlandse nationaliteit als de vader Nederlander is en het kind een buitenlandse moeder heeft.

Geboortekaartjes

Als je baby geboren is, wil je dat natuurlijk aan iedereen vertellen. Een paar mensen bel je meteen op, en naar alle andere vrienden, familie en kennissen stuur je een geboortekaartje.

Het kaartje maken

Als je 30 weken zwanger bent, kun je de geboortekaartjes (laten) maken. Geboortekaartjes kun je bestellen bij verschillende bedrijven. Sommige mensen besteden hier veel geld aan en laten een origineel kaartje ontwerpen en drukken bij grafische ontwerpers of designers. Bij de gewone drukkerijen kun je ook kiezen uit standaard geboortekaartjes. Let op: kijk goed naar de drukproef van de drukker. Controleer of alles er goed op staat.

Als je handig bent met de computer, zou je ook zelf je geboortekaartje kunnen ontwerpen en laten drukken. Maar je kunt ook een mooie foto van je kind maken en die gebruiken als geboortekaartje. Daarvoor kun je onder andere terecht bij warenhuizen.

De tekst schrijven

Natuurlijk beslis je zelf, en je eventuele partner, welke tekst op het kaartje komt te staan. Vroeger was dat vaak de standaardzin: "Dankbaar en blij zijn wij met de geboorte van onze zoon / dochter ..." Maar vandaag de dag kun je bijvoorbeeld een leuk rijmpje of een andere mooie zin bedenken.

Met grote letters vermeld je natuurlijk de volledige voornaam van je baby. Daarna noem je meestal jullie eigen namen en de namen van broertjes of zusjes. En ten slotte kun je vermelden wanneer de kraamvisite welkom is. Vermeld voor de zekerheid ook je adres. En wat ook raadzaam is, is om mensen te vragen eerst te bellen voordat ze langskomen.

Testamentair voogd

Een voogd is iemand die het gezag uitoefent over een minderjarig kind, omdat de ouders dat niet kunnen of overleden zijn.

Ouderlijk gezag

Als je een kind krijgt, is het verstandig om te bedenken wie voor jouw of jullie kind zou kunnen zorgen, mocht jij en je partner er zelf niet meer zijn. Als je met je partner samen gezag uitoefent, en één van jullie overlijdt, dan wordt de ander van rechtswege voogd over de kinderen. Heb jij als enige gezag, en heb je voor je overlijden geen voogd aangewezen per testament, dan wijst de rechter een voogd aan. Een voogd krijgt het ouderlijk gezag zolang je kind minderjarig is (jonger dan 18).

Wie wijs je aan als voogd?

Als ouder mag je 1 of 2 personen aanwijzen als voogd voor je minderjarige kind. Dit wordt opgetekend in het testament. Een voogd is meestal een familielid, maar hij mag bijvoorbeeld ook een goede vriend zijn. Een voogd moet in ieder geval ouder zijn dan 18 jaar en mag niet onder curatele staan of aan een geestelijke stoornis lijden.

Wat als iemand geen voogd wil zijn?

De aangewezen voogd hoeft de voogdij niet op zich te nemen als hij dat echt niet wil. De kinderrechter benoemt dan een ander geschikt persoon. In uitzonderlijke gevallen wordt het Bureau Jeugdzorg of Stichting Nidos tot voogd benoemd.

Zorgverzekering

Als je een baby verwacht, is het belangrijk om tijdig contact op te nemen met je zorgverzekeraar. En het is verstandig om een aantal zaken te controleren met betrekking tot je zorgverzekering.

Kraamzorg

Je kunt hierbij denken aan kraamzorg. Misschien mag je zelf een kraamcentrum uitkiezen, maar het kan ook zijn dat je zorgverzekeraar contracten heeft met bepaalde kraamzorginstellingen.

  • Kraamzorg zit in het basispakket van de zorgverzekering. Je krijgt de kosten dus vergoed, maar je moet wel een verplichte eigen bijdrage betalen. Voor 2012 is dat €4 per uur. Veel zorgverzekeraars vergoeden deze eigen bijdrage via een aanvullende verzekering, vraag dit na bij je verzekeraar.
  • De basisverzekering vergoedt minimaal 24 uur en maximaal 80 uur kraamzorg, verdeeld over maximaal 10 dagen. Er wordt geteld worden vanaf de dag van de bevalling. De dagen in het ziekenhuis of kraamhotel worden verrekend met het maximale aantal uren kraamzorg.
  • Meer informatie over de vergoeding van kraamzorg vind je op de website van het College voor zorgverzekeringen.

Poliklinische bevalling

Daarnaast is het ook belangrijk om te weten of je zorgverzekering een poliklinische bevalling verzekert als dit medisch gezien niet nodig is. En ten slotte is het natuurlijk ook van belang om te weten welke aanvullingen je hebt op je zorgverzekering.

Binnen 4 maanden!

Na de bevalling ben je verplicht om je kind binnen 4 maanden aan te melden bij de zorgverzekeraar. Doe dit op tijd. Want stel dat er iets niet goed gaat en dat je kind naar het ziekenhuis moet. Dan ben je hiervoor verzekerd en voorkom je dat je hoge doktersrekeningen zelf moet betalen.

Kinderbijslag en toeslagen

In Nederland krijgen ouders een tegemoetkoming in de kosten voor de verzorging van hun kind(eren).

Kinderbijslag

Als je in Nederland woont en werkt, krijg je kinderbijslag als een tegemoetkoming in de kosten voor de zorg van je kind(eren) tot 18 jaar. Je krijgt dit geld van de overheid en het is niet afhankelijk van je inkomen.

Je hoeft de kinderbijslag niet apart aan te vragen. Als je baby is aangegeven bij de gemeente, stuurt de gemeente deze gegevens door naar de Sociale Verzekeringsbank. Dat is de instantie die de kinderbijslag uitkeert. Als het je eerste kind is, nemen zij contact met je op voor het invullen van een online aanvraagformulier. Dat hoeft niet bij een tweede of volgend kind.

Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een extra bedrag dat je krijgt per kind onder de 18 jaar. Dit bedrag is afhankelijk van het aantal kinderen dat je hebt en je inkomen. Hoe hoger je inkomen, hoe minder kindgebonden budget je krijgt. Als jullie inkomen hoger is dan de bovengrens, heb je geen recht op het kindgebonden budget. Het bedrag wordt uitgekeerd door de Belastingdienst.

Kinderopvangtoeslag

Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming van de overheid en van werkgevers in de kosten voor kinderopvang. Het bedrag wordt uitgekeerd door de Belastingdienst. Ouders die hun werk of studie combineren met de zorg voor hun kinderen, hebben recht op kinderopvangtoeslag. Het bedrag is inkomensafhankelijk: je ontvangt meer toeslag naarmate je inkomen lager is.

Verlof regelen

Natuurlijk kun je niet blijven werken als je hoogzwanger bent en op het punt staat te bevallen. In Nederland zijn er meerdere vormen van verlof voor jezelf en voor je partner, zodat je de periode waarin je bevalt zo rustig mogelijk kunt beleven.

Zwangerschapsverlof

Als je zwanger bent, kun je zwangerschapsverlof krijgen. Je kunt zwangerschapsverlof 6 tot 4 weken voor de vermoedelijke bevalling opnemen. Na de bevalling heb je recht op 10 weken bevallingsverlof, ook al wordt je kind te vroeg of te laat geboren.

Calamiteitenverlof

Als je plotseling door bepaalde (ernstige) omstandigheden niet op je werk kunt komen, dan kun je hiervoor calamiteitenverlof krijgen. Een voorbeeld hiervan is wanneer je kind ineens ziek wordt, of wanneer je partner plotseling naar het ziekenhuis moet komen omdat je met bepaalde problemen tijdens je zwangerschap bent opgenomen.

Kraamverlof voor de partner

Als je bent bevallen dan kan je partner kraamverlof krijgen van zijn werkgever. Voor de bevalling zelf en het doen van aangifte van de geboorte bij de gemeente, hoeft hij geen kraamverlof op te vragen. Dit valt onder het zogenaamde 'ander kort verzuimverlof'. Na dit verlof kan hij aansluitend kraamverlof aanvragen. Dit kraamverlof duurt in principe 2 dagen.

Ouderschapsverlof

Aansluitend op het zwangerschapsverlof kun je ouderschapsverlof aanvragen. Dit is mogelijk voor jezelf en ook voor je partner. Op die manier heb je meer tijd om de zorg voor je gezin te combineren met je werk

Babyuitzet

Als je een baby verwacht, heb je ontzettend veel nodig. Van een maxicosi tot een teddybeer in de kinderkamer. De kosten voor alle benodigdheden kunnen dan ook hoog oplopen.

Verzorgingsproducten

Allereerst heb je kleding en verzorgingsproducten nodig voor je baby. Hieronder vallen producten zoals luiers, babyolie, doeken, en kruiken.

Babykleding

Voor je baby heb je babykleding nodig zoals rompertjes, maar bijvoorbeeld ook omslagdoeken, babypakjes (maat 50/56), sokjes en mutsjes.

De babykamer

Het is verstandig om de babykamer in orde te hebben voordat de baby er is. In de babykamer staan meubels, zoals een wieg, een kledingkast, een commode, en misschien ook een fijne stoel waar je in kunt zitten als je borstvoeding geeft. Houd rekening met leveringstijden van sommige meubels.

Je kunt je kind laten slapen in een wiegje of een ledikant. Spijlen voorkomen dat je kind uit bed valt, maar let op de afstand ertussen. Ook de plek van het wiegje of ledikant is van belang voor de veiligheid. Het juiste beddengoed en een goede matras kunnen de kans op wiegendood verkleinen.

Vervoer

Het is ook belangrijk om de juiste kinderwagen en maxicosi te kopen. Let daarbij vooral op de kwaliteit en de veiligheid. Zeker wanneer je bijvoorbeeld een autostoeltje koopt. Koop altijd een stoeltje dat aan de Europese veiligheidseisen voldoet. Dit is te herkennen aan een label of een sticker.

Hoe kun je besparen?

Vooral zaken als een maxicosi en een kinderwagen zijn prijzig. Je kunt wat geld besparen door ze tweedehands te kopen of van familie en vrienden over te nemen. Meestal krijg je ook van kennissen, vrienden en familie veel cadeau. Bijvoorbeeld kleding, slabbetjes, sokjes, speentjes en lekkere babyolie. Je kunt daarom beter wachten totdat je echt iets nieuws nodig hebt, voordat je zelf dingen koopt. En je kunt soms ook veel spullen huren.

Tip

Tweedehands spullen kun je ook gemakkelijk via internet kopen of via een kringloopcentrum in de buurt. Het is handig dat je alles in huis hebt als je 7 maanden zwanger bent.

Kraamzorg

Er zijn een aantal zaken die je verplicht bent aan te schaffen. Het gaat hierbij om de spullen die je nodig hebt tijdens en na de bevalling. Meestal krijg je van de zorgverzekering een kraampakket waar alles in zit. Voor een uitgebreide lijst met benodigdheden kun je het beste contact opnemen met de instantie waar je de kraamzorg hebt geregeld.

Benodigdheden baby

Het bureau waar je kraamzorg regelt, heeft een lijst met spullen die je nodig hebt.

Voor de baby

  • 6 rompertjes of hemdjes
  • 6 truitjes
  • 3 pakjes of broekjes met voetjes
  • 2 paar sokjes
  • 2 mutsjes

Tip: was alle babyartikelen van tevoren zonder wasverzachter. Van wasverzachter kan je baby jeuk krijgen.

Voor de verzorging van je baby

  • 250 gram zigzagwatten
  • 2 pakken steriele gaasjes 16/16
  • flesje alcohol 70 procent (50 ml)
  • babyzeep en babyzalf
  • 6 spuugdoekjes
  • 6 hydrofiel luiers (deze worden als handdoek gebruikt)
  • 6 hydrofiel washandjes
  • 2 badcapes
  • 1 katoenen mutsje
  • borsteltje en kammetje
  • babybad met bijpassende standaard en een emmer om te vullen, of een Tummy Tub
  • 3 onderlakentjes
  • 3 bovenlakentjes
  • 2 dekentjes waarvan 1 wol, de ander katoen of wol (geen fleece)
  • 2 kruiken
  • kruikenzakken van katoen, badstof of flanel
  • aankleedkussen
  • tube zinkzalf voor de billetjes
  • vaseline
  • rectale thermometer (geen oorthemometer)
  • 1 afvalemmer

Als je katoenen luiers gebruikt:

  • 1 kaart beveiligde veiligheidsspelden of 1 rolletje tape of zijdepleister
  • 1 pak luierinlegdoekjes
  • 24 luiers (12 hydrofiel en 12 oogjes) voor baby's van 3 tot 6 kilo
  • 1 emmer met deksel

Als je wegwerpluiers gebruikt

  • 12 hydrofiel luiers (worden gebruikt voor het afdrogen van de baby)
  • 3 flanellen luiers
  • 1 pak wegwerpluiers

Als je borstvoeding geeft

  • een babyweegschaal (in overleg met je verloskundige). Deze kun je na de bevalling huren bij de drogist of thuiszorgwinkel (soms ook bij de verloskundige).

Als je flesvoeding geeft

  • 2 flessen en 2 spenen van hetzelfde merk
  • 1 afsluitbare maatkan om klaargemaakte voeding in te bewaren

Het babybadje

Je kunt kiezen tussen:

  • een badje met een standaard;
  • een badje zonder standaard;
  • een Tummy Tub (dat is een soort emmer, voor wanneer je kind nog erg klein is);
  • en een commode. Je kunt een tafel gebruiken. Daar leg je dan een aankleedkussen op. Of je koopt een babycommode. Zorg voor een goede hoogte voor jezelf. Het moet handig zijn om je kind een schone luier aan te doen.

Kinderopvang regelen

Heb je een kind en wil je ook werken? Dan kun je gebruik maken van kinderopvang. Je kunt bij de overheid een kinderopvangtoeslag aanvragen. De overheid betaalt dan een deel van je kosten voor kinderopvang.

Je krijgt alleen kinderopvangtoeslag als je kinderopvang hebt die:

  • geregistreerd is bij de gemeente;
  • voldoet aan bepaalde regels voor de kwaliteit.

Landelijk Register Kinderopvang

In het Landelijk Register Kinderopvang (LKR) worden alle kinderdagverblijven, organisaties voor buitenschoolse opvang, gastouderbureaus en gastouders bijgehouden. Dit zijn organisaties die voldoen aan de kwaliteitseisen van de Wet Kinderopvang. Ouders hebben vanaf 1 januari 2011 alleen recht op kinderopvangtoeslag als ze gebruik maken van kinderopvang die in het LRK staat.

Ouderschap

Hoe is een leven met een kind? Het is goed om daarover na te denken tijdens de zwangerschap. Je leven wordt anders. Je wordt vader of moeder. Hoe doe je dat? En wat moet je regelen? Denk er op tijd over na. Want als het kind er is, heb je tijd en rust nodig. Zodat je een band met je kind kunt opbouwen. Zodat je je kind kunt zien groeien.

De zorg verdelen

Wanneer zorg jij voor het kind? En wanneer je partner? Of iemand anders? Spreek dat af tijdens de zwangerschap. Iedereen doet dit anders. Het hangt ook af van het werk dat je doet.

Type ouder

Het is misschien gek om daar nu al over na te denken. Toch doen veel mensen dat. Zo bereid je je een beetje voor. Je kent vast wel mensen die je leuke ouders vindt. Heb je een leuke jeugd gehad? Dan zijn jouw ouders misschien jouw grote voorbeeld. Heb je geen leuke jeugd gehad? Dan wil je het vaak juist niet zo doen als jouw ouders. Praat daar eens over met je eventuele partner. Wat verwachten jullie? En wellicht krijg je steun van het horen van ervaringen van vrienden en familieleden.

Niet in Nederland geboren

Als je hier niet geboren bent kan het zijn dat je familie ver weg woont. Misschien dat je ze juist als je zwanger bent erg mist. Als je ouders hier niet geboren zijn ken je misschien gewoontes en regels bij zwangerschap en geboorte, die anders zijn dan in Nederland. Daarom is het belangrijk steun te vragen aan mensen die je vertrouwt.

Vragen stellen

Als je je niet zeker voelt over je zwangerschap en hoe de geboorte zal gaan, kun je gewoon vragen stellen. De verloskundige, de huisarts en andere hulpverleners zijn er voor iedereen. Ze zijn gewend dat vrouwen en mannen die een kind gaan krijgen veel vragen stellen. Je kunt de gesprekken voorbereiden met je eventuele partner of iemand anders met wie je een band hebt. Je kunt alleen gaan, of je partner of iemand anders meenemen. Als je geen of weinig Nederlands spreekt is het inzetten van een tolk mogelijk.

Partner betrekken

Misschien heb je een partner? Je krijgt dan samen een kind en er gaat veel voor jullie veranderen.

Bij jou verandert er ook lichamelijk veel. Je partner voelt dit niet op die manier. Misschien is het voor hem (of haar) lastig om te bedenken wat de zwangerschap met jou doet. Je partner voelt zich waarschijnlijk erg verantwoordelijk. Als jij het moeilijk hebt, heeft dat invloed op je partner. Sommige partners vinden het misschien moeilijk om hun gevoelens te uiten.

Tips

  • Praat met je partner over je zwangerschap. Vertel over je gevoel. Vraag wat je partner ervan verwacht. Praat ook over het gevoel van je partner. Jullie band kan er sterker door worden.
  • Laat je partner meegaan naar de zwangerschapscursus en controles bij de verloskundige.
  • Vertel je partner dat de baby schopt of dat je de baby voelt. Op een zeker moment kan je partner jullie baby ook voelen.
  • Vertel je partner dat je anders reageert omdat je hormonen in je lichaam hebt. Dan kan hij (of zij) daar een beetje rekening mee houden.
  • Probeer elkaar te begrijpen. Mannen en vrouwen gaan soms anders met hun gevoel om.

Heb je geen partner?

Wellicht kun je bij een goede vriend of familielid terecht? Het is fijn als iemand, in wie je veel vertrouwen hebt, betrokken is bij wat je meemaakt.

Moeder worden

Het is een bijzondere gebeurtenis om te ontdekken dat je een baby gaat krijgen. Misschien heb je een tijd moeten wachten voor het zover was, of misschien is het onverwacht.

Er breekt een periode aan waarin er allerlei gevoelens door je heen gaan. Sommige mensen beleven een zwangerschap als een groot feest. Anderen kunnen zich onzeker gaan voelen. Dat hoort er beslist ook bij. Het is niet niks om moeder of vader te worden.

Onzeker?

Het kan best zijn dat je soms wordt overvallen door twijfel. Je vraagt je misschien af of je het wel aan kunt om voor een kind te zorgen. Of je bent wellicht bezorgd over de gezondheid van je baby. Ook kun je je erg onzeker voelen over de toekomst of maak je je zorgen over de bevalling. Bijna iedereen heeft tijdens de zwangerschap wel last van deze twijfels en angsten. Het is belangrijk je niet te bezorgd te maken. Je kunt er natuurlijk eens met je eigen moeder of vader over praten. Of met een vriendin of de verloskundige.

Stemmingswisselingen

Onder invloed van hormonen verandert er tijdens de zwangerschap veel in je lichaam. En je voelt je verantwoordelijk voor het leven dat in je buik groeit. Logisch dat je last hebt van stemmingswisselingen. Een tip is om nog even wat tijd voor elkaar in te ruimen. Halverwege de zwangerschap voel je je vaak wat beter en het is slim om dan een gezamenlijk uitstapje te plannen. Het kan nu nog!

Na de bevalling

Meestal komt de hechting met je baby vanzelf op gang. Je houdt je kind vast, kijkt in zijn ogen, voelt en ruikt je kind. Je voelt je al moeder. Dit moedergevoel is er niet bij iedereen meteen al na de bevalling. Toch zul je zien dat het meestal vanzelf op gang komt, bijvoorbeeld als je ziet dat je baby naar je kijkt.

Vader worden

Het is een bijzondere gebeurtenis om te ontdekken dat je partner een baby gaat krijgen. Misschien hebben jullie een tijd moeten wachten voor het zover was, of misschien is het onverwacht. Misschien ben je heel betrokken bij de zwangerschap van je partner? Of je bent nog afwachtend? Je kunt je soms onzeker voelen. Het is ook niet niks om vader te worden.

Twijfel

Als je weet dat je partner een kind verwacht, kun je last krijgen van angsten, onzekerheid en twijfel. Het is heel normaal dat je je zorgen maakt over de toekomst van je gezin. Maar ook kun je bang zijn voor het medische gebeuren rond een zwangerschap en voor de bevalling. En misschien ben je bezorgd over jullie seksuele relatie na de bevalling. Het is misschien het beste dit met je partner te bespreken, met je vader of moeder, een ander familielid of een goede vriend.

De bevalling

Om jezelf wat zekerder te voelen en te weten wat jou en je partner te wachten staan, kun je regelmatig met je haar meegaan naar de verloskundige. Ook kun je een keer meegaan naar zwangerschapsgym of een informatiebijeenkomst van de kraamafdeling. Tijdens de bevalling is jouw aanwezigheid en betrokkenheid voor je partner heel belangrijk. Ze heeft juist nu positieve ondersteuning nodig.

Regelen

Je kunt ook best veel doen om de bevalling en de komst van de baby goed voor te bereiden. Bijvoorbeeld spullen kopen voor de babyuitzet.

Rond de zwangerschap en de bevalling is er veel dat je als vader moet regelen. Denk maar aan erkenning (als jullie niet getrouwd zijn), kraamverlof, ouderschapsverlof en aangifte.

Een band opbouwen

Als je betrokken was bij de zwangerschap van je partner voel je waarschijnlijk al een band met je kind. De hechting met je baby gebeurt dan vanzelf als je je kind in de armen houdt, in zijn ogen kijkt, hem ruikt. Je voelt: dit is mijn kind.

Dit gevoel is er niet bij elke nieuwe ouder direct na de bevalling. Toch zul je zien dat het vanzelf op gang komt, bijvoorbeeld als je ziet dat je baby naar je kijkt. Je kunt van alles met je kind doen om een band met hem op te bouwen.

  • Je baby vaak vasthouden, knuffelen, in de ogen kijken, contact maken.
  • Je baby 's nachts de fles geven. Geeft je partner borstvoeding, dan kan zij de avond ervoor melk afkolven, die jij 's nachts kunt opwarmen en in een fles aan je kind geven.
  • Je kind verzorgen, bijvoorbeeld de luier verschonen en in badje doen, en dan contact maken.
  • Je kind in een draagzak of draagdoek lekker dicht bij je hebben.
  • Gekke gezichten naar je kind trekken en kijken of hij dat ook kan.

Opvoeden

Je kind is er nog niet, maar het is goed om al na te denken over wat je belangrijk vindt bij het opvoeden. En daar met je eventuele partner, vrienden of familieleden over te praten.

Belangrijk doel van opvoeden is dat je kind leert om zelfstandig te zijn. Van een afhankelijke baby naar een zelfstandig mens. Een zelfstandig mens, die kan leven zonder de zorg van zijn ouders.

Bij opvoeden komt veel kijken

  • Geef veel liefde en aandacht.
  • Geef je kind zorg en steun.
  • Zorg voor een veilige en stimulerende omgeving.
  • Geef het goede voorbeeld. Vooral jonge kinderen doen hun ouders na.
  • Kijk en luister goed naar je kind. Ga in op signalen van je kind.
  • Praat veel tegen je kind.
  • Leer je kind de waarden, gebruiken en rituelen, die jullie belangrijk vinden.
  • Zorg voor structuur. Als een kind weet waar hij aan toe is, voelt hij zich veiliger. En als een kind zich veilig voelt, kan hij zich goed ontwikkelen.
  • Zorg voor regels. Door regels leren kinderen wat wel en niet mag.
  • Zorg voor grenzen. Het is goed voor kinderen als ouders zeggen wat de grens is. Jonge kinderen kunnen dat zelf niet.
  • Probeer te denken als je kind. Dan weet je beter wat je moet doen.

Opvoeden hoef je niet alleen te doen. Er zijn anderen die een belangrijke rol voor je kind en voor jezelf kunnen spelen. En misschien het belangrijkste: zorg goed voor jezelf!

Goedbedoeld advies

Als je een kind krijgt, voel je je vaak dichter bij je ouders of schoonouders staan. Dat is vaak heel bijzonder. Je kunt veel steun van hen krijgen. Maar het kan ook zijn dat je je zorgen maakt over de reacties van je familieleden.

Hoe is de relatie?

Misschien heb je geen goede relatie met je (schoon)ouders. Of je bent bang dat ze zich er teveel mee gaan bemoeien. Bedenk tijdens de zwangerschap hoe je daar het best op kunt reageren. Dan lukt het beter als het kind er is. Misschien heb je partner? Je kunt dan samen afspraken maken hoe jullie ermee omgaan.

Steeds advies geven

Geven je (schoon)ouders je steeds advies, terwijl je dat niet wilt? Zeg dan dat je het fijn vindt dat ze zo meeleven, maar dat jullie het op jullie eigen manier willen doen. En dat je vragen zeker aan hen zult stellen, als je er zelf niet uit komt. Ze hoeven zich dan niet afgewezen te voelen.

Kritiek

Heb je het gevoel dat je (schoon)ouders kritiek op je hebben? Voel je je niet begrepen? Probeer er dan met hen over te praten. Lukt dit niet, dan kun je je gevoelens misschien uiten bij je partner of een goede vriend. Zeker als je pas ouder bent, kun je heel gevoelig zijn voor kritiek over hoe je met je baby omgaat. Dat is logisch. Je baby is waarschijnlijk het dierbaarste wat je hebt. Zorg dat je niet alleen blijft zitten met je gevoelens.

Gezondheid en voeding

Je gezondheid is belangrijk, zeker als je zwanger bent. Om gezond te zijn en te blijven, kun je bijvoorbeeld denken aan gezonde voeding, een goede nachtrust en voldoende beweging.

Problematische zwangerschap

Veel vrouwen hebben tijdens hun zwangerschap last van zwangerschapskwaaltjes. Dit kan je gezondheid behoorlijk in de weg staan. Ernstiger is het wanneer je last krijgt van aandoeningen zoals bekkeninstabiliteit en zwangerschapsvergiftiging. Maar het kan ook zijn dat je kind bepaalde aangeboren afwijkingen heeft, zoals het Downsyndroom. Er zijn verschillende prenatale onderzoeken mogelijk om te kijken of er inderdaad iets aan de hand is.

Advies en informatie

Op dit gedeelte van de site staan tips, adviezen en informatie over gezond zwanger zijn en bevallen. Je kunt niet alles zelf beïnvloeden en voorkomen. Maar voor een gezonde leefstijl kun je wel zelf kiezen.

Gezond leven

Als je zwanger bent, kun je veel dingen gewoon blijven doen: werken, sporten, vrijen, autorijden, enzovoort. Je lichaam geeft zelf aan wanneer het te veel wordt. Daarom is het belangrijk goed naar je lichaam te luisteren en goed voor jezelf te zorgen. Want per slot van rekening ben je niet ziek maar zwanger.

Wel is het verstandig om gezond te eten, te bewegen en te veel stress te voorkomen. Op dit gedeelte van de website krijg je daar tips over.

Nachtrust

In je slaap draai je je heel wat keren om. Als je zwanger bent, blijft dat gewoon zo. Tot het moment waarop je buik in omvang toeneemt. Als je een echte buikslaper bent, wordt dat wel even omschakelen.

Rugligging

Op een gegeven moment is de buik te groot en zul je op je rug of je zij gaan slapen. Als het slapen op je rug geen klachten geeft en goed voelt, is het prima.

Soms krijgen zwangere vrouwen (zeker als ze zwaarder worden) klachten door het slapen op de rug, omdat de bloedtoevoer naar het onderlichaam en de benen bekneld kan raken. De bloedtoevoer naar de baby blijft goed, alleen voor jezelf is het onaangenaam. Het kan namelijk vervelende klachten geven, zoals duizeligheid, onrustig slapen en soms ook aambeien en vocht in de benen.

Zijligging

Als het buikslapen en rugslapen niet ideaal gaat, kun je natuurlijk op je zij gaan liggen. De meeste zwangere vrouwen slapen het liefst op hun linkerzij.

Alvast wennen

Je kunt aan het begin van je zwangerschap al eens oefenen met het inslapen op de linkerzij. Als het niet lukt, kun je proberen om te slapen met een kussentje achter je rug of tussen de knieën.

Beweging

Bewegen is belangrijk, ook als je zwanger bent. Het zorgt ervoor dat je bloed goed stroomt. Je krijgt meer energie, minder rugpijn, het voorkomt verstopping enzovoort.

Een half uur per dag

Door minstens een half uur per dag intensief te bewegen, zorg je er niet alleen voor dat je een gezond gewicht houdt, maar ook dat je lichaam in conditie blijft.

Sport

Als je niet sportief bent, is het misschien juist goed om wat meer te gaan bewegen. Intensief en fanatiek sporten is niet goed voor je.

Sporten

Als je zwanger bent, is het goed om in beweging te blijven.

Wat kun je doen?

Lopen, fietsen, zwemmen en fitness zijn sporten die je heel goed tot het einde van je zwangerschap kunt blijven doen.

Hoeveel beweging je lichaam kan hebben, hangt onder andere af van je conditie. Verminder of stop het sporten als het klachten geeft of als je erg moe wordt. Heb je voor je zwangerschap eigenlijk niet of nauwelijks gesport en je wilt dit nu wel gaan doen, dan kun je zwangerschapsgymnastiek of zwangerschapsyoga doen.

Intensief sporten

Te intensief sporten is niet aan te raden. Met bewegen gebruikt je lichaam zuurstof. Wanneer je te intensief sport, haal je teveel zuurstof uit de baarmoeder. Als dit te lang duurt kan dit schadelijk zijn voor je baby.

Welke sporten liever niet?

Het is niet verstandig om door te gaan met een sport waarbij je risico loopt om iets tegen je buik aan te krijgen. te botsen of te vallen. Bijvoorbeeld skiën, volleybal, hockey en voetbal. Duiken en parachute springen moet je absoluut niet doen tijdens je zwangerschap.

Gewicht

Tijdens je zwangerschap is het normaal dat je gewicht toeneemt. Veel vrouwen nemen iets te veel in gewicht toe, anderen te weinig. Daarom is het een goed idee om jezelf maandelijks te wegen.

Normaal gesproken zou je gemiddeld maximaal ongeveer 2 kilo per maand mogen aankomen. Meer is niet wenselijk. Met name als je overgewicht hebt is het verstandig om de toename in gewicht te beheersen.

Lijnen

Ga niet lijnen als je zwanger bent. Jij en je baby krijgen dan te weinig voedingsstoffen binnen. Let niet te veel op de weegschaal. Je kunt dan minder genieten van je zwangerschap. Probeer wel zo gezond mogelijk te eten. En snoep niet te veel. Val je de eerste 3 maanden een paar kilo af? Door de misselijkheid? Dat is niet erg.

Te licht

Als je tijdens de zwangerschap niet genoeg in gewicht toeneemt, kan je kind een laag geboortegewicht hebben en vroeger geboren worden dan gepland. Genoeg eten is dus belangrijk.

Na de bevalling

Na de bevalling raak je ongeveer 6 kilo direct weer kwijt (baby, vruchtwater en placenta). De overige kilo's zullen daarna weer wegslinken. Je borsten worden minder zwaar als je de borstvoeding afbouwt, het extra bloed dat je tijdens de zwangerschap hebt gemaakt, zal ook afgebouwd worden. Het lichamelijk herstel kost wat tijd en het is belangrijk jezelf deze tijd ook te gunnen.

Tips

Om niet te zwaar te worden, heb je misschien iets aan de volgende tips.

  • Neem altijd volkoren producten. Dan zit je sneller vol.
  • Neem als tussendoortjes groente en fruit. Kies voor bijvoorbeeld wortels, mandarijnen, appels, radijsjes of stukjes komkommer.
  • Haal niet te veel lekkere dingen in huis.
  • Doe geen boodschappen als je honger hebt.

Stress

Het is niet te hopen, maar het kan dat je teveel spanningen hebt. Over werk, geld, je relatie...

Invloed van stress

Langdurige en ernstige stress heeft invloed op je lichaam. En het kan ook invloed hebben op je baby in de baarmoeder en de groei van je baby. Je helpt jezelf én je baby als je probeert de oorzaken van je spanningen aan te pakken. Praat erover met je werkgever of met je partner. Het is ook altijd verstandig om je zorgen met je verloskundige of huisarts te bespreken.

Tips

  • Probeer tijdig naar bed te gaan en eventueel 's middags even te gaan slapen. Ook als je niet moe bent, want door de stress merk je soms niet op hoe moe je bent.
  • Probeer dagelijks aan beweging te doen. Als je beweegt komt er 'endorfine' vrij (dit wordt ook wel het gelukshormoon genoemd). Dat is gezond voor jou en daardoor ook voor je baby.
  • Eet regelmatig en gevarieerd, ook als je geen honger hebt.
  • Ga af en toe iets doen dat je gedachten verzet, bijvoorbeeld naar de bioscoop of bij vrienden op bezoek.
  • Ga dagelijks minimaal een kwartiertje liggen met je handen op je buik en probeer je aandacht te richten op je baby.

Voeding

Alles wat jij eet, krijgt je baby ook binnen. Je hoeft niet extra veel te eten. Je hoeft niet voor 2 mensen te eten. Gewoon en gezond eten is prima.

Voeding

Goede voeding is tijdens de zwangerschap nog belangrijker dan anders. De baby is ervan afhankelijk. Van de meeste vitamines en mineralen hebben een aanstaande moeder en haar baby een beetje extra nodig. Dat betekent niet dat tijdens de zwangerschap veel meer gegeten moet worden, maar dat vooral de kwaliteit van het eten goed moet zijn.

Gezond en gevarieerd

De belangrijkste richtlijn voor je voeding is eenvoudig: eet zo gezond en gevarieerd mogelijk. Neem liever een paar kleine maaltijden verdeeld over de dag dan een grote hoeveelheid voedsel in één keer. 'Eten voor 2' is beslist niet nodig.

Voedingsadviezen

  • Eet 1 of 2 keer per week vis, het liefst vette vis: makreel, zalm en haring. Bijvoorbeeld in plaats van vlees of op je brood. De vetzuren in vis zijn goed voor de ontwikkeling van je baby. Eet niet meer dan 2 keer per week vette vis. Eet geen rauwe vis of schaal- en schelpdieren, geen roofvissen en geen paling uit Nederlandse rivieren.
  • Slik voor en tijdens je zwangerschap elke dag een tablet van 0,4 of 0,5 milligram foliumzuur. Doe dit totdat je 10 weken zwanger bent. Dan is de kans kleiner dat je een kindje krijgt met een open ruggetje of open schedel. Foliumzuur koop je zonder recept bij de drogist of apotheek. Meer informatie vind je ook op de website Slikeerstfoliumzuur.nl.
  • Slik elke dag 10 microgram vitamine D. Zo houd je je botten en die van je kind gezond. Vitamine D koop je bij de drogist.
  • Neem geen vitamine AD-preparaten. Je krijgt genoeg vitamine A binnen als je gezond eet. Te veel vitamine A is niet goed voor je baby.
  • Ga niet lijnen als je zwanger bent. Jij en je baby krijgen dan te weinig voedingsstoffen binnen. Let niet te veel op de weegschaal. Je kunt dan minder genieten van je zwangerschap. Probeer wel gezond te eten en snoep niet te veel. Val je de eerste 3 maanden een paar kilo af door de misselijkheid? Dat is niet erg.

Tips

Om niet te zwaar te worden de volgende tips:

  • Neem altijd volkoren producten. Je zit daarmee sneller vol.
  • Neem als tussendoortjes groente en fruit. Kies voor bijvoorbeeld wortels, mandarijnen, appels, radijsjes of stukjes komkommer.
  • Haal niet te veel lekkere dingen in huis.
  • Doe geen boodschappen als je honger hebt.

Veilig eten

Veilig eten in je zwangerschap is van belang. In rauw eten kunnen bijvoorbeeld bacteriën zitten die schadelijk zijn voor jou of de baby. Kijk ook uit met het gebruik van kruiden, rauw eten en het eten van lever. Je kunt het best overleggen met je verloskundige, je huisarts of met het consultatiebureau als je twijfelt of iets veilig is om te eten.

Pas op met rauw eten

In rauw eten kunnen bacteriën zitten die schadelijk zijn voor jou of je baby.

  • Eet geen filet americain, chorizo, ossenworst, biefstuk, tartaartjes en rauwe rosbief eet.
  • Eet geen rauwe vacuümverpakte vis zoals gerookte zalm en gerookte paling eet. Je kunt deze producten alleen eten als ze van te voren verhit worden.
  • Eet geen rauwe vis, schaal- en schelpdieren (mosselen of oesters), roofvissen (zwaardvis, tonijn, haai en koningsmakreel). Eet ook geen paling uit de Nederlandse rivieren. En eet niet vaker dan 2 keer per week vette vis, vanwege de dioxines.
  • Zorg dat je alle groenten die je eet goed wast, vooral de groente die je rauw eet.
  • Eet alleen eieren die hardgekookt of goed doorbakken zijn.
  • Eet niet meer dan een paar dropjes en 1 tot 2 glazen zoethoutthee op een dag.
  • Drink geen rauwe melk (dat is melk direct van een koe, geit of schaap) of producten die daarvan gemaakt zijn, zoals bepaalde blauwe schimmelkazen, geitenkazen en boerenkazen. 'Au lait cru' betekent dat het van rauwe melk gemaakt is. Kaas van gepasteuriseerde melk is veilig.
  • Drink maximaal 4 koppen koffie per dag vanwege de cafeïne. In thee en cola zit ook cafeïne, maar daarvan mag je (als je geen koffie drinkt) maximaal 8 glazen drinken.
  • Bewaar verse producten zoals vleeswaren en rauwkostsalades niet te lang.
  • Werk alleen met schone messen, snijplanken en borden.
  • Warm het eten goed op.
  • Eet je eten zo snel mogelijk op nadat je het hebt gekocht en nadat je het hebt klaargemaakt.

Listeria-bacterie

Kaassoorten, die van rauwe melk ('au lait cru') worden gemaakt, kunnen de listeria-bacterie bevatten. Dit kan bijvoorbeeld gelden voor brie, camembert en roquefort. Het is geen groot risico, want in Nederland zijn de meeste verkochte kazen gemaakt op basis van gepasteuriseerde melk. De listeria-bacterie is nauwelijks gevaarlijk voor volwassenen, maar kan dat wel zijn voor een ongeboren baby.

Listeria kan groeien in groente, kip, vis en vlees, wanneer die te lang in de koelkast zijn bewaard. Koop deze producten daarom vers en bewaar ze zo kort mogelijk in de koelkast. De listeria-bacterie wordt gedood tijdens koken en bakken. Ook rauwe melk, die zo van de boerderij afkomstig is, moet je dus eerst koken voor gebruik.

Geen lever

Eet geen lever als je zwanger bent. In lever zit namelijk heel veel vitamine A. Dat kan schadelijk zijn voor je baby. Eet ook niet meer dan 1 boterham per dag met paté, leverworst of hausmacher. Daar zit ook lever in.

Gezond drinken

Voldoende drinken is belangrijk: met ruim 1,5 liter per dag zit je goed. Dat is ongeveer 10 bekers of 10 grote glazen.

Koffie en cafeïne

Koffie bevat de opwekkende stof cafeïne. Een overmaat aan cafeïne (meer dan 4 koppen koffie in een etmaal) maakt de baby onrustig. Soms voelt het alsof hij door je buik stuitert! Als je teveel cafeine drinkt, vergroot dat de kans op een miskraam. Ook kan het zorgen voor een lager geboortegewicht van je baby.

Drink daarom zo weinig mogelijk koffie of kies voor cafeïnevrij.

Drink per dag niet meer dan:

  • 3 koppen koffie en 1 kop thee of;
  • 2 koppen koffie, 2 koppen thee en 1 glas cola of;
  • 2 koppen koffie, 3 koppen thee.

In energiedrankjes zit soms ook veel cafeïne. Drink die dus ook niet.

Vitamines en supplementen

Als je zwanger bent, is het belangrijk om extra foliumzuur te slikken. Extra vitamine D is ook goed, maar vitamine A mag je juist niet teveel binnenkrijgen.

In principe is het niet nodig om behalve foliumzuur en vitamine D nog extra vitamines of preparaten te slikken. Als je gezond eet, dan krijg je voldoende evenwichtige voedingsstoffen binnen.

Foliumzuur

Foliumzuur komt van nature voor in groenten, vooral de groene soorten, volkorenproducten, brood, vlees en zuivel. Als je pas zwanger bent, heeft je lichaam extra foliumzuur nodig. Daarom kun je het best al foliumzuur slikken, voordat je zwanger wordt.

Waarom is foliumzuur nodig?

Het slikken van foliumzuur verkleint de kans op het krijgen van een kind met een ernstige aandoening, zoals een open ruggetje of een open schedel. Gelukkig komen deze aangeboren afwijkingen maar heel weinig voor.

Wanneer starten?

Het advies van het Erfocentrum is om foliumzuur te gaan slikken 4 weken voordat je stopt met voorbehoedmiddelen. Het duurt zo'n 4 weken tot je lichaam een voldoende voorraad foliumzuur heeft opgebouwd. Je kunt gewoon foliumzuur blijven slikken als je nog niet meteen zwanger raakt. Het is niet schadelijk voor je gezondheid.

Al zwanger?

Je hebt extra foliumzuur nodig tot de 10e week van je zwangerschap. Daarna kun je ermee stoppen. Ben je al zwanger en nog niet gestart met foliumzuur? Je kunt alsnog beginnen! Doe dit totdat je 10 weken zwanger bent. Dan is de kans kleiner dat je een kindje krijgt met een open ruggetje.

Welke dosering?

Je kunt foliumzuurtabletten gewoon zonder recept bij de drogist of de apotheek kopen. Je hebt per dag 1 tablet nodig van 0,4 of 0,5 milligram (0,4 of 0,5 mg).

Vitamine A en D

Als je zwanger bent of borstvoeding geeft, is het belangrijk om goed te eten. Door gewoon goed te blijven eten krijg je voldoende voedingsstoffen binnen, waaronder vitaminen en mineralen. Wanneer je gevarieerd eet, kom je aan de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH) van vitamines die je nodig hebt. Het voedingscentrum heeft hiervoor de wijzer met vitamines en mineralen.

Extra vitamine D

Tijdens je zwangerschap en het geven van borstvoeding heb je extra vitamine D nodig.Vitamine D zorgt ervoor dat calcium goed uit de voeding wordt opgenomen. Calcium zorgt voor de opbouw en het in stand houden van je botten. Het advies van het Voedingscentrum is om een supplement te nemen van 10 microgram per dag. Vitamine D kun je in verschillende doseringen en toedieningsvormen krijgen bij de drogist of apotheek.

Niet teveel vitamine A

Ben je zwanger, zorg dan dat je niet teveel vitamine A binnenkrijgt. Dat geeft een een verhoogd risico op een baby met aangeboren afwijkingen. Vitamine A zit bijvoorbeeld veel in lever maar ook in leverworst, leverpastei, hausmacher of berliner. Dat kun je tijdens je zwangerschap dus beter laten staan. Omdat vitamine A ook in multivitaminetabletten zit, kun je die beter ook niet nemen. Wil je ze toch slikken, gebruik dan vitaminetabletten speciaal voor zwangere vrouwen. Je hebt overigens wel degelijk vitamine A nodig. Maar wanneer je gevarieerd eet, krijg je vanzelf voldoende binnen.

Geen vitamine AD-preparaten

Neem geen vitamine AD-preparaten. Je krijgt genoeg vitamine A binnen als je gezond eet. Te veel vitamine A is niet goed voor je baby.

Kruiden en natuurproducten

Misschien gebruik je liever natuurlijke middelen tegen kwaaltjes tijdens je zwangerschap. Bijvoorbeeld kruiden.

Zijn kruiden veilig?

De meeste kruiden zijn gewoon veilig te gebruiken, maar van sommige kruiden is het beter om ze tijdens je zwangerschap niet te veel of te vaak te gebruiken.

  • Het gaat hierbij om (producten met) fenegriek, gember, meidoorn, rabarber, senna, salie, moederkruid, nigelle (nieszaad), dragon, pesto, en kaneel.
  • Zet ook liever geen thee van deze kruiden.
  • Je kunt ze wel gewoon toevoegen als smaakmaker in je warme maaltijd, want daarvoor gebruik je kleine hoeveelheden.

Echt niet gebruiken!

Sommige kruiden zijn echt schadelijk voor je ongeboren kind. Gebruik die dus voorlopig even niet.

  • Het gaat om: efedra, aloë, sassafras, kava kava, absint-alsem, dong quai, venkel, anijs, borage (komkommerkruid), groot en klein hoefblad, smeerwortel en boerenwormkruid.
  • Verder is het beter geen kalebaskalk of kalebasklei te gebruiken tegen ochtendmisselijkheid. Dit natuurproduct bevat vaak teveel lood en dat kan schadelijk zijn voor je kind.

Overleg het eerst

Je kunt het best overleggen met je verloskundige of je huisarts als je twijfelt of je een bepaald product veilig kunt gebruiken. Schrijft een arts je een geneesmiddel voor, dan is het verstandig dat je deze arts vertelt over je zwangerschap. Hij of zij zal dan een geneesmiddel kiezen, dat veilig is voor je ongeboren kind.

Veranderde smaak- en eetbehoefte

Soms hoor je wel eens dat je moet eten voor 2 als je zwanger bent. Je begrijpt vast wel dat dat niet letterlijk bedoeld wordt. Als je maar gezond en gevarieerd eet, dan ben je goed bezig.

Je kunt wel veel meer trek hebben dan voor je zwangerschap. Ook kun je opeens zin hebben in voedingsmiddelen die je anders nooit eet of zelfs in niet eetbare producten. Je kunt natuurlijk af en toe best iets extra's eten, maar het is belangrijk dat je gewicht niet te snel stijgt.

Andere smaak

Sommige zwangere vrouwen lusten opeens geen koffie meer en eten veel drop. Andere vrouwen gaan opeens dingen lusten, die ze daarvoor nooit aanraakten. Zo'n veranderde smaak komt doordat je hormoonhuishouding verandert. Het is beter om niet te veel toe te geven aan deze zwangerschapslusten, ook al valt dat niet mee.

Tips

  • Ga boodschappen doen als je net gegeten hebt en neem niet teveel lekkere dingen mee.
  • Kies voor volkoren producten.
  • Wil je tussendoor iets eten, neem dan groente of fruit (komkommer, cherrytomaten, wortel, appel, mandarijn).
  • Geef jezelf iets leuks te doen, dan denk je minder aan eten. Bijvoorbeeld een eindje wandelen, lekker in bad, naar de bioscoop of winkelen met een vriendin.

Voorbereiding borst- of flesvoeding

Tijdens je zwangerschap kun je alvast nadenken over hoe je je baby straks gaat voeden, met de borst of met de fles (kunstvoeding). Je hebt nu de tijd om ervaringen van anderen te horen. Je kunt bijvoorbeeld eens aan je moeder vragen hoe zij die periode heeft ervaren.

Borstvoeding

Veel vrouwen kiezen voor borstvoeding, omdat moedermelk stoffen bevat die je kind tegen infecties beschermen. En je kind heeft minder kans op het ontwikkelen van allergieën. Borstvoeding bevat alle voedingsstoffen die je baby nodig heeft om zich goed te ontwikkelen en te groeien. Het best is om je kind minimaal 6 maanden borstvoeding te geven.

Voordelen borstvoeding

Borstvoeding heeft, naast de beschermende werking, nog een aantal voordelen. Het is altijd voorradig en op temperatuur. Je kunt in principe op allerlei plekken je kind voeden, al is een rustige plek aan te raden. Je kunt de voeding afkolven en zo kan je partner de baby ook eens voeden. Voor jezelf heeft het geven van borstvoeding ook voordelen. Het vermindert namelijk het bloedverlies na de bevalling, en je raakt gemakkelijker gewicht kwijt.

Flesvoeding

Soms zijn er (medische) redenen waarom je geen borstvoeding kunt of wilt geven. Misschien slik je medicijnen die in de moedermelk terechtkomen. Of borstvoeding geven lukt niet. Zuigelingenvoeding is dan een prima alternatief. Deze voeding is verkrijgbaar in poedervorm of in vloeibare vorm. Het poeder maak je aan met gekookt water.

Informatie over borstvoeding

Je voelt je zekerder, als je weet hoe borstvoeding werkt en wat je kunt verwachten wanneer je zelf je baby voedt. Daar zijn veel boeken over en je kunt op internet kijken. Soms worden er ook voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd door bijvoorbeeld verloskundigen of ziekenhuizen. Daar krijg je heel veel informatie zodat je je zo goed mogelijk kunt voorbereiden op het geven van borstvoeding. Ook ontmoet je andere aanstaande ouders die in precies dezelfde fase zitten.

Lactatiekundige

Als je problemen verwacht met het geven van borstvoeding is het verstandig om een consult te vragen bij een lactatiekundige. Bijvoorbeeld omdat je een slechte borstvoedingservaring had met een eerder kind, omdat je ingetrokken of vlakke tepels hebt, of omdat je zwanger bent van een meerling. Ook als je vragen hebt over allergie is een diëtiste of de lactatiekundige de aangewezen persoon om je te begeleiden

Schijf van Vijf

Om gezond te eten, is de Schijf van Vijf een handig hulpmiddel. Dit is een combinatie van 5 uitgangspunten en 5 vakken.

De vakken uit de Schijf van Vijf

Elk vak uit de Schijf van Vijf bevat vergelijkbare producten. Kies liefst elke dag producten uit alle vakken en varieer zo veel mogelijk.

  • Groente en fruit.
  • Brood, granen, aardappelen, rijst, pasta en peulvruchten.
  • Zuivel, vlees(waren), vis, ei en vleesvervangers.
  • Vetten en olie.
  • Dranken.

Eet zoveel mogelijk groenten en fruit, voldoende brood, zo weinig mogelijk verzadigd vet en niet teveel zout. Het Voedingscentrum raadt ook aan om 2 keer per week vis te eten, waarvan 1 keer per week vette vis.

Uitgangspunten

Wil je gezond eten, let dan op de volgende uitgangspunten.

  • Eet gevarieerd.
  • Niet te veel en beweeg.
  • Eet minder verzadigd vet.
  • Eet veel groente, fruit en brood.
  • Eet veilig.

Hoe kies je?

Binnen de groepen vergelijkbare producten kun je kiezen uit 3 categorieën. Het Voedingscentrum heeft hiervoor een keuzetabel. Sommige keuzes zijn minder gezond dan andere. Door vaak uit de categorie 'bij voorkeur' te kiezen, heb je een andere keer de ruimte om iets uit de categorie 'bij uitzondering' te kiezen.

Hoeveel kies je?

Het Voedingscentrum heeft voor verschillende leeftijdscategorieën tabellen gemaakt met de hoeveelheden die worden aanbevolen om per dag te eten.

Voedselallergie

Sommige kinderen die geboren worden, hebben een kans op het krijgen van voedselallergie: dan maakt het afweersysteem antistoffen aan tegen eiwitten die in de voeding voorkomen. Deze eiwitten worden ook wel allergenen genoemd. Ze zorgen voor allergische reacties bij je kind. Onder andere koemelk, ei, pinda's en noten bevatten allergenen die soms allergische reacties veroorzaken.

Erfelijke aanleg

Heeft één van de ouders of één van de oudere kinderen in het gezin een voedselallergie, dan heeft je ongeboren kind ook een verhoogd risico. Moedermelk is de beste voeding voor kinderen met een verhoogd risico op voedselallergie. Mocht borstvoeding niet lukken, dan kun je overgaan op hypoallergene flesvoeding (kunstvoeding). Dat zorgt ervoor dat je kind minder kans heeft op het krijgen van koemelkallergie.

Niet roken

Heb je het vermoeden dat je kind een verhoogd risico heeft op het krijgen van een voedselallergie, dan kun je nog meer preventieve maatregelen nemen. Naast het geven van borstvoeding is het belangrijk dat je niet rookt tijdens je zwangerschap. Ook na de geboorte van je baby, is het beter dat er niet gerookt wordt in de buurt van de baby.

Allergie door borstvoeding

Soms krijgt een baby een allergische reactie van voedingsmiddelen die je als moeder eet en daardoor in de moedermelk terechtkomen. Heeft je baby last van bijvoorbeeld kolieken, diarree, eczeem of benauwdheid, dan kan dit een allergische reactie zijn. Je huisarts of consultatiebureau-arts zijn de aangewezen personen om advies te vragen.

Vegetarisch

Ben je gewend om vegetarisch te eten, dan kun je dat tijdens je zwangerschap gewoon blijven doen. Je hebt niet per se vlees of vis nodig om voldoende gezonde voedingsstoffen te eten.

B-vitamines

Het is wel goed om erop te letten dat je genoeg B-vitamines en ijzer binnenkrijgt. B-vitamines zitten vooral in volkorenproducten, aardappelen, peulvruchten, eieren en zuivelproducten.

IJzer

In vlees zit veel ijzer. Maar ijzer zit ook in de meeste vleesvervangers: noten en zaden, peulvruchten, sojabrokjes, seitan, tahoe, tempé en de meeste kant-en-klare vleesvervangers. In quorn en kaas zit maar weinig ijzer en ze zijn daarom geen volwaardige vleesvervanger. Er zit bovendien veel verzadigd vet in kaas.

Plantaardig ijzer zit ook in andere voedingsmiddelen:

  • tarwe-, rogge-, krenten- en volkorenbrood;
  • muesli en ontbijtgranen;
  • groenten zoals courgette, broccoli en groene bladgroenten;
  • sommige fruitsoorten: frambozen, bessen en bramen en gedroogde abrikozen;
  • volkoren graanproducten: bulgur, seitan, boekweit, zilvervliesrijst, tarwe- en roggemeel;
  • (appel-)stroop, peterselie en tahin.

Vitamine C

Vitamine C helpt je lichaam bij het opnemen van ijzer, het is verstandig om daarom bij elke maaltijd ook iets te eten waar vitamine C in zit zoals groente, fruit of vruchtensap.

Veganistisch

Als je veganistisch eet, dan laat je alle dierlijke producten weg, dus ook eieren en zuivelproducten. Je loopt een grote kans op een tekort aan bepaalde voedingsstoffen. Het is met name lastig om voldoende vitamine B12, calcium en vitamine B1 en B2 binnen te krijgen als je dierlijke producten laat staan. Tijdens je zwangerschap en het geven van borstvoeding is het verstandig dat je alle voedingsstoffen binnenkrijgt die nodig zijn.

Vitamine B12

Vitamine B12 komt bijna alleen voor in dierlijke producten. Het zit ook in enkele wieren en in gistextract. De B12 uit wieren kan je lichaam niet opnemen en de B12 uit gistextract levert niet voldoende. Je bent daarom voor vitamine B12 aangewezen op een supplement.

Calcium en vitamine B1 en B2

Calcium heb je nodig voor sterke botten en een goed gebit. Je kunt het beste veel producten gebruiken waaraan calcium is toegevoegd, zoals: sojamelk, tahoe, mineraalwater en vruchtensap. Aan sojamelk wordt vaak ook vitamine B2 toegevoegd. Vitamine B1 komt behalve in dierlijke producten ook veel voor in brood en graanproducten, aardappelen, groente.

Diëtist

Het is belangrijk om te weten dat je de benodigde voedingsstoffen ook echt binnenkrijgt. Zeker als je zwanger bent of borstvoeding geeft, is het aan te raden om advies te vragen van een diëtist.

Klachten en verschijnselen

Als je zwanger bent, kun je last hebben van je lichaam. Zwangerschapskwaaltjes noemen we dat. Helaas hoort dat erbij. Het prettig om te weten welke kwaaltjes er zijn, of ze ernstig zijn en wat je er eventueel aan kunt doen. Maar wordt het je te veel? Praat er dan over met je verloskundige.

Hormonen

Zwanger zijn vergt een hoop energie van je lichaam. Je kunt je daarom erg moe voelen. Maar onder invloed van hormonen verandert er ook veel in je lichaam. Daardoor kun je soms last krijgen van bepaalde zwangerschapskwaaltjes. Het zwangerschapshormoon hCG veroorzaakt bijvoorbeeld misselijkheid. Andere zwangerschapskwaaltjes zijn brandend maagzuur, rugpijn, stemmingswisselingen, beenkrampen, striae en vocht vasthouden.

9 maanden lang?

De meeste vrouwen hebben tijdens de eerste 3 maanden last van typische zwangerschapskwaaltjes. Daarna raakt het lichaam steeds meer gewend aan de zwangerschap en aan de hormonen en hebben ze dus ook steeds minder last van zwangerschapskwaaltjes. Maar sommige vrouwen hebben tijdens hun gehele zwangerschap last van verschillende zwangerschapskwaaltjes. Vooral misselijkheid, braken en vermoeidheid komen vaak voor.

Bandenpijn

De banden, waarmee de baarmoeder 'vastzit' aan de rest van de buik, worden slapper onder invloed van hormonen.

Baarmoeder

De baarmoeder groeit en wordt bovendien uitgerekt. Dit kan een zeurderige pijn veroorzaken, rechts en links in de onderbuik. Soms steekt het. Als je baarmoeder groeit dan rekt die op. Daardoor komt er druk op de banden die je baarmoeder vasthouden. Dat kan pijn doen. Die pijn kun je ook in je liezen of in je rug voelen.

Goede houding helpt

Als je staat, span dan bij wijze van gymnastische oefening regelmatig je buikspieren even aan. Dat betekent dat je je buik wat moet intrekken, zonder je rug te bollen. Zo dragen je buikspieren de buik meer en hoeven de banden niet alles alleen te doen.

Zwangerschapspantybroekje

Krijg je toch last van bandenpijn, dan kun je een zwangerschapspantybroekje dragen. Zeker als je veel staat, kan dat prettig zijn. Goede zwangerschapspantybroekjes zijn redelijk duur. Ze zijn te koop bij de betere lingeriezaken. Ze moeten je bloedsomloop niet afknellen, maar toch vrij strak zitten om genoeg steun te geven. Uitrusten en met een rubberen kruik of met warme pittenzak in bed gaan liggen, helpt vaak ook goed.

Bekkenklachten

Tijdens de zwangerschap bereidt je lichaam zich voor op de bevalling.

Bekkenopening

De bekkenopening (waar straks het kind door moet) wordt ruimer. Dat gebeurt rond de 6e maand onder invloed van de zwangerschapshormonen. De banden die de botten in het heupgebied bij elkaar houden, worden slapper. Het komt dan op de bekkenbodemspieren in je onderlichaam aan om dit op te vangen.

Bij sommige vrouwen wordt het bekken wel erg soepel en bewegelijk. De banden en spieren hebben dan grote moeite om het bekken stabiel te houden. Het kan tijdens de zwangerschap of na de bevalling ontstaan.

Symptomen

Bij sommige zwangere vrouwen (ongeveer 5 procent) leidt dit tot problemen: pijn in het bekken, het schaambeen, de liezen, de onderrug en het stuitje. De pijn kan erg vervelend zijn en in het ergste geval moet je met krukken lopen.

Voorkomen

Het meest algemene advies is: neem voldoende rust.

  • Helemaal stil zitten is nooit goed, maar vermijd bewegingen die pijn doen en zorg vooral dat je je niet forceert door onverwachte bewegingen.
  • Vooral draaibewegingen en uitglijden zijn heel moeilijk op te vangen, dus wees in deze tijd extra voorzichtig als het gaat om in bad stappen, uit de auto stappen, of het lopen op een gladde ondergrond.
  • Bukken, zware dingen tillen en hurken kun je sowieso het beste zoveel mogelijk beperken als je langer dan 6 maanden zwanger bent. Als je bekken instabiel is, moet je het zeker vermijden.

Deskundig advies nodig

Als je klachten hebt voor de bevalling, is de kans groot dat die aanhouden in de periode na de bevalling. Raadpleeg je huisarts of verloskundige als je denkt dat je last hebt van bekkeninstabiliteit. Het dragen van een steunende band kan verlichting geven. Over het algemeen verdwijnen de klachten binnen 2 maanden na de bevalling. In de borstvoedingsperiode kun je soms wat last houden. In enkele gevallen duurt het langer en is er behandeling nodig.

Bloedarmoede

Heel veel vrouwen krijgen last van bloedarmoede tijdens de zwangerschap, vooral in de laatste maanden. De oorzaak van bloedarmoede is een te laag hemoglobinegehalte (Hb) en een tekort aan ijzer en foliumzuur in het bloed.

De juiste Hb

De hemoglobinegehalte (Hb) betekent het aantal rode bloedlichaampjes in je bloed. Standaard wordt bij zwangere vrouwen het Hb-gehalte in het bloed gemeten. De normale waarde voor de Hb is 7,5 mmol/l. Rond de 30 tot 32 weken mag dit 6,3 mmol/l zijn.

Het bepalen van het Hb is gemakkelijk en snel te meten met een drupje bloed van je vinger. Deze controle wordt gedaan aan het begin van je zwangerschap en later nog eens. Als je Hb te laag blijkt, moet er ook gekeken worden of het ijzergehalte en foliumzuurgehalte in je bloed op peil zijn.

Symptomen

Het is altijd goed om zelf aan de bel te trekken als je klachten hebt. De klachten die bij ijzertekort en/of bloedarmoede horen zijn onder andere: licht in het hoofd zijn, duizeligheid, (extreme) vermoeidheid, een versnelde hartslag, bleek zien, zweten en oorsuizen. Ook kramp in de benen en een pijnlijke tong komen voor.

Deze symptomen treden op doordat je bloed te weinig zuurstof bevat om alle delen van je lichaam goed te voorzien. Wat voorradig is, gaat eerst naar de ongeboren baby.

Eerst meten

In alle gevallen geldt: als je Hb te laag blijkt of als je klachten hebt die op bloedarmoede wijzen, laat dan vooral je bloed controleren. In overleg met de arts of verloskundige krijg je ijzerpillen met foliumzuur of een ijzer en foliumzuurhoudend drankje voorgeschreven. Het is niet aan te raden ijzerpreparaten te slikken zonder eerst een arts te raadplegen. Laat eerst je bloed onderzoeken, want te veel ijzer in je bloed kan schadelijk zijn.

Het belang van behandelen

Bloedarmoede is meestal goed te behandelen. Daarom wordt het probleem eerder als vervelend dan gevaarlijk gezien, maar als het niet behandeld wordt, kan dat zeker bij een zeer laag Hb negatieve gevolgen hebben. Dan is er namelijk kans dat de foetus weinig zuurstof krijgt. Dat schaadt de ontwikkeling en leidt soms tot vroeggeboorte.

Bloedneus en bloedend tandvlees

Als je zwanger bent, komt er meer van het hormoon progesteron in je bloed. Dit maakt je bloed dunner dan normaal. Dit heeft enkele gevolgen, die op zichzelf onschuldig zijn en meestal vanzelf weer overgaan.

  • Je kunt opeens een bloedneus krijgen. Dat is even schrikken, maar het kan geen kwaad.
  • Je tandvlees kan meer gaan bloeden. Dat is op zich geen probleem, tenzij het tandvlees zelf ook rood en ontstoken is. Vraag in dat geval je tandarts of mondhygiëniste om advies.

Brandend maagzuur

Als de zwangerschap vordert en de kans op zwangerschapsmisselijkheid afneemt, neemt de kans op zuurbranden toe. Vanaf de 4e maand van de zwangerschap kun je last krijgen van brandend maagzuur.

Oorzaak

Het kan te maken hebben met het feit dat het klepje tussen de maag en de slokdarm minder goed sluit dan anders. Het kind in de baarmoeder neemt steeds meer plaats in en drukt zo aan de onderkant tegen de maag. Hierdoor kan er sneller maagzuur in de slokdarm terechtkomen.

Medicijnen

Gebruik alleen medicijnen tegen maagzuur op advies van je arts of verloskundige en alleen als de klachten ernstig zijn. De middelen zijn bij de drogist of apotheek verkrijgbaar.

Tips voor eten en drinken

Waarschijnlijk merk je zelf wel op welke voedingsstoffen je niet goed reageert. Die dingen kun je dus beter niet eten of drinken.

  • Eet rustig en kauw goed.
  • Gebruik in plaats van 3 grote maaltijden, 6 kleine maaltijden.
  • Gebruik geen koolzuurhoudende dranken.
  • Kauw niet te veel kauwgom.
  • Lauwe melk neutraliseert maagzuur.
  • Let op met scherpe kruiden, koffie en sinaasappelsap. Deze kunnen de maag prikkelen.
  • Eet niet te vet, want vet blijft lang in de maag.
  • Ga niet te laat warm eten, of verplaats de warme maaltijd naar de lunchpauze.
  • Ga goed rechtop zitten zodat de maag niet in de knel raakt.
  • Buk niet voorover maar zak door de knieën.
  • Draag geen knellende kleding.
  • Wat soms goed helpt is het hoofdeinde van het bed verhogen met ongeveer 15 centimeter, bijvoorbeeld door een extra kussen onder je matras te leggen

Buikpijn

In de loop van de zwangerschap kun je last krijgen van buikpijn. Meestal is het onschuldig. Gedurende de hele zwangerschap kunnen vrouwen soms een 'harde buik' krijgen. Dat gebeurt als je van houding verandert. Bijvoorbeeld als je op de fiets stapt, naar bed gaat of eruit komt, van de bank opstaat of gaat zitten, enzovoort.

Buikpijn per fase in de zwangerschap

Op welk moment in de zwangerschap er buikpijn optreedt kan verschil maken.

  • In het begin van de zwangerschap komt buikpijn veel voor omdat de baarmoeder groeit en allerlei organen een beetje in de verdrukking brengt.
  • In het midden van de zwangerschap kun je buikpijn krijgen als je te hard werkt, veel stress hebt, en dus te zwaar bent belast.
  • Laat in de zwangerschap of aan het einde ervan maken vrouwen zich wel eens ongerust over 'vaginale pijnsteken'. Deze pijnsteken worden vaak veroorzaakt door de indaling van de baby in het bekken. Zwangeren klagen dan ook wel over 'een zwaar gevoel' van onderen. Ook dat komt door het indalen. Daardoor komt er meer druk te staan op het onderste gedeelte van het bekken.

Overleg met de verloskundige

Als je regelmatig buikpijn hebt, praat er dan over met de verloskundige. Ook blaasontsteking kan buikpijn veroorzaken. Meestal doet het dan pijn als je een plas doet, maar sommige zwangeren krijgen alleen buikpijn. Een blaasontsteking moet behandeld worden.

Duizeligheid en hartkloppingen

Zwangere vrouwen hebben vaker last van duizeligheid dan vrouwen die niet zwanger zijn. Dat kan verschillende oorzaken hebben.

Lage bloeddruk

Duizeligheid kan door een lage bloeddruk of plotselinge bloeddrukdalingen komen. De bloeddoorstroming naar alle delen van je lichaam (bijvoorbeeld je hoofd) verloopt wat minder goed dan normaal, vanwege de druk in de buik. Op zich kun je beter een lage bloeddruk hebben dan een hoge bloeddruk. Bij een lage bloeddruk helpt het vaak om iets zouts te eten, zoals olijven of een stukje kaas.

Duizelig na het slapen?

Misschien merk je vooral 's ochtends bij het opstaan dat je duizelig bent, nadat je op je rug hebt gelegen. Dat komt doordat de baby en de baarmoeder een groot bloedvat in de rug afknellen. Dat maakt dat er minder zuurstof in je bloed zit. Op je zij slapen is dan zeker aan te raden. Verder is het belangrijk om niet lang stil te staan of te zitten, maar regelmatig te lopen en rond te scharrelen.

Tekort aan suiker of ijzer

Andere oorzaken voor duizeligheid zijn lage bloedsuikers of te weinig ijzer in je bloed. Als je na een druivensuikersnoepje opknapt, weet je dat het aan een bloedsuikertekort ligt. Een ijzertekort kan vastgesteld worden door een eenvoudig bloedonderzoek en wordt behandeld met ijzerpillen. Als je ijzer aan de lage kant is maar nog niet te laag, kun je voor een kruidendrank met extra ijzer kiezen.

Hartkloppingen

Veel zwangeren hebben af en toe last van hartkloppingen, vooral vanaf de 30e tot de 34e week van de zwangerschap. Dat is niet meer dan logisch: je hart moet bijna de helft meer bloed door je lichaam pompen dan normaal. Hartkloppingen voelen wat eng en kunnen dan ook een paniekgevoel veroorzaken. Blijf rustig en wacht tot het zakt. Als je verder geen klachten hebt, is er geen enkele reden voor paniek.

Concentratieproblemen

Tijdens de zwangerschap kunnen ook concentratieproblemen voorkomen, soms in combinatie met duizeligheid. Als je hier last van hebt, wees dan extra voorzichtig in het verkeer.

Haargroei en puistjes

Als je zwanger bent, kun je meer haargroei krijgen rond je tepels en ook op de huid tussen je navel en je venusheuvel (schaambeen). Dit heeft te maken met het feit dat je lichaam meer doorbloed raakt dan normaal. Overigens krijg je ook meer haar op je hoofd. Deze extra haren verlies je weer na de bevalling.

Puistjes

Veranderingen in je hormoonhuishouding kunnen ervoor zorgen dat je meer puistjes krijgt dan normaal. Dit effect is het ergst in de eerste 3 maanden van de zwangerschap, daarna wordt de huid meestal weer wat rustiger.

Harde buiken en rugpijn

Soms kan je buik zich tijdens de zwangerschap spannen en hard worden, zonder dat je dat wilt. In wezen is het de baarmoeder die even verkrampt. Dit verschijnsel noemt men wel 'harde buiken'. Het is vrij normaal dat je af en toe last hebt van harde buiken, zeker bij een 2e of volgende zwangerschap.

Oorzaken

De aanleiding voor harde buiken is eigenlijk dat je je misschien wat te druk maakt, of dat je buik als het ware ergens van schrikt (een plotselinge beweging of een hard geluid). De relatie met stress is duidelijk: als je te veel hooi op je vork neemt, krijg je sneller harde buiken.

In de tweede helft van je zwangerschap begint je baarmoeder te oefenen voor de bevalling. De spieren van je baarmoeder trekken dan af en toe even samen. Zo bereiden ze zich voor op de weeën. Tijdens deze 'oefenweeën' voelt je buik strak en hard aan. Daarom zeggen we ook wel dat je een 'harde buik' krijgt.

Rust nemen

Je kunt harde buiken zien als een signaal om het even rustig aan te doen. Rust wat meer uit, ontspan je of ga even liggen met een warmwaterkruik tegen je buik.

Hulpmiddelen

  • Om bandenpijn te voorkomen wordt vaak een zwangerschapssteunbroekje of steunpantybroekje aangeraden. Dit broekje werkt vaak ook om harde buiken en rugpijn te voorkomen.
  • Ook een losse steungevende buikband kan helpen.
  • Om rugklachten te voorkomen, is het goed om op je houding te letten. Sta met je dikke buik zo recht mogelijk en kantel je bekken naar voren. Misschien kan een bekkenband ook helpen.

Jeuk

Tijdens de zwangerschap kun je verschillende soorten jeuk krijgen.

  • Misschien heb je alleen jeuk op je buik. Dat komt vaak voor.
  • Soms heb je jeuk over je hele lichaam. Door de hormonen komen er bepaalde stoffen in je bloed. En daar kun je jeuk van krijgen. Je kunt mentholpoeder gebruiken om de jeuk te verzachten.
  • Je kunt ook jeuk krijgen door heel veel pukkeltjes. Dit komt meestal in de laatste maanden voor. Heb je heel erg veel jeuk? Zeg dat dan tegen je verloskundige!

Jeuk met uitslag

Je kunt last krijgen van jeuk die gepaard gaat met een duidelijk zichtbare uitslag. Er zijn twee soorten uitslag die duidelijk met het zwanger zijn te maken hebben: zwangerschapsjeuk en herpes gestationes. Beide aandoeningen zijn zeer vervelend, maar niet gevaarlijk.

Zwangerschapsjeuk

Op de buik krijg je rode, onregelmatige plekken die soms als verheven eilandjes op de huid liggen. Midden in de plekken zitten soms kleine, met vocht gevulde blaasjes. De uitslag kan zich uitbreiden naar dijen, billen of armen. Dit wijst op een aandoening die PUPPP of zwangerschapsjeuk genoemd wordt. PUPPP ontstaat meestal rond de 24e week van de zwangerschap en blijft vaak tot na de bevalling bestaan.

Wat is ertegen te doen?

Als de jeuk ondraaglijk wordt, kan de arts allergiepillen of een milde hormoonzalf op basis van corticosteroïden voorschrijven. In erge gevallen wordt ook wel Prednison (in tabletvorm) voorgeschreven. Na de geboorte van de baby verdwijnen de klachten vanzelf. De kans dat je bij een volgende zwangerschap opnieuw klachten krijgt, is niet zo groot.

Herpes gestationis

Bij deze variant verschijnen grotere en kleinere blaasjes. Ze beginnen op de buik en daarna verspreiden ze zich over het lichaam. De uitslag kan vrij snel opkomen, op verschillende momenten gedurende de zwangerschap maar ook na de bevalling. Deze aandoening heet herpes gestationis (niet te verwarren met herpes genitalis). Deze uitslag kan bij een volgende zwangerschap terugkomen en is ook besmettelijk voor de baby.

Wat is ertegen te doen?

Of het echt herpes gestationes is, kan vastgesteld worden door een klein flintertje huid te laten onderzoeken. De behandeling kan bestaan uit het smeren van een hormoonzalf op basis van corticosteroïden of, in ernstige gevallen, het innemen van Prednison (in tabletvorm).

Kortademigheid

Vooral tijdens de laatste maanden van de zwangerschap kun je last krijgen van kortademigheid.

Je kunt het gevoel hebben of je longen niet genoeg ruimte hebben om te ademen. Wat er eigenlijk aan de hand is, is dat het gebied in je hersenen dat de ademhaling aanstuurt door de zwangerschap gevoeliger afgesteld raakt en eerder de prikkel afgeeft dat je zuurstof nodig hebt. Je krijgt dus genoeg zuurstof, al voelt het soms alsof dat niet zo is.

Is kortademigheid erg?

Het licht benauwde gevoel is vervelend, maar duidt niet op iets ernstigs. Ga in elk geval niet diep zuchten of proberen je adem dieper naar binnen te zuigen. Zo rustig mogelijk blijven ademen en jezelf kalmerend toespreken werkt het beste.

Kramp

Zwangeren hebben nogal eens beenkrampen, vooral 's nachts. Ook hebben ze soms rugklachten (tijdelijk). Die krampen kunnen verschillende oorzaken hebben, bijvoorbeeld een tekort aan zout, calcium of suiker.

Wat is ertegen te doen?

  • Probeer erachter te komen of een tekort aan zout, calcium of suiker de oorzaak is.
  • Eet een keer iets zouts vlak voor het slapen gaan. Helpt dat niet, probeer dan calciumtabletten of druivensuiker.

Worden de klachten heel erg of zijn je benen ook sterk opgezet (zwangerschapsoedeem), raadpleeg dan een dokter of je verloskundige.

Kramp voorkomen

  • Probeer voldoende te bewegen.
  • Verander vaak van houding.
  • Cirkelen met de voeten.
  • En de voeten strekken en buigen (stretchen en flexen).

Misselijkheid en braken

Veel aanstaande moeders hebben in de eerste maanden van de zwangerschap last van misselijkheid, vooral in de ochtend. Dat komt door de veranderingen in de hormoonhuishouding. Meestal houden deze klachten rond de 14e week op, maar sommige vrouwen kampen er hun hele zwangerschap mee.

Versterkt geur- en smaakvermogen

Je kunt ook sterker dan anders reageren op geuren en smaken. Soms ook met afkeer. Dat heeft met hormonale veranderingen te maken.

Veel braken

Heb je last van erge misselijkheid die langer aanhoudt en waarbij je veel moet braken (meer dan 3 of 4 keer per dag) en last hebt van donkere urine en duizeligheid? Dan is het verstandig om naar je huisarts te gaan om te bekijken of het braken niet leidt tot uitdroging. Veel braken is vooral belastend voor jezelf. Het ongeboren kind ondervindt er niet zo snel hinder van, omdat de voedingsstoffen en het vocht eerst naar het kind gaan.

Tips tegen misselijkheid

  • Ventileer je slaapkamer goed.
  • Eet nog voordat je opstaat uit bed een beschuitje of cracker.
  • Drink voldoende.
  • Eet liever 6 keer per dag een kleine maaltijd, dan 3 maal per dag een grote maaltijd.

Neem geen pimba!

Bij misselijkheid wordt wel eens pimba (kalebaskalk) geadviseerd. Niet doen: de grote hoeveelheid lood in pimba is schadelijk voor je baby!

Spataderen en aambeien

Als je zwanger bent, komt er meer van het hormoon progesteron in je bloed. Dit maakt je bloed dunner dan anders. Dit heeft enkele gevolgen, die op zichzelf onschuldig zijn en meestal vanzelf weer overgaan.

Spataderen

Je kunt tijdens de zwangerschap last krijgen van spataderen in de benen. Die trekken na de bevalling en het 'ontzwangeren' meestal weer weg. Om spataderen te voorkomen, is het belangrijk de doorbloeding van je benen bevorderen. Dat houdt in: genoeg lopen, niet te lang achtereen zitten of staan. Af en toe je voeten en benen bewegen en niet met je benen over elkaar zitten. Je kunt overwegen steunkousen te dragen.

Aambeien

Aambeien komen veel voor bij zwangere vrouwen. Door de hormonen heb je meer last van harde ontlasting. En daar krijg je weer aambeien van. Daarnaast drukt je groeiende baarmoeder op je darmen.

Aambeien zijn eigenlijk spataderen die in de anus zitten. Ze zijn niet gevaarlijk, maar kunnen wel jeuk of pijn veroorzaken, vooral na het poepen. Zeker bij harde ontlasting kan een aambei even nabloeden. Dat geeft enkele druppels of een streepje helderrood bloed op het wc-papier.

  • Koelen met een schoon washandje met ijsklontjes erin kan helpen.
  • Niet persen bij het poepen en de pijnlijke aambeien met een vinger voorzichtig weer naar binnen drukken geeft verlichting.
  • Controleer bij het gebruik van aambeienzalf of deze geschikt is voor gebruik tijdens de zwangerschap.

Tips

Eet veel vezels. Dan blijft je ontlasting zacht. Vezels zitten in:

  • volkorenbrood, roggebrood en bruin brood;
  • muesli, havermout en zemelen;
  • aardappelen, rijst en pasta;
  • alle soorten bonen, erwten en linzen;
  • alle soorten vers fruit, verse groente en rauwkost;
  • krenten, rozijnen, tutti frutti, dadels en vijgen;
  • noten, pinda’s, lijnzaad, sesamzaad en zonnebloempitten;
  • Drink veel, beweeg genoeg en regelmatig.

Vaginale spataderen

Je kunt ook last krijgen van vaginale spataderen. Die kunnen ook een heel vervelend gevoel geven. Koelen met een schoon washandje met ijsklontjes erin kan helpen. Je hoeft niet bang te zijn dat de spataderen bij de bevalling voor problemen zorgen, daarvoor zijn ze te onschuldig.

Striae

Je huid bestaat uit een opperhuid en een lederhuid: een toplaag en een onderlaag. Daaronder zit een laag bindweefsel. Je huid komt tijdens de zwangerschap op verschillende manieren onder druk te staan. De huid van je borsten en je buik moeten immers in korte tijd meerekken met de groei van binnenuit.

Striemen

Soms ontstaan er scheurtjes net onder de huid, vooral op de buik, maar ook op andere plaatsen waar de huid opgerekt wordt. Die scheurtjes zie je duidelijk lopen. Eerst zijn ze paarsrood van kleur en later laten ze littekens achter die zichtbaar blijven als wittige strepen. Ze kunnen in de loop van de tijd wat vervagen.

Wat kun je doen?

Je lijkt weinig tegen striae te kunnen doen. Dure zalfjes beloven meer dan ze waar kunnen maken. Stevig ondergoed, goed steunende kleding, een goede conditie, goed eten (water, fruit, groente) en een gezond gewicht helpen wel een beetje, net als het invetten van de huid.

Tintelende en slapende handen

Slapende handen of tintelende pijn in de handen of onderarmen komen veel voor. Meestal komen de klachten vooral 's nachts opzetten, maar er zijn ook vrouwen die er overdag last van blijven houden.

Krachtverlies

Soms is het moeilijk om je handen normaal te kunnen gebruiken. Er kan krachtverlies optreden en soms gaan de klachten gepaard met vrij veel pijn. Deze klachten zijn te wijten aan een vochtophoping in het kanaaltje in de onderarm (de zogenaamde carpale tunnel), waardoor belangrijke zenuwen naar de hand lopen.

Vingeroefeningen in een bakje warm water kunnen helpen. Na de bevalling zullen de klachten na enkele maanden weer wegtrekken.

Omgaan met carpaal tunnel syndroom

  • Let op welke bewegingen pijn veroorzaken (denk aan wringen, aardappels schillen, schroeven indraaien) en probeer die te vermijden.
  • Activiteiten waarbij je de armen langdurig op dezelfde manier gebruikt (autorijden bijvoorbeeld) kun je beter vaker onderbreken.
  • 's Nachts kan je de pols rust geven door hem te spalken. De makkelijkste manier om dat te doen is het dragen van polsbeschermers, die voor skaten worden gebruikt.
  • Zijn de klachten echt ernstig, stap dan naar de huisarts of een fysiotherapeut. Een injectie in de carpale tunnel is nog een mogelijke (tijdelijk werkende) behandeling.

Vaak plassen en urineverlies

Als je zwanger bent, ga je onder invloed van het hormoon progesteron meer plassen dan anders. Naarmate de zwangerschap vordert, loop je steeds vaker naar de wc, omdat je blaas minder ruimte krijgt. Dit zijn normale verschijnselen, die erbij horen.

Licht urineverlies

Het is niet ongewoon om zo nu en dan per ongeluk een beetje urine te verliezen, bijvoorbeeld als je moet lachen of iets optilt. De bekkenbodemspieren zijn wat slapper geworden en de baarmoeder drukt steeds zwaarder op de blaas. Gebruik eventueel een inlegkruisje.

Let op: veel plassen kan ook een teken zijn van blaasontsteking. Meestal heb je dan een branderig gevoel of pijn bij of na het plassen. Ga dan naar de huisarts, om de blaasontsteking te laten behandelen.

Bekkenbodemspieren sterker maken

Span je bekkenbodemspieren goed aan. Houd dit 5 tellen vast. Laat dan weer los. Doe dit 10 keer achter elkaar. Doe deze oefening 3 keer per dag. Bijvoorbeeld als je je tanden poetst, op de bus staat te wachten of in bed ligt.

Incontinentie

Je darmen, blaas en baarmoeder worden in feite gedragen door de spieren en banden van je bekken. De bekkenbodem wordt gedurende de zwangerschap slapper. Veel vrouwen krijgen tegen het eind van de zwangerschap of na de bevalling last van ongewenst urineverlies. Ze kunnen hun plas of soms ook de ontlasting niet of niet goed ophouden. Meestal gaat het over, maar niet altijd. 20 procent van de vrouwen blijft er last van houden. Om incontinentie te voorkomen, kun je het best na de bevalling bekkenbodemspieroefeningen doen. Bekkenbodemfysiotherapeuten kunnen je hier meer over uitleggen.

Vaginaal bloedverlies

In de eerste 3 maanden van je zwangerschap kan er wat bloed uit je vagina komen.

Ongeveer 2 op de 10 zwangere vrouwen verliezen weleens een beetje bloed. Meestal is dat minder bloed dan wanneer je ongesteld bent. Veel vrouwen schrikken daarvan. Dat is logisch, want bloedingen zijn in ongeveer de helft van de gevallen een eerste signaal van het begin van een miskraam of een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Meestal is er niets aan de hand en stopt het vanzelf.

De innestelingsbloeding

Relatief veel vrouwen verliezen een beetje bloed op het moment dat het eitje zich in de baarmoeder nestelt. Dat gebeurt in de eerste weken, vaak nog voor de datum dat je weer voor het eerst ongesteld zou moeten worden. Het bloedverlies is minder dan bij een normale menstruatie. Tot de 16e week van je zwangerschap kun je sowieso weleens wat bloed verliezen, omdat de placenta in de baarmoeder van positie verandert als de baarmoeder gaat groeien. In dat proces raakt weleens een bloedvaatje beschadigd.

Onschuldige bloedingen

Er zijn meer soorten bloedingen die niet ernstig zijn en die ook na 16 weken zwangerschap nog kunnen optreden. Het gaat dan bijvoorbeeld om bloedverlies na het vrijen, wat te maken heeft met het feit dat de huid van de baarmoedermond wat kwetsbaarder is. Er kunnen dan kleine bloedvaatjes knappen. Sommige vrouwen blijven wat bloed verliezen op de momenten dat ze anders ongesteld zouden zijn, gedurende meerdere maanden. Deze vormen van bloedverlies zijn onschuldig en wijzen niet op iets ernstigs.

Ernstige bloedingen

Het kan gebeuren dat het bloedverlies steeds erger wordt en gepaard gaat met hevige buikkrampen. Die pijn lijkt op de pijn die je hebt als je ongesteld bent of op weeën. Je kunt je ook ineens minder zwanger voelen. Dit kan duiden op een miskraam. Een miskraam komt voor bij ongeveer 1 op de 10 zwangere vrouwen. Neem in dat geval direct contact op met je verloskundige of gynaecoloog. Die kan je verder begeleiden.

Vermoeidheid en stemmingswisselingen

In de eerste 3 maanden kun je je erg moe voelen. Dat komt door alle veranderingen in je lichaam.

Soms komt de vermoeidheid door een ijzertekort, onvoldoende gevarieerde voeding of een tekort aan vitamines. Maar soms is er medisch gezien niks aan de hand. In dat geval is de vermoeidheid niets meer of minder dan een teken om uit te rusten. Daarna krijg je meestal weer meer energie: van de 4e tot en met de 7e maand voelen veel zwangere vrouwen zich juist erg fit. De laatste 2 maanden wordt je lichaam zwaarder. Dan wil je misschien extra rust.

Depressief

Er zijn vrouwen die ook na de eerste 15 weken moe blijven. Soms zijn ze ook depressief. De reden daarvoor is onbekend. Waarschijnlijk spelen hormonen hier een grote rol bij, maar het kan ook te maken hebben met psychische en emotionele factoren.

Stemmingswisselingen

Eveneens hormonaal bepaald zijn de stemmingswisselingen waar veel zwangere vrouwen mee te maken kunnen krijgen. Het is goed mogelijk dat je gevoeliger en emotioneler wordt, of eerder geïrriteerd raakt. En je kunt ook emoties ervaren die je nog niet kende.

  • Vrouwen die altijd zelfverzekerd waren, kunnen angstige en zorgelijke buien krijgen. Ogenschijnlijk onbeduidende probleempjes kunnen aanleiding worden voor woede-uitbarstingen of huilbuien.
  • Probeer niet te veel te handelen vanuit een negatieve stemming. Ga bijvoorbeeld geen informatie over problemen bij de bevalling opzoeken, op een moment dat je je angstig voelt. Wacht daar liever mee tot je iets stabieler bent. Hetzelfde geldt voor andere stemmingen.
  • Vermijd bijvoorbeeld discussies als je een slecht humeur hebt. Vraag dan even uitstel en kies een beter moment.

Versterkte vaginale afscheiding

Meestal heb je meer vaginale afscheiding als je zwanger bent. Dat is heel normaal. En het komt ook weer door de hormonen. De afscheiding kan vochtiger en dunner zijn dan anders. Maar als het nog wel wat wittig is, een beetje plakkerig voelt en niet sterk ruikt, is het gewone afscheiding.

Vruchtwater

Als de afscheiding helder van kleur is (eventueel met witte vlokjes), niet plakkerig en een apart zoetig luchtje heeft, dan betekent dit dat je wat vruchtwater verliest. Zolang het bij een klein beetje blijft, is het niet alarmerend. Verlies je veel vruchtwater, bel dan de verloskundige of arts.

Infecties

Vaginale infecties krijgen meer kans als je zwanger bent. Als je last hebt van geelgroenige afscheiding of afscheiding die lijkt op yoghurt, als de afscheiding vies ruikt of als je vagina jeukt of pijn doet, neem dan contact op met je huisarts. Een onderzoek van de afscheiding kan uitwijzen of je een infectie hebt.

Infecties voorkomen

De meeste infecties zijn schimmels die gedijen bij een lage zuurgraad en een warme en broeierige omgeving. Sommige infecties worden overgebracht vanuit de darm.

  • Gebruik toiletpapier daarom altijd van voor naar achter.
  • Was je schaamstreek dagelijks met lauw water en dep jezelf voorzichtig maar goed droog.
  • Gebruik liever geen zeep, of gebruik zeep die PH-neutraal is en de zuurgraad van je huid niet aantast.
  • Inlegkruisjes en synthetisch ondergoed zorgen voor broeierigheid, wat infecties bevordert. Vermijd dat zoveel mogelijk: hoe meer beluchting, hoe beter.

Behandelen

Als je een infectie hebt, is het verstandig om die te behandelen. Van schimmelinfecties is bekend dat ze spruw kunnen veroorzaken. Er zijn aanwijzingen dat bacteriële infecties de kans op vroeggeboorte kunnen verhogen. Soms wijst de afscheiding ook op een geslachtsziekte. Ook dan is behandeling zeker nodig. Ook voor de partner.

Verstopping

Je darmen worden onder invloed van hormonen luier dan anders. IJzerpillen zijn berucht om hun stoppende werking. Dat kan problemen met de stoelgang geven: je krijgt sneller last van verstopping.

Obstipatie voorkomen

In de meeste gevallen verbetert de stoelgang wanneer je de volgende adviezen opvolgt.

  • Eet op regelmatige tijden en sla geen maaltijd over.
  • Eet vezelrijke producten en varieer je keuze. Eet dus zowel brood als groente en fruit. Als aanvulling hierop kun je elke dag 2 tot 4 eetlepels zemelen gebruiken. Grove zemelen zijn beter dan fijngemalen zemelen. Doe ze bijvoorbeeld in de yoghurt, karnemelk, vla, pap, soep, puree. Of gebruik ze als bindmiddel of in plaats van paneermeel.
  • Neem bij voorkeur een vezelrijk ontbijt, bijvoorbeeld 2 volkoren boterhammen met een glas sinaasappelsap en koffie of thee. Dit zet de darmen in werking.
  • Neem elke ochtend voldoende tijd om naar het toilet te gaan, bijvoorbeeld na het ontbijt.
  • Drink veel, minimaal 2 liter per dag.
  • Zorg elke dag voor voldoende lichaamsbeweging.
  • Gebruik laxeermiddelen alleen op advies van de arts.

Vocht vasthouden

Het is normaal dat je tijdens je zwangerschap wat meer vocht vasthoudt dan anders. Dit wordt ook wel zwangerschapsoedeem genoemd. Dat merk je vooral aan je enkels, die wat dikker kunnen zijn dan normaal.

Wat kun je doen?

  • Je kunt het wat verminderen door veel water of kruidenthee te drinken.
  • Vochtafdrijvende thee of vochtafdrijvende middelen kun je beter niet nemen.
  • Leg je benen af en toe hoger. Bij het slapen kun je een kussen of een paar boeken aan het voeteneinde onder je matras leggen.

Is oedeem erg

Oedeem is op zich niet erg, al kan het in combinatie met erge hoofdpijn wijzen op een hoge bloeddruk. Als je veel last krijgt van oedeem, is het verstandig je bloeddruk te laten controleren.

Voorweeën

Al een aantal weken voor de bevalling kun je last krijgen van voorweeën. Voorweeën komen vaker voor bij vrouwen die voor een tweede of volgende keer zwanger zijn.

's Nachts

Meestal komen de voorweeën 's nachts opzetten, omdat de baarmoeder dan actiever is. Voorweeën zijn niet ondraaglijk, maar wel zo pijnlijk en vervelend dat je er niet van kunt slapen.

Het verschil met echte weeën

Het verschil met echte weeën is dat de intensiteit van de weeën zich niet opbouwt. De weeën worden niet sterker. Dit betekent dat voorweeën geen ontsluiting geven en dus niet het begin van de bevalling inluiden. De voorweeën kunnen wel net zo vaak komen als gewone weeën.

Omgaan met voorweeën

Wat vaak helpt tegen de krampen is het nemen van een warm bad of een warme douche, 2 paracetamol van 500 milligram slikken en wachten tot de voorweeën afnemen.

Bij twijfel

Als je je zorgen maakt omdat je wel erg veel voorweeën hebt of als ze erg pijnlijk zijn, bel dan je verloskundige voor advies.

Zwangerschapsmasker

Onder invloed van het zwangerschapshormoon kan zonlicht een ongelijkmatig bruine verkleuring in het gezicht en de nek geven. Dit kan komen door de zonnebank of de gewone zon. Die verkleuring heeft wel iets weg van een masker, vandaar ook de naam 'zwangerschapsmasker' (melasma of chloasma).

Hoewel het totaal geen kwaad kan, vinden de meeste vrouwen het niet mooi. De beste remedie is: tijdens en na je zwangerschap uit de zon blijven tot het zwangerschapsmasker vanzelf wegtrekt.

Ziekten en aandoeningen

Niet voor elke vrouw verloopt de zwangerschap vlekkeloos. Veel vrouwen hebben bijvoorbeeld last van zwangerschapskwaaltjes. Maar het kan ook zijn dat je ernstigere aandoeningen hebt, waardoor zwangerschap problematisch verloopt.

Aandoeningen

Tijdens je zwangerschap kun je bijvoorbeeld last krijgen van bekkeninstabiliteit, zwangerschapsvergiftiging of een ernstig verhoogde bloeddruk. Dit zijn lichamelijke aandoeningen. Je kunt echter ook last krijgen van emotionele of psychische aandoeningen, zoals ernstige stemmingswisselingen of prenatale depressie.

Gynaecoloog

Wanneer je zwangerschap problematisch verloopt, kom je meestal terecht bij de gynaecoloog. De gynaecoloog is een gespecialiseerd arts op het gebied van vrouwelijke aandoeningen en zwangerschap. Als je behandeld wordt door de gynaecoloog dan heb je een medische indicatie en zul je waarschijnlijk ook in het ziekenhuis bevallen.

Buitenbaarmoederlijke zwangerschap

Bij 1 op de 100 zwangerschappen ontstaat een zwangerschap buiten de baarmoeder. Dit houdt in dat de bevruchte eicel niet in de baarmoeder terechtkomt, maar blijft steken in de eileider. Dit geeft in week 5 tot 12 klachten.

Klachten

Een buitenbaarmoederlijk zwangerschap is vaak moeilijk te ontdekken. Soms zijn er geen klachten. Klachten van een buitenbaarmoederlijke zwangerschap kunnen zijn:

  • pijn aan één kant van de buik;
  • pijn in de schouders of tussen de schouderbladen;
  • flauwvallen en misselijkheid.

Bij vaginaal bloedverlies of hevige buikpijn kun je het best de verloskundige bellen voor overleg. Nader onderzoek is dan nodig om vast te stellen of dat echt zo is. Dat onderzoek bestaat uit een vaginale echo en een bloedtest.

Acute situatie

Het komt ook voor dat de eileider barst. Dat geeft acute klachten (heftige pijn, plotselinge daling van de bloeddruk, een snelle pols, een bleke huid en een toestand van shock). Dan is directe ziekenhuisopname nodig, voor een spoedoperatie.

Noodzaak tot afbreken

Een zwangerschap buiten de baarmoeder heeft geen kans van slagen. Soms lijkt het lichaam dit zelf te herkennen. Het breekt de zwangerschap al snel zelf af en de vrucht wordt weer opgenomen in het lichaam.

In andere gevallen moet de zwangerschap zo snel mogelijk beëindigd worden door de arts. Dat kan soms met medicijnen, maar als je veel zwangerschapshormonen in je bloed hebt, zal een (kijk)operatie nodig zijn. Hierbij wordt geprobeerd de eileider zoveel mogelijk heel te laten. Hoe kleiner de vrucht nog is, des te meer kans heb je dat dit lukt. Vroegtijdig ingrijpen is dus belangrijk.

Herhaling

De kans dat je weer een buitenbaarmoederlijke zwangerschap krijgt, is ongeveer 12 procent. Voor sommige vrouwen geldt dat ze na een buitenbaarmoederlijke zwangerschap niet meer zwanger willen worden, maar meer dan de helft van de vrouwen wordt wel weer zwanger. Zij doen er verstandig aan om na een eierstokoperatie minstens één menstruatie af te wachten, en na een behandeling met medicijnen minimaal 3 maanden. Je kunt bij de nieuwe zwangerschap een vroege echo laten maken om te checken of alles goed zit.

Mola-zwangerschap

Een uiterst zeldzame aandoening (1 op de 2000 zwangerschappen) is de zogeheten mola-zwangerschap.

Symptomen

Een mola-zwangerschap lijkt in het begin op een gewone zwangerschap. De buik wordt echter veel sneller dik. Vaak gaat dit gepaard met misselijkheid, braken of bloedingen. Als je een mola-zwangerschap vermoedt, raadpleeg dan zo snel mogelijk een arts.

Mola-weefsel

Bij een mola-zwangerschap lijkt het zwanger worden gelukt, maar bij het maken van de zwangerschapsecho is geen embryo met een kloppend hartje te zien, maar slechts kleine blaasjes oftewel 'mola-weefsel'. Dit is een teleurstellende ervaring, vooral omdat de zwangerschap wel echt voelde.

Het mola-weefsel wordt gewoonlijk weggehaald door middel van een curettage, waarbij de baarmoederwand onder verdoving wordt schoon geschraapt.

Wachten met een volgende zwangerschap

Je kunt het best met volgende pogingen om zwanger te worden wachten, tot het mola-weefsel tot rust is gekomen. In zeldzame gevallen kan mola-weefsel namelijk blijven groeien. In dat geval moet je behandeld worden. De kans dat je opnieuw een mola-zwangerschap krijgt is iets groter dan daarvoor, maar nog altijd maar 1 procent.

Cytomegalie virus (CMV)

Het cytomegalie virus (CMV) is een virus dat over de hele wereld voorkomt. Veel mensen dragen het bij zich. CMV wordt alleen verspreid via mensen, maar lang niet iedereen wordt er ziek van. Iemand kan het virus doorgeven zonder dat hij symptomen van de infectie heeft.

Symptomen

Als iemand ziek wordt van CMV zijn de symptomen vaak: hoge koorts, rillingen, ernstige vermoeidheid en hoofdpijn. Dat kan 2 tot 3 weken duren.

Risico's

Baby's van zwangere vrouwen die in de eerste helft van de zwangerschap voor het eerst besmet raken, hebben een verhoogd risico op complicaties. Vooral tijdens de eerste 3 maanden van de zwangerschap kan CMV (grote) schade bij de foetus veroorzaken als een zwangere vrouw voor het eerst geïnfecteerd raakt.

Meestal hebben de baby's geen ziektesymptomen. Maar in enkele gevallen komt het voor dat ze in de 2 jaar na hun geboorte toch een ontwikkelingsachterstand, of problemen met het zien of horen blijken te hebben. 1 op de 100 kinderen wordt geboren met een CMV-infectie. Gelukkig krijgt alleen een klein percentage zulke ernstige problemen. Het risico is dus klein.

Besmetting

CMV komt voor in urine, bloed, speeksel, tranen en moedermelk. Hiermee kan het worden verspreid. Er zitten ongeveer 3 tot 12 weken tussen het virus oplopen en eventueel ziek worden. Zwangere vrouwen die werken met kinderen komen vaker in aanraking met het virus (bijvoorbeeld op peuterspeelzalen, kinderdagverblijven of ziekenhuizen). Aanstaande moeders raken soms besmet met CMV via hun eigen kleine kinderen. Die komen op een kinderdagverblijf in contact met veel andere kinderen die het virus ongemerkt en zonder problemen bij zich kunnen dragen.

Besmetting voorkomen?

De kans op besmetting kan worden verminderd door regelmatig goed je handen met zeep te wassen en contact met speeksel en urine van kleine kinderen te vermijden. Maar helaas is dat voor een moeder met kleine kinderen niet echt haalbaar. Ook minuscule druppeltjes door niezen of hoesten kunnen besmetting veroorzaken. Er bestaat nog geen behandeling tegen het virus.

Ernstige bloedarmoede

Heel veel vrouwen krijgen last van bloedarmoede tijdens de zwangerschap, vooral in de laatste maanden. De oorzaak van bloedarmoede is een te laag hemoglobinegehalte (rode bloedlichaampjes) en een tekort aan ijzer en foliumzuur in het bloed.

De juiste Hb

Standaard wordt bij zwangere vrouwen het Hb-gehalte in het bloed gemeten. De normale waarde voor de Hb is 7,5 mmol/l. Rond de 30 tot 32 weken mag dit 6,3 mmol/l zijn. Het bepalen van het Hb is gemakkelijk en snel te meten met een drupje bloed van je vinger. Deze controle wordt gedaan aan het begin van je zwangerschap en later nog eens. Als je Hb te laag blijkt, moet er gekeken ook worden of het ijzergehalte en foliumzuurgehalte in je bloed op peil zijn.

Symptomen

Het is altijd goed om zelf aan de bel te trekken als je klachten hebt. De klachten die bij ijzertekort en/of bloedarmoede horen zijn onder andere: licht in het hoofd zijn, duizeligheid, (extreme) vermoeidheid, een versnelde hartslag, bleek zien, zweten en oorsuizen. Ook kramp in de benen en een pijnlijke tong komen voor. Deze symptomen treden op doordat je bloed te weinig zuurstof bevat om alle delen van je lichaam goed te voorzien. Wat voorradig is, gaat eerst naar de ongeboren baby.

Eerst meten

In alle gevallen geldt: als je Hb te laag blijkt of als je klachten hebt die op bloedarmoede wijzen, laat dan vooral je bloed controleren. In overleg met de arts of verloskundige krijg je ijzerpillen met foliumzuur of een ijzer en foliumzuurhoudend drankje voorgeschreven. Het is niet aan te raden ijzerpreparaten te slikken zonder eerst een arts te raadplegen. Laat eerst je bloed onderzoeken, want te veel ijzer in je bloed kan schadelijk zijn.

Het belang van behandelen

Bloedarmoede is meestal goed te behandelen. Daarom wordt het probleem eerder als vervelend dan gevaarlijk gezien, maar als het niet behandeld wordt, kan dat zeker bij een zeer laag Hb negatieve gevolgen hebben. Dan is er namelijk kans dat de foetus weinig zuurstof krijgt. Dat schaadt de ontwikkeling en leidt soms tot vroeggeboorte.

Sikkelcelziekte

Sikkelcelziekte of sikkelcelanemie (SCZ) is een voorbeeld van erfelijke bloedarmoede. Het is een ziekte van het eiwit hemoglobine (Hb) in de rode bloedcellen. Het hemoglobine zorgt voor het opnemen en loslaten van zuurstof.

Bij mensen met SCZ is het eiwit hemoglobine iets anders dan bij anderen (HbS). Die andere vorm ontstaat door een kleine verandering op het DNA. Hierdoor kan het afwijkende HbS eiwit gaan klonteren. Op dat moment krijgen de rode bloedcellen de vorm van een sikkel, vandaar de naam sikkelcelziekte. Het lichaam breekt deze cellen sneller af en er ontstaat bloedarmoede. Bij ernstige sikkelcelziekte kan sprake zijn van koorts en erge pijn.

Ouders beiden drager

Ouders die beiden drager zijn van sikkelcelziekte (SCZ) kunnen een kind met die ziekte krijgen.
Bij elk kind van deze ouders is de kans op de ziekte 25 procent, zowel bij meisjes als bij jongens. Van de kinderen is 50 procent drager en 25 procent heeft geen SCZ.

Belang vroeg herkennen

Alle baby's worden in Nederland gescreend op onder andere sikkelcelziekte met de hielprik. Het vroeg herkennen van de ziekte betekent dat de behandeling zo snel mogelijk na de geboorte kan beginnen.

Hoge bloeddruk

Ongeveer 1 op de 10 zwangere vrouwen krijgt vanaf de 20e week een (iets) verhoogde bloeddruk. Een hoge bloeddruk die het gevolg is van de zwangerschap, wordt 'zwangerschapshypertensie' genoemd. Vroeger sprak men wel van 'zwangerschapsvergiftiging', maar deze term raakt in onbruik.

Hoe hoog?

Te hoog is in dit geval: een bovendruk van 140 mmHg en een onderdruk meer dan 90 mmHg. Dit geeft voor de zwangere zelf weinig klachten, maar het is minder goed voor de groei van de baby. Daarom is het belangrijk dat je bloeddruk regelmatig wordt gecontroleerd.

Kans op bloedstolling

De nieren en lever gaan soms tijdelijk slechter werken en er kunnen afwijkingen in de bloedstolling ontstaan. Ook de groei of de conditie van de baby kan achterblijven als de bloedtoevoer naar de placenta (moederkoek) vermindert. Die kans is over het algemeen niet groot bij een lichte verhoging van de bloeddruk. Tegen het einde van de zwangerschap is de kans op complicaties door een hogere bloeddruk meestal veel kleiner dan vroeg in de zwangerschap.

Oorzaak hoge bloeddruk onduidelijk

Bij de meeste vrouwen is niet duidelijk waardoor ze een hoge bloeddruk krijgen. De kans is hoger bij bijvoorbeeld suikerziekte (diabetes mellitus), vaat- en nierziekten, sommige auto-immuunziekten of al eerder bestaande hoge bloeddruk. Ook bij een meerlingzwangerschap neemt de kans op hoge bloeddruk toe. Vermoedelijk spelen ook erfelijke factoren een rol.

Gezond leven

Hoge bloeddruk kan weer lager worden. Gezond eten is belangrijk. Eet veel verse groenten, fruit, volkoren-producten, halfvolle en magere zuivelproducten. Pas op met zout, verzadigd vet, transvet en drink geen alcohol. Genoeg ontspanning en matig bewegen (wandelen, fietsen, zwemmen of yoga) kunnen zeker helpen om een verhoogde bloeddruk te verlagen.

Verborgen zout en vet

Let bij het bepalen van wat je eet vooral ook op de verpakkingen van voedsel: in veel eten zit meer zout (natrium) of vet dan je denkt. Augurken, zuurkool, haring en andere dingen 'in het zuur' bevatten veel zout. Koekjes en snacks, gekruide vlees- en worstsoorten, soepen en sauzen, maar ook ijs en veel kant-en-klaarmaaltijden zijn te zout of te vet.

Ernstig hoge bloeddruk

Een veelvoorkomend zwangerschapskwaaltje is een verhoogde bloeddruk. Als je bloeddruk na de 24e week nog steeds stijgt, zul je wellicht klachten krijgen. De klachten zijn vaak onbestemd: hoofdpijn, vlekjes zien, misselijkheid, tintelingen in de handen, buikpijn en vocht vasthouden.

Vocht vasthouden

Het lichaam kan in korte tijd veel vocht vasthouden. Daardoor kunnen zwellingen (oedeem) ontstaan, meestal in de onderbenen. Oedeem van handen en voeten komt echter ook vaak voor bij zwangeren die geen hoge bloeddruk hebben.

Controle

Bij twijfel is het goed om jezelf extra te laten controleren of je eigen bloeddruk te meten met een goed afgestelde bloeddrukmeter. De beste meters zijn de meters die de bloeddruk meten met een manchet om de bovenarm, die meerdere metingen achter elkaar verrichten en ook de hartslag meten. Je moet de metingen wel goed uitvoeren. Als je twijfelt, overleg dan met de huisarts of de verloskundige.

Voorkomen

Voor gezonde vrouwen die voor hun zwangerschap geen ziekten hadden, zijn geen zinvolle maatregelen bekend om hoge bloeddruk te voorkomen. Vroeger werd een zoutloos of zoutarm dieet geadviseerd. Inmiddels is gebleken dat hiermee een hoge bloeddruk niet wordt voorkomen en niet kan genezen. Een normale (matige!) hoeveelheid zout kan geen kwaad. Of door rust een hoge bloeddruk in de zwangerschap wordt voorkomen is nooit goed onderzocht. Als de bloeddruk is verhoogd adviseert de verloskundige of arts vaak rust.

Ongrijpbaar

Hoge bloeddruk is een vervelende klacht, vooral tijdens de zwangerschap, omdat het vrij ongrijpbaar is. Behalve met je dieet en leefwijze heeft het ook te maken met erfelijkheid, je hormonale evenwicht en de manier waarop je lichaam reageert op veranderingen. Bij de één helpt ontspanning en matige beweging heel goed, bij de ander een dieet met gezonde voeding. Maar soms helpt het allemaal onvoldoende. In dat geval kun je overwegen bloeddrukverlagende middelen te gebruiken.

Medicijnen

Bij een bovendruk van 150 mmHg en/of een onderdruk van 100 mmHg worden vaak bloeddrukverlagende medicijnen voorgeschreven. De meeste middelen (behalve de zogeheten ACE-remmers) kun je veilig gebruiken tijdens de zwangerschap.

Pre-eclampsie en HELLP-syndroom

Bij zwangerschapsvergiftiging (pre-eclampsie), het HELLP-syndroom en eclampsie is sprake van hoge bloeddruk. Bij deze aandoeningen kunnen er risico's zijn voor de moeder en het ongeboren kind.

Symptomen

Bij zwangerschapsvergiftiging (pre-eclampsie) is sprake van hoge bloeddruk en het verlies van eiwitten in de urine. De volgende kenmerken kunnen onder andere voorkomen zijn vochtophoping, hoofdpijn, misselijk zijn en tintelingen in de vingers.

Bij HELLP-syndroom kunnen bloed en bloedplaatjes afgebroken worden en kan er een stoornis zijn in de werking van de lever. Ook komen hoge bloeddruk, het verlies van eiwitten in de urine en vochtophoping voor. Verder is vaak sprake van kenmerken zoals hoofdpijn, misselijk zijn en pijn in de bovenbuik. Bij ecclampsie leidt de hoge bloeddruk tot toevallen die lijken op stuipen bij epilepsie.

Gevolgen

De ongeboren baby kan te weinig voedingsstoffen en zuurstof krijgen bij (pre)eclampsie en HELLP-syndroom. De enige behandeling van deze aandoeningen is vaak om de baby geboren te laten worden. De gevolgen voor een baby kunnen verschillend zijn. Het kan bijvoorbeeld een groeiachterstand hebben of overlijden.

Behandeling

Als je zwanger bent en denkt dat je (pre)eclampsie of HELLP-syndroom hebt, kun je contact opnemen met je verloskundige, huisarts of gynaecoloog.

Je kunt meer lezen over dit onderwerp op de website van HELLP-desk.

Rodehond

Ga voor je zwanger wilt worden na of je ingeënt bent tegen rode hond. En of je voldoende antistoffen tegen rodehond hebt. Krijg je rodehond als je zwanger bent? Dat kan schadelijk zijn voor je ongeboren kind.

Rodehond-infectie voorkomen

  • Meestal heb je als kind een prik gehad tegen rodehond. Je kunt dit nakijken in je inentingspapieren of aan je ouders navragen. De meeste mensen ontwikkelen daarna voldoende antistoffen tegen deze infectie.
  • Twijfel je over je inentingen? Dan kun je met bloedonderzoek laten bepalen of je voldoende antistoffen hebt. Heb je voldoende antistoffen tegen rodehond, dan hoef je je geen zorgen te maken.
  • Heb je onvoldoende antistoffen en ben je al wel zwanger? Dan kun je beter niet in de buurt komen bij kinderen met een rodehond-infectie. Je kunt de infectie krijgen en overdragen op je ongeboren kind. Het kan voor de ongeboren baby aangeboren hartafwijkingen of problemen met het middenoor veroorzaken.

Waterpokken

Waterpokken is een infectieziekte die vooral kinderen krijgen. Als je zwanger bent en waterpokken krijgt, dan zijn er soms negatieve gevolgen voor je ongeboren kind.

  • Als je zelf al waterpokken gehad, dan kun je het in principe niet nog een keer krijgen. En heeft het dus ook geen gevolgen voor je zwangerschap. Je hoeft je geen zorgen te maken.
  • Als je zelf geen waterpokken hebt gehad, overleg dan met je verloskundige, huisarts of gynaecoloog of je tijdens je zwangerschap beter uit de buurt kunt blijven van iemand met waterpokken.
  • Als je in de buurt bent geweest bij iemand die waterpokken heeft en je hebt zelf geen waterpokken gehad, vertel dit aan je huisarts of verloskundige. Zij weten wat je dan het best kunt doen.

Ook voor een pasgeboren baby kunnen waterpokken gevaarlijk zijn. Het kan soms leiden tot bepaalde aandoeningen. Let hier dus ook goed op tijdens en na de bevalling.

Infectie

Ben je zwanger en heb je nog nooit waterpokken gehad? Als je vermoedt dat je waterpokken hebt, zoek dan contact met je huisarts en overleg over de mogelijkheid voor een behandeling.

De vijfde ziekte

De vijfde ziekte is een infectieziekte die vooral kinderen krijgen. Als je de vijfde ziekte krijgt tijdens je zwangerschap kan dat soms nadelige gevolgen hebben voor je ongeboren kind. Maar meestal verloopt een zwangerschap normaal en zijn er geen gevolgen voor de ongeboren baby.

Wat moet je weten over de vijfde ziekte?

  • De meeste volwassenen hebben de vijfde ziekte als kind al gehad en zijn hiertegen beschermd.
  • Ben je zwanger en heb je de vijfde ziekte ooit gehad? Dan kan je ongeboren kind dit in principe niet krijgen.
  • De vijfde ziekte is een besmettelijke kinderziekte. Een ziek kind heeft meestal rode vlekken op zijn huid.
  • Je kunt besmet raken als je veel lichamelijk contact hebt met een ziek kind of een zieke volwassene. Voordat je de vlekken ziet, is de ziekte al besmettelijk. Dus je kunt er weinig aan doen om de vijfde ziekte te voorkomen.
  • Je kunt je niet laten intenten tegen de vijfde ziekte.
  • Als je aan het begin van je zwangerschap de vijfde ziekte krijgt, dan is er een kleine kans op een miskraam of een doodgeboren kind.

Heb je contact gehad met iemand die misschien de vijfde ziekte heeft? Zeg dit dan altijd tegen je huisarts of verloskundige. Wil je meer lezen over de vijfde ziekte, kijk dan op de website van het RIVM.

Trombose

Trombose kan gevaarlijk zijn voor een vrouw die na de bevalling lang bedrust nodig heeft

Tegenwoordig komen vrouwen na een bevalling al snel weer in beweging. Dit vermindert de kans op trombose en daardoor komt trombose minder voor dan toen vrouwen nog 10 dagen bedrust kregen voorgeschreven na de bevalling.

Zwangerschapsdiabetes

Diabetes kan al bestaan voordat je zwanger bent: diabetes type 1 of 2.

1 op de 20 vrouwen krijgt te maken met zwangerschapsdiabetes. Dit is een vorm van diabetes die goed behandeld kan worden en ontstaat tijdens je zwangerschap. Soms merk je er niets van, maar het kan ook zijn dat je merkt dat je veel dorst hebt en veel moet plassen. De beste test is je bloedsuiker laten testen door de arts of verloskundige. Een prik in de vinger is genoeg.

Risico's

  • Het belangrijkste risico is dat het kind te vroeg geboren wordt en dat de longen minder goed gerijpt zijn. Als dat gebeurt, zal het kind na de geboorte waarschijnlijk enige tijd in de couveuse moeten liggen.
  • Je kind kan meteen na de geboorte een laag suikergehalte hebben en daarom moet zijn bloed de eerste 24 uur regelmatig gecontroleerd worden op het suikergehalte. Indien nodig krijgt hij insuline toegediend.
  • Kinderen van een moeder met zwangerschapsdiabetes hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van diabetes type 2. Dat is een vorm van diabetes die met pillen te behandelen is, maar die wel veel gezondheidsrisico's met zich meebrengt.

Aanpassen leefstijl

Zwangerschapsdiabetes ontwikkelt zich vaak rond de 20e week van de zwangerschap. Bij vrouwen met zwangerschapsdiabetes komt het vaker dan gemiddeld voor dat het kind groot is en dat er veel vruchtwater is. Vrouwen met zwangerschapsdiabetes herstellen na de zwangerschap meestal weer, maar hebben een verhoogd risico om later in hun leven diabetes te ontwikkelen. Aanpassen van je leefstijl waar nodig, lijkt dus verstandig.

Controleren bloedsuikerspiegel

Het is belangrijk dat de bloedsuikerspiegel onder controle wordt gehouden en dat je begeleid wordt door de gynaecoloog, de internist, de diabetesverpleegkundige, de oogarts en eventueel door de diëtiste. De behandeling bestaat uit een dieet of injecties met insuline.

Pica

Het is bekend dat zwangere vrouwen soms bijzondere voorkeuren voor voedsel hebben. Zolang het gaat om een voorkeur voor af een toe een paar zure augurken of een haring is er niet zoveel mis mee. Behalve dat beide producten veel zout bevatten.

Mineralentekort

Soms loopt het uit de hand en ontstaat de werkelijk onbedwingbare neiging om dingen te eten die niet bedoeld zijn als voedsel. Deze drang om vreemde dingen te eten heet 'Pica'. Veel gegeten zaken zijn bijvoorbeeld krijt, grond, papier, witkalk en verf. Het is mogelijk dat dit te maken heeft met een tekort aan bepaalde mineralen, zoals ijzer.

Betere alternatieven

Herken je de neiging om oneetbare dingen te eten, probeer die neiging dan toch te onderdrukken. Vreemde materialen verteren vaak niet of niet goed en kunnen schadelijk zijn voor je ingewanden of je gebit.

Meer informatie

Zoek contact met je huisarts om te laten beoordelen met welke tekorten of achterliggende problemen je eetgedrag te maken kan hebben.

Prenatale depressie

Veel vrouwen denken dat ze blij moeten zijn als ze zwanger zijn. Maar blijdschap overheerst niet altijd; vrij veel (1 op de 20) zwangere vrouwen voelen zich regelmatig neerslachtig. En volgens recent onderzoek krijgt zelfs 1 op de 10 zwangere vrouwen te maken met een prenatale depressie. Dit is een depressie die enkele weken tot maanden kan aanhouden.

Normale neerslachtigheid

Het is van buitenaf moeilijk om neerslachtigheid van depressie te onderscheiden. Je rot voelen, huilerig zijn en twijfels hebben horen soms bij het leven. Meestal zijn deze gevoelens wel te hanteren, als je goed naar jezelf luistert en op jezelf let. Je ziet vaak nog wel een lichtpuntje en je kunt jezelf wel op andere gedachten brengen of laten troosten.

Symptomen van depressie

Bij een depressie komen veel symptomen voor die in lichtere vorm ook bij de zwangerschap zouden kunnen horen. Je kunt somber zijn, het kind niet meer willen of van je lichaam vervreemd raken. Het denken, slapen en eten raken verstoord, er ontstaan gevoelens van paniek en angst om gek te worden. Ook extreme prikkelbaarheid en fysieke klachten als misselijkheid en braken kunnen symptomen van een depressie zijn.

Het verschil

Bij neerslachtigheid kun je de dingen nog relativeren, maar bij een depressie vaak niet meer. Mensen die depressief zijn kunnen het gevoel hebben dat het leven niet meer de moeite waard is. Suïcidale gedachten komen ook voor.

Wat te doen?

Bij depressie is het zaak hulp te zoeken. Soms kan degene die depressief is dit niet goed zelf, ook omdat het onderwerp taboe lijkt. Veel vrouwen zwijgen over deze gevoelens, wat het alleen maar eenzamer en erger maakt. Maar hulp zoeken is noodzakelijk. Je huisarts kan je helpen.

Het is te behandelen

De behandelmethoden van en prenatale depressie verschillen; soms worden aanvullingen op de voeding voorgeschreven, soms hormonen en zo nodig antidepressiva. Vraag doktersadvies. Steun is belangrijk, want een depressie kan na de bevalling aanhouden. Een depressie na de bevalling noemt men ook wel een postpartum depressie.

Heftige stemmingswisselingen

Er verandert veel als je zwanger bent, ook hormonaal. Het zijn waarschijnlijk vooral de wisselingen in je hormoonhuishouding die maken dat je tijdens de zwangerschap te maken kunt krijgen met vermoeidheid en stemmingswisselingen.

Stemming serieus nemen

Het is goed om jezelf serieus te nemen, maar je stemmingen te zien als wolken die af en toe nu eenmaal overdrijven. Meestal voel je zelf wel aan wanneer iets een 'bui' is. Ook al kun je behoorlijk neerslachtig zijn, de lucht klaart uiteindelijk wel weer op.

Geen controle meer?

Loopt het uit de hand en heb je het gevoel dat je je emoties niet onder controle krijgt? Neem dan contact op met je huisarts om te kijken of er sprake kan zijn van een prenatale depressie of andere psychische of medische problemen.

Stress en angst

In het lichaam zijn stress en angst nauw met elkaar verbonden.

Als je veel onder druk staat, breng je je lichaam in een toestand van alert zijn, zoals een konijntje dat de boze wolf al ruikt. Je ademhaling gaat sneller, je voelt je gejaagder, je hart gaat sneller kloppen. Je lichaam maakt stoffen aan die je eigenlijk op scherp zetten om te vluchten als het nodig is.

Bij zwangerschap

Als je zwanger bent, verandert er veel. Als je al zorgen of stress had, kan het nieuws dat je zwanger bent heftig zijn. Al ben je er blij mee, het is ook een extra verantwoordelijkheid. Samen met de veranderingen in je lichaam maakt dit dat je tijdens je zwangerschap eerder te maken kunt krijgen met angsten.

Van angst naar angststoornis

Een beetje angst of bezorgdheid voelen is normaal en gezond. Het betekent dat je nadenkt en je voorbereidt op wat je te wachten staat. Maar als je te veel stress ervaart of om een andere reden meer geneigd bent tot paniek, kun je een angststoornis ontwikkelen. Daarom is het belangrijk om goed voor jezelf te zorgen.

Wanneer is angst te erg?

Als je gaat malen, niet meer kunt genieten, bepaalde situaties niet meer aandurft en niet meer kunt slapen, heeft dat grote invloed op je dagelijks leven. De angst beheerst dan je leven. Je kunt ook fysieke klachten krijgen, zoals een benauwd gevoel, pijn op de borst, zweten en paniekaanvallen.

Hiermee hoef je niet te blijven rondlopen. Angststoornissen zijn vrij goed te behandelen, bijvoorbeeld door een gedragstherapeutische aanpak. Vraag hiernaar bij je huisarts.

Soa en zwangerschap

Er zijn een paar soa's (seksueel overdraagbare aandoeningen) die bij de zwangerschap of geboorte problemen kunnen geven.

Chlamydia

Chlamydia wordt veroorzaakt door een bacterie in de slijmvliezen van de geslachtsdelen. Deze infectie verloopt vaak onopgemerkt en kan resulteren in een eileiderontsteking of een ontsteking in de buikholte. Dit kan onvruchtbaarheid en een buitenbaarmoederlijke zwangerschap tot gevolg hebben.

Van chlamydia is bekend dat het het risico op voortijdig breken van de vliezen of te vroege weeën verhoogt. Ook kan het een oogontsteking of een longontsteking veroorzaken bij de pasgeboren baby.

Gonorroe

Gonorroe wordt veroorzaakt door een bacterie in de slijmvliezen van de geslachtsdelen.Vrouwen hebben vaak geen klachten. Gonorroe kan opstijgen via de baarmoeder en eileiderontsteking veroorzaken. De infectie kan zich verder uitbreiden naar de buikholte. Gonorroe kan leiden tot onvruchtbaarheid of tot een buitenbaarmoederlijke zwangerschap.

Een zwangere vrouw kan gonorroe overdragen op haar baby. Gonorroe kan, net als chlamydia, een oogontsteking of een longontsteking bij de baby veroorzaken.

Syfilis

Syfilis (lues) kan overgedragen worden op de baby en verschillende aangeboren afwijkingen veroorzaken. In Nederland worden daarom alle zwangere vrouwen getest op syfilis. Wanneer een zwangere vrouw syfilis heeft wordt zij zo spoedig mogelijk met antibiotica behandeld om te voorkomen dat het kind geïnfecteerd wordt.

Herpes genitalis

Herpes kan op de baby worden overgedragen. Dat gebeurt eigenlijk alleen wanneer je op het moment van je bevalling een eerste herpesaanval hebt met herpeszweertjes in of rond de vagina. In dat geval wordt een keizersnede aangeraden. Dit omdat een besmetting met herpes bij de baby namelijk een hersenontsteking kan veroorzaken.

Hiv en aids

Vrouwen die het hiv-virus bij zich dragen kunnen bevallen van een gezond kind, dat het virus niet bij zich draagt. Als je je niet laat behandelen, is de kans dat je baby onbesmet geboren wordt ongeveer 75 procent. Door een snel begin van medische behandeling, vergroot je de kans dat je baby zonder hiv geboren wordt. Het heeft dan 98 procent kans om zonder hiv ter wereld te komen. In Nederland worden alle zwangere vrouwen getest op hiv.

Hepatitis B

Hepatitis B is een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door een virus. Dit virus dringt de levercellen binnen en veroorzaakt daar een ontsteking. Je kunt een infectie oplopen via onveilig seksueel contact, bloed-bloed contact en tijdens de geboorte. Een moeder die het virus bij zich draagt kan haar baby tijdens of na de geboorte besmetten. Een baby wordt dan direct ingeënt. In Nederland worden alle zwangere vrouwen getest op hepatitis B.

Behandeling

Als je zwanger bent en je denkt dat je een soa hebt, kun je het best contact opnemen met een soa-centrum, de verloskundige of je huisarts.

Listeriose en toxoplasmose

Listeriose is een voedselvergiftiging met de bacterie ‘Listeria’. De listeria-bacterie is nauwelijks gevaarlijk voor volwassenen, maar kan dat wel zijn voor een ongeboren baby. Je baby kan besmet raken via jou. Je kunt dan een miskraam krijgen.

Voorkomen?

Listeria kan groeien in groente, kip, vis en vlees, wanneer die te lang in de koelkast zijn bewaard. Koop deze producten daarom vers en bewaar ze zo kort mogelijk in de koelkast. De listeria-bacterie wordt gedood tijdens koken en bakken. Ook rauwe melk ('au lait cru'), die zo van de boerderij afkomstig is, moet je eerst koken voor gebruik.

Toxoplasmose

In rauw of halfgaar vlees kunnen eitjes zitten van een parasiet. Deze parasiet kan je besmetten. Dat kan toxoplasmose veroorzaken. Dit is erg gevaarlijk voor je baby. Kattenpoep kan ook toxoplasmose veroorzaken. Handschoenen dragen bij het schoonmaken van de kattenbak én bij het tuinieren voorkomt een besmetting.

Vaccinaties

Voor een groot aantal (niet-westerse) landen geldt dat het verstandig is om je te laten vaccineren als je ernaartoe gaat. Zeker als je zwanger bent, want dan is je afweersysteem zwakker. En een infectieziekte kan gevolgen hebben voor het ongeboren kind. Over het algemeen kan bijna elk vaccin bij een zwangere zonder problemen toegediend worden.

Risico's levende vaccins

Tijdens de zwangerschap kun je beter geen levende vaccins toegediend krijgen. Een levend vaccin is een verzwakt virus. Hierdoor loopt je kind risico's. Een levend vaccin krijg je onder andere bij inentingen tegen gele koorts, de mazelen, rodehond en de bof.

Rodehond (rubella)

Meestal ben je beschermd tegen rodehond als je al eens een infectie met het virus hebt doorgemaakt of als je gevaccineerd bent toen je zelf nog kind was (BMR). Als je niet gevaccineerd bent kan een bloedonderzoek aangevraagd worden. Als je namelijk geen antistoffen zou hebben kan een rodehond-infectie tijdens de zwangerschap bij een kind aangeboren afwijkingen veroorzaken.

Mexicaanse griep

'Nieuwe Influenza A' is een virus dat de Mexicaanse griep veroorzaakt. Dit griepvirus zit in druppeltjes snot, slijm en speeksel. Door te hoesten, te niezen en te praten kan het virus via de lucht worden overgedragen. Het virus kan ook via de handen worden overgebracht. Bijvoorbeeld als iemand zijn of haar neus afveegt en daarna een deurknop vastpakt. Iemand raakt besmet als het virus op het slijmvlies van iemands neus, mond of ogen komt of als hij of zij het virus inademt.

Na besmetting

De Mexicaanse griep verloopt meestal net als een normale griep. De meeste mensen zijn binnen een week weer beter. Maar iemand kan ook longontsteking krijgen en erg ziek worden. Een aantal mensen kan komen te overlijden aan de gevolgen van de griep. Omdat een ziekte die iemand al heeft kan verergeren door het griepvirus of door een longontsteking.

Vaccin Nieuwe Influenza A

Vrouwen die 13 weken of langer zwanger zijn kunnen worden beschermd tegen Nieuwe Influenza A (Mexicaanse Griep). Via de huisarts kun je een vaccinatie halen.

Medicijnen en tandarts

Medicijnen kunnen soms van invloed zijn op je zwangerschap en je toekomstige kind.

Vertel de eventuele zwangerschap

Krijg je medicijnen voorgeschreven door je huisarts, vertel dan altijd dat je (misschien) in verwachting bent. Vertel altijd aan je verloskundige dat je medicijnen gebruikt.

Gebruik je medicijnen en wil je zwanger worden? Overleg dan met je huisarts, verloskundige of gynaecoloog. Soms kan hij of zij je medicijnen aanpassen.

Raadpleeg de huisarts

Er bestaan medicijnen die veilig zijn als je zwanger bent. Bijvoorbeeld tegen misselijkheid, hooikoorts of astma. Vraag voor het gebruiken van andere medicijnen ook altijd advies aan je huisarts. Ook voor medicijnen die je bij de drogist koopt.

Medicijnen voor je eigen gezondheid

Er zijn ook medicijnen die je nodig hebt voor je eigen gezondheid. Vraag ook om advies bij de drogist en apotheek als je zelf medicijnen koopt, en lees de bijsluiter. Daar staat op of het middel al dan niet veilig is bij zwangerschap.

Paracetamol

Heb je pijn? Dan mag je paracetamol gebruiken. Je huisarts, verloskundige of apotheker kan je vertellen hoeveel je per dag mag gebruiken.

Homeopathie

Sommige natuurgeneesmiddelen of homeopathische middelen zijn te gebruiken bij bijvoorbeeld zwangerschapskwaaltjes. De meeste zijn veilig om te gebruiken, maar sommige kunnen schadelijk zijn voor je ongeboren kind. Op de bijsluiter kun je lezen of je het middel kunt gebruiken bij zwangerschap. Als er geen bijsluiter is of als je twijfelt, raadpleeg dan eerst je huisarts of apotheker voordat je het gebruikt.

Tandarts

Je kunt tijdens je zwangerschap gewoon naar de tandarts gaan. Maar vertel je tandarts dat je zwanger bent. Je tandarts zal de eerste 3 maanden van je zwangerschap terughoudend zijn met het maken van röntgenfoto's. De meeste behandelingen van de tandarts kunnen worden gedaan tijdens de zwangerschap. Je tandarts kan je hierover verder informeren.

Blijf je gebit goed verzorgen. Want je hebt iets meer kans op bloedend tandvlees.

Genotmiddelen

Voor elke vrouw die zwanger is, is het belangrijk om geen alcohol te drinken, niet te roken ,geen drugs en zo weinig mogelijk medicijnen te gebruiken. Dit geldt voor de hele zwangerschap en ook nog wanneer je borstvoeding geeft.

Giftige stoffen

In al deze middelen zitten namelijk giftige stoffen. De giffen kunnen het ongeboren kind schaden. Omdat het kind zich nog ontwikkelt, hebben genotmiddelen veel meer invloed op je baby dan op jezelf. Kinderen kunnen hersenschade krijgen of achterblijven in de ontwikkeling. Dat kun je voorkomen door deze periode gezond te leven.

Alcohol

Als je zwanger bent, is de veiligste keuze voor je baby helemaal geen alcohol drinken.

Alcohol is een giftige stof die schadelijk kan zijn voor je ongeboren kind. De risico's en de ernst van de schade nemen toe naarmate je vaker drinkt en naarmate je per keer meer drinkt. Maar af en toe een glaasje kan al schadelijk zijn.

Alcohol is slecht voor de ontwikkeling van je kind

  • In het begin van je zwangerschap is alcohol slecht voor de vorming van organen (zoals hart, longen, nieren, maag) en andere lichaamsdelen.
  • Tijdens je hele zwangerschap ontwikkelen de hersenen van je baby zich. De hersenen van je baby zijn erg gevoelig voor alcohol. Alcohol kan miljoenen hersencellen doden. Deze hersencellen groeien niet opnieuw aan.
  • Aan het einde van de zwangerschap kan alcohol ervoor zorgen dat je baby niet goed groeit. Ook kan je kindje eerder worden geboren.

Foetaal Alcohol Syndroom

Als een zwangere vrouw 6 of meer glazen per dag drinkt, kan dit leiden tot het Foetaal Alcohol Syndroom (FAS). Onder dit syndroom vallen allerlei lichamelijke en neurologische afwijkingen. Het risico op aangeboren afwijkingen is ook aanwezig als een zwangere vrouw gemiddeld weinig drinkt, maar bij sommige gelegenheden 6 glazen of meer drinkt.

Foetaal Alcohol Syndroom

Als een zwangere vrouw alcohol drinkt, kan haar kind het Foetaal Alcohol Syndroom (FAS) krijgen.

Een avondje uit

Het is een misverstand om te denken dat het geen kwaad kan om alcohol 'op te sparen' voor een avondje uit. Bijvoorbeeld als je dagen achter elkaar geen alcohol hebt gedronken. Dat is juist nog véél schadelijker.

Het risico op aangeboren afwijkingen is namelijk ook aanwezig als een zwangere vrouw gemiddeld een laag alcoholgebruik heeft, maar bij sommige gelegenheden 6 glazen of meer drinkt.

Afwijkingen

Een kind met FAS is bij de geboorte lichter en kleiner dan normaal en groeit ook daarna langzamer. Het hoofdje en gezicht kunnen afwijkingen hebben en het zenuwstelsel is minder goed ontwikkeld. Deze kinderen slapen slechter en huilen vaak. Op latere leeftijd zijn ze hyperactief, ze hebben taalproblemen, een slechter geheugen en ze kunnen zich moeilijker concentreren. Hun gemiddelde IQ is lager. Deze afwijkingen gaan helaas niet over.

Op de website van Fasstichting.nl kun je meer informatie vinden over het Foetaal Alcohol Syndroom.

Roken

Roken voor, tijdens én na de zwangerschap is gevaarlijk. Het brengt risico's met zich mee.

In de eerste 3 maanden worden alle organen gevormd. De rest van de tijd groeit je kind. Via de navelstreng krijgt je baby zuurstof en voedingsstoffen. De schadelijke stoffen van de sigaret komen via jouw bloed ook in het bloed van je kind terecht. Je baby krijgt dan minder voeding en minder zuurstof. Daardoor groeit hij minder goed.

De gevaren van roken als je zwanger bent

  • Meer kans op een miskraam.
  • Meer kans op een vroeggeboorte. Dat betekent dat je baby zwakker is en dat hij eerder ziek kan worden.
  • Meer kans op een laag geboortegewicht. Een baby van een moeder die rookt, weegt bij de geboorte ongeveer 200 gram minder dan baby's van niet-rokende moeders. Daardoor is hij minder sterk en dat levert juist meer moeilijkheden op bij de bevalling.
  • Meer kans op dat de placenta loslaat. Dit is de ernstigste oorzaak van een vaginale bloeding na week 28. Normaal gesproken laat de placenta pas los van de baarmoederwand als de baby geboren is. Bij een placenta-loslating laat hij gedeeltelijk of geheel los voordat de baby is geboren. Doordat de placenta loslaat, krijgt de baby geen zuurstof meer en kan hij dood gaan.
  • Meer kans op wiegendood. Het komt voor dat kinderen tot 2 jaar plotseling overlijden in hun slaap, ook al leken ze gezond. Roken tijdens de zwangerschap maakt de kans hierop groter.Ook roken in de buurt van de baby vergroot de kans op wiegendood.
  • Meer kans op afwijkingen. Als een moeder rookt, dan heeft haar baby meer kans dat er iets mis is met zijn gezondheid. Een kind heeft bijvoorbeeld een hazenlip of klompvoetjes. Dat komt vaker voor als de moeder heeft gerookt tijdens de zwangerschap.
  • Je baby heeft een slechtere gezondheid.
  • Minder borstvoeding. Je maakt minder melk aan als je rookt. En de melk smaakt minder lekker voor je baby. Roken kan ervoor zorgen dat de melk minder goed uit je borsten stroomt.

Meeroken tijdens de zwangerschap

Rook je zelf niet, maar roken er wel mensen om je heen? Dan heet dat meeroken. Het is niet goed om in de rook van anderen te zitten. Van de rook van een sigaret komt 85 procent in de omgeving terecht. Die rook adem jij ook in. Zo komen er schadelijke stoffen als nicotine en koolmonoxide via de navelstreng in het bloed van je kindje. Omdat nog niet iedereen weet dat dit zo slecht is voor je baby, kun je dat uitleggen. Probeer hier afspraken over te maken. Bijvoorbeeld door ze te laten roken op het balkon of in de tuin.

Hulp en informatie

Wil je meer informatie of heb je hulp nodig om te stoppen met roken? Kijk dan eens op de website van STIVORO. Je vindt hier informatie over roken en meeroken, testjes, adviezen en tips om met succes te stoppen met roken. Ook is er een gratis Online StopAdvies beschikbaar voor zwangere vrouwen.

Drugs

Het gebruik van alle soorten drugs en alcohol tijdens de zwangerschap is slecht voor de baby.

Risico's

Drugsgebruik tijdens de zwangerschap vergroot de kans op problemen tijdens de zwangerschap of geboorte. De kans op een miskraam wordt groter. Ook kan het de ontwikkeling van een kind vóór en na de geboorte ernstig schaden. In sommige gevallen wordt de baby met lichamelijke afwijkingen geboren.

Stoppen met verslavende middelen

  • Wanneer je dagelijks GHB of heroïne gebruikt is het belangrijk dat je onder medische begeleiding stopt. Hetzelfde geldt wanneer je dagelijks veel alcohol drinkt. Je kunt namelijk gevaarlijke ontwenningsverschijnselen krijgen.
  • Met andere middelen kun je zelfstandig proberen te stoppen. Je krijgt hiervan geen afkickverschijnselen. Toch kan het stoppen moeilijk zijn en kun je hulp inschakelen wanneer het je alleen niet lukt. Er zijn verschillende vormen van hulp.

Lukt het je niet om te stoppen met het gebruiken van drugs? Vertel dit dan aan je verloskundige. Het is belangrijk dat zij dit weet. Zij kan je dan goed begeleiden en je helpen om de juiste hulp te vinden.

Verzorging en veiligheid

Tijdens je zwangerschap zijn verzorging en veiligheid 2 belangrijke zaken. Bijvoorbeeld dat je weet wat je mag eten, welke medicijnen je kunt gebruiken en of het verstandig is om in de zon te gaan zitten. Er zijn ook zaken waarvan je niet snel verwacht dat ze gevaarlijk kunnen zijn, bijvoorbeeld shampoos tegen hoofdluis.

Voor je baby

Je bent waarschijnlijk ook al bezig met het inrichten van de babykamer en ervoor te zorgen dat je alles hebt voor de babyuitzet. Misschien heb je zelfs al een mooie kinderwagen gekocht! Als je spullen koopt voor je baby, is het belangrijk om te weten of ze veilig zijn. Bijvoorbeeld een autostoeltje en een draagzak.

Veilig zwanger

Gezond leven is belangrijk voor jou én voor je baby. Wat mag je wel? Wat liever niet?

Veilig zwanger

Als je zwanger bent, is het goed om extra voorzichtig te zijn met je gezondheid. Dit betekent dat je moet letten op wat je eet, maar bijvoorbeeld ook op hoe lang je in de zon zit, of je op je werk te maken hebt met schadelijke stoffen en of je in contact komt met bijvoorbeeld röntgenstraling.

Genotmiddelen

Roken, drank en drugs zijn een aantal genotmiddelen die schadelijk zijn voor je eigen gezondheid en ook voor de gezondheid van je ongeboren kind. Daarom is het beter om niets van deze middelen te gebruiken tijdens je zwangerschap. Ook meeroken is schadelijk.

Ziekten

Er zijn veel infectieziekten die je kunt krijgen en die schadelijk zijn voor de gezondheid van je ongeboren kind, bijvoorbeeld rodehond. Sommige van deze ziekten lijken onschuldig, maar kunnen grote gevolgen hebben.

Medicijnen

Ziekten zijn soms gemakkelijk te bestrijden met medicijnen. Maar als je zwanger bent, kun je lang niet alle medicijnen gebruiken. Vaak zijn er negatieve bijwerkingen waardoor de gezondheid van je ongeboren kind in gevaar komt.

Zomerhitte

Eindelijk is het zomer! Misschien blijf je gewoon in Nederland of misschien ga je op vakantie naar het buitenland.

Maar wat je ook doet, het is hoe dan ook goed om je voor te bereiden op warm weer. In de zomer kan het ook in Nederland 'tropisch' warm worden. En dan is het belangrijk om rekening te houden met de zomerhitte en met je gezondheid.

Water drinken!

Het is belangrijk om voldoende water te drinken, minstens 2 liter per dag.

Inspanning vermijden

Tijdens de warmste uren van de dag, van 12:00 uur en 16:00 uur, kun je je beter niet te veel inspannen en uit de zon blijven.

Koel blijven

Om koel te blijven, kun je een pet of hoed dragen, een zonnebril opzetten en lichte kleding dragen. Wit stoot hitte af en donkere kleuren nemen juist hitte op. Ook kun je af en toe een koele handdoek in je nek leggen en je handen en polsen onder koud stromend water houden.

Douchen

Het is misschien erg verleidelijk, maar een koude douche nemen is niet verstandig. Sterke temperatuurwisselingen bevorderen uitdroging. Je kunt daarom beter een lauwe douche nemen.

Een koel huis

Thuis kun je het beste zo min mogelijk de zon binnenlaten. Hou dus de gordijnen dicht en laat ook de ramen gesloten als de zon er op schijnt. 's Avonds en 's nachts mogen de ramen wel open.

Lichte maaltijden

Je kunt het beste meerdere lichte maaltijden per dag te eten, zoals salade, vis of soep. Let bij verse producten wel goed op hygiëne en de houdbaarheid.

Zon en zonnebank

Zonnen is natuurlijk heerlijk, vooral na een lange winter. Je kunt er dan echt behoefte aan hebben. En zonlicht is ook belangrijk voor het aanmaken van vitamine D.

Niet te veel zon

Toch is het aan te raden om het zonnen niet te overdrijven. Te veel zonnen kan schadelijk zijn voor de gezondheid. Dat geldt voor zowel zonnen in de echte zon, als voor het zonnen onder een zonnebank.

Risico's

Zwangere vrouwen moeten nog voorzichtiger zijn met zonnen dan anderen. Een zwangerschap kan de pigmentatie van de huid veranderen, waardoor de huid niet gelijkmatige bruin wordt, maar vlekkerig. Verder kun je last krijgen van het zogenaamde zwangerschapsmasker. Dat is een verkleuring in het gezicht, die soms ook na de zwangerschap blijft. Het is dus van belang dat je voorzichtig bent met de zon en goed oplet hoe je reageert op zonlicht.

Buik

Een dikke, strak gespannen buik is ook gevoeliger voor de zon. De buik steekt meer uit, dus de zon schijnt er pal op. Dat maakt een flink verschil. Wees dus extra voorzichtig als je in de zon komt.

Bruin worden

Ook buiten in de schaduw krijg je genoeg zonlicht en kun je zelfs aardig bruin worden. Natuurlijk een stuk langzamer, maar wel gezonder. Wat dat betreft zou je een voorbeeld kunnen nemen aan mensen die in de tropen wonen. Zij blijven op het heetst van de dag zoveel mogelijk in de schaduw en ze dragen ook lichte, ruime kleding die de huid voldoende bedekken. En wat dacht je van een grote brede strohoed!

Hoofdluis

Hoofdluis verspreidt zich makkelijk via jassen, mutsen, autostoelen, knuffelbeesten en borstels. Als je kind, neefje of nichtje hoofdluis heeft, kun je het daardoor zelf ook makkelijk krijgen.

Netenkammetje

De meest vriendelijke methode voor het haar, is het netenkammetje. Met het netenkammetje kun je voorzichtig je haar uitkammen en de luizen en neten zoveel mogelijk verwijderen. Het is belangrijk om ongeveer 2 weken lang elke dag te kammen.

Andere middelen

Er zijn ook speciale antihoofdluismiddelen, bijvoorbeeld shampoos. Het is echter zeer onverstandig om deze middelen te gebruiken tijdens je zwangerschap en wanneer je borstvoeding geeft. In de speciale shampoos zitten namelijk vaak chemische middelen die schadelijk zijn voor je gezondheid. Gebruik dus nooit dit soort middelen, zonder eerst je huisarts te raadplegen.

Röntgenstralen

We komen allemaal met straling in aanraking. Dat is onvermijdelijk. Ultraviolet zonlicht en radio- en televisiegolven zijn voorbeelden van straling. De meeste straling is in principe ongevaarlijk. Dit hangt af van de intensiteit, de dosis en de duur van de straling.

Hoge intensiteit

Straling met een hoge intensiteit is bijvoorbeeld röntgenstraling. Als je zwanger bent is het gevaarlijk voor je kind om aan die straling te worden blootgesteld, zeker vroeg in de zwangerschap. Als je een beroep hebt waarbij je in contact komt met straling met hoge intensiteit (bijvoorbeeld als je in een ziekenhuis werkt) dan moet je daar goed tegen beschermd worden. Er zijn richtlijnen waar je werkgever zich aan moet houden.

Lage intensiteit

Straling met lage intensiteit is bij normaal gebruik ongevaarlijk. Je kunt hierbij denken aan de straling van een zonnebank, magnetron of computer. Ook magnetische apparaten waar fysiotherapeuten mee werken of apparaten in een vliegtuig, geven straling van lage intensiteit af. Er zijn slechts vermoedens dat langdurig of veelvuldig contact met straling van lage intensiteit nadelig kan zijn voor het ongeboren kind, met name in het begin van de zwangerschap.

Röntgenfoto's

Als je op de röntgenafdeling van een ziekenhuis komt (voor jezelf of voor iemand anders) zeg dan altijd tegen het personeel dat je in verwachting bent. Zeg het ook als je vermoedt dat je zwanger kunt zijn. Mocht het nodig zijn om röntgenfoto's te laten maken, dan is het beter om dit niet te laten doen tijdens de eerste 20 weken van de zwangerschap en ook niet als je misschien zwanger zou kunnen zijn. Je kunt dit altijd overleggen met de behandelend arts.

Tuin en kattenbak

Als je zwanger bent, is het belangrijk om infecties zoals listeriose en toxoplasmose te voorkomen. Als je hiermee besmet raakt, kan je baby een afwijking krijgen. Deze infecties kun je krijgen via voeding of besmette grond. Ook borders, zandbakken en kattenpoep in de kattenbak vormen voor zwangere vrouwen een bedreiging.

Advies

  • Draag handschoenen als je in de tuin gaat werken.
  • Als je een kat hebt, laat de bak elke dag dan door iemand anders schoonmaken of draag stevige handschoenen.

Verf en gevaarlijke stoffen

Verf en andere gevaarlijk stoffen kunnen de vruchtbaarheid van zowel mannen als vrouwen beïnvloeden, maar ook de gezondheid van je ongeboren kind en je borstvoeding.

Het advies is om uit de buurt te blijven van gevaarlijke stoffen. Gebruik tijdens je zwangerschap geen:

  • oude verf, verf op terpentinebasis;
  • andere middelen op basis van terpentine;
  • bestrijdingsmiddelen voor ongedierte;
  • andere chemische stoffen.

Je haren kun je wel verven. Maar de kleur kan anders worden dan je gewend bent.

Infecties

Sommige infecties zijn voor volwassenen niet zo gevaarlijk. Toch moeten zwangere vrouwen ervoor uitkijken. Die infecties kunnen namelijk nadelige gevolgen hebben voor het ongeboren kind. Deze infectieziekten zijn bijvoorbeeld: rodehond, waterpokken, toxoplasmose en listeriose.

Besmetting?

Heb je klachten die wijzen op een infectie (koorts, ziek gevoel) of maak je je zorgen omdat je bijvoorbeeld zonder handschoenen de kattenbak schoongemaakt hebt of in de tuin hebt zitten wroeten? Of omdat je rauwe melkproducten, halfgaar vlees of slecht schoongemaakte rauwe groente hebt gegeten? Zoek dan contact met je huisarts en overleg over de mogelijkheid om een antibioticakuur te volgen.

Koorts

Als je meer dan 39,5 graden koorts hebt, is het sowieso goed om contact met de huisarts te zoeken en de koorts naar beneden te brengen. Hoge koorts bij de zwangere vrouwen is niet goed voor de ongeboren baby.

Veilige babyuitzet

Al voordat je kind geboren is, koop je waarschijnlijk alles wat je nodig hebt. Dit noemen we ook wel de babyuitzet. Bijvoorbeeld een kinderwagen, een babybadje, een autostoeltje en een ledikantje.

Het is verstandig om voordat je iets koopt, te weten wat de veiligheidsnormen zijn. Ook als je iets tweedehands wilt kopen. De veiligheid van je kind staat immers voorop!

Bedje

Als je een wieg of een ledikant voor je baby aanschaft of in orde maakt, let dan op de volgende zaken.

  • Het matrasje moet schoon, stevig, van voldoende dikte en niet te zacht zijn. Het matras moet gemakkelijk in het bedje gelegd kunnen worden, maar er mag geen ruimte tussen het matras en het bedje zijn. Anders kan je kind tussen het matras en de zijkant van het bedje komen.
  • Eventuele spijlen aan de zijkanten mogen tussen de 4,5 en 6,5 centimeter uit elkaar staan.
  • Een wiegje of bedje is in de hoogste stand minimaal 30 centimeter diep, gemeten vanaf de bedbodem.
  • De zijwanden van de wieg of het ledikantje moeten voldoende lucht doorlaten. Het gebruik van een stootrand in het bedje wordt afgeraden, omdat een kindje daardoor in ademnood kan komen als hij met zijn gezicht daar tegenaan komt te liggen.
  • Een babybedje mag geen losse koordjes of strikjes hebben. En natuurlijk ook geen gevaarlijk punten, uitsteeksels, schroeven of splinters.
  • Je kunt het bedje het best ver weg van de verwarming en van (gordijn)koorden en snoeren zetten.
  • Leg geen plastic onderlegger in het bedje.
  • Als je het bedje wilt verven, gebruik dan loodvrije verf op waterbasis. En doe dit vroeg in je zwangerschap.

Bedinrichting

Voor het bedje van baby's en peuters is er van alles te koop: babyslaapzakken, dekens of dekbedden. Een goede bedinrichting is belangrijk en kan wiegendood voorkomen.

  • Gebruik de eerste 2 jaar geen dekbed, maar een laken met een dekentje. Of gebruik een babyslaapzak die goed past.
  • Leg geen kussens of knuffels in het bed van je baby. Als hij er met z'n gezicht tegenaan ligt, kan hij in ademnood raken.
  • Gebruik een kruik alleen om het bedje voor te verwarmen, haal de kruik uit het bedje als je je baby in bed legt.

Box

Voor baby's is de box een veilige plek. Het is aan te raden het rustig op te bouwen: als je kind de eerste keer een kwartier in de box ligt, is dat lang genoeg. Zo geef je hem de tijd om aan de box te wennen.

Babyautostoeltje

Je baby kan in principe direct na de geboorte vervoerd worden in een babyautostoeltje.

Keurmerk

  • Koop altijd een stoeltje dat aan de Europese veiligheidseisen voldoet. Dat zie je aan het oranje ECE-keurmerk (ECE 44/03 of 44/04).
  • Je baby kan het best op de achterbank in een babyautostoeltje zitten en dus niet in de reiswieg of op schoot. Dat is levensgevaarlijk als er ineens geremd moet worden of bij een onverwacht manoeuvre.
  • Als je een tweedehands stoeltje aanschaft, controleer dan of dit niet beschadigd is of betrokken is geweest bij een aanrijding. Zo'n stoeltje is dan niet meer veilig.

Airbag

  • Heeft je auto een airbag voorin? Dus bij de stoel naast het stuur? Dan mag je daar nooit een babyautostoeltje zetten.
  • Als je de airbag uit kunt zetten, mag je daar wel een stoeltje plaatsen.
  • Zet het babyautostoeltje altijd met de rug naar voren toe. Dus tegen de rijrichting in.
  • Je baby zet je in het autostoeltje vast met de Y-gordel van het babyautostoeltje. Het babyautostoeltje zet je dan vast met de gordel in de auto. Dat is een 3-puntsgordel.

Op tijd aanschaffen

Het is het best om het babyautostoeltje een paar weken voor de bevalling alvast in huis te halen. Je kunt dan vóór de bevalling uitzoeken hoe het stoeltje werkt en hoe het in de auto vastgemaakt moet worden. Dan weet je hoe het moet als de baby er is.

Babybad

Je kunt kiezen uit uit verschillende babybadjes:

  • een badje met een standaard;
  • een badje zonder standaard;
  • een bademmer.

Hulpmiddelen

  • Je kunt bijvoorbeeld een antislipmatje aanschaffen. Dit matje voorkomt dat je kind in bad uitglijdt.
  • Ook kun je een badzitje aanschaffen. Over de veiligheid van een badzitje zijn de meningen verdeeld. Het belangrijkste advies is: blijf altijd bij je kind, ook als hij in een badzitje zit!
  • Als je baby zit, kan hij tegen de kraan aan stoten en zich bezeren. Hiervoor zijn zogenaamde kraanbeschermers te koop, die je over de kraan kunt schuiven.
  • Op de website van VeiligheidNL vind je meer informatie over de veiligheid van babybadjes.

Kinderwagen

Ga je veel met je baby in de auto, met de bus of met de trein? Dan is een licht wagentje handig.

Met een zwaardere wagen kun je lekker wandelen. Of boodschappen doen. Een kinderwagen heeft een platte bak. Daar kan je baby in liggen. Een kinderwagen met een grote bak is het meest comfortabel voor je kind. Dat kan tot babyfase van ongeveer 6 maanden.

Een kinderwagen moet

  • Stabiel staan.
  • Een rem hebben, die minstens 2 wielen afremt en gemakkelijk te bedienen is.
  • Een hoofdvergrendeling en een beveiliging hebben, zodat hij nooit plotseling in elkaar kan klappen.

Buik- of rugdrager

Met een buikdrager kun je je baby op je buik dragen. Er zijn verschillende soorten buikdragers te koop: draagdoeken en draagzakken, waarin je baby horizontaal of verticaal gedragen kan worden.

  • Let bij de draagzak, waarin je baby horizontaal ligt, extra goed op dat hij vrij kan ademen en het niet te warm heeft.
  • Probeer voor elk gebruik de drager te controleren op slijtage en kijk of de sluitingen nog goed werken.
  • Ga niet met een buikdrager sporten, autorijden of huishoudelijk werk doen. Dit kan gevaarlijke situaties voor je baby opleveren.

Rugdrager

Een rugdrager kun je pas gebruiken als je kind al goed rechtop kan zitten. De rugdrager is geschikt voor kinderen tot ongeveer vier jaar. Ga liever niet met een rugdrager sporten, autorijden of huishoudelijk werk doen. Dit kan gevaarlijke situaties voor je baby opleveren.

Veiligheidseisen

Op de website VeiligheidNL staat uitgebreid aan welke eisen een draagsysteem moet voldoen.

Box

Voor baby's is de box een veilige plek. Het is aan te raden het rustig op te bouwen: als je kind de eerste keer een kwartier in de box ligt, is dat lang genoeg. Zo geef je hem de tijd om aan de box te wennen.

Verstelbare bodem

Veel boxen hebben een verstelbare bodem. Tegen de tijd dat je kind zich begint op te trekken en wil gaan staan, zet je de bodem in de laagste stand.

Wat voor type box?

Er zijn boxen met spijlen. En boxen met netten. Als je een nieuwe box koopt, weet je zeker dat het veilig is. De veiligheidseisen zijn te vinden op de website van VeiligheidNL.

Tips

De afstand tussen de spijlen moet tussen de 4,5 en 6,5 centimeter zijn. Net als bij een bedje. Let daarop als je een oude box hebt. Een box met spijlen heeft voordelen.

  • Je kind kan de spijlen vastpakken om te zitten en te gaan staan.
  • De box staat niet op de grond. Het is daarom minder koud.
  • De box kun je vaak van hoogte veranderen. Dit is handig als je je kind uit de box wilt pakken.
  • De box heeft vaak een la. Dat is handig voor het opbergen van speelgoed.

Een netbox is lichter en kleiner om in te klappen. Je kind kan wel minder goed steunen. Ook ziet je kind minder door het net.

Speelgoed

Ook als je baby wat ouder is, kun je hem nog prima in de box leggen. Als je regelmatig even wat ander speelgoed in de box legt, blijft het voor je kind leuk.

Loopstoeltje

Als je tijdens de zwangerschap je inkopen doet voor de baby of een verlanglijstje maakt met dingen om cadeau te vragen, is het goed om te weten dat het gebruik van loopstoeltjes sterk wordt afgeraden.

Er gebeuren veel ongelukken mee. Daarnaast kan een loopstoeltje een vertraging in de loopontwikkeling veroorzaken. Een kind leert in elk geval niet eerder lopen door het gebruik van een loopstoeltje.

Kruik

Er zijn verschillende soorten kruiken verkrijgbaar, zoals een elektrische oplaadbare kruik, een pittenkruik of een warmwaterkruik. Het is belangrijk om kruiken voor gebruik altijd te controleren.

Warmwaterkruik vullen

  • Zet de kruik in de gootsteen.
  • Vul de kruik helemaal met heet kraanwater.
  • Gebruik alleen kokend water als je arts, verloskundige of kraamverzorgende dat nodig vindt.
  • Pak de kruik met een doek en draai de dop erop.
  • Kijk of de kruik lekt: rol de kruik na het afdrogen over een droog aanrecht. Schud hem heen en weer met de sluiting naar beneden.

Nooit bij je baby in bed

Leg je baby nooit met een kruik in bed! Gebruik de kruik alleen om het bed warm te maken vóórdat je kindje naar bed gaat. Haal de kruik dus uit het bed voordat je je baby in bed legt. En gebruik om elke kruik een kruikenzak!

Op de website van VeiligheidNL kun je meer informatie vinden over het gebruik van een kruik.

Vakantie

Ook als je zwanger bent, wil je misschien graag even op vakantie. Dat is zeker mogelijk. Het is wel verstandig om van te voren uit te zoeken of er gezondheidsrisico's zijn.

Inentingen

Wanneer je naar een ver land wilt gaan, zou het bijvoorbeeld kunnen dat je inentingen nodig hebt. Als je zwanger bent, mag je bepaalde inentingen niet toegediend krijgen. Ook wanneer je bepaalde activiteiten wilt gaan doen, is het goed om te checken of er voor zwangeren risico's aan verbonden zijn.

Reisadvies

Omdat je als je zwanger bent nu eenmaal meer gezondheidsrisico's loopt, is het verstandig om je huisarts te raadplegen als je naar het buitenland gaat. Dat kun je het best doen voordat je een vakantie boekt. Je huisarts, je verloskundige of de GGD kunnen je vertellen welke inentingen je nodig hebt voor welke verre landen. Zij kunnen je eventueel ook ander medisch advies geven over bijvoorbeeld zwangerschapskwaaltjes op reis, of je met het vliegtuig kunt gaan, wat je wel of niet mag eten, of je kunt zonnen en hoe je met hygiëne om kunt gaan.

Tips

  • Maak geen hele lange autoritten.
  • Neem genoeg rust.
  • Na 32 weken mag je niet meer vliegen. Vliegmaatschappijen willen liever geen bevallingen in de lucht. Iedere vliegmaatschappij heeft zijn eigen regels hierover. Vraag dit aan de vliegtuigmaatschappij voordat je je vakantie boekt.
  • Kijk uit met ziektes in verre landen. Ga je naar een ver land? Zoek dan uit of er bepaalde ziektes voorkomen in dat land. Je hebt namelijk minder weerstand als je zwanger bent. Daardoor kun je sneller ziek worden of zieker dan normaal.
  • Een infectieziekte kan gevaarlijk zijn voor je ongeboren kind.

Activiteiten in de vakantie

Als je hoogzwanger bent, is het beter om geen gevaarlijke activiteiten te ondernemen tijdens je vakantie. Bij veel activiteiten is het risico op vallen, botsen, struikelen en stoten aanwezig. Je kunt hierbij denken aan skiën, raften en abseilen en andere gevaarlijke sporten. Als je toch bepaalde activiteiten graag wilt doen, dan is het raadzaam om extra voorzichtig te zijn en rustig aan te doen.

Grote hoogtes

Het is verstandig om bestemmingen op grote hoogtes te vermijden, zoals bergachtige gebieden. Zeker in de eerste 3 maanden van je zwangerschap. Hoogtes vanaf 2000 meter kunnen problemen geven omdat de luchtdruk daalt. Door de lage luchtdruk is er minder zuurstof. Je ongeboren kind kan hierdoor een zuurstofgebrek krijgen. Bergbeklimmen is dus niet aan te raden. En zeker parachutespringen is zeer onverstandig.

Zwemmen

Zwemmen is goed voor je. Doordat je je gewichtloos voelt in het water, kun je je vrij bewegen zonder extra belasting op je gewrichten. Je mag dus zwemmen en snorkelen in het zwembad, een meer of in zee. Als je in zee gaat zwemmen, is het onverstandig om ver de zee in te zwemmen. Je kunt vermoeid raken en de zee heeft een trekkende kracht. Het is dus moeilijker om terug te zwemmen naar het strand. Het is ook onverstandig om te gaan duiken in zee. Zeker diepzeeduiken wordt sterk afgeraden.

Wintersport

Voordat je op wintersport gaat, kun je met je verloskundige overleggen wat wel en wat niet verstandig is. Als je hoogzwanger bent, kun je waarschijnlijk beter niet gaan skiën. Zeker wanneer je nog maar een beginner bent. Het risico dat je valt of dat anderen een val veroorzaken is te groot. Houd ten slotte ook rekening met skigebieden op grote hoogtes in verband met het zuurstofgebrek.

Tips voor vertrek

Als je op vakantie gaat, is het verstandig om je goed voor te bereiden. Zeker wanneer je een verre reis of een lange reis gaat maken. Wat moet je voor vertrek regelen? Wat neem je mee? Zijn de reisdocumenten compleet? En is het nodig om ook een EHBO-setje in te pakken?

Voor vertrek

Voordat je vertrekt is het verstandig om een lijst te maken met alles wat nog geregeld moet worden. Bijvoorbeeld de inentingen, dat iemand de planten water geeft en voor de post zorgt, dat je de gaskraan dichtdraait, dat je de prullenbak leegt en het vuilnis weg doet.

Inpakken

Voor het inpakken, is het handig om eerst een lijst te maken van wat je mee wilt nemen. Natuurlijk kleding en schoon ondergoed, maar ook verzorgingsproducten, geneesmiddelen en reisdocumenten. Daarnaast is het ook verstandig om je verzekeringspapieren bij de hand te hebben. Maak kopieën van je reisdocumenten en andere belangrijke papieren. Als ze gestolen worden of als je ze kwijtraakt, dan kun je dit aantonen.

Medische artikelen

Als iemand in je gezin geneesmiddelen gebruikt, is het natuurlijk belangrijk om die niet te vergeten. Vraag ook je huisarts een doktersverklaring in het Engels zodat je aan kunt tonen dat het om geneesmiddelen gaat. Het komt soms voor dat geneesmiddelen in het buitenland aangezien worden voor drugs.

Andere medische artikelen die je nodig zou kunnen hebben, zijn onder andere pijnstillers, neusdruppels, middel tegen diarree, middel tegen reisziekte, een slaapmiddel, zalf tegen insectenbeten en jeuk, pleisters, jodium en een thermometer.

Verre reizen

Een verre reis, bijvoorbeeld naar China of Afrika, is een hele onderneming en vergt behoorlijk wat voorbereiding. Zeker als je zwanger bent.

Warm klimaat

Als je naar een warm land gaat, is het belangrijk om goed op je gezondheid te letten. Bereid je voor op andere temperaturen dan je gewend bent. In landen met een warm klimaat zijn er vaak meer ziektes. Daarom is het belangrijk om je van te voren te laten inenten. Tijdens je vakantie is het ook verstandig om veel water te drinken tegen uitdroging door de hitte. Je kunt eventueel bij de apotheek of de drogist vochtregulerende middelen kopen.

Zwanger in het vliegtuig

Als je zwanger bent, mag je in de meeste gevallen gewoon vliegen tot je in de 34e week van je zwangerschap bent. Als je een medische indicatie hebt, kan dat echter wel problemen opleveren. Een maatschappij kan je dan weigeren.

  • Het is verstandig om voor het boeken van een reis informatie bij de desbetreffende luchtvaartmaatschappijen op te vragen over hun regels betreffende zwangerschap en vliegen.
  • Zorg voor de zekerheid ook voor een zwangerschapsverklaring, het liefst in het Engels.

Ziektes in het buitenland

Als je zwanger bent en op vakantie gaat naar een ver land of naar een onderontwikkeld land, dan is het mogelijk dat je bepaalde inentingen nodig hebt. Als zwangere vrouw mag je niet alle inentingen toegediend krijgen wegens gezondheidsrisico's voor je ongeboren kind.

Inentingen

De vaccinaties tegen de mazelen, de bof, rodehond en de gele koorts worden meestal niet gegeven aan zwangere vrouwen. Het is daarom af te raden om op vakantie te gaan naar gebieden waar deze ziektes voorkomen. Zeker wanneer medische hulp niet of nauwelijks aanwezig is.

Het is verstandig om voordat je een vakantie boekt je huisarts te vragen welke inentingen je wel kunt krijgen en naar welke verre landen je kunt gaan. Inentingen tegen Hepatitis A en B zijn bijvoorbeeld wel mogelijk.

Besmetting voorkomen

Ook als je ingeënt bent, is het van belang om besmetting te voorkomen. Er zijn immers ook veel ziektes waarvoor je niet ingeënt kunt worden. Let daarom vooral goed op persoonlijke hygiëne, maar ook op de hygiëne van voedsel en drinkwater. Drink alleen mineraalwater uit flesjes en gebruik ook geen ijsblokjes die gemaakt zijn van kraanwater.

Malaria

Malaria is gevaarlijk voor jezelf en voor je ongeboren kind. De risico's zijn groot. Je loopt bijvoorbeeld het risico op een miskraam of op een vroeggeboorte. Het is daarom onverstandig om op vakantie te gaan naar gebieden waar malaria voorkomt. Doe je dat toch dan zijn er een paar malariamiddelen die je kunt gebruiken. Dit voorkomt echter niet dat je gestoken wordt door de malariamuggen. Daarom is het verstandig om de volgende voorzorgsmaatregelen te nemen:

  • Blijf binnen tijdens de ochtend- en avondschemering.
  • Draag kleding waarmee je zo veel mogelijk je huid bedekt.
  • Plaats horren en klamboes die je hebt behandeld met een insectenwerend middel.
  • Voor zover bekend, is het insectenwerend middel DEET het enige middel dat een sterk afwerende werking heeft tegen muggen en teken. DEET is in meerdere vormen verkrijgbaar.

Relaties

De meeste kinderen groeien op in een gezin. Vroeger bestond het gezin meestal uit een vader en moeder met broertjes en/of zusjes. Maar tegenwoordig kennen we ook gezinnen met bijvoorbeeld gescheiden ouders, alleenstaande ouders, pleegouders en homoseksuele ouders.

Waardevolle basis

Hoe je gezin ook is samengesteld: het blijft een belangrijke thuishaven voor je kind. Dé plek waar hij moet kunnen rekenen op veiligheid, liefdevolle aandacht, zorg en respect. Hier leert je kind met relaties om te gaan en legt hij de basis voor zijn verdere leven.

Ook vind je informatie op deze website over gezinssamenstelling en samenlevingsvormen.

Gezinssituatie

Als 1 of meer volwassenen voor 1 of meer kinderen zorgen dan noemen we dat een gezin.

Er zijn veel soorten gezinnen. Bijvoorbeeld gezinnen met 1 vader of 1 moeder die we alleenstaande ouders noemen. Maar ook gezinnen met 2 vaders of 2 moeders. Soms voeden ouders kinderen op van anderen. Voorbeelden zijn een oma of tante. Gezinnen die kinderen van anderen opvoeden zijn bijvoorbeeld pleeggezinnen, adoptiegezinnen en stiefgezinnen.

Bijzondere gezinssituatie

Voorbeelden van een bijzondere gezinssituatie zijn een groot gezin, en een gezin met kinderen die eerst in een ander gezin opgroeiden een samengesteld gezin. Als ouders uit verschillende landen komen noemen we dat wel een multicultureel gezin.

Het belangrijkste voor kinderen en ouders is dat je samen gelukkig bent en goed voor elkaar zorgt.

Alleenstaande ouders

Als je er als ouder alleen voor staat, is het misschien niet altijd makkelijk om voor je kind(eren) te zorgen. Zeker als je een scheiding hebt doorgemaakt, of als je je partner bent verloren. Maar het kan natuurlijk ook zijn dat je alleenstaand ouderschap een bewuste keuze was.

Zoek steun in je omgeving

Het is goed om mensen om je heen te zoeken. Mensen met wie je kunt praten over je zorgen en verlangens. Denk aan je ouders, familieleden en vriendinnen. Zij zijn ook belangrijk als je gaat bevallen. Je wilt misschien iemand bij je hebben tijdens de bevalling. Je moeder, zus of een vriendin. Ook na de bevalling heb je mensen nodig. Er kan altijd een moment komen dat je het niet alleen kunt. Je voelt je zekerder als je nu al weet wie je willen helpen.

Werk en inkomen

Alleen je kind opvoeden kan lastig zijn als je de zorg voor je kind moet combineren met je werk of je studie. Als je geen werk hebt, kom je misschien in de bijstand terecht. Je moet dan leven van een bestaansminimum. Daarom is het bijna altijd beter om een goede opleiding te volgen en een leuke baan te zoeken.

Ontheffing arbeidsplicht

Je kunt ontheffing van de arbeidsplicht krijgen om voor je kind te zorgen. Maar als je kind jonger is dan 5, heb je wel scholingsplicht. Je kunt overigens maar eenmalig voor maximaal 6 jaar ontheffing van arbeidsverplichting aanvragen. Ook al krijg je er meer kinderen bij in de tijd voordat je kind 5 wordt.

Kinderalimentatie

Als je gescheiden bent en je kind in huis neemt, dan zul je ook alimentatie ontvangen van je ex-partner. Op die manier deel je in de kosten voor de zorg van je kind.

Alleenstaande ouderkorting

Als alleenstaande ouder heb je onder voorwaarden recht op alleenstaande ouderkorting. Deze korting kun je krijgen als je je kind in belangrijke mate zelf onderhoudt en geen partner hebt.

Tips

  • Koop een schriftje. Schrijf daarin adressen en telefoonnummers op van mensen, die je willen en kunnen helpen.
  • Vraag iemand als voogd voor je kind. Hij of zij zorgt voor je kind als er iets met jou gebeurt. Je kunt dit vastleggen bij de notaris.
  • Kijk of een FIOM in de buurt zwangerschapsgymnastiek voor alleenstaande moeders organiseert.

Co-ouders

Co-ouderschap is een manier waarop je samen de zorg voor je kind draagt, bijvoorbeeld na een scheiding.

Scheiding

Als je zwanger bent en je gaat van elkaar scheiden voordat jullie kind geboren wordt, dan moet de vader zijn kind erkennen bij de gemeente om de wettelijke vader te worden van het kind. Als hij de wettelijke vader is, heeft hij een erfelijke band met het kind en ook onderhoudsplicht.

Onderhoudsplicht

Als je kiest voor het co-ouderschap, vul je samen de onderhoudsplicht in. Co-ouders delen zo veel mogelijk de zorg en opvoeding van hun kinderen. Je bent vanaf het moment van de scheiding wettelijk gezien allebei een alleenstaande ouder zodra jullie kind is geboren, maar als je kiest voor een co-ouderschap blijf je samen voor je kind zorgen.

Samen afspraken maken

Bij scheidingen die niet goed verlopen en waarbij de partners veel ruzie hebben, is het meestal onmogelijk om een goede relatie te behouden en samen zorg te dragen voor de kinderen. Het co-ouderschap vereist een stabiele basis. Het is belangrijk dat je met elkaar kunt praten, dat je dicht bij elkaar woont, dat je goede afspraken maakt en dat je het belang van je kinderen voorop stelt. Deze afspraken kun je eventueel op papier laten vastleggen bij de notaris.

Ouderschapsplan

Sinds maart 2009 moeten alle ouders met minderjarige kinderen die een scheiding aanvragen ook een ouderschapsplan indienen. In het ouderschapsplan moeten in ieder geval afspraken staan over de zorgverdeling en omgangsafspraken, over informatie-uitwisseling tussen de ouders en over de kinderalimentatie.

Meerouderschap

Meerouderschap is een vorm van co-ouderschap en houdt in dat je als het ware een kind deelt met een ander stel of een ander persoon. Als co-ouders draag je samen de zorg voor het kind. Dit wordt bijvoorbeeld veel gedaan door homoseksuele stellen.

Jonge ouders

Het kan gebeuren dat je al op jonge leeftijd moeder of vader wordt. Misschien is je zwangerschap een bewuste keuze. Maar het kan ook zijn dat het niet de bedoeling was, en dat je er toch voor kiest om de baby te houden.

Werk en studie

Het is lastig om het ouderschap te combineren met je werk of studie. Zeker wanneer je er alleen voor staat, bijvoorbeeld als tienermoeder, is het lastig om goed voor je kind te zorgen. In Nederland zijn veel hulporganisaties die je kunnen informeren en helpen bij de zorg en opvoeding van je kind. Bijvoorbeeld de FIOM.

Zelfstandig wonen

Als je zwanger bent voor je achttiende kan het zijn dat je bij je ouders bent blijven wonen. Maar ook al ben je nog geen achttien, als je een kind krijgt en zelfstandig wilt gaan wonen, dan zit je in een bijzondere situatie en kunnen er uitzonderingen worden gemaakt. Via de woningstichting kun je waarschijnlijk urgentie aanvragen. Je krijgt dan voorrang op alle andere woningzoekers. Via de Belastingdienst Toeslagen kun je vervolgens huurtoeslag aanvragen.

Samenlevingsvormen

Misschien sta je er niet alleen voor, maar ga je samen met je vriend of vriendin voor jullie kind zorgen. Dan is het goed om ook eens na te denken over de verschillende juridische samenlevingsvormen die er zijn. Je kunt bijvoorbeeld gaan samenwonen en een samenlevingscontract opstellen. En je kunt eventueel ook trouwen, ook als minderjarige. Denk hier van te voren goed over na en maak geen overhaaste beslissingen, omdat anderen dat van je verwachten. Trouwen kan later ook nog wel.

Tienermoeder of -vader

Je bent niet de enige die heel jong moeder wordt. Hopelijk kun je als (aanstaande) moeder en vader bij elkaar terecht voor steun, gaan jullie samen naar de controles en naar een cursus. Alle informatie over zwanger- en ouderschap op deze site is ook voor jou bedoeld. Maar je loopt misschien ook tegen specifieke zaken en problemen aan. Zoals dat je óók nog een opleiding wilt volgen. Dat je omgeving je veroordeelt. Dat je nog niet zelfstandig woont. Dat je weinig of geen steun van je partner krijgt. Enzovoort.

Contactgroep tienerouders

Je hoeft het niet alleen uit te zoeken. Je kunt de verloskundige vragen naar de speciale cursussen of contactgroepen voor tienerouders. Of neem contact op met de FIOM. Het is leuk om contact te zoeken met andere tienermoeders. Sommige steden zullen een centrum voor jonge moeders hebben. Soms organiseert een FIOM in de regio gespreksgroepen voor jonge moeders. Je kunt dan praten over je zwangerschap, de bevalling, moeder zijn en opvoeden. De FIOM organiseert ook zwangerschapsgymnastiek voor tienermoeders.

De FIOM heeft een website speciaal voor tienermoeders en tienervaders ontwikkeld, waar je veel informatie en steun kunt vinden.

Multiculturele gezinnen

Als je je kind opvoedt vanuit 2 culturen, probeer je beide culturen te combineren. Je verdiept je in de cultuur van je partner en natuurlijk andersom ook. Toch blijft je eigen cultuur misschien het meest vertrouwd.

2 Culturen

Verschil zit soms al in de kleinste dingen. Bijvoorbeeld wat je je kind te eten geeft, wat je doet als je kind huilt en hoe laat je je kind naar bed brengt. Je partner kan vanuit zijn eigen cultuur daar een andere mening over hebben. Daarom is het belangrijk dat je goed overlegt hoe je je kind opvoedt en waarom je dat op die manier wilt doen.

Behalve binnen je eigen gezin, heb je ook te maken met de cultuur van je ouders en van je schoonouders. Zij zullen misschien minder begrip voor je hebben als je iets doet op je eigen manier of op de manier van je partner.

2 Religies

Als je binnen je gezin te maken hebt met 2 verschillende religies, dan is het belangrijk om elkaars geloof te respecteren en om je daar in te verdiepen. Natuurlijk hoef je je niet tot het geloof van je partner te bekeren. Het is wel raadzaam om goede afspraken te maken over je kind en met welk geloof hij eventueel opgevoed wordt.

2 Talen

Misschien spreken jij en je partner een verschillende moedertaal. Je kunt er dan voor kiezen om je kind tweetalig op te voeden. Op die manier zal je kind goed in staat zijn om te communiceren met de familie aan beide kanten. Als je je kind Nederlands-Engels opvoedt, zou je je kind later ook naar een tweetalige school kunnen laten gaan.

Homoseksuele ouders

Onze samenleving is vooral gericht op heteroseksuele ouders. Dat komt het meeste voor en wordt door de meeste mensen als 'normaal' beschouwd. De biologische ouder wordt vaak als de echte ouder gezien. Maar ook adoptieouders, pleegouders, stiefouders en homoseksuele en lesbische ouders zijn echte ouders!

In elk gezin gaat het erom dat je de zorg en opvoeding van je kinderen voorop stelt. Ook al gaat het om een bijzondere gezinssituatie.

Kinderen en hun omgeving

Jonge kinderen ervaren de situatie dat ze 2 vaders of 2 moeders hebben meestal als normaal. Ze zijn niet anders gewend. Maar als je kind ouder wordt, kan hij vragen gaan stellen of krijgt hij misschien vragen van nieuwsgierige vriendjes en vriendinnetjes. Sommige pubers zijn misschien bang dat ze door de groep uitgelachen, buitengesloten, of gepest zullen worden. Meestal zijn er geen problemen.

Openheid en uitleg

Het is beter dat je je niet afsluit voor je omgeving, maar dat je open bent en ook bereid bent om uitleg te geven. Als je bijvoorbeeld op de basisschool merkt dat vriendjes en vriendinnetjes van je kind vragen beginnen te stellen, kun je aan de meester of juf van je kind voorstellen om in de klas uitleg over jullie gezinssituatie te geven.

Grote gezinnen

Vroeger kwamen grote gezinnen meer voor dan nu. Er waren soms zelfs ouders die meer dan 10 kinderen hadden. Sindsdien is er een hoop veranderd en noemen we een gezin met 4 kinderen al 'groot'.

Tweelingen

Misschien wilde je altijd al graag een groot gezin hebben. Dat kan. Maar het kan ook zijn dat je het van te voren niet had gedacht dat je een groot gezin zou hebben. Als je een bijvoorbeeld een tweeling krijgt, breidt je gezin meteen al aardig uit. Vooral als het je tweede of derde zwangerschap is.

Een groot gezin is gezellig

Een groot gezin is gezellig en leuk, maar ook vol en druk. Als ouder is het misschien lastig om je aandacht en zorg te verdelen over al je kinderen. Dat vergt een hoop van jezelf. Vooral omdat je ook je werk en het huishouden met de zorg voor je kinderen moet combineren. Dat is misschien druk, maar niet onmogelijk. Je kunt bijvoorbeeld elk kind zijn eigen huishoudelijke klusjes geven.

Kinderen kosten geld

Een groot gezin kost veel. Het meeste geld gaat op aan huisvesting en voeding. De rest vooral aan kleding, ontspanning, gezondheid en onderwijs. Hoe groter je gezin, hoe belangrijker het is dat je je kinderen financieel kunt ondersteunen.

Samengestelde gezinnen

Als je een relatie met elkaar aangaat en je neemt allebei kinderen mee uit een vorige relatie, dan heb je een samengesteld gezin. Deze gezinnen zijn vaak groot, en dat brengt natuurlijk een behoorlijke organisatie met zich mee.

Familie

De kinderen hebben ineens meer familie dan voorheen. Er zal waarschijnlijk ook een omgangsregeling zijn voor de kinderen met je eigen ex en ook met de ex van je partner. Dit kan soms een beetje ingewikkeld worden. Een goede omgang met de ex-partners, is natuurlijk belangrijk voor de zorg en de opvoeding van de kinderen.

Ouderlijk gezag

Je bent niet automatisch de wettelijke ouder van de kinderen van je partner. Ook niet als je trouwt. Je kunt alleen het ouderlijk gezag krijgen over de kinderen van je partner, als je kiest voor stiefouderadoptie. Zowel de kinderen, als je partner en de ex van je partner moeten het hier allemaal mee eens zijn. Als je getrouwd bent met je nieuwe partner (of een geregistreerd partnerschap aangaat) en jullie krijgen samen een kind, dan hebben jullie wel meteen gezamenlijk gezag over je kind. Is dat niet zo dan moet je partner het kind eerst erkennen. Daarna kan het gezamenlijk gezag via de rechtbank worden geregistreerd in het gezagsregister.

Juridisch vastleggen

Als je een relatie met elkaar aangaat, waarbij ook kinderen zijn betrokken, is het verstandig om een duidelijke vorm van samenleven te kiezen. Zeker als je ook eigendommen deelt, zoals een woning. Als je met elkaar trouwt, is het verstandig om ook na te denken over de huwelijkse voorwaarden. Misschien wil je een testament opmaken, zodat je stiefkinderen ook iets van je kunnen erven.

Stiefouders

Als je een relatie aangaat met iemand die kinderen meeneemt uit een vorige relatie, dan krijg je in de praktijk meestal de rol van stiefouder als jullie relatie steeds meer een serieuze vorm krijgt. Je zult dan ook meer betrokken raken bij de kinderen van je partner.

Acceptatie

Misschien vinden de kinderen het moeilijk om jou te accepteren als stiefouder. Het is niet zo dat je de plaats in neemt van hun vader of moeder. Je hebt in feite ook weinig zeggenschap over de kinderen van je partner. Natuurlijk kun je wel je best doen om je partner te helpen bij de zorg en opvoeding van zijn kinderen. Het is belangrijk dat je dit soort kwesties met elkaar bespreekt. Ook wanneer je merkt dat de kinderen moeite hebben om jou als stiefouder te accepteren. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat de kinderen zich tegen je keren.

Familie

In je relatie heb je meestal ook te maken met de ex van je partner. De kinderen hebben het volste recht om hun ouders te zien en ook met hun familie om te gaan. Het kan soms lastig zijn om een goede band te onderhouden met de ex-partner en de familie. Toch is het in veel situaties belangrijk voor de kinderen.

Als er geen contact meer is met de ex van je partner, of als deze is overleden, dan kun je overwegen om je stiefkinderen te adopteren.

Stiefouderadoptie

In principe zijn je stiefkinderen niet je echte kinderen. Je hebt niet het ouderlijk gezag over hen, ook niet als je met je partner trouwt. Als je wel het ouderlijk gezag over je stiefkinderen wilt krijgen, dan is er de mogelijkheid tot adoptie van je stiefkind. Dit heet stiefouderadoptie. De rechter zal daarbij altijd rekening houden met de mening van het kind. Vanaf 12 jaar is de instemming van het kind nodig voor de stiefouderadoptie. Ook de ex van je partner moet met de stiefouderadoptie willen instemmen.

Adoptieouders

Als je zelf geen kinderen kunt krijgen en je wilt toch graag je kinderwens in vervulling laten gaan, is adoptie een mogelijkheid om dat te doen. Op die manier kun je een kind, dat waarschijnlijk uit een kansarme situatie komt, een beter leven geven.

Sinds 1 januari 2009 kunnen stellen van gelijk geslacht (man en man of vrouw en vrouw) onder voorwaarden ook een kind adopteren.

Adoptie

Veel kinderen worden geadopteerd als ze baby zijn en passen zich meestal makkelijk aan hun nieuwe situatie aan. Buitenlandse adoptiekinderen die iets ouder zijn moeten vaak erg wennen aan hun nieuwe situatie. Vooral als ze in hun nog korte verleden al aardig wat hebben meegemaakt, zoals verwaarlozing en verzwakking door honger en armoede. Na de adoptie kan een kind daardoor problemen vertonen.

Ondersteuning

Ouders worden van te voren ingelicht over de emotionele ontwikkeling van hun adoptiekind. De voorgeschiedenis van een kind kan immers veel invloed hebben. Het is belangrijk dat het kind een goede relatie vormt met zijn adoptieouders. Als je merkt dat er iets niet goed zit en dat je kind problemen vertoont, is het verstandig om steun of hulp in te schakelen.

Probleemgedrag

Als er problemen ontstaan uiten die zich meestal in het gedrag van je kind. Je kind wil bijvoorbeeld niet aangeraakt worden, of is juist heel erg aanhalig. Het kan ook zijn dat je kind niet goed leert, niet goed overweg kan met klasgenootjes en misschien zelfs agressie toont. Als je kind ouder wordt, kunnen deze problemen groter worden. Voor steun of hulp hierbij kan je altijd naar het CJG gaan. Het kan ook prettig zijn om contact te hebben met ouders in dezelfde situatie. Er zijn verenigingen voor adoptieouders.

Pleegouders

Pleegouders zijn mensen die voor korte of langere tijd een kind in huis opnemen dat niet thuis kan wonen.

Bureau Jeugdzorg

Voordat een kind bij pleegouders wordt geplaatst, moet de kinderrechter een uithuisplaatsing uitspreken, meestal op verzoek van Bureau Jeugdzorg. Op basis van gesprekken en onderzoek wordt bepaald of het kind in een pleeggezin komt en voor hoe lang. Daarna wordt er een geschikt gezin uitgezocht en zal de kennismaking plaatsvinden.

Pleegzorg in Nederland

Via de stichting Pleegzorg Nederland kun je veel te weten komen over het pleegouderschap en de zorg voor pleegkinderen. Elke regio heeft zijn eigen pleegzorginstelling die regelt dat pleegkinderen geplaatst worden bij pleegouders. Je kunt je bij hen opgeven als je pleegouder zou willen worden.

Introductieprogramma

Bij de pleegzorginstelling volg je eerst een introductieprogramma. Aan de hand daarvan weet je of je inderdaad pleegouder wilt worden en kan de instelling voor pleegzorg inschatten of je daarvoor geschikt bent. Wil je pleegouder worden en zijn er geen bezwaren, dan kom je in het bestand van beschikbare pleegouders. Je kunt dan kiezen voor bepaalde vormen van pleegzorg, namelijk kortdurende, deeltijd- en langdurige pleegzorg.

Kortdurende pleegzorg

Soms gaat het maar om een korte periode waarin pleegzorg nodig is. Die periode is genoeg om ervoor te zorgen dat de problemen thuis worden opgelost. Het doel van deze vorm is dat het kind weer terug naar huis gaat. Deze vormen van pleegzorg heten crisispleegzorg, pleegzorg ter overbrugging of pleegzorg ter observatie.

Deeltijdpleegzorg

Sommige kinderen wonen thuis, maar gaan ook regelmatig naar hun pleegouders. Bijvoorbeeld in de weekenden en in de vakanties. Dit heet vakantiepleegzorg, weekendpleegzorg, dagpleegzorg en ondersteunende pleegzorg.

Langdurige pleegzorg

Wanneer het kind niet zo makkelijk naar huis kan, vanwege grote problemen thuis, dan kan het zijn dat het kind voor langere tijd bij zijn pleegouders verblijft. Dit kan in principe duren totdat het kind 18 is geworden. Maar het kan ook nog langer duren dan dat. Deze vormen van pleegzorg heten pleegzorg als opvoedingsvariant en therapeutische pleegzorg.

Multiprobleemgezinnen

Ieder gezin heeft wel eens problemen. Maar het is ook mogelijk dat je wel heel veel problemen hebt, dan heb je waarschijnlijk veel hulp nodig om er uit te komen.

Veel problemen

Je kunt op veel gebieden problemen hebben: te weinig geld, een slecht huis, het opvoeden van je kinderen gaat lastig, vaak ruzie met je partner, je voelt je somber... Het kan je veel te veel worden. Als je verschillende problemen tegelijk hebt, en al lang, kom je er alleen niet uit.

Waar kun je terecht?

Zorg voor steun in je omgeving. Maar als je veel problemen hebt is dat niet genoeg. Je kunt het best contact opnemen met het Centrum voor Jeugd en Gezin, je huisarts of het maatschappelijk werk.

Welke hulp?

Je hebt meer nodig dan alleen een hulpverlener die met je praat. Je hebt mensen nodig die je praktische steun geven en helpen om je problemen op te lossen. Bijvoorbeeld: je helpt met het aanvragen van bijzondere bijstand, schuldsanering, een beter huis, iemand die je thuis helpt bij het opvoeden. Het hangt er natuurlijk van af van wat jij aan hulp nodig hebt.

Beter samenwerken

Er is veel hulp mogelijk en er zijn veel instanties die hulp bieden. Dat is goed, maar ook vaak lastig. Soms werken hulpverleners niet goed samen. Het is dan heel fijn als je een hulpverlener hebt, bijvoorbeeld een gezinscoach, die zorgt dat de hulpverleners beter samenwerken.

Seks tijdens zwangerschap

Een zwangerschap heeft grote invloed op je seksleven. Niet alleen je lichaam verandert, maar ook je gevoelsleven. De een zoekt meer lichamelijk contact, de ander gaat helemaal op in het zwanger zijn en heeft hier minder behoefte aan.

Geen zin

De zwangerschap is niet alleen voor jou een hele verandering, maar ook voor je partner. Het is begrijpelijk dat je misschien de eerste tijd geen zin hebt in seks, maar je partner wel. Het kan natuurlijk ook andersom zijn. Dit kan voor je partner erg lastig en verwarrend zijn. De manier waarop jullie hiermee omgaan is belangrijk voor jullie relatie.

Uit onderzoek blijkt dat de meeste vrouwen de eerste 3 maanden minder zin hebben in seks. Vaak ben je dan misselijk, moe en wat depressiever dan anders. Na 3 maanden krijgen ze meestal weer meer zin in seks.

Ongevaarlijk

Seks tijdens de zwangerschap is in de meeste gevallen ongevaarlijk, behalve bij medische problemen, zoals een voorliggende placenta. Dat hoor je dan van je verloskundige. Sommige standjes zijn misschien niet meer zo gemakkelijk met een dikke buik, maar seks tijdens je zwangerschap kan heel prettig zijn. Bovendien houdt het je bekken soepel en sterk. Het is dus ook een goede voorbereiding op je bevalling.

Goed beschermd

Penetratie is niet schadelijk voor de ongeboren baby. Hij is goed beschermd door de vliezen en het vruchtwater in je baarmoeder. Het is een fabel dat seks slecht is voor je baby en zelfs een miskraam zou kunnen veroorzaken. Je baby merkt er niets van dat jij en je partner seks hebben.

Laatste maand

Sommige artsen adviseren geen seks meer te hebben in de laatste maand van de zwangerschap, omdat de vliezen dan elk moment kunnen breken. Anderen artsen zeggen dat seks in de laatste maand juist wel kan. Er wordt vaak gezegd dat in sperma het hormoon prostaglandine zit, wat de bevalling kan opwekken. Er zit inderdaad een stofje in het sperma dat ook zit in het medicijn waarmee de artsen in het ziekenhuis de bevalling opwekken. Maar er zit zo weinig in het sperma, dat je hiervan nooit weeën kan krijgen als je baarmoeder daar niet klaar voor is.

Als je twijfelt, of je er gewoon niet prettig bij voelt, doe het dan gewoon niet. Wel staat vast dat er niets in de vagina mag komen als je vliezen zijn gebroken. Het breken van je vliezen geeft de start van de bevalling aan, seks is dan zeer onverstandig.

Na het vrijen

Na het vrijen kun je wel last hebben van een harde buik. Dat is een hard en pijnlijk gevoel, alsof je baarmoeder een harde bal is. Dat komt doordat de spieren in je baarmoeder tijdens een orgasme samentrekken. Het kan uren duren voordat je buik weer soepel is. Het is belangrijk dat je probeert te ontspannen: adem rustig naar je buik toe, maak je buik bol bij een inademing en blaas daarna rustig uit. Ook een warme douche of een warme kruik tegen je buik kunnen je helpen ontspannen.

Geen zin in seks

Tijdens je zwangerschap verandert niet alleen je lichaam, maar ook hoe je je voelt. Dat is logisch, want de hormonen gieren door je lichaam. Voor je partner is dit natuurlijk ook even wennen.

Verschillen

De ene vrouw heeft tijdens haar zwangerschap minder zin in seks dan daarvoor, de andere juist meer. In beide gevallen is er geen reden tot zorgen. Het is namelijk heel normaal dat de zin in seks verandert, zowel bij jou als bij je partner.

Minder zin

De eerste weken hebben de meeste vrouwen minder zin in seks omdat ze misselijk of moe zijn. Dit is volkomen begrijpelijk. Als je partner hiernaar vraagt, is het belangrijk dat je dit uitlegt. Wanneer de misselijkheid over is en je minder moe bent, krijg je vaak weer meer zin in seks.

Partner

Het kan natuurlijk ook zo zijn dat je partner minder zin heeft in seks. Dit kan verschillende redenen hebben. Jij verandert lichamelijk. Het wordt steeds duidelijker zichtbaar dat je zwanger bent. Het kan zijn dat je partner daar zo van onder indruk is, dat hij het minder fijn vindt om te vrijen. Misschien is hij ook bang om de baby pijn te doen tijdens het vrijen.

Begrip

De manier waarop jullie omgaan met deze veranderende behoefte aan seks, is belangrijk voor jullie relatie. Probeer geduld te hebben met elkaar. Praat er eventueel over. En gun elkaar de tijd om aan de nieuwe situatie wennen

Seks na de bevalling

Na de bevalling kun je binnen 3 weken alweer zwanger worden. Het is niet verstandig om binnen 9 maanden weer zwanger te worden. Zorg dat je lichaam eerst weer een beetje 'gewoon' voelt.

Voorbehoedsmiddelen

Als je borstvoeding geeft, mag je niet de pil slikken. Gebruik een condoom als je gaat vrijen. Of ga naar je huisarts voor een speciale pil of een spiraaltje.

De keuze voor een voorbehoedsmiddel hangt af van een aantal vragen.

  • Geef je borstvoeding?
  • Wil je nog meer kinderen?
  • Wil je hormonen gebruiken?

Je kunt het best je verloskundige, gynaecoloog of huisarts om advies vragen.

Een broertje of zusje

Als er een baby op komst is, is het verstandig om je peuter bij de zwangerschap te betrekken en hem goed voor te bereiden op de komst van zijn nieuwe broertje of zusje. Niet elk kind zal immers enthousiast reageren als hij merkt dat de aandacht van zijn ouders naar de nieuwe baby uitgaat.

Wanneer vertel je het?

Vertel je kind niet te vroeg dat je zwanger bent. Hoe jonger je kind, hoe langer je er eigenlijk mee kunt wachten. Wacht in ieder geval tot je al 3 maanden in verwachting bent. De eerste 3 maanden is de periode waarin het risico op een miskraam het grootst is. Als je inmiddels een paar maanden zwanger bent, dan is het definitief dat de nieuwe baby komt. Na verloop van tijd merkt je kind misschien dat je buik groeit. Vertel je kind wat er gebeurt, ook al ziet of merkt je kind het misschien niet.

Hoe betrek je je kind bij de komst van de nieuwe baby?

Elk kind reageert anders op de komst van een nieuwe baby.

  • Laat je kind geleidelijk wennen aan het idee dat hij een broertje of een zusje krijgt.
  • Je kunt hem bijvoorbeeld meenemen naar de verloskundige, je buik laten voelen en de echo laten zien.
  • Je kunt ook samen de kinderkamer gaan inrichten. Bijvoorbeeld bij het uitzoeken van behang, een kastje en babykleding.

Hoe kan dat, een baby in mama's buik?

Wanneer je kind nog jong is, is hij misschien heel nieuwsgierig hoe de baby in je buik komt en wanneer de baby eruit komt.

  • Het is belangrijk om open te praten over hoe het kindje in je buik komt.
  • Natuurlijk is het belangrijk om je kind te vertellen over de groei van de baby en wanneer de baby geboren gaat worden.
  • Een leuke tip is bijvoorbeeld om een voorleesboekje te kopen over een nieuw broertje of zusje.

Minder aandacht en tijd

Soms is je oudste kind boos op je. Jij hebt nu minder aandacht en tijd voor hem. Doe daarom af en toe iets met je oudste kind alleen. Zo weet hij dat je hem ook nog steeds heel belangrijk vindt. Laat je oudste kind ook gewoon naar het kinderdagverblijf of de peuterspeelzaal gaan. Dat is vertrouwd en prettig voor je kind. En jij hebt wat meer tijd voor jezelf en de baby.

Samenlevingsvormen

Wanneer je in een relatie echt voor elkaar kiest kun je trouwen, een samenlevingscontract of een geregistreerd partnerschap met elkaar aangaan. Tussen deze vormen van verbintenissen zijn een aantal duidelijke verschillen aanwezig met betrekking tot de rechten en plichten die je naar elkaar hebt en bij het krijgen van kinderen.

Rechten en plichten

Een samenlevingscontract kent minder rechten en plichten dan een huwelijk en een geregistreerd partnerschap. Daarom moeten er goede afspraken gemaakt worden over het samenleven. Een huwelijk kent natuurlijk de meeste rechten en plichten. Er is bijvoorbeeld een onderhoudsplicht en vaak ook gemeenschap van goederen.

Kinderen

Bij kinderen is altijd van belang dat er 'familierechtelijke betrekkingen' bestaan. Als er tussen ouders en kind familierechtelijke betrekkingen bestaan, dan heeft dat gevolgen voor onder andere de achternaam van het kind, het gezag, het omgangsrecht, de nationaliteit en het erfrecht.

Zijn een man en een vrouw gehuwd en wordt er in dit huwelijk een kind geboren, dan zijn zij automatisch de ouders van dit kind. Dit is niet automatisch zo bij ouders die een geregistreerd partnerschap hebben of van gelijk geslacht zijn. Ook is dat niet automatisch het geval bij een samenlevingscontract.

Samenlevingscontract

Door te gaan samenwonen regel je nog niet meteen de bekostiging van je gezamenlijke huishouden. In een samenlevingscontract kan dit, en nog veel meer, officieel vastgelegd worden.

Andere manieren om je gezamenlijke huishouden officieel vast te leggen zijn trouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan.

Wonen

Over het samenwonen kun je in een samenlevingscontract duidelijke afspraken maken. Bijvoorbeeld over het samen huren van een woning. Wanneer je samen een woning koopt, maak dan goede afspraken over de financiering van het huis en wat er gebeurt bij een eventuele scheiding.

Geldzaken

Het voeren van een gezamenlijke huishouding brengt veel kosten met zich mee. In een samenlevingscontract wordt beschreven waaruit deze kosten precies bestaan en hoeveel kosten ieder voor zijn eigen rekening neemt. Hierbij wordt er rekening gehouden met het netto-inkomen van jezelf en het netto-inkomen van je partner.

Kinderen

Wanneer jullie een kind krijgen, dan heeft de moeder automatisch een familierechtelijke betrekking tot haar kind. In een relatie tussen een vrouw en een man moet de vader zijn kind erkennen bij de notaris of bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Daarna moet hij officieel nog het ouderlijk gezag aanvragen bij de rechter. Voor beide procedures heeft hij altijd de toestemming nodig van de moeder van het kind.

2 vaders of 2 moeders?

Als een lesbisch stel een kind krijgt en de partner van de moeder wil het kind adopteren, kan zij een adoptieverzoek indienen bij de rechtbank. Als een homopaar een kind uit het buitenland heeft geadopteerd, kan de partner van de adoptieouder het kind na een jaar ook adopteren als zij het kind in dat jaar samen hebben verzorgd en opgevoed.

Scheiding en overlijden

Het samenlevingscontract eindigt als de relatie wordt beëindigd of als één van jullie overlijdt. Het is verstandig om van te voren een testament te maken, zodat je van elkaar erft. Ook is het verstandig om in het samenlevingscontract afspraken te maken over hoe de relatie beëindigd wordt. En wat vervolgens beide partners toekomt. Ook al hoop je natuurlijk dat dit nooit zal gebeuren.

Trouwen

Voor veel mensen is hun trouwdag de mooiste dag van hun leven. Want als je gaat trouwen met de persoon van wie je houdt, is dat natuurlijk een feestje waard!

Andere manieren om je gezamenlijke huishouden officieel vast te leggen zijn een samenlevingscontract of een geregistreerd partnerschap aangaan.

Formaliteiten

Nadat jullie samen hebben besloten om te gaan trouwen, doe je hiervan aangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Als jullie willen trouwen op huwelijkse voorwaarden, is het van belang om van te voren contact op te nemen met de notaris. Als je dit niet doet, trouwen jullie in gemeenschap van goederen. Dit betekent dat alle schulden of eigendommen gedeeld worden.

Na het huwelijk zijn jullie officieel voor de wet: man en vrouw, man en man, of vrouw en vrouw. Dit betekent dat je naar elkaar een aantal rechten en plichten hebt. Hieronder vallen bijvoorbeeld het erfrecht, het successierecht en de onderhoudsplicht.

Kinderen

Als jullie als man en vrouw getrouwd zijn en een kind krijgen, dan ben je allebei automatisch de wettelijke ouders van het kind. Bij alle andere vormen van samenleven, ben je dat niet en moet de vader officieel het kind erkennen. Vervolgens moet hij het ouderlijk gezag aanvragen bij de rechter.

2 vaders of 2 moeders?

Als een lesbisch stel een kind krijgt en de partner van de moeder wil het kind adopteren, dan kan zij een adoptieverzoek indienen bij de rechtbank. Als een homopaar een kind uit het buitenland heeft geadopteerd, kan de partner van de adoptieouder het kind ook adopteren als zij het kind in dat jaar samen hebben verzorgd en opgevoed.

De familierechtelijke band met je kind

Als je als man en vrouw getrouwd bent en kinderen krijgt, zijn jullie de wettelijke ouders van het kind. Je hebt het ouderlijk gezag. Dat betekent dat je onder andere onderhoudsplicht hebt naar jullie kind, en dat er een erfrechtelijke band is.

Geregistreerd partnerschap

Het geregistreerd partnerschap lijkt in veel opzichten op het huwelijk. De voorwaarden voor het aangaan van een huwelijk en een geregistreerd partnerschap zijn gelijk aan elkaar. Net als de rechten en plichten van beide partners. Er zijn wel verschillen in de manier waarop de verbintenis tot stand komt of eventueel wordt beëindigd. En er zijn ook grote verschillen in de familierechtelijke relatie tot de kinderen.

Een andere manier om je gezamenlijke huishouden officieel vast te leggen is door een samenlevingscontract aan te gaan met elkaar.

Formaliteiten

Het geregistreerd partnerschap komt niet tot stand met het jawoord, maar met een verklaring. Hier moeten 2 tot 4 meerderjarige getuigen bij aanwezig zijn. Mochten jullie ooit in de toekomst nog overwegen te gaan trouwen, dan kan dit alleen door 'omzetting'. Dit betekent dat jullie in de woongemeente moeten trouwen. Er zijn ook geen getuigen bij het huwelijk aanwezig en je geeft dan ook niet formeel het jawoord.

Beëindiging van het partnerschap

Wanneer het geregistreerd partnerschap wordt beëindigd, kan dit alleen buiten de rechter om gaan als jullie het eens zijn over de beëindiging ervan en geen minderjarige kinderen hebben. In alle overige gevallen moet het geregistreerd partnerschap beëindigd worden door de rechter.

Kinderen

Wanneer jullie een kind krijgen, dan heeft de biologische moeder automatisch een familierechtelijke betrekking tot het kind. In een relatie tussen een man en een vrouw kan de vader alleen een familierechtelijke betrekking krijgen als hij het kind officieel erkent.

2 vaders of 2 moeders?

Ook bij geregistreerde partnerschappen en huwelijken tussen 2 partners van hetzelfde geslacht geldt dat alleen de biologische ouder automatisch een familierechtelijke betrekking heeft tot het kind.

Als een lesbisch stel een kind krijgt en de partner van de moeder wil het kind adopteren, kan zij een adoptieverzoek indienen bij de rechtbank. Als een homopaar een kind uit het buitenland heeft geadopteerd, kan de partner van de adoptieouder het kind ook adopteren als zij het kind in dat jaar samen hebben verzorgd en opgevoed.

Trouwen als minderjarige

Vroeger trouwden veel mensen al op jonge leeftijd. Tegenwoordig is dat niet meer gebruikelijk. In Nederland mag je officieel vanaf je 18e trouwen. Het kan echter voorkomen dat minderjarigen wel graag willen trouwen.

Regelgeving

Een minderjarige mag trouwen als hij 16 of 17 jaar oud is en toestemming heeft gekregen van zijn ouder(s) of voogd. Als de ouders of voogd geen toestemming willen geven, dan kan de minderjarige de rechtbank om vervangende toestemming vragen.

Zwanger

Minderjarigen mogen trouwen wanneer het meisje (onbedoeld) zwanger is geraakt. Ze moet dan een officiële doktersverklaring afgeven als bewijs van de zwangerschap. Als het kind al is geboren, is dit niet nodig. Ook als het meisje jonger is dan 16, mag ze trouwen als ze zwanger is of al bevallen is.

Wanneer ze besluiten niet met elkaar te trouwen, dan is alleen het meisje de wettelijke ouder van het kind. De jongen moet dan officieel het kind erkennen om ook wettelijke ouder te worden van het kind. Daarvoor heeft hij toestemming nodig van het meisje.

Huwelijksdispensatie

Minderjarigen kunnen huwelijksdispensatie aanvragen bij de minister van Justitie als ze (behalve zwangerschap) andere uitzonderlijke redenen hebben om te trouwen. Bijvoorbeeld:

  • Wanneer één (of beide) partner ongeneeslijk ziek is en het de laatste wens van het stel is om te trouwen.
  • Wanneer ze beide bijna 18 jaar zijn en binnenkort voor langere tijd weggaan.

Werken en opvang

De zorg en opvoeding voor je kind straks combineren met een drukke baan of studie. Dat is vaak een hele uitdaging!

Regelingen

Het is goed om te weten dat er verschillende regelingen zijn waar je gebruik van kunt maken. Bijvoorbeeld kinderopvang, maar ook ouderschapsverlof. Je kunt in overleg met je werkgever vaak een heel eind komen. Misschien kun je gaan telewerken. Daarnaast is het ook belangrijk om te kijken naar je huidige werkomstandigheden. Veiligheid staat voorop als je zwanger bent. Schadelijke stoffen kunnen bijvoorbeeld soms de gezondheid van je ongeboren kind schaden.

Opvang

Er bestaan verschillende soorten kinderopvang voor baby's. Kies wat het best past bij jullie gezin: opvang op een kinderdagverblijf (crèche), bij een gastouder of bij familie. Voor de formele opvangcentra geldt dat je kinderopvangtoeslag kunt aanvragen, wanneer je een werkende of studerende ouder bent.

Verlof

In Nederland zijn er verschillende vormen van verlof, die je kunt opnemen voor bijvoorbeeld de bevalling of als je extra tijd nodig hebt voor de zorg van je kind.

Zwangerschapsverlof en kraamverlof

Iedere vrouw heeft recht op 16 weken zwangerschapsverlof. Meestal vanaf 6 weken voor de uitgerekende datum tot en met 10 weken na de bevalling. Als je eerder bevalt blijft het verlof 16 weken; als de bevalling later plaatsvindt krijgt u automatisch langer verlof.

In overleg met je werkgever kun je het verlof flexibel opnemen, bijvoorbeeld door wat later te stoppen met werken. Je mag je zwangerschapsverlof ook verlengen met vakantiedagen. Met je werkgever kun je ook de mogelijkheden van ouderschapsverlof bespreken. Je partner krijgt na de bevalling 2 dagen kraamverlof.

Ouderschapsverlof

Als je de zorg hebt voor een kind jonger dan 8 jaar, en je hebt moeite om dit te combineren met je werk, dan kun je ouderschapsverlof opnemen.

Calamiteitenverlof

Calamiteitenverlof is verlof dat je direct kunt opnemen als er plotseling een ernstig probleem is. Bijvoorbeeld wanneer je baby plotseling ziek wordt, en je hem moet verzorgen.

Kortdurend en langdurend verlof

Kortdurend en langdurend verlof kun je opnemen als je kind, partner of ouder ziek is geworden en je de zorg op je neemt. Het gaat hierbij om ziektes die in het algemeen lang duren, zoals ziekenhuisopnames. Langdurend verlof kun je alleen opnemen als het echt gaat om een ernstige, levensbedreigende ziekte.

Meer informatie over verlofregelingen kun je vinden op de website van de Rijksoverheid.

Zwangerschapsverlof

Als je zwanger bent, heb je recht op zwangerschapsverlof en aansluitend bevallingsverlof. Ook als je een uitkering ontvangt, heb je recht op dit verlof. Je hoeft dan in die periode niet te solliciteren.

Bevallingsverlof

Iedere vrouw heeft recht op in totaal 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof. Meestal vanaf 6 weken voor de uitgerekende datum tot en met 10 weken na de bevalling. Natuurlijk weet je niet wanneer je precies zult bevallen. Daarom is er de regel dat je na je bevalling in ieder geval nog 10 weken bevallingsverlof hebt.

Rekenvoorbeeld

  • Stop je 6 weken voor de uitgerekende datum? Dan heb je na de bevalling 10 weken verlof over.
  • Stop je 5 weken voor de uitgerekende datum? Dan heb je na de bevalling 11 weken verlof over.
  • Stop je 4 weken voor de uitgerekende datum? Dan heb je na de bevalling nog 12 weken vrij.
  • Komt je baby later dan de uitgerekende datum? Dan kan je verlof langer duren. Je hebt altijd minstens 10 weken vrij na de bevalling.
  • Komt je baby eerder dan de uitgerekende datum? Dan blijft het verlof in totaal 16 weken.

Het verlof in gedeeltes opnemen

Je mag het bevallingsverlof niet in gedeeltes opnemen. In overleg met je werkgever kun je het bevallingsverlof eventueel wel verlengen met vakantiedagen. Of overleg de mogelijkheden van ouderschapsverlof.

Doorbetaald worden?

Via je werkgever ontvang je een uitkering ter hoogte van je salaris. Deze uitkering bedraagt maximaal €190,32 per dag. Als je salaris hoger is dan dit bedrag, dan kan het zijn dat je tijdens je zwangerschapsverlof en je bevallingsverlof minder geld krijgt.

Tips

  • Het is belangrijk dat je op tijd met je werkgever praat over je wensen. Want jouw werkgever moet iets regelen als jij er niet bent.
  • Wil je na je zwangerschapsverlof weer werken? Denk dan al vroeg na over kinderopvang.
  • Bespreek ook met je werkgever de mogelijkheid om minder te werken, als je dat straks graag zou willen.
  • Ga je minimaal 42 dagen na de bevalling alweer aan het werk, dan vervalt je recht op bevallingsverlof.

Kraamverlof partner

Als je vrouw of vriendin bevalt, krijg je als partner 2 dagen kraamverlof.

  • Als je baby thuis is geboren moet je dit verlof binnen 4 weken na de geboorte opnemen.
  • Als je baby in het ziekenhuis is geboren moet je het verlof binnen 4 weken na thuiskomst van de baby opnemen.

Het is de bedoeling je werkgever zo snel mogelijk te laten weten wanneer je deze 2 dagen kraamverlof wilt opnemen.

Geboorteaangifte

Voor de bevalling zelf en de tijd die je nodig hebt om aangifte te doen van de geboorte van je kind, hoef je geen kraamverlof op te nemen. De bevalling en de geboorteaangifte vallen onder de regeling 'ander kort verzuimverlof'. Voor dit verlof gelden dezelfde regels als bij het calamiteitenverlof.

Ouderschapsverlof

Iedere ouder die minstens een jaar voor zijn huidige werkgever werkt, heeft recht op ouderschapsverlof. Je kunt ouderschapsverlof aanvragen als je de zorg hebt voor een kind jonger dan 8 jaar. Je kind moet dan wel bij je in huis wonen.

Na de bevalling

Ouderschapsverlof wordt vaak aangevraagd door mannen die na de bevalling van hun partner meer thuis willen zijn om voor hun vrouw en kind(eren) te kunnen zorgen. Maar ook vrouwen kunnen na hun zwangerschapsverlof ouderschapsverlof opnemen.

Regeling

Als je samen met je partner de zorg voor je kind hebt, mag je beiden ouderschapsverlof opnemen. Dat kan alleen als je kind nog geen 8 jaar is. Als je meerdere kinderen hebt, mag je per kind eenmaal ouderschapsverlof aanvragen. Het geldt ook als je een kind geadopteerd hebt of voor een pleegkind zorgt.

Termijn

Je mag maximaal 26 keer de wekelijkse arbeidsduur opnemen. Als je bijvoorbeeld een 32-urige werkweek hebt, dan mag je een jaar lang 16 uur per week gaan werken. In overleg met je werkgever mag je afwijken van deze uurverdeling. Je kunt bijvoorbeeld de uren spreiden of minder uren opnemen. Als je het ouderschapsverlof stopzet, dan vervalt je recht op het ouderschapsverlof.

Doorbetaald worden?

Of je (gedeeltelijk) wordt doorbetaald, is vastgelegd in je CAO. Overleg daarom altijd eerst met je werkgever wat er met je salaris zal gebeuren. Je bent verplicht om de verandering van inkomen door te geven aan de Belastingdienst, dit kan namelijk gevolgen hebben voor bepaalde toeslagen en heffingskortingen.

Heffingskorting

Je hebt recht op ouderschapsverlofkorting als je een ouderschapsverlofverklaring van je werkgever kunt laten zien.

Calamiteitenverlof

Bij noodgevallen mag je calamiteitenverlof opnemen. Bijvoorbeeld wanneer je zwanger bent en plotseling naar het ziekenhuis moet. Maar ook wanneer je kind ineens ziek wordt, of wanneer thuis de waterleidingen zijn gesprongen.

Op je werk

In principe moet je zo snel mogelijk je werkgever op de hoogte brengen van je verlof en de reden waarom je niet op je werk kan komen. Je werkgever zal ongetwijfeld begrip hebben voor de situatie als er iets ernstigs aan de hand is. Je werkgever betaalt deze uren door.

Je werkgever kan vragen het calamiteitenverlof te compenseren met je vakantiedagen. Je moet daar dan uitdrukkelijk toestemming voor geven. Het recht op calamiteitenverlof zorgt ervoor dat je werk en privé beter kunt combineren.

Kortdurend zorgverlof

Kortdurend zorgverlof kun je opnemen als je je zieke kind, je partner of je ouder moet verzorgen. Bijvoorbeeld wanneer er een operatie gepland staat en je daarna diegene wilt verzorgen.

Regelingen

Je kunt alleen kortdurend zorgverlof opnemen als je de enige bent die op dat moment in staat is om je kind, je partner of je ouder te verzorgen. Voorwaarden zijn dat je kind thuis woont en dat je samenwoont met je partner.

Pleegouders

Het is ook mogelijk om kortdurend zorgverlof op te nemen om voor je zieke pleegkind te kunnen zorgen. Je pleegkind moet dan ook bij je thuis wonen en er moet een pleegcontract zijn.

Hoeveel verlof kun je opnemen?

Het aantal verlofuren dat je mag opnemen is afhankelijk van het aantal uren dat je werkt. Je mag binnen een jaar twee weken verlof opnemen. Als je bijvoorbeeld 32 uren per week werkt, dan mag je binnen een jaar 64 uren kortdurend zorgverlof opnemen. Je kunt deze uren in 1 keer opnemen, maar je kunt deze uren eventueel ook in gedeeltes opnemen. Overleg dit goed met je werkgever.

Doorbetaald worden?

Je werkgever is verplicht om minstens 70 procent van je salaris door te betalen. Als dat minder is dan het minimumloon, dan betaalt je werkgever je in ieder geval het minimumloon. Je werkgever kan het verlof alleen weigeren als het bedrijf of de organisatie door het verlof in ernstige problemen komt. Als je werkgever en jij er niet in slagen om samen afspraken te maken, kun je de rechter om een uitspraak vragen.

In aanvulling op de wettelijke regelingen kunnen er ook afspraken over het kortdurend zorgverlof zijn vastgelegd in de CAO. Bijvoorbeeld dat je een deel van het verlof compenseert met vakantiedagen. Vraag dit na bij je werkgever.

Calamiteitenverlof

Als je kind, partner of ouder onverwachts ziek wordt, is het niet nodig om kortdurend zorgverlof op te nemen. Bij onverwachte gebeurtenissen, kun je calamiteitenverlof opnemen.

Meer informatie over het kortdurend zorgverlof kun je vinden op de website van de Rijksoverheid.

Langdurig zorgverlof

Langdurend zorgverlof kun je opnemen als je kind, je partner of je ouder ernstig ziek is geworden en je voor langere tijd de zorg op je neemt. Het moet hierbij gaan om levensbedreigende ziektes.

Aanvragen langdurend zorgverlof

Je moet langdurend zorgverlof minimaal 2 weken van te voren aanvragen bij je werkgever. Je werkgever is verplicht binnen 1 week te beslissen of hij akkoord gaat met de ingangsdatum. Doet hij dit niet, dan gaat het langdurend zorgverlof in op de datum die je zelf hebt aangegeven in je aanvraag. Je werkgever mag dit verlof alleen weigeren als je afwezigheid tot ernstige problemen leidt.

Hoeveel verlof kun je opnemen?

Het aantal verlofuren dat je mag opnemen is afhankelijk van het aantal uren dat je werkt. Je mag maximaal de helft van het aantal uren dat je werkt zorgverlof opnemen voor een periode van 12 weken per jaar.

Als je bijvoorbeeld 32 uren werkt, dan mag je gedurende 12 weken 16 uren per week gaan werken. In overleg met je werkgever mag je deze uren spreiden of in 1 keer opnemen, zolang de periode niet langer duurt dan 18 weken. Het langdurend zorgverlof stopt na verloop van deze periode, of wanneer de persoon (voor wie je het zorgverlof opneemt) overlijdt of niet langer levensbedreigend ziek is.

Doorbetaald worden?

In de meeste gevallen worden de uren dat je langdurend zorgverlof opneemt niet uitbetaald, maar het kan zijn dat er in je CAO andere afspraken staan en dat je de uren toch (gedeeltelijk) uitbetaald krijgt. Overleg dit goed met je werkgever. Een verandering van inkomen moet je doorgeven aan de belastingdienst, omdat dit gevolgen kan hebben voor toeslagen en kortingen.

In aanvulling op de wettelijke regelingen kunnen er ook afspraken over het langdurend zorgverlof zijn vastgelegd in e CAO. Bijvoorbeeld dat je een deel van het verlof compenseert met vakantiedagen. Vraag dit na bij je werkgever.

Geen langdurend zorgverlof

Als je kind, partner of ouder onverwacht ziek wordt, is het niet nodig om meteen langdurend zorgverlof op te nemen. Bij onverwachte (ernstige) gebeurtenissen, kun je eerst calamiteitenverlof opnemen. En bij minder ernstige of geplande operaties kun je kortdurend zorgverlof opnemen.

Meer informatie over het langdurend zorgverlof kun je vinden op de website van de Rijksoverheid.

Werken

Met de komst van een baby verandert er veel op het gebied van wonen en werken en zul je bepaalde keuzes moeten maken. Bijvoorbeeld: "Gaat één van de ouders stoppen of parttime werken bij de komst van de baby?"

Het is goed om te weten dat er verschillende regelingen zijn waar je gebruik van kunt maken. Bijvoorbeeld kinderopvang, maar ook ouderschapsverlof.

Daarnaast is het ook belangrijk om te kijken naar je huidige werkomstandigheden. Veiligheid staat voorop als je zwanger bent. Schadelijke stoffen kunnen bijvoorbeeld de gezondheid van je ongeboren kind schaden.

Zwanger en werk

Als je een kinderwens hebt of zwanger bent, is het verstandig dat je de werkomstandigheden goed bekijkt. De werkomstandigheden kunnen van invloed zijn op je eigen gezondheid of op de gezondheid van je ongeboren kind. Dit zijn gevaren voor je zwangerschap:

Aangepast werk

Als je op je werk te maken hebt met risico's, overleg dan met je werkgever of de bedrijfsarts of je je werk kunt aanpassen. Je werkgever is verplicht om je werkplek zo veilig mogelijk te maken. De wet heeft regels voor zwangere vrouwen en vrouwen die net bevallen zijn. Misschien kun je tijdelijk ander werk doen.

Stress

Met gezondheid wordt natuurlijk ook je psychische gezondheid bedoeld. Als je veel stress en spanningen hebt op je werk, dan kun je daaronder lijden. Er zijn aanwijzingen dat veel stress niet goed is voor een zwangerschap.

Combineren werk en privé

Als je een kind verwacht, is het verstandig om op tijd na te denken hoe je straks de zorg voor je kind gaat combineren met je werk of je studie.

Stoppen of minderen

Stop je helemaal met werken, werk je door, studeer je nog en hoe combineer je je werk of je studie met de zorg voor je kind? Want de zorg voor je kind en het herstel na de bevalling nemen veel tijd in beslag. Een goed herstel is natuurlijk belangrijk en daarom is het misschien prettig om na je verlof minder te gaan werken of deeltijd te gaan studeren. Je kunt ook tijdelijk minder gaan werken door ouderschapsverlof op te nemen.

Kinderopvang

Het is ook verstandig om op tijd te besluiten of je je kind naar de kinderdagopvang wilt sturen als jij weer aan het werk gaat. Veel kinderdagverblijven hebben namelijk lange wachtlijsten. Daarom mag je jezelf al inschrijven zodra je zeker weet dat je zwanger bent. Wat daarbij goed is om te weten, is dat je als werkende of studerende ouder kinderopvangtoeslag kunt krijgen. Dit is een tegemoetkoming in de kosten die je maakt voor kinderopvang.

Opvang

Het is goed om al tijdens je zwangerschap na te denken over opvang. Er bestaan verschillende soorten kinderopvang voor baby's.

Kies wat het best past bij jullie gezin: opvang op een kinderdagverblijf (crèche), bij een gastouder of bij familie. Voor de formele opvangcentra geldt dat je kinderopvangtoeslag kunt aanvragen, wanneer je een werkende of studerende ouder bent.

Opvang voor baby's

  • Dagopvang (voor kinderen van 0 tot 4 jaar).
  • Opvang door een gastouder (gastouderopvang).
  • Opvang door vrienden of familie.
  • Een au pair of oppas voor af en toe.

Kies je voor een kinderdagverblijf of een gastouder? Dan is het verstandig je al tijdens de zwangerschap in te schrijven. Er zijn vaak lange wachtlijsten.

Oppas

Lekker een avondje weg! Maar wie past er zolang op de kinderen?

Als je buiten de formele kindercentra en gastouderopvang om een oppas nodig hebt, is het handig om snel een oppas te kunnen regelen die thuis komt oppassen. Bijvoorbeeld in de avonduren, in de weekenden, of op tijdstippen waarop je geen afspraken hebt gemaakt met het kinderdagverblijf.

Oppassers

Oppassers zijn vaak vertrouwde personen uit de directe omgeving, zoals familieleden, buren en vrienden. Maar zij zullen misschien niet altijd beschikbaar zijn. Je kunt ook scholieren en studenten vragen om oppaswerk te doen. Daarbij moet je wel zelf goed nagaan of die scholier geschikt is om eventueel op baby's of hele jonge kinderen te passen.

Au pair

Als je voor langere tijd een oppas zoekt, zou je ook een au pair kunnen nemen. Dit zijn vaak buitenlandse, vrouwelijke studenten die op de kinderen passen en licht huishoudelijke taken verrichten in ruil voor kost en inwoning en een bepaald maandbedrag.

Kosten

Bij het Nibud kun je informatie vinden over redelijke vergoedingen voor informele oppassers. Meestal betaal je de oppas contant. Het is echter niet zo dat een oppas daarom altijd zwart werkt. Als de oppas niet meer dan 3 dagen per week bij jou oppast, werkt de oppas in principe wit. Als de oppas wel meer dan 3 dagen bij jou werkt, dan moet de oppas dat zelf aangeven bij de Belastingdienst.

En er moet dan onder andere loonbelasting ingehouden worden. Alle overige formele vormen van kinderopvang en gastouderschap vallen onder de Wet Kinderopvang. Hiervoor kunnen werkende of studerende ouders kinderopvangtoeslag ontvangen.

Gastouderopvang

Gastouderopvang is kleinschalige en flexibele opvang voor kinderen van 0 tot 13 jaar.

Flexibel

Het voordeel van gastouderopvang is dat het flexibel is. Je regelt zelf met de gastouder wanneer je opvang nodig hebt. Gastouderopvang is daarom ook geschikt als je onregelmatige werktijden hebt of als je 's avonds opvang nodig hebt. Vaak woont de gastouder in de buurt.

Gastouderopvang thuis

Gastouders mogen op meerdere locaties kinderen opvangen. Dat kan bij de gastouder thuis zijn, maar ook bij jou thuis. Voorwaarden zijn onder andere dat:

  • er op de locatie een slaapruimte is voor kinderen jonger dan 1,5;
  • dat de ruimte rookvrij is;
  • en dat er ook voldoende speelmogelijkheden aanwezig zijn.

Aantal kinderen

Gastouders mogen meerdere kinderen tegelijkertijd opvangen. Hoeveel kinderen dat zijn, hangt af van de leeftijd van de kinderen. Ook tellen de eigen kinderen van de gastouder mee.

  • Bij een gastouder mogen maximaal 6 kinderen tegelijk zijn, inclusief de eigen kinderen onder de 10 jaar.
  • Echter niet meer dan 5 kinderen, als deze jonger zijn dan 4 jaar.
  • Of maximaal 4 kinderen van 0 en 1 jaar, waarvan maximaal 2 kinderen van 0 jaar.

Kortom hoe jonger de kinderen, hoe minder kinderen een gastouder mag opvangen.

Landelijk Register Kinderopvang

In het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) worden alle kinderdagverblijven, organisaties voor buitenschoolse opvang, gastouderbureaus en gastouders bijgehouden. Dit zijn organisaties die voldoen aan de kwaliteitseisen van de Wet Kinderopvang.

Kwaliteit van de opvang

Aan gastouders worden steeds hogere eisen gesteld om de kwaliteit van de opvang te garanderen.

  • Gastouders moeten aangemeld zijn bij de gemeente en bij geregistreerde gastouderbureaus.
  • Ook worden ze gecontroleerd door de GGD of ze voldoen aan alle kwaliteitseisen van de Wet Kinderopvang.
  • Gastouders moeten minimaal een diploma mbo-2 Helpende (Zorg en) Welzijn of een ervaringscertificaat hebben.
  • Daarnaast ook een geregistreerd certificaat Eerste Hulp aan kinderen en een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).

Als een gastouder voldoet aan alle eisen van de Wet Kinderopvang, wordt hij of zij geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang.

Kinderopvangtoeslag

Als je gebruik maakt van gastouderopvang, kun je in 2011 maximaal €5,09 per uur kinderopvangtoeslag krijgen. Je hebt alleen recht op kinderopvangtoeslag, als de gastouder of het gastouderbureau opgenomen is het Landelijk Register Kinderopvang.

Kinderopvang

In Nederland zijn veel verschillende vormen van kinderopvang. Dit maakt het mogelijk om het ouderschap te combineren met je werk. Er is zelfs een wet waarin staat dat kinderopvang zowel de verantwoordelijkheid is van de ouders als van de overheid en de werkgevers.

De Wet

Volgens de Wet kinderopvang houdt de overheid toezicht op de kwaliteit en de financiering van kinderopvang. Elk kinderopvangcentrum moet daarom geregistreerd staan bij de gemeente en in het Landelijk Register Kinderopvang. Jaarlijks controleert de GGD of ze aan alle kwaliteitseisen voldoen.

Kinderopvang

Er zijn veel verschillende vormen kinderopvangcentra. Kinderen van 2 maanden tot 4 jaar kunnen naar het kinderdagverblijf gaan. Daarnaast kunnen kinderen naar de gastouderopvang. Kinderen van 2 of 3 jaar oud mogen ook een paar uren per week naar de peuterspeelzaal.

De kosten van kinderopvang

Als je een erkend kinderopvangcentrum hebt gevonden voor je kind(eren), sluit je met hen een contract af voor het aantal uren dat je afneemt en welke prijs je daarvoor betaalt. Je kunt voor deze kosten kinderopvangtoeslag ontvangen als:

  • het bureau geregistreerd staat bij de gemeente;
  • en voldoet aan bepaalde regels voor de kwaliteit.

Kinderopvangtoeslag

Voor dagopvang kun je maximaal €6,36 per uur kinderopvangtoeslag krijgen. De meeste opvangcentra hanteren daarom een uurtarief van €6,36. Als je gebruikt maakt van gastouderopvang, kun je maximaal €5,09 per uur vergoed krijgen.

Landelijk Register Kinderopvang

In het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP) worden alle kinderdagverblijven, organisaties voor buitenschoolse opvang, gastouderbureaus en gastouders bijgehouden.

Registratie

Aan kinderopvangcentra en gastouders worden steeds hogere eisen gesteld om de kwaliteit van de opvang te garanderen. De GGD controleert of ze voldoen aan alle kwaliteitseisen van de Wet Kinderopvang. Is dat het geval, dan krijgen ze de vermelding 'geregistreerd' in het LRKP. Als een organisatie niet meer voldoet aan de kwaliteitseisen, dan krijgt deze de vermelding 'niet meer geregistreerd' in het LRKP.

Kwaliteitseisen

De kwaliteitseisen gaan bijvoorbeeld over:

  • de betrokkenheid en inspraak van ouders;
  • de opleiding en deskundigheid van de leidsters;
  • het waarborgen van de veiligheid en de gezondheid van de kinderen;
  • de accommodatie en de inrichting;
  • de groepsgrootte en het aantal kinderen per leidster;
  • het pedagogisch beleid en de uitvoering daarvan in de praktijk.

Kinderopvangtoeslag

Je hebt alleen recht op kinderopvangtoeslag als het kinderopvangcentrum of het gastouderbureau opgenomen is het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen.

Geldzaken

"Wat kost een kind eigenlijk en met welke uitgavenposten krijg ik te maken?" Duidelijk is dat opgroeiende kinderen veel kosten met zich meebrengen. Het is daarom verstandig alle belangrijke kostenposten op een rijtje te zetten. Een goede financiële basis voorkomt geldzorgen.

Toeslagen en tegemoetkomingen

De overheid draagt op verschillende manieren bij aan de opvoeding in de vorm van toeslagen en kortingen. Bijvoorbeeld kinderbijslag, kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget.

Verzekeringen

Zorgverzekering

Iedereen is verplicht om een zorgverzekering af te sluiten. Deze verzekering verzekert je tegen ziektekosten, zoals kosten voor medische hulp, ziekenhuisopname, huisartsbezoek en medicijngebruik. Er is wel een (inkomensafhankelijke) tegemoetkoming in de kosten voor de zorgverzekering: de zorgtoeslag. Je kunt je kinderen meeverzekeren in je eigen polis. Het is verstandig om je zorgverzekeraar te vragen naar de mogelijkheden.

Zwangerschapsonderzoeken

Een onderzoek wordt in principe alleen vergoed door je zorgverzekering:

  • als er een medische indicatie is: als er aangeboren of erfelijke aandoeningen voorkomen binnen je naaste familie of in de familie van je partner;
  • als je 36 jaar of ouder bent;
  • als jij of je partner zelf een bepaalde aandoening hebben, zullen testen bij bepaalde afwijkingen worden vergoed;
  • als je medicijnen (heeft) gebruikt die misschien schadelijk zijn voor de baby.

De verloskundige kan je precies vertellen voor welke testen je in aanmerking komt. Verder kun je in de verzekeringspolis zien wat financieel mogelijk is.

WA-verzekering (wettelijke aansprakelijkheid)

Een ongelukje zit in een klein hoekje. Soms kun je per ongeluk iets kapot maken of schade toebrengen aan eigendommen van een ander. De kosten om de schade te dekken kunnen hoog oplopen en daarom ben je verplicht om voor jezelf en je kinderen een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten.

Toeslagen en tegemoetkomingen

Iedere ouder in Nederland krijgt kinderbijslag voor elk thuiswonend minderjarig kind. Een aanvullend bedrag daarop is het kindgebonden budget. Dat bedrag is afhankelijk van je inkomen en het aantal kinderen.

Kinderbijslag en het kindgebonden budget zijn tegemoetkomingen van de overheid in de kosten die je maakt voor de zorg en opvoeding van je kind.

Toeslagen

Daarnaast heb je mogelijk recht op toeslagen en kortingen van de Belastingdienst. Bijvoorbeeld zorgtoeslag om je zorgverzekering te kunnen betalen. En kinderopvangtoeslag om de kinderopvang te kunnen betalen. Misschien heb je ook recht op heffingskortingen. Je hoeft dan minder inkomstenbelasting te betalen.

Kinderbijslag

Als je kinderen hebt tot 18 jaar, dan betaalt de overheid mee in de kosten voor de kinderen. Dat doet de overheid in de vorm van kinderbijslag.

Voor wie?

Kinderbijslag krijg je voor je eigen kinderen, maar ook eventueel voor je adoptiekind, je pleegkind, je stiefkind, of een ander kind waar je voor zorgt alsof het je eigen kind is.

Kinderbijslag aanvragen?

Als je aangifte doet van de geboorte van je eerste kind, dan geeft de gemeente dit door aan de Sociale Verzekeringsbank. Enkele weken later ontvang je een brief en een formulier waarmee je kinderbijslag kunt aanvragen. Als je bij de gemeente aangifte doet van de geboorte van je volgende kind, dan hoef je niet opnieuw kinderbijslag aan te vragen.

Hoogte van de kinderbijslag

De hoogte van de kinderbijslag is afhankelijk van de leeftijd, en de woonsituatie van je kind. Het is dus niet afhankelijk van je inkomen. Voor elk kind dat je hebt, krijg je kinderbijslag. De zorg voor bijvoorbeeld gehandicapte kinderen is vaak erg duur. Daarom kun je in dat geval meer (of maximaal dubbele) kinderbijslag krijgen om je kind te kunnen onderhouden.

Wanneer ontvang je kinderbijslag?

Kinderbijslag wordt per kwartaal uitgekeerd. Na afloop van ieder kwartaal ontvang je de kinderbijslag. Kinderbijslag begint in het kwartaal na het kwartaal waarin je kind geboren is. Als je kind bijvoorbeeld in mei geboren wordt, dan ontvang je uiterlijk in oktober kinderbijslag.

Op de website van de Sociale Verzekeringsbank vind je meer informatie over de kinderbijslag.

Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een bedrag dat je krijgt voor de verzorging en opvoeding van je kinderen. Dit bedrag is (anders dan bij de kinderbijslag) afhankelijk van je inkomen en het aantal minderjarige kinderen in het gezin.

Hoeveel bedraagt het kindgebonden budget?

Er zijn bepaalde maximumbedragen vastgesteld voor het kindgebonden budget. Als het verzamelinkomen van jou en je partner lager is dan €28.897 per jaar, heb je recht op het maximum bedrag aan kindgebonden budget. Boven dat inkomen wordt de tegemoetkoming, geleidelijk afgebouwd. Hoe snel dit afbouwt, hangt af van het verzamelinkomen en het aantal kinderen dat je hebt.

Op de website van het Nibud zie je hoeveel kindgebonden budget je maximaal kunt krijgen.

Uitbetaling via de Belastingdienst

In principe ontvang je automatisch kindgebonden budget vanaf de maand na de geboortemaand van je kind. De Belastingdienst keert het kindgebonden budget maandelijks uit. Als je denkt recht te hebben op het kindgebonden budget en je hebt nog niets gehoord van de Belastingdienst Toeslagen, kun je het best zelf even contact opnemen met de Belastingdienst.

Wanneer stopt het kindgebonden budget?

Het kindgebonden budget stopt in de maand dat je (jongste) kind 18 jaar wordt.

Kinderopvangtoeslag

Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang. Een deel van de kosten van kinderopvang wordt zo vergoedt. Zo maakt de overheid het voor ouders financieel mogelijk om werk en zorg te combineren.

Je ontvangt kinderopvangtoeslag als je kind tussen de 0 en 12 jaar is en naar een geregistreerd kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang of gastouder gaat.

Geregistreerde opvang

Je kunt alleen kinderopvangtoeslag krijgen als het kindercentrum, de gastouder of het gastouderbureau geregistreerd staat in het Landelijk Register Kinderopvang.

Je sluit met het kindercentrum of de gastouder een contract af voor het aantal uren dat je afneemt en de prijs die je daarvoor betaalt. Je betaalt maandelijks zelf het kindercentrum of de gastouder de kosten van de kinderopvang. Vervolgens krijg je van de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag uitbetaald.

Uurtarieven en vergoedingen

Bij de berekening van de kinderopvangtoeslag wordt rekening gehouden met het uurtarief van het kindercentrum. Hier zit een maximum aan. Er geldt een maximumtarief per uur waarvoor je nog recht heb op kinderopvangtoeslag.

Maximumtarief

Bij dagopvang in een kindercentrum is dit maximumtarief €6,36 per uur. Als je gebruikt maakt van gastouderopvang is dit €5,09.

Is je kinderdagverblijf of de gastouder duurder dan het maximum uurtarief? Dan moet je het resterende bedrag volledig zelf betalen. Over dat bedrag ontvang je geen kinderopvangtoeslag.

Daarnaast kun je per maand voor elk kind maximaal voor 230 opvanguren kinderopvangtoeslag krijgen.

Eigen bijdrage

Kinderopvangtoeslag kun je aanvragen via de Belastingdienst. Je krijgt niet alle kosten vergoed. Je bent verplicht om ook een eigen ouderbijdrage te betalen. Hoe minder je verdient, hoe meer kinderopvangtoeslag je kunt ontvangen. De ouderbijdrage is afhankelijk van:

  • je inkomen;
  • het uurtarief van de kinderopvang;
  • het aantal kinderen binnen je gezin dat naar de kinderopvang toe gaat;
  • en het aantal uren kinderopvang per kind.

Alleenstaande ouder

Ook als je alleenstaande ouder bent, kun je kinderopvangtoeslag aanvragen. De hoogte van de toeslag is afhankelijk van je inkomen.

Heffingskortingen

Heffingskortingen zijn kortingen op de inkomstenbelasting en op de premie volksverzekeringen.Of je recht hebt op bepaalde heffingskortingen, is afhankelijk van je gezinssituatie en je inkomen.

Heffingskortingen worden verrekend met de belasting die je moet betalen als je de aangifte inkomstenbelasting invult.

Gezinnen met kinderen

Gezinnen met kinderen waarin jij en je partner beiden werken hebben recht op inkomensafhankelijke combinatiekorting. Ben je alleenstaande ouder, dan heb je ook recht op deze combinatiekorting als je werkt. Combinatiekorting kun je ook krijgen als je co-ouder bent samen met je ex-partner of een ander persoon. Je kind hoeft in dat geval niet op je eigen woonadres ingeschreven te staan.

De hoogte van de inkomensafhankelijke combinatiekorting is afhankelijk van het inkomen. Alleen de minstverdienende partner heeft recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Ouderschapsverlofkorting

Als je ouderschapsverlof opneemt om je kind (jonger dan 8 jaar) te verzorgen, heb je mogelijk recht op ouderschapsverlofkorting. Hiervoor moet je een ouderschapsverlofverklaring van je werkgever kunnen laten zien. Je hebt alleen recht op de ouderschapsverlofkorting als het belastbaar loon in dat kalenderjaar lager is dan het belastbaar loon in het jaar ervoor.

Alleenstaande-ouderkorting

Je kunt alleenstaande-ouderkorting aanvragen als je geen fiscale partner hebt, je bent dus alleenstaande ouder. Andere voorwaarden zijn dat je kind ingeschreven staat op je eigen woonadres en dat je minimaal €408 per kwartaal kwijt bent aan de kosten voor je kind.

Als je alleenstaande ouder bent en je verricht betaald werk, heb je naast de alleenstaande ouderkorting recht op aanvullende alleenstaande ouderkorting.

Via de Belastingdienst

Heffingskortingen kun je aanvragen via de Belastingdienst. Bij het invullen van je belastingaangifte kun je de kosten die je maakt opgeven. De Belastingdienst berekent vervolgens op welke heffingskortingen je recht hebt en hoeveel korting je kunt krijgen.

Kosten van een baby

Als je zwanger bent, dan zul je er achter komen dat je bepaalde extra kosten hebt.

Je hebt bijvoorbeeld zwangerschapskleding nodig, maar ook een babyuitzet. En als je kind eenmaal geboren is, zul je de kraamzorg moeten betalen en eventueel ook de kinderopvang. Terwijl je misschien graag minder wil werken.

Zwangerschapskleding

Er zijn speciale winkels en merken die zich richten op zwangere vrouwen. Om geld te besparen kun je proberen om tijdens de uitverkoop of tweedehands iets te kopen. En je kunt natuurlijk ook je zwangerschapskleding bewaren voor wanneer je opnieuw zwanger bent.

Babyuitzet

Als je een kind krijgt, dan heb je veel nodig. Niet alleen de kinderkamer moet ingericht worden, maar je hebt bijvoorbeeld ook kleding nodig voor je baby, verzorgingsproducten, en duurdere zaken zoals een kinderwagen, een maxicosi, een wieg en een box. Veel van deze producten kun je ook van familie overnemen of tweedehands kopen. Let op: koop wel een nieuw matrasje en maxicosi.

Kraampakket

Tijdens en na de bevalling heb je een aantal verzorgingsproducten nodig zoals kraammatrasjes en verbandgaasjes. Deze producten zitten samen in een kraampakket. De meeste zorgverzekeringen verstrekken het kraampakket gratis. Als dat niet zo is, kun je een pakket bij de apotheek of drogist kopen of bestellen.

Kraamzorg

Afhankelijk van je verzekeringspolis is het mogelijk om bij een willekeurig kraamcentrum kraamzorg te regelen of alleen bij bepaalde kraamcentra waar je zorgverzekeraar een contract mee heeft. Je zorgverzekeraar vergoedt dus een groot deel van deze kosten. Als je particuliere kraamzorg wilt, dan is het verstandig om rekening te houden met hogere kosten voor de kraamzorg.

Tegemoetkomingen

Kinderen opvoeden en verzorgen kost veel geld. Natuurlijk kun je tegemoetkomingen krijgen, zoals kinderbijslag en kindgebonden budget. Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor Statistiek kost een kind gemiddeld 17 procent van het besteedbaar inkomen. Je geeft bijvoorbeeld geld uit aan de babykamer, kleding, voedsel en luiers.

Kinderopvang

Kinderopvang kan duur zijn, afhankelijk van hoe vaak je je kind naar de kinderopvang brengt. Via de Belastingdienst kun je een tegemoetkoming vragen in de kosten voor kinderopvang, namelijk kinderopvangtoeslag. Dit is alleen bedoeld voor werkende of studerende ouders.

Meer informatie over de kosten kun je vinden op de website van het Nibud: Baby op komst.

Geldzorgen

Soms lijkt het alsof het geld je portemonnee uit vliegt. Waar geef je het aan uit en hoeveel geld heb je maandelijks nodig? Het is belangrijk dat je beginnende geldproblemen snel aanpakt om erger te voorkomen.

Inkomsten en uitgaven

Als je niet precies weet wat je inkomsten en uitgaven zijn, dan kan het gebeuren dat je geld tekort komt. Het is dus goed om te weten hoeveel geld je binnen krijgt en hoeveel geld je kunt uitgeven. Je kunt bijvoorbeeld elke week bijhouden wat je krijgt aan loon, uitkering en straks ook aan kinderbijslag. Met behulp van de website Berekenuwrecht.nl kun je uitrekenen waar je recht op hebt en zie je meteen hoe je dat geld kunt aanvragen

Kasboek

Houd goed bij hoeveel geld je uitgeeft en wat je daarvan koopt, bijvoorbeeld met een kasboek. Op die manier zie je welke uitgaven noodzakelijk zijn en welke niet.

Sparen en besparen

Het is verstandig om te sparen, zodat je geld hebt voor periodes waarin het minder goed gaat. Ook is het goed om te 'besparen'. Wees bijvoorbeeld zuinig met energie, gas en water. Probeer misschien ook minder mobiel te bellen, koop minder (dure) kleding en koop in de supermarkt alleen die dingen die je op je lijstje hebt gezet.

Schulden en geld lenen

Misschien heb je schulden en veel geldzorgen. Het is niet verstandig om met geleend geld schulden af te betalen, of om producten op afbetaling te kopen. Op die manier maak je juist meer schulden. Je kunt met behulp van de website Zelfjeschuldenregelen.nl beginnende schulden zelf oplossen. Wanneer het zelf niet meer lukt om uit de schulden te komen, kun je op zoek gaan naar professionele hulp.

Hulpverlening

Er zijn meerdere professionele organisaties die kunnen helpen bij financiële of juridische problemen. Hulpverlening kost meestal niets. Via de gemeente is meer informatie te vinden over hulpinstanties, zoals een kredietbank, de sociale dienst of maatschappelijk werk.

Je kunt ook voor meer budgettips en hulp bij schulden terecht bij het Nibud.

Onbedoeld zwanger

Het was (nog) niet de bedoeling, maar je bent toch zwanger. Hoe je je ook voelt en hoe de omstandigheden ook zijn, het beste is om de tijd te nemen voor een weloverwogen besluit.

Een besluit nemen

Je weet misschien niet zo goed of je het aankunt om een kind zelf op te voeden. Misschien ben je zelf nog jong, misschien heb je geen partner of voel je je gewoon onzeker over wat je moet beslissen.

Het is goed om er met mensen over te praten die je vertrouwt. Bijvoorbeeld met je huisarts, familie, partner of vrienden. Waar je ook voor kiest, het is belangrijk zelf een goed besluit te nemen. En je niet te laten leiden door wat een ander vindt.

Er zijn een aantal dingen die je kunt doen. Van de baby laten komen en zelf op te voeden, af te staan ter adoptie of ter pleegplaatsing, tot de zwangerschap afbreken.

Hulp

Er zijn organisaties die behulpzaam zijn bij het op een rij zetten van al je overwegingen. Voor meer informatie en hulp kun je terecht op de website van de FIOM of Siriz.

Zelf opvoeden

Je bent zwanger, terwijl dat (nog) niet gepland was. Na de eerste schrik, begin je een beetje aan het idee te wennen.

Begeleiding bij het opvoeden

Als je ervoor kiest om je kind geboren te laten worden en zelf op te voeden, dan hoef je er niet alleen voor te staan bij de opvoeding van je kind. Er zijn diverse instellingen die je kunnen begeleiden. Bijvoorbeeld het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) bij jou in de buurt. Daar zit ook het consultatiebureau. Natuurlijk kun je ook aan je huisarts, vrienden, buren of ouders steun vragen.

Ben je nog jong? Dan kun je ook eens op de website Tienermoeders.nl kijken.

Naar de verloskundige

Nu je zwanger bent, is het belangrijk snel een afspraak te maken bij een verloskundige. De verloskundige begeleidt je gedurende de zwangerschap, de bevalling en het kraambed. De verloskundige kan je ook veel informatie geven over allerlei zaken.

Praktische informatie

Er zijn allerlei dingen die je moet regelen als je een kind verwacht. Natuurlijk heb je allerlei spullen nodig voor je baby. En je kunt naar zwangerschapscursus gaan. Misschien heb je ook vragen over geldzaken en kinderopvang. Of wil je weten hoe je zelf naar school kunt blijven gaan of kunt blijven werken.

Binnen 2 dagen na de geboorte van je kind, moet je je kind aangeven in de gemeente waar hij geboren is. Ben je niet getrouwd? Dan heb je als vader de mogelijkheid je kind te erkennen.

Afstand ter adoptie

Ben je ongewenst zwanger en voel je je niet in staat om je kind zelf op te voeden? Dan kun je overwegen je kind af te staan. Bij het doen van afstand ter adoptie zijn alle juridische banden met je kind verbroken.

Een besluit nemen

Om hier een goede beslissing over te kunnen nemen, kun je contact opnemen met de FIOM. Een maatschappelijk werker helpt je alles op een rij te zetten en begeleidt je in het beslissingsproces en ook daarna. Je krijgt informatie over de procedure en informatie over wat het kan betekenen om je kind ter adoptie af te staan. Ook krijg je informatie over wat het voor je kind betekent om geadopteerd te worden.

Wat gebeurt er als je afstand doet van je kind?

  • Als je afstand doet van je kind, wordt je kind na de geboorte in een opvanggezin opgenomen. Daar blijft je kind 3 maanden.
  • Zelf krijg je hulp en begeleiding van de FIOM.
  • Wil je toch voor je kind gaan zorgen en de rechter gaat akkoord, dan worden jij en je kind zo gauw mogelijk herenigd.

Pleegplaatsing

Ben je ongewenst zwanger en ben je niet in staat je kind zelf op te voeden en wil je geen afstand doen van je kind? Dan kun je overwegen je kind in een pleeggezin te plaatsen.

Pleegzorg is tijdelijk

Pleegzorg is in principe tijdelijk. Het doel is om kinderen terug te plaatsen bij de ouders. Je kind kan enkele dagen of enkele jaren in het pleeggezin blijven. Ondertussen kun je contact blijven houden met je kind.

Een besluit nemen

Om hier een goede beslissing over te kunnen nemen is het verstandig om contact op te nemen met de FIOM. Een maatschappelijk werker helpt je alles op een rijtje te zetten en begeleidt je in het beslissingsproces.

Meer informatie over pleegplaatsing kun je vinden op de website van Pleegzorg Nederland.

Zwangerschap afbreken

Als je onbedoeld zwanger raakt, dan sta je voor een keuze: de zwangerschap uitdragen en een kind krijgen, of de zwangerschap afbreken (abortus).

Tot 24 weken zwangerschap

Een zwangerschapsafbreking is mogelijk tot 24 weken zwangerschap. Dit wordt berekend vanaf de eerste dag van je laatste menstruatie.

Manieren van zwangerschapsafbreking

De manier waarop een zwangerschap wordt beëindigd, is afhankelijk van hoe lang je zwanger bent. Ga daarom zo snel mogelijk naar de huisarts om de zwangerschapsduur vast te stellen. Hoe eerder je erbij bent, hoe lichter de behandeling.

5 dagen bedenktijd

Als je kiest voor het afbreken van de zwangerschap, heb je 5 dagen bedenktijd. Dit betekent dat je na het eerste gesprek met de (huis)arts nog 5 dagen moet wachten voordat de zwangerschapsafbreking wordt uitgevoerd.

Deze bedenktijd is ingesteld zodat je een beslissing kunt nemen waar je zelf achter staat. Daarom moet je daar wat tijd voor nemen. Dit betekent niet dat je twijfels helemaal over hoeven te zijn, maar dat de keuze voor het afbreken van de zwangerschap voor jou toch de beste is op dat moment.

Wanneer je twijfelt over wat je moet doen, kan de FIOM je ondersteunen bij het nemen van een goed besluit.

Iemand meenemen

Als je beslissing na 5 dagen nog hetzelfde is, dan vindt de behandeling plaats. Het is prettig voor jou als je iemand bij je hebt, die je kan ondersteunen.

Informatie

Wanneer je de zwangerschap wilt afbreken, kijk dan op de website van Seksualiteit.nl of Sense.info welke mogelijkheden er zijn. Hier vind je ook informatie over redenen waarom mensen kiezen voor een zwangerschapsafbreking of over de verwerking ervan.

Wet Afbreking Zwangerschap

Ziekenhuizen en klinieken die zwangerschappen afbreken, moeten zich aan bepaalde wettelijke eisen houden. Dat staat in de Wet Afbreking Zwangerschap (WAZ).

Wat staat er in de wet?

De arts is verplicht bepaalde dingen met je te bespreken.

  • Is het jouw eigen keuze om de zwangerschap af te breken, of sta je onder druk van familie, partner of anderen?
  • Je krijgt uitleg over andere mogelijkheden bij een onbedoelde zwangerschap, zoals afstand doen.
  • Na het eerste gesprek met een arts moeten vrouwen 5 dagen wachten voor de zwangerschap kan worden afgebroken.

Leeftijd

Vrouwen die jonger zijn dan 16 jaar, hebben toestemming nodig van één van hun ouders of van hun voogd. Ook dit staat in de wet. Als je dit niet wilt, dan kun je contact opnemen met de FIOM. Zij kunnen je hiermee verder helpen.

Baby

De meeste ouders zijn dolgelukkig als hun baby wordt geboren. Een groter wonder en een mooier moment in een mensenleven bestaat haast niet. Natuurlijk zul je best even aan elkaar moeten wennen. Ruiken, voelen, kijken en luisteren naar zijn geluidjes of manier van huilen. Alles is nog nieuw.

Vragen, zorgen en twijfels

Je baby heeft veiligheid en geborgenheid nodig, maar ook voeding en warmte. Misschien zul je je zo nu en dan zorgen maken. Doen we het wel goed? Waarom huilt mijn baby nu? Wat moet je wel en vooral niet doen? Waar kun je terecht met je vragen, zorgen en twijfels? Wie helpt je verder als je baby zich niet goed ontwikkelt?

Op deze website staat zoveel mogelijk praktische informatie om al je vragen te beantwoorden. Voor elk probleem is er hulp of een oplossing te vinden. Blijf je vragen houden? Stel je vragen op het consultatiebureau of neem contact op met het Centrum voor Jeugd en Gezin bij jou in de buurt.

Kraamtijd

Meteen na de bevalling komt er veel op je af. De eerste 8 dagen is er meestal hulp van de kraamverzorgende. Ze helpt je bij de verzorging van je kind en ze weet raad! Dat je zelf nog niet alles weet, hoeft gelukkig ook niet. Je groeit met je kind mee.

Je kind krijgt direct na de geboorte een Apgarscore en in de eerste week na de geboorte een hielprik. Natuurlijk hoop je dat je kind gezond is. Misschien wil je graag borstvoeding gaan  geven. Soms hebben baby's last van kwaaltjes, zoals geel zien en opgezette borstjes. Zelf kun je ook last hebben van een aantal kwaaltjes na de bevalling. Ook komen er veel emoties los, dit worden ook wel de 'kraamtranen' genoemd.

Apgarscore

De Apgarscore is een onderzoek ontwikkeld door dokter Virginia Apgar. Met dit onderzoek wordt direct na de geboorte de algemene toestand of de conditie van een pasgeboren baby gemeten. Het onderzoek wordt 1,5 en 10 minuten na de geboorte uitgevoerd.

Elke letter van de naam Apgar staat voor een onderdeel in het onderzoek.

A: Appearance

De A staat voor appearance, oftewel de kleur van de huid. De huidskleur kan bijvoorbeeld blauw-grijs of bleek zijn. Dit is niet goed. De huidskleur is goed wanneer die normaal roze is.

P: Pulse

De P staat voor pulse, oftewel de pols of hartslag. Geen hartslag is natuurlijk niet goed. Minder dan 100 slagen per minuut is misschien zorgwekkend. Meer dan 100 slagen per minuut is het beste.

G: Grimace

De G staat voor grimace, oftewel de reactie op prikkels. Als de baby niet reageert, is dat niet goed. Als hij enige beweging laat zien is dat beter, maar het beste is als hij gaat huilen of trekken als reactie op bijvoorbeeld een (kleine) pijnprikkel.

A: Activity

De A staat voor activity, oftewel activiteit. Geen enkele beweging is niet goed, de armen en benen enigszins bewegen is beter. Actieve beweging van de armen en benen is natuurlijk het beste.

R: Respiration

De R staat voor respiration, oftewel de ademhaling. Geen ademhaling is absoluut niet goed. Een trage of onregelmatige ademhaling is iets beter, maar toch ook nog zorgwekkend. Een sterke, regelmatige ademhaling en krachtig huilen is goed.

De score

Voor elk onderdeel wordt een score bepaald: 0, 1 of 2 punten. Een totale score tussen de 7 en 10 punten is normaal. Een score van 4 punten of minder is zorgwekkend. Er is dan ook onmiddellijk hulp vereist. Een verloskundige weet wat ze in dat geval moet doen.

Herhaling van het onderzoek

Het onderzoek wordt driemaal afgenomen: 1, 5 en 10 minuten na de geboorte. Het is niet vreemd wanneer je baby bij het eerste onderzoekje nog geen hoge score heeft. Het is de bedoeling dat de baby bij herhaling van de test een steeds hogere score behaalt.

Hielprik

In de eerste week na de geboorte neemt een medewerker van de thuiszorgorganisatie, de GGD of de verloskundige met een speciaal apparaatje een paar druppeltjes bloed af uit de hiel van je baby. Meestal wordt de hielprik gecombineerd met de gehoorscreening.

Als er in de eerste week na de bevalling nog niemand voor de hielprik is langsgeweest, zoek dan zelf even contact met het RIVM-regiokantoor (RCP). De hielprik moet op tijd plaatsvinden.

Afbeelding 261

Reden om de hielprik uit te voeren

Het bloed van je kind wordt in een laboratorium onderzocht op verschillende ziekten. Het gaat om een ziekte van de schildklier, een ziekte van de bijnier, een vorm van bloedarmoede (sikkelcelziekte), taaislijmziekte (cystic fibrosis) en een aantal stofwisselingsziekten. De meeste daarvan zijn erfelijk en komen niet vaak voor.

Niet leuk, maar wel belangrijk

Het is vanzelfsprekend heel belangrijk voor de gezondheid van je baby dat je toestemming geeft voor de hielprik. De prik is op zich niet heel pijnlijk, maar je kind kan even gaan huilen. Ook van de schrik.

Geen bericht, goed bericht

Als de uitslag van het onderzoek goed is, ontvang je géén bericht. Als je dus binnen 4 weken nog niets gehoord hebt, is de uitslag goed. Als er wel een afwijkende uitslag is gevonden, ontvang je bericht van je huisarts.

Een tweede hielprik

Een enkele keer moet er nog een hielprik worden uitgevoerd. Deze hielprik wordt uitgevoerd binnen 2 weken na de eerste hielprik. Over deze uitslag ontvang je altijd bericht, ook als de uitslag goed is.

Geboorteaangifte

Als je kind is geboren, dan moet je binnen 3 werkdagen de geboorte van je kind aangeven bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Dit is verplicht, omdat de geboorteakte het juridisch bewijs is van de geboorte. Zonder dit bewijs heeft je kind geen identificatie. Je kunt je kind dan bijvoorbeeld niet verzekeren, en ook niet inschrijven bij scholen.

Wie doet de geboorteaangifte?

In principe doet de vader van het kind de geboorteaangifte. Als de vader daartoe niet in staat is, dan kan een ander persoon die bij de geboorte aanwezig was aangifte doen. Deze persoon hoeft geen familie te zijn.

Waar en wat neem je mee?

Je doet geboorteaangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar je kind geboren is. Dat hoeft dus niet per definitie je eigen gemeente te zijn. Hiervoor neem je een aantal documenten mee: je eigen identiteitsbewijs, het identiteitsbewijs van de moeder en het geboortebewijs van de arts of verloskundige.

Eventueel neem je (indien van toepassing) ook mee: de akte van erkenning, de akte van naamskeuze of je trouwboekje.

Binnen welke termijn?

Je moet geboorteaangifte doen binnen 3 werkdagen nadat je kind geboren is. De geboortedag zelf telt niet mee. Dus als je kind op dinsdag geboren is, dan moet je uiterlijk op vrijdag aangifte doen. Als je kind op vrijdag geboren wordt, dan heb je tot woensdag om aangifte te doen. Weekenden en feestdagen tellen niet mee. Maar als er veel vrije dagen en feestdagen elkaar opvolgen, dan moet je toch zo snel mogelijk (op de allereerste werkdag die volgt) aangifte doen van de geboorte van je kind.

Wat als je het niet doet of vergeet?

Als je niet op tijd geboorteaangifte doet, dan meldt de ambtenaar van de burgerlijke stand dit bij het Openbaar Ministerie (OM). Het kan zijn dat je van het OM een boete krijgt.

Vaccinaties en hielprik

Nadat je geboorteaangifte hebt gedaan, wordt de geboorte van je kind doorgegeven aan de Jeugdgezondheidszorg en de RIVM-Regionale Coördinatie Programma’s (RCP). Zij zorgen ervoor dat je kind wordt opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma. De JGZ-organisatie zorgt ervoor dat in de eerste week na de geboorte iemand bij je aan huis komt voor de hielprik.

Overlijden

Als je kindje doodgeboren wordt, of overlijdt binnen het termijn van aangifte, dan ben je toch verplicht om aangifte te doen van de geboorte. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt dan ook een overlijdensakte op.

Geel zien

De eerste 7 dagen kan je baby een beetje een gele kleur krijgen. De lever van een pasgeboren baby is nog niet helemaal rijp om de stof 'bilirubine' uit het bloed te verwerken. Omdat het gehalte aan bilirubine in het bloed van je baby hoger wordt, krijgt je baby een gele kleur.

Kan een gele kleur kwaad?

Is je baby een beetje geel, dan kan dit geen kwaad. Ongeveer de helft van de pasgeboren baby's wordt een beetje geel. Meestal rond de derde dag na de geboorte. Dit verdwijnt binnen een paar dagen weer. Je kraamverzorgende let hier ook op.

Wanneer hulp vragen?

Als je baby erg geel wordt, dan is het beter om de verloskundige te raadplegen. Een te hoog gehalte aan bilirubine kan schade veroorzaken aan de hersenen van je baby. De verloskundige controleert je baby op een aantal punten. Hij of zij kan eventueel het bloed van je baby laten onderzoeken op het bilirubinegehalte.

Na de test

Is het bilirubinegehalte te hoog? Dan kunnen er 2 dingen gebeuren. Het bloed wordt een dag later nogmaals getest. Of je baby wordt behandeld in het ziekenhuis, waar hij onder een blauwe lamp wordt geplaatst. Het blauwe licht zorgt voor de afbraak van de bilirubine.

Wat kun je zelf doen?

  • Je baby zoveel mogelijk in direct zonlicht leggen (binnen, voor een raam). Zonlicht breekt bilirubine af. Het is verstandig om op te letten dat je baby het niet te koud krijgt, want hij kan zichzelf nog niet goed warm houden. Het is onverstandig om hem buiten in de zon te leggen, omdat zijn tere huid snel verbrandt.
  • Je baby vanaf de eerste dag zo vaak mogelijk voeden: hoe meer voeding hij krijgt, hoe meer ontlasting hij produceert. En dat is goed, want bilirubine wordt uitgescheden via de ontlasting. Je baby water geven is geen goed idee, want dan drinkt hij minder melk en heeft hij minder ontlasting.

Lichaamshaar

Na de geboorte hebben kinderen kleine haartjes over een groot deel van hun lichaam. Het verschilt met hoeveel hoofdhaar baby's ter wereld komen.

Lichaamshaar

Op bijna alle plaatsen van het lichaam van je kind zit kort, dun en donsachtig lichaamshaar. Het zit niet op plekken als lippen, handpalmen, voetzolen.

Hoofdhaar

Baby's met een donkere huid hebben vaak vrij veel haar. Ook kinderen met een blanke huid kunnen bij de geboorte soms al veel haar hebben. Is je baby na de geboorte nogal kaal? Troost je: dat is bij veel baby's het geval. Het haar wordt meestal dunner na een paar weken of het valt voor een deel uit. Je ziet vaak eerst een kale plek op het achterhoofd van de baby. Dat is natuurlijk de plek waar je baby het meest op ligt.

Als je baby een paar maanden oud is, begint zijn haar te groeien. Bijna alle baby's van een jaar oud hebben haar op hun hoofd. Je hoeft het haar van je baby niet dagelijks te wassen.

Opgezette borstjes

Zowel jongetjes als meisjes kunnen de eerste weken na de geboorte borstjes hebben, die een beetje opgezet zijn. Soms komt er zelfs een druppeltje melk uit. Dit wordt 'heksenmelk' genoemd.

Hormonen

Opgezette borstjes worden veroorzaakt door de hormonen van de moeder. Deze hormonen zorgden er tijdens de zwangerschap voor dat je lichaam zich ging voorbereiden op de borstvoeding. Het kan geen kwaad dat je kind last heeft van opgezette borstjes. Het verdwijnt vanzelf weer. Het is niet goed om er steeds op te drukken.

Huidsmeer

In de baarmoeder is de huid van je baby bedekt met een witte vette laag. Dat is huidsmeer. Het huidsmeer beschermt de huid van je baby.

Na de geboorte is het huidsmeer vaak nog te zien. Je hoeft het niet weg te wassen. Het huidsmeer trekt vanzelf in de huid. Na 2 dagen is het meestal helemaal weg.

Kwaaltjes na de bevalling

Misschien had je tijdens de zwangerschap last van bepaalde zwangerschapskwaaltjes. Ook in de eerste maanden na de bevalling kun je last hebben van verschillende kwaaltjes, zoals:

  • moeheid;
  • snel geïrriteerd zijn;
  • duizeligheid;
  • vergeetachtigheid;
  • concentratieproblemen;
  • somberheid;
  • huilerigheid;
  • slapeloosheid;
  • hoofdpijn;
  • rugpijn;
  • haaruitval.

Geen zin in seks

Het is heel normaal als je de eerste maanden na de bevalling nog niet meteen zin in seks hebt. Dat kan best even duren. Toch is het wel belangrijk voor jullie relatie. Probeer er dus eerlijk met je partner over te praten en wederzijds begrip te tonen. Gun elkaar ook de tijd om aan de nieuwe gezinssituatie te wennen.

Kraamtranen

Een paar dagen na de bevalling komen vaak al je emoties los. Het ene moment voel je je heel blij, gelukkig en vrolijk. Het andere moment barst je in tranen uit om de kleinste dingen. Dit is een normaal verschijnsel en wordt ook wel 'kraamtranen' genoemd. Kraamtranen worden veroorzaakt door:

  • de hormonen;
  • de ervaring en verwerking van de bevalling;
  • alle nieuwe indrukken;
  • een gebrek aan slaap.

Misschien vind je het vervelend dat je je zo voelt. Laat je daarom vooral lekker verwennen door je kraamverzorgende en je partner. Het hoort er allemaal bij.

Depressie

Een enkele keer slaat een downperiode om in een postnatale depressie. Dat is natuurlijk niets om je over te schamen of om je schuldig over te voelen. Praat erover met je huisarts of de Jeugdgezondheidszorg (JGZ). Zij kunnen je helpen.

Lichamelijk herstel

Tijdens je zwangerschap is je lichaam veranderd. Je lichaam heeft tijd nodig om te herstellen. Je hebt niet meteen je oude figuur terug. In ieder geval duurt het een paar weken voordat de zwangerschapshormonen uit je lichaam zijn verdwenen.

De arts of verloskundige en de kraamverzorgende letten goed op jouw gezondheid in de kraamtijd. Ze willen weten:

  • of je goed plast en poept;
  • of je baarmoeder weer klein wordt;
  • of er nog bloed uit je vagina komt;
  • hoe het met je hechtingen gaat (als je die hebt);
  • hoe je borsten er uitzien en aanvoelen;
  • of je je goed voelt.

Naweeën

Je kunt nog een paar dagen last hebben van naweeën. Dit komt doordat je baarmoeder zich samentrekt. Zo wordt je baarmoeder steeds kleiner. Uiteindelijk wordt de baarmoeder weer zoals voor je zwangerschap. Als je veel last hebt van naweeën, kun je het volgende doen.

  • Neem een warme douche of leg een warme kruik op je buik. Warmte is goed tegen de pijn.
  • Je mag ook paracetamol nemen tegen de pijn. Kijk op de bijsluiter hoeveel je mag nemen. Of vraag het aan je kraamverzorgende, arts of verloskundige.
  • Zorg dat je genoeg slaapt. Ook overdag. Zo kun je goed herstellen. Genoeg rust is ook belangrijk als je borstvoeding geeft. Want dat kost ook energie.
  • Zeg duidelijk tegen je bezoek wanneer je rust nodig hebt. Je kunt ook een kraamfeest geven. Dan komt iedereen in één keer.

Bloedverlies

Na de bevalling verlies je nog steeds bloed. Dit komt doordat er een wond zit op de plek waar de moederkoek zat. Die wond geneest langzaam doordat je baarmoeder nog samentrekt. In het begin is het bloed helder rood. Het kan ook best veel zijn. Na een tijdje verlies je minder bloed. De kleur wordt roze of bruin. Dit heet 'kraamzuivering'.

Zwangerschapskilo's

Veel vrouwen komen tijdens de zwangerschap aan. In dat geval is het goed om weer wat meer te gaan bewegen, maar ga niet meteen intensief sporten. Je lichaam heeft minstens 6 maanden nodig om te herstellen van de zwangerschap. Vraag je huisarts of je verloskundige hoe je het best kunt afvallen en in welk tempo je dat kunt doen. Borstvoeding geven kan ook helpen bij het afvallen. Het aanmaken van moedermelk kost namelijk erg veel energie.

Kraamvisite

Tijdens de kraamtijd willen familie en vrienden natuurlijk je baby komen bewonderen. Ze zijn nieuwsgierig naar je baby. Het is daarbij belangrijk dat je zelf kunt aangeven op welke tijden ze welkom zijn, zodat jij en je baby tussendoor genoeg kunnen uitrusten. Je kunt deze tijden bijvoorbeeld op het geboortekaartje vermelden.

Organisatie

Een bevalling gaat je niet in de koude kleren zitten. Je lichaam is moe en je kunt het gevoel hebben dat je geen energie meer hebt om ook nog eens alles te regelen voor je kraamvisite. Je kraamverzorgende kan het meeste werk even van je overnemen. En misschien heb je ook een partner, moeder of zus die de bezoekjes van familie en vrienden kan organiseren.

Stel zelf de data en tijden vast

Het is bijvoorbeeld mogelijk om een groot kraamfeest of meerdere kleine kraamfeestjes te organiseren. Je kunt de data en de tijdstippen bekend maken aan iedereen en vragen of mensen willen bellen als ze langskomen. Op die manier komt iedereen op data en tijden waarop het jou het best uitkomt. En zo voorkom je ook dat sommige familieleden en vrienden nog na 3 maanden op kraamvisite willen komen.

Tips

  • Verstuur de geboortekaartjes een paar dagen later.
  • Vermeld de tijden waarop je rust op het geboortekaartje.
  • Vraag mensen eerst te bellen voordat ze langskomen.
  • Zet de telefoon en deurbel uit op rustmomenten.
  • Zorg al voor de bevalling dat je genoeg koffie, thee, frisdrank en beschuit in huis hebt. De muisjes kun je natuurlijk pas kopen zodra je weet of je een zoon of een dochter hebt gekregen!

Groei en ontwikkeling

In het eerste jaar groeit je baby ongeveer 25 cm. Zijn lijfje wordt groter en hij kan ook steeds meer.

Je baby kan bijvoorbeeld steeds beter ruiken, zien, horen, voelen en bewegen. Daardoor kan je baby zijn omgeving steeds beter waarnemen en reageren op wat daar gebeurt. Als ouders speel je daar op in met bijvoorbeeld nieuwe speeltjes en nieuwe hapjes. Alles op z'n tijd als je kind eraan toe is.

Vrijwel elke ouder vindt het boeiend om te zien hoe zijn of haar kind zich ontwikkelt en opgroeit. Meestal verloopt het gelukkig probleemloos. Maar soms gaat het anders. Dan zijn er tegenslagen en lopen dingen anders dan je gehoopt had.

Lichamelijke ontwikkeling

Kinderen ontwikkelen zich in hun eigen tempo. Je kunt de groei van je baby volgen met behulp van het groeiboekje, dat je bij het consultatiebureau krijgt na de geboorte van je kind. Hierin kun je zelf bijhouden hoe je kind zich op allerlei gebieden ontwikkelt.

Motorische ontwikkeling

De motorische ontwikkeling van kinderen kent verschillende mijlpalen. Kinderen leren achtereenvolgens zitten, kruipen, staan, lopen, rennen, huppelen en fietsen. En dat gaat nog door met allerlei andere activiteiten, naarmate ze ouder worden.

Elk kind is anders

Het is goed om je te bedenken dat ieder kind anders is. Het kan zijn dat je kind met bepaalde ontwikkelingen wat later is dan andere kinderen. Dat hoeft niet te betekenen dat er iets mis is. Maak je je toch zorgen over je baby? Bespreek dat dan op het consultatiebureau.

Gewicht

De meeste baby’s die geboren worden na een normale zwangerschapsduur van 9 maanden, wegen tussen 2500 en 4500 gram. Het gemiddelde daarvan is 3500 gram.

Kleine baby’s

Een gewicht van 2500 gram of minder is laag, 1500 gram is zeer laag. Bij de volgende situaties kan het geboortegewicht van een baby te laag zijn:

Gevolgen voor de gezondheid

Een laag geboortegewicht kan negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid van je kind. Er is meer kans op zuurstoftekort tijdens de geboorte. En er is kans op een te laag suikergehalte in het bloed waardoor hersenschade kan ontstaan. Kleine baby’s hebben daarom na de geboorte veel zorg nodig en worden meestal in een couveuse gelegd om ze warm te houden.

Grote baby’s

Het komt ook voor dat een baby zwaarder is dan het gemiddelde van 3500 gram en dus een hoog geboortegewicht heeft. In de meeste gevallen komt dit omdat de ouders ook groot zijn. Maar in sommige gevallen wordt een te hoog geboortegewicht veroorzaakt door diabetes bij de moeder. Het kan hierbij gaan om diabetes type 1 en 2, of zwangerschapsdiabetes.

Gewichtverlies na de geboorte

Het is normaal dat een baby in de eerste week na de geboorte gewicht verliest. Een baby mag echter niet meer dan 10% van zijn lichaamsgewicht verliezen, dit kan zijn gezondheid in gevaar brengen.

Groeien

Na een week is je kind terug op zijn geboortegewicht. Vanaf dan groeit je kind verder en neemt zijn gewicht in de eerste 4 maanden toe met ongeveer 100 tot 250 gram per week. Bij het consultatiebureau wordt bijgehouden hoeveel je kind weegt en groeit.

Groei

Of een kind goed groeit kun je bekijken door zijn lengte in te vullen op een groeicurve. Bij kinderen tot 4 jaar meet de medewerker van het consultatiebureau het gewicht en de lengte van je kind. In de groeicurve die in het groeiboekje van je kind zit, kun je zien volgens welke lijn je kind zich ontwikkelt. In sommige perioden maken kinderen een groeispurt door.

Wat is een groeicurve?

Om de groei van je kind te volgen kun je die vergelijken met de groei van andere kinderen van dezelfde leeftijd. De middelste lijn in een groeicurve geeft aan wat de gemiddelde lengte en het gemiddelde gewicht van een groep kinderen is van een bepaalde leeftijd. De buitenste lijnen geven de lijnen aan waarbinnen het grootste deel van de kinderen zit.

Wat is normaal?

Het is logisch dat bijna geen enkel kind precies de gemiddelde lijn volgt. Belangrijk is de eigen groeilijn van je kind. Vlakt de groeilijn van je kind af of komt er een knik in de lijn, bespreek het dan op het consultatiebureau. Zij zullen je zo nodig naar de huisarts verwijzen. Wijkt een kind fors af van de eigen groeilijn, dan kan er sprake zijn van een groeistoornis.

Hoe lang wordt je kind?

Als je wilt weten hoe lang je kind uiteindelijk wordt, dan kun je dat uitrekenen. De formule geeft geen exacte uitkomst: je kind kan er ongeveer 10 centimeter onder of boven zitten.

  • Eindlengte voor een jongen = 44,5 + (0,376 x lengte vader in cm) + (0,411 x lengte moeder in cm).
  • Eindlengte voor een meisje = 47,1 + (0,334 x lengte vader in cm) + (0,364 x lengte moeder in cm).

Fontanel

De schedel van een pasgeboren baby is nog niet goed gesloten. Op het hoofd van je baby zitten 2 fontanellen: een zacht plekje midden bovenop en een kleiner plekje op het achterhoofd. Een fontanel is een opening tussen 2 schedelplaten. Deze schedelplaten groeien in de loop van een paar maanden naar elkaar toe.

Wat is de functie van fontanellen?

Door de fontanellen kan de schedel van de baby zich tijdens de geboorte aanpassen aan de vorm van het geboortekanaal. Verder geven de fontanellen de hersenen van de baby ruimte om te groeien.

Hoe ga je ermee om?

De huid over de fontanel is stug en stevig. Je kunt het hoofd en het haar van de baby gewoon wassen. Je hoeft niet heel voorzichtig te zijn met de fontanellen, maar hard op de plekjes wrijven of drukken is niet verstandig.

De grote fontanel is dichtgegroeid als je kind 1 tot 1,5 jaar oud is. De arts of medewerker van het consultatiebureau controleert regelmatig de fontanellen van je kind.

Scheef hoofdje

In het begin worden baby's op hun rug gelegd. Je kind draait met zijn hoofdje vaak naar de kant van het licht. Hierdoor ligt je kind meestal met zijn hoofdje dezelfde kant op en dat kan zorgen voor een 'afgeplat hoofdje', omdat de schedel nog zacht is.

Voorkeurshouding

Je baby vindt het makkelijk of prettig om altijd in dezelfde houding te liggen. Hij heeft een voorkeurshouding ontwikkeld. Hierdoor kan je baby een 'scheef hoofdje' krijgen, maar ook andere lichamelijke problemen. Het kan ook zijn dat je kind zijn armen en benen niet evenveel beweegt. Of dat de ene helft van zijn lichaam sterker is dan de andere helft. Je kind kan dan niet goed recht liggen en houdt zijn hoofd niet goed in het midden.

Het hoofdje draaien

Je kunt voorkomen dat je baby een scheef hoofdje ontwikkelt door erop te letten dat hij geen voorkeur voor een bepaalde houding ontwikkelt. Oefen met je baby verschillende houdingen, zodat hij niet met zijn hoofdje steeds dezelfde kant op ligt. Verander of draai zijn hoofdje in bed, in de box, als je hem aankleedt, een schone luier om doet of flesvoeding geeft.

Tips!

  • Leg je baby in de eerste weken 3 keer per dag 5 minuten op zijn buikje. Leg zijn armpjes naar voren. Hij kan dan op zijn elleboogjes steunen. Help hem eventueel door je hand op zijn billen te leggen of door een rolletje gemaakt van een handdoek onder de borst te leggen op de hoogte van de oksels. Nu kan hij zijn hoofdje optillen en naar links en naar rechts kijken. Hij maakt zo zijn nek- en rugspieren sterker. En hij kan gemakkelijk draaien met zijn hoofdje.
  • Als je baby 3 maanden is, kan hij 3 of meer keer per dag een half uurtje op zijn buikje spelen. Blijf er wel bij!
  • Leg je baby vanaf de geboorte in rugligging te slapen met zijn hoofdje afwisselend naar links en naar rechts.
  • Baby's zijn erg op het licht gericht. Draai af en toe het bedje om, zodat het raam zich aan de andere kant bevindt. Hierdoor zal je baby eerder de andere kant op kijken.Je kunt ook het bedje af en toe andersom opmaken.
  • Leg of hang leuk speelgoed in de box zo neer dat je baby afwisselend naar links en naar rechts kan kijken. Wissel ook de richting waarop je baby in de box ligt af.
  • Ligt je baby tegen jouw schouder aan? Zorg ervoor dat hij soms op de linkerschouder en soms op de rechterschouder ligt.
  • Wanneer je borstvoeding geeft, wissel je automatisch de houding van je baby. Geef je flesvoeding, neem dan je baby de ene voeding op je rechtarm en de andere op je linkerarm. 
  • Leg je baby recht voor je op het aankleedkussen. Zodat je baby naar jou kan kijken. Lukt dat niet? Leg je baby dan afwisselend naar links en naar rechts op de commode tijdens het aankleden en verschonen.
  • Ontwikkelt je baby desondanks een voorkeurshouding? Overleg dan met het consultatiebureau of met de kinderarts.

Gebit

Voor je het weet heeft je kind zijn eerste tandje. De onderste snijtandjes komen het eerst door. Rond 12 maanden heeft je kind al heel wat tandjes in zijn mond. Je kunt langs het tandvlees van je kind voelen of je een ribbel of bobbel in het tandvlees voelt. Rond 2 jaar breken de achterste melkkiezen door, als laatste.

Afbeelding 262

Wanneer komen de tanden en kiezen?

  • 6 maanden: 2 snijtanden onder
  • 8 maanden: 2 snijtanden boven
  • 9-12 maanden: de tweede snijtanden onder en boven
  • 14-16 maanden: de eerste melkkiezen
  • 18-20 maanden: de hoektanden
  • 24-30 maanden: de tweede melkkiezen

Kan je kind last hebben?

Sommige kinderen hebben last van doorkomende tanden en kiezen. De verschijnselen zijn:

  • meer dan anders huilen;
  • prikkelbaar en aanhankelijk;
  • moeilijk slapen;
  • soms niet eten.

Vaak kwijlen baby's meer als hun tanden doorkomen, en wrijven ze over hun gezicht. Ook bijten ze graag op speelgoed of bijvoorbeeld een speciale bijtring. En vaak hebben ze wat meer speeksel dan normaal. Heeft je kind koorts of uitslag? Dan komt dat niet van doorkomende tanden.

Borstvoeding

Als je borstvoeding geeft, kun je dat gewoon blijven doen. Ook als je kind tandjes heeft gekregen. Om te voorkomen dat je kind in je tepel bijt, kun je ervoor zorgen dat hij de tepel goed achterin zijn mond heeft.

Tanden poetsen

Poets de tanden van je kind met peutertandpasta om te voorkomen dat hij gaatjes krijgt. En neem hem al vroeg mee naar de tandarts.

Fopspeen en duimen

Spenen en duimen zijn vaak slecht voor de ontwikkeling van het gebit van je kind. Het is belangrijk dat je kind het op tijd afleert.

Ontwikkelingsproblemen

Sommige kinderen zijn traag in de ontwikkeling van hun motoriek, hun spraak- en taalontwikkeling, of hun emotionele ontwikkeling. Ieder kind heeft zijn eigen tempo en temperament. Voor sommige ouders is het moeilijk om dat te constateren, of om van iemand te horen.

Lichamelijke problemen

Soms ontwikkelt een kind zich minder goed ten gevolge van één of meer lichamelijke problemen. Het kan bijvoorbeeld zijn dat je kind te vroeg geboren is. Maar het kan ook zijn dat je kind een aangeboren aandoening heeft, zoals een open ruggetje of een verstandelijke beperking.

Gevolgen voor de ontwikkeling

Problemen die zich vroeg openbaren kunnen van invloed zijn op de gehele ontwikkeling van een kind. Een kind dat bijvoorbeeld niet kan kruipen of lopen, zal de wereld om zich heen minder snel ontdekken. Het is goed om zo vroeg mogelijk hulp in te schakelen als je kind een ontwikkelingsachterstand heeft. Zo help je jezelf, je kind en eventuele broertjes of zusjes om op een goede manier om te gaan met beperkingen. En bied je je kind de kans om zich zo goed mogelijk te ontwikkelen.

Te vroeg geboren

De geboortedatum wordt gewoonlijk berekend aan de hand van de laatste dag van de laatste menstruatie. Daar tel je 40 weken bij op en zo kom je op de datum waarop je uitgerekend bent. Soms komen kinderen vroeger. Spontaan of door een medische oorzaak.

Extreem vroeg

Als het kind voor de 32e week geboren wordt, is dat extreem vroeg. Dit noemt men ook wel extreme prematuriteit. Dit komt voor bij 2 of 3 op de 100 bevallingen. Dankzij de goede medische zorg en het bestaan van couveuses liggen de overlevingskansen van te vroeg geboren baby's tegenwoordig bij 23 weken rond de 65 procent. Bij 27 weken is dat rond de 90 procent.

Er zijn ziekenhuizen die gespecialiseerd zijn in te vroeg geboren baby's. Dat noemen we neonatale centra. Zij verplegen baby's die nog eerder geboren worden dan 28 weken. Soms kan een baby van 26 weken in leven blijven.

Gewoon te vroeg

Als de baby geboren wordt tussen de 23e week en de 37e week, spreekt men van vroeggeboorte of prematuur. In dit geval zal het kind een tijdje in de couveuse moeten liggen. Kinderen die na 37 weken geboren worden en nog voor de datum dat je uitgerekend bent, zijn gewoon te vroeg.

Te vroeg geboren, wat nu?

Als je kind veel te vroeg geboren wordt, is dat een zware periode. Je hebt je verheugd op je kind. Maar de bevalling is te vroeg begonnen. Dat zorgt voor veel angst en spanning. En nu ligt je kind in een couveuse.

  • Is je kind niet in levensgevaar? Dan doet de verpleging alles aan een goede start. Om te zorgen voor een goede band tussen jullie en je kind. Ze steunen jullie met praktische zaken en goede adviezen.
  • Is je kind in levensgevaar? Dan begeleidt de verpleging jullie bij moeilijke momenten. Je weet niet of je kind uit de couveuse komt. En hoe. Blijft je baby in leven? Hoe is de kwaliteit van leven? Is je baby erg ziek? Dan moeten jullie misschien beslissen om het leven van je kind niet verder te rekken. Of je kind overleeft het niet.

Tips

  • Vraag zoveel mogelijk aan de artsen. Zodat je begrijpt wat er aan de hand is.
  • Geef zoveel mogelijk warmte en liefde aan je kind. Denk positief en probeer je kind zo te steunen.

Lichamelijke problemen

Soms ontwikkelt een kind zich minder goed ten gevolge van een of meer lichamelijke problemen.

Aandoeningen

Veel voorkomende aandoeningen die te maken hebben met de lichamelijke ontwikkeling zijn een lui oog, een waterhoofd, een open rug, een hazenlip of een aangeboren vlek, zoals een wijnvlek. Sommige van deze aandoeningen komen pas vanaf een bepaalde leeftijd aan het licht.

Gevolgen voor de ontwikkeling

Lichamelijke aandoeningen die zich vroeg openbaren kunnen van invloed zijn op de gehele ontwikkeling van een kind. Een kind dat bijvoorbeeld niet kan kruipen of lopen, zal de wereld om zich heen minder snel ontdekken.

Vroeghulp

Omdat de lichamelijke ontwikkeling zo sterk samenhangt met de algehele ontwikkeling, is het goed om zo vroeg mogelijk hulp in te schakelen als je kind een ontwikkelingsachterstand heeft. Zo help je jezelf, je kind en eventuele broertjes of zusjes om op een goede manier om te gaan met beperkingen, en bied je je kind de kans om zich zo goed mogelijk te ontwikkelen.

Verstandelijke beperking

Niet alle kinderen komen gezond ter wereld. Sommige kinderen hebben aangeboren lichamelijke problemen, zoals bijvoorbeeld een hazenlip. Andere kinderen worden geboren met een verstandelijke beperking, zoals bijvoorbeeld het Downsyndroom.

Onderzoek

Misschien was het meteen na de geboorte van je kind duidelijk dat er iets mis was. Het kan meteen duidelijk zijn wat dat is, maar het kan ook zijn dat er eerst onderzoek nodig is door een arts of door het consultatiebureau. Soms merk je pas na maanden of jaren dat er iets mis is, bijvoorbeeld wanneer je kind niet gaat praten of wanneer zijn gedragingen niet normaal zijn.

Anders

Omdat je kind een verstandelijke beperking heeft, is hij misschien een beetje anders dan andere kinderen. Zijn zorg en opvoeding vraagt misschien veel van je. Dit kan daardoor een behoorlijke belasting zijn voor het gehele gezin.

Vroeghulp

Jonge kinderen ontwikkelen zich soms anders dan gedacht op bijvoorbeeld lichamelijk, psychisch of sociaal gebied. Dit hoeft niet te betekenen dat een kind een ernstig ontwikkelingsprobleem heeft. Maar soms maak je je gewoon zorgen, juist omdat je niet weet wat er precies aan de hand is.

  • Mijn zoon is net 1 en kan nog niet kruipen.
  • Mijn dochter van bijna 5 kan haar potlood niet goed vasthouden.
  • Het lijkt alsof mijn kind mij niet begrijpt.
  • Mijn kind is vaak agressief.
  • Mijn peuter kan zo driftig zijn dat ik me geen raad weet.
  • Mijn kind van 3 jaar speelt niet, maar gooit met speelgoed.
  • Mijn peuter van 3 maakt alleen maar klanken. Het is voor mij onverstaanbaar.

Waar kun je terecht?

Je kunt de problemen bespreken met bijvoorbeeld een verpleegkundige van het consultatiebureau of met de huisarts. Maak je je zorgen, juist omdat je niet weet wat er precies aan de hand is? Dan kun je ook rechtstreeks advies vragen aan een multidisciplinair team.

Het team Integrale Vroeghulp (of soms heet het nog loket Vroeghulp of VTO-vroeghulp) wil graag samen met ouders ervoor zorgen dat kinderen van 0 tot 7 jaar zich zo goed mogelijk ontwikkelen.

Deskundigheid

Verschillende organisaties werken samen om de deskundigen te leveren voor het multidisciplinaire team. Dat zijn bijvoorbeeld de Jeugdgezondheidszorg, MEE, revalidatiecentrum, verstandelijk gehandicaptenzorg, Bureau Jeugdzorg, de schoolbegeleidingsdienst.

Samenwerking met andere organisaties is zeer waardevol. Iedereen brengt zijn of haar eigen deskundigheid mee en er wordt van alle kanten naar de situatie gekeken. In een team zitten meestal jeugdartsen, psychologen, pedagogen, maatschappelijk werkers en soms kinderartsen, revalidatieartsen, jeugdverpleegkundigen, fysiotherapeuten of logopedisten.

Het eerste telefoontje

Het is heel belangrijk om zo vroeg mogelijk problemen op te sporen, zodat er snel passende hulp geboden kan worden.

Je kunt doorverwezen worden door de huisarts, maar je kunt ook zelf bellen voor hulp. Soms is dat voldoende en word je meteen op het juiste spoor gezet. Maar vaak is er meer nodig en zullen verschillende deskundigen proberen te achterhalen wat er aan de hand is met je kind. Natuurlijk wordt er ook goed nagedacht over hoe je kind behandeld kan worden.

Samenwerken met de ouders

Als ouder word je van begin af aan zo veel mogelijk betrokken bij de gesprekken met deskundigen en bij de behandeling van je kind. Samenwerken is het allerbelangrijkste. Als ouder krijg je daarom een vast contactpersoon: de casemanager. Een casemanager maakt alle afspraken voor je en zorgt ervoor dat je goed op de hoogte blijft.

Onafhankelijk en kosteloos

Integrale Vroeghulp is onafhankelijk. Dit betekent dat het belang van je kind voorop staat. Je hebt geen verwijzing nodig van de huisarts of het consultatiebureau, maar dat kan eventueel wel. En de hulp en ondersteuning die je krijgt is kosteloos.

De baby overlijdt

Van alle 100 baby's die in Nederland geboren worden, overlijdt er 1 tijdens of direct na de geboorte. De reden waarom dit getal zo hoog ligt, is niet bekend.

Als een baby dood geboren wordt, of kort na de geboorte overlijdt, beleef je als ouders één van de moeilijkste perioden in je leven. Het is een periode van verdoving, niet accepteren, boosheid en verdriet. Je hebt je kind nauwelijks leren kennen, als vader misschien nog minder dan de moeder.

Steun

Familie en vrienden bieden waarschijnlijk veel steun en hulp. Voor emotionele steun verwijzen we graag naar de lotgenotencontactgroep voor ouders die een kind verloren hebben. Je kunt ze bellen voor advies. Voor het regelen van de begrafenis is er op internet een checklist te vinden, die kan helpen om de begrafenis zo vorm te geven dat je een goede start maakt met het rouwproces.

Regelen

Als ouder van een overleden baby zijn er bepaalde administratieve zaken die je binnen 5 dagen moet regelen. Misschien wil je onderzoek laten doen naar eventuele (medische) oorzaken van het overlijden van je kind. Het kan zijn dat je gevraagd wordt of je organen van je baby wilt afstaan voor donatie. Hoe cru dat misschien ook klinkt: dit kan voor een andere baby levensreddend zijn.

Afscheid van je baby

Verder zul je je ook bezig gaan houden met het afscheid, de begrafenis en het inlichten van al je dierbaren, je familie en misschien ook bekenden in bredere kring.

Vroeger haalden artsen een doodgeboren kind meteen bij de moeder weg. Nu is dat gelukkig niet meer zo. Contact met je baby is voor de meeste ouders belangrijk. Dan kun je de dood van het kind beter verwerken. Het is jouw kindje. Je geeft het een naam. Je geeft het aan bij de burgerlijke stand. Het kind hoort voor altijd bij jou en jullie gezin.

Adviezen

  • Ga af op je gevoel, zoals jij afscheid wil nemen.
  • Je kunt je baby als je dat wilt zelf wassen en aankleden na de geboorte.
  • Maak foto's als je wilt. Dan kun je altijd zien hoe je baby eruit zag.
  • Misschien wil je je baby laten zien aan je familie. Voordat hij begraven of gecremeerd wordt. Het kan een steun voor je zijn dat anderen je baby gezien hebben.
  • Op de website van Stichting Achter de Regenboog kun je meer informatie en advies vinden.

Hoe vertel ik het?

Als je kind overlijdt, is dit moeilijk. Op een gegeven moment, als je er klaar voor bent, kun je je verdriet delen met mensen uit je intieme kring, familie en hartsvrienden.

Broertjes en zusjes

Wat het overlijden betekent voor je andere kinderen is afhankelijk van hun leeftijd. In ieder geval is openheid van groot belang. Verberg het overlijden niet. Vertel ze wat er gebeurd is en laat je kinderen, als ze dat willen, hun overleden broertje of zusje zien en eventueel aanraken. Probeer vragen zo goed mogelijk te beantwoorden.

De bredere kring

Als je mensen die dichtbij staan vertelt dat je je kind verloren hebt, kan dat emotioneel zijn, maar ook heilzaam. Het kan helpen bij het allereerste begin van de verwerking. Het ligt anders als het gaat om het inlichten van kennissen, collega's, achterneven en anderen met wie je een minder hechte band hebt, maar die zich wel afvragen wat er aan de hand is. Het is over het algemeen aan te raden om iedereen in te lichten over wat er gebeurd is. Bijvoorbeeld via een rouwkaart of een advertentie.

Steun krijgen

Mensen zullen geschokt zijn en meeleven. Als je dat ervaart als een warm bad, dan is het prima. Het kan ook zijn dat de verhalen van anderen teveel ballast worden. Bedenk wat jou, of jullie, zou helpen. Wil je bezoek ontvangen of niet? Wil je telefoontjes ontvangen of liever e-mail en kaartjes. Wat te doen met de kraamcadeautjes? In ontvangst nemen of weggeven aan een goed doel? Geef dat soort dingen zo duidelijk mogelijk aan. Als je zegt wat je nodig hebt op dit moment, geef je mensen ook de kans om je te steunen op en manier waar je iets aan hebt. Al is het maar dat je de buurvrouw vraagt om een pan soep te maken voor familie die van ver komt.

Verdriet en het rouwproces

Mensen zeggen vaak dat je verdriet moet verwerken. Dat klinkt misschien als wegwerken, maar dat wordt niet zo bedoeld. Als ouder vergeet je een overleden kind nooit.

Leegte en verdriet

De eerste weken en maanden zullen in het teken staan van het verlies. Iedereen heeft zijn eigen rituelen, emoties en gedachten, maar je zult op veel momenten in gedachten bij het verlies zijn. Intens verdriet en leegte overheersen. Soms ook ongeloof: is dit echt gebeurd? Ook twijfel en boosheid komen veel voor, vooral als je het gevoel hebt dat het ziekenhuis of doktoren niet goed gehandeld hebben.

Partners rouwen soms verschillend om de dood van hun kind. Dat geldt ook voor de eventuele andere kinderen en familieleden. Het is belangrijk om die verschillen te begrijpen en op je eigen manier afscheid te nemen van je overleden kind.

Partners

Mensen kunnen verschillen in de manier waarop ze zich uiten. Soms zie je bijvoorbeeld dat de vrouw behoefte heeft om zich te uiten en een man zich vaak erg verantwoordelijk voelt voor zijn partner en het gezin. Soms kunnen mannen moeilijk praten over het verlies. Als er veel verschil is in de manier waarop jullie rouwen, is goed om ook steun te zoeken bij anderen.

Lichamelijke klachten

Je kunt lichamelijke klachten krijgen na het verlies van je kind en het verdriet dat dat met zich meebrengt. Gebrek aan eetlust, slapeloosheid, depressies, onrust, enzovoort. Deels horen deze klachten bij het rouwproces, maar als de klachten te lang blijven bestaan, vraag dan advies aan je huisarts.

Vereniging Ouders van een Overleden Kind

De Vereniging Ouders van een Overleden Kind (VOOK) is een landelijke zelfhulporganisatie die lotgenoten met elkaar in contact brengt, bijvoorbeeld via gespreksgroepen. Telefoonnummer 0900-2022723 (€0,05 per minuut).

Administratieve verplichtingen

Als je kind na 24 weken zwangerschap dood geboren wordt of overlijdt na de geboorte, dan ben je verplicht om de baby aan te geven bij de burgerlijke stand.

Bij een zwangerschap korter dan 24 weken mag dat, maar het is niet verplicht. Veel ouders doen wel aangifte, om te bevestigen dat het kind er geweest is.

Papieren mee

Formeel is het zo dat eerst de geboorte aangegeven moet worden en dan het overlijden. Dit kan in één bezoek aan het gemeentehuis.

  • Hierbij moet wel een verklaring van overlijden overhandigd worden. Dat papier moet zijn ondertekend door een arts.
  • Bij een zwangerschap van minder dan 24 weken is ook een verklaring nodig van een geneeskundige waaruit de duur van de zwangerschap blijkt.

Als de aangifte voltooid is wordt er een formulier afgegeven waarop staat dat begraven of cremeren is toegestaan. Deze toestemming is verplicht voor kinderen die geboren zijn na een zwangerschap langer dan 24 weken.

Naamskeuze

Wanneer je al een naamskeuze had gemaakt (akte van naamskeuze) komt deze te vervallen.

Begrafenisvergoeding

Bij de meeste verzekeringsmaatschappijen kun je de kosten voor de uitvaart van een baby die nog geen 24 weken gedragen is, vergoed krijgen. Het is verschillend vanaf hoeveel weken zwangerschap zij dit doen, maar meestal houden ze 16 weken aan.

Wie moet dit regelen?

De vader van de baby is in eerste instantie de persoon die de aangifte bij de gemeente moet doen. Wanneer de vader niet aanwezig is of niet in staat is aangifte te doen kan ook iemand anders die aanwezig was bij de bevalling dit doen. Eventueel is het ook mogelijk dat de uitvaartverzorger of een medewerker van het ziekenhuis dit verzorgd.

De begrafenis of crematie

Om op een goede manier het rouwproces in te gaan, is een passend afscheid en een mooie begrafenis of crematie heel belangrijk. Een begrafenis of crematie van een baby is heel anders dan het begraven van een volwassene. Je neemt afscheid van al dat moois dat had kunnen zijn en van het unieke wezentje dat je zo graag zoveel langer bij je had willen hebben.

Ritueel aanpassen aan kind

De woorden en rituelen die je bij volwassenen gebruikt, lijken niet passend voor een kind. Er zijn veel mogelijkheden om het ritueel aan te passen aan het kind. Een mooi gedicht, een ritueel met bloemen of ballonnen, een mandje of een wit kistje. De mogelijkheden zijn er allemaal. Kijk wat bij het meest bij jullie zelf past.

Uitnodigen

Eén van de dingen die je moet bedenken is wie je uitnodigt. Je kunt kiezen voor een uitvaart in zeer besloten kring, of voor een uitvaart waar juist veel mensen zijn. Het is afhankelijk van de vraag wat je aankan en wat je als steunend ervaart. Als het allemaal veel teveel wordt, kun je bijvoorbeeld kiezen voor een begrafenis of crematie in kleine kring en in een later stadium een herdenkingsbijeenkomst houden.

Uitvaartverzorger

Het organiseren van een uitvaart vraagt veel kracht en ook aandacht voor details. Je kunt hierbij hulp krijgen van de uitvaartverzorger. Die weet ook wat gebruikelijk is en kan je informeren over de vele mogelijkheden. Elke stap en elke keuze is een stap op weg naar het definitieve afscheid. Om je te oriënteren kan het heel nuttig zijn om te kijken wat andere ouders gedaan hebben, die in dezelfde situatie geweest zijn als jij nu.

Vrienden en familie

Ook kun je een goede vriend(in) of familieleden om ondersteuning te vragen. Zeker als het gaat om praktische hulp en organiseren van de uitvaart, zullen veel mensen je graag willen helpen. De meeste mensen vinden het fijn om iets voor je te kunnen doen. Ze voelen zich dan meestal ook iets minder machteloos bij al dat verdriet. Het geeft ook voor later in het rouwproces een troostend gevoel dat er meer mensen waren, die intensief meegeleefd hebben.

Medische oorzaken en vragen

Als je baby thuis overlijdt, is de huisarts verplicht om de lijkschouwer in te schakelen. Na het overlijden van een baby in het ziekenhuis wordt ouders vaak toestemming gevraagd om nog een onderzoek (obductie of autopsie genoemd) te mogen doen, om erachter te komen wat de oorzaak is van het overlijden van de baby.

Opheldering en zekerheid

Dat kan van belang zijn om een goede diagnose te kunnen stellen. Zo'n onderzoek wordt gedaan uit belang van de wetenschappelijke kennis maar vooral om nog opheldering en zekerheid te geven over wat mis ging.

Nagesprek

De kinderarts zal jullie na enkele weken uitnodigen om alle gegevens omtrent het overlijden van je baby na te bespreken. Je kunt ook zelf een gesprek aanvragen. Het teruggaan naar het ziekenhuis en de kinderarts weer spreken, is vaak een zeer moeilijk moment. Maar het kan wel helpen bij het rouwproces. Meestal is het toch beter om te weten wat er bekend is over het overlijden van je kind. Wat was de oorzaak, was er iets wat je had kunnen doen, heeft het kind geleden?

Hulp van de huisarts

Wanneer je teveel opziet tegen het gesprek met de kinderarts kun je ook je huisarts vragen of je dit gesprek met hem of haar kunt voeren. Stel gerust alle vragen die je op je hart hebt. Ook vragen die misschien niet reëel lijken, maar je wel bezighouden.

Motoriek

Iedere baby ontwikkelt zich in zijn eigen tempo. De aanleg van je kind bepaalt voor een groot deel hoe hij zich ontwikkelt, maar ook zijn conditie en de omgeving waarop hij reageert. Het is leuk om ook naar andere kinderen te kijken, maar vergelijk niet steeds!

Ontwikkeling van de motoriek

De eerste 3 maanden ontwikkelt je kind zich erg snel en gaat hij bewust en gericht bewegen. Na een maand of 2 vinden baby's het leuk om zich aan je vingers op te trekken tot half-zit of zit.

Tussen 3 en 6 maanden leert je kind iedere dag wel iets! Je kind ontdekt zijn eigen handjes en voetjes. Je kind probeert zijn voetjes vast te pakken en hij stopt zijn teentjes in zijn mond. Maar ook: vingertjes en speelgoed!

Als je kind ongeveer 6 tot 12 maanden oud is, leert hij steeds beter grijpen en voorwerpen vastpakken. Zijn fijne motoriek is al een stuk beter. Je kind leert zitten en kruipen. Rond 9 maanden gaat je kind zich optrekken om te gaan staan.

Veel kinderen gaan vanaf 13 maanden voor het eerst los lopen. Door veel te oefenen gaat het lopen steeds soepeler. En natuurlijk wordt veiligheid in en om het huis dan steeds belangrijker!

Motoriek 0 tot 3 maanden

Bij de geboorte heeft de baby een aantal automatische bewegingen meegekregen: de reflexen. De bekendste reflexen zijn:

  • Zuigreflex: als je met tepel, speen of vinger langs het wangetje strijkt, hapt je baby toe en gaat zuigen.
  • Grijpreflex: bij aanraking sluit het handje en houdt vast (het voetje aan dezelfde kant doet mee).
  • Schrikreflex: je baby spreidt de armen en hapt naar adem bijvoorbeeld bij een hard geluid.

Bewust en gericht bewegen

De eerste 3 maanden ontwikkelt je kind zich erg snel en gaat hij bewust en gericht bewegen.

  • Na 1 maand kan je kindje al even het hoofdje omhoog houden als je hem op de buik legt. De nek- en rugspieren worden sterker. Je moet het hoofdje nog wel steunen als je je baby oppakt. En laat hem niet alleen als hij op zijn buik ligt.
  • Na een maand of 2 vinden baby's het leuk om zich aan je vingers op te trekken tot half-zit of zit.
  • Met 3 maanden kan je baby de handjes open en dicht doen en ongerichte grijpbewegingen maken. Als je kind op zijn buik ligt, steunt hij op zijn onderarmen en tilt hoofd en borst op.

Motoriek 3 tot 6 maanden

Iedere dag leert je kind wel iets! Je kind ontdekt zijn eigen handjes en voetjes. Je kind gaat zijn vuistje open- en dichtmaken. Daarna gaat hij zijn handjes naar elkaar toe brengen en ermee spelen. Je kind kijkt en probeert. Door te bewegen komt hij erachter wat hij allemaal met zijn handjes kan doen.

  • Je kind probeert zijn voetjes vast te pakken en hij stopt zijn teentjes in zijn mond.
  • Wat je kind ziet, dat wil hij pakken. Dat kost soms nog veel moeite. Kijk maar eens naar zijn gezicht!
  • Je kind kan liggend op zijn buik het hoofd een tijdje omhoog houden. Enige tijd later kan je kind op je schoot zitten met volledige steun. Daarna kan je kind ook in buikligging op zijn armen steunen. En leert je kind zich ook omrollen.
  • Je kind stopt alles in zijn mond: vingertjes en speelgoed! Hij ‘proeft’ als het ware alle nieuwe vormen. Zorg ervoor dat je kind geen gevaarlijke dingen in zijn mond kan stoppen waardoor hij zich ernstig kan verslikken. Let op kralen, kleine onderdelen van speelgoed en stukjes eten. Speelgoed moet groter zijn dan 3,5 centimeter.

Motoriek 6 tot 12 maanden

Je kind leert steeds beter grijpen en voorwerpen vastpakken. Hij volgt alles wat beweegt met zijn ogen en probeert dan dingen te pakken.

Ogen en handen

Zijn ogen en handen werken al goed samen. Je kind kan bijvoorbeeld zelf een koekje eten. Hij leert een voorwerp, bijvoorbeeld een speeltje, van de ene in de andere hand over te geven. Zijn fijne motoriek is al een stuk beter. Hij leert kleinere voorwerpen vastpakken. En enige tijd later kan hij ook een klein voorwerp met duim en wijsvinger oppakken. Rond 9 maanden begint je kind uit een bekertje te drinken.

Gebaren maken

Ook gaat je kind in de handen klappen en zwaaien naar iemand. Je kind maakt steeds beter met wijzen en gebaren duidelijk wat hij wil.

Zitten, kruipen en staan

Je kind leert zitten en kruipen. Rond 9 maanden gaat je kind zich optrekken om te gaan staan. Vanaf een maand of 11 kunnen sommige kinderen langs de tafel lopen waarbij ze zich vasthouden, en soms al eventjes los staan. Dat zijn belangrijke nieuwe dingen. Je kind ziet de wereld nu heel anders. Hij kan meer, ziet meer en ontdekt meer.

Veiligheid voorop!

Nu je kind kan kruipen, wordt veiligheid in en om het huis steeds belangrijker!

Motoriek 1 tot 2 jaar

Veel kinderen gaan vanaf 13 maanden voor het eerst los lopen!

Leren lopen

Bij het leren lopen zet je kind eerst zijn tenen op de grond of hij zet zijn voet plat neer. Door veel te oefenen gaat het lopen steeds soepeler. En hij leert dan vanzelf ook rennen, ergens op klimmen en met 2 voeten van de grond springen. Je kind kan rond anderhalf jaar goed uit een beker drinken en zelf met een vork of lepel eten. Je kind ontwikkelt zijn fijne motoriek.

Nu je kind leert lopen, wordt veiligheid in en om het huis natuurlijk steeds belangrijker!

Kruipen

Als je kind een half jaar is geweest, dan wordt hij mobieler. Sommige baby's beginnen uit zichzelf met kruipen, anderen doen dat later. Er zijn ook baby's die de kruipfase overslaan.

Kruipbewegingen

Baby's die op hun buik liggen, gaan vaak eerst achteruit en later pas vooruit. Ze zetten zich eerst met hun handen af waardoor ze achteruit gaan. Daarna gaan baby's meestal eerst tijgeren: zich vooruit bewegen met hun lijf tegen de grond. En dan merken ze dat het gemakkelijker gaat als ze hun billen en buik omhoog doen. Er zijn baby's die niet kruipen, maar 'billenschuiven'. Dat wil zeggen zich voortbewegen op hun billen, waarbij ze zich soms met 1 been en soms met 2 benen afzetten.

Wat kun je als ouder doen?

Als je je baby regelmatig even op zijn buik legt, ontdekt hij waarschijnlijk het kruipen vanzelf. Het is prettig wanneer hij de ruimte heeft om zich voort te bewegen. Ziet hij spannende dingen waar hij nog niet bij kan, dan wordt hij gestimuleerd om erheen te kruipen. Gaat je kind op zijn handen en voeten staan, dan is dat ook een mooie oefening. Je kunt naast hem gaan zitten en hem aansporen naar je toe te komen.

Met kruipen is er weer een nieuwe fase aangebroken: je baby gaat zelf op onderzoek uit. Misschien wordt het tijd om stopcontacten die onder in de muur zitten te beveiligen.

Zitten

De nekspieren van pasgeboren baby's moeten zich nog ontwikkelen. Na een maand kan een baby zijn hoofd even optillen. Als je kind 2 maanden is, kan hij zijn hoofd al beter rechtop houden. Je kind kan met steun bij je op schoot zitten. Baby's van 12 maanden kunnen vrij goed zelfstandig zitten.

Van 0 tot 6 maanden

Je baby kan nog niet zelf zitten. Hij ligt eerst heerlijk bij je op schoot. Na een maand of 2 vinden baby's het leuk om zich aan je vingers op te trekken tot half-zit of zit. Met een maand of 5 tot 6 lukt het baby's soms om even rechtop te zitten.

Vanaf 6 maanden

Vanaf 6 maanden probeert een baby zelf te gaan zitten. Lukt dat nog niet is het niet verstandig hem lang te laten zitten. Als hij zelf kan zitten, wordt zijn wereld groter. Hij kan meer zien en heeft beide handen vrij om dingen te pakken en vast te houden. De rug en de nek van je baby worden nu steeds sterker.

Als je kind goed zelfstandig kan zitten, kun je hem in een kinderzitje voorop de fiets mee te nemen. Dit is ongeveer als je kind 12 maanden is. Het is verstandig om de eerste keer goed op je kind te letten en het ritje niet te lang te maken.

Je kind in een auto vervoeren vergt speciale aandacht. Zo zijn er allerlei voorschriften waar een autostoeltje aan moet voldoen.

Nieuwe spelletjes

Als je kind kan zitten, kan hij veel nieuwe spelletjes doen. Groter speelgoed kan hij goed vasthouden. En het is extra spannend als het beweegt of geluid maakt. Wat vindt je kind leuk?

  • Samen torens bouwen van grote blokken. En het omgooien is het leukst!
  • Rijden met een stevige speelgoedauto.
  • Draaien met een grote bromtol.
  • Met een balletje rollen.
  • Je kind kan nu een tijdje rustig op een kleed zitten spelen. Hij wil graag dingen ergens in en uit doen. Steeds weer. Met een simpel vormendoosje of een blokkendoos kan hij een hele tijd bezig zijn.

Staan

Gemiddeld gaan baby's met 9 maanden staan, maar er zijn ook baby's die dat al eerder doen of juist later. De meeste baby's kunnen gaan staan als ze 1 jaar oud zijn.

Zich optrekken

Waarschijnlijk kon je kind al goed zitten en kruipen. Als hij ongeveer 9 maanden is, gaat hij zich optrekken aan de spijlen van de box of aan een stoel. Dat doet je kind vanuit een zittende positie. Daarna vindt hij het eerst nog moeilijk om vanuit de staande positie weer te gaan zitten.

Los staan

Je baby vindt het heerlijk om op blote voeten te staan. Hij kan los staan als hij ongeveer 10 of 11 maand is. Sommige baby's lopen nu langs een tafelrand of langs de box. Of zelfs een paar stapjes los!

Lopen

Kan je baby eenmaal staan, dan duurt het vast niet lang voor hij gaat lopen. Hij zal zich eerst nog vasthouden aan de box, een stoel, de bank of aan jou. Baby's kunnen hun evenwicht nog niet goed bewaren. Ze vallen vaak omver.

Wanneer gaat je kind lopen?

Met jou aan de hand lopen kunnen de meeste baby's tussen 8 en 15 maanden. Echt los lopen kunnen sommige baby's al met 10 maanden, anderen doen het wat later. Het is zeker niet ongewoon als je kind pas met 18 maanden voor het eerst los loopt.

Hoe leert je kind lopen?

Als baby's beginnen met lopen, trekken ze vaak hun knieën hoog op. Sommige baby's zetten eerst hun tenen op de grond, anderen zetten hun voeten plat neer. In het begin loopt je kind nog wankel en niet soepel. Eigenlijk is het meer een soort waggelen wat baby's doen. Ze maken kleine stapjes. Over iets wat op de grond ligt heenstappen, lukt nog niet. De eerste paar weken kunnen ze ook nog niet goed stil staan en vallen ze vaak om. Maar ze krijgen een steeds beter evenwichtsgevoel. En hun spieren worden sterker.

Heeft je kind het lopen eenmaal ontdekt, dan wil je kind dat ook graag doen. Je kind wil vast ook graag dingen voor zich uit duwen (een loopkar of een poppenwagen). Of hij gaat dingen verplaatsen. Zo leert je kind steeds beter lopen.

Leren lopen

Tussen de 10 en 18 maanden gaat je kind lopen. Dan gaat je kind vanuit een staande houding opeens een paar stappen zetten. Bijvoorbeeld langs de rand van de stoel, de tafel, de bank, met behulp van zijn duwkar. Je kind zal misschien verbaasd zijn over deze nieuwe vaardigheid. Maar je zult zien dat hij vanaf nu steeds opnieuw wil proberen om te lopen.

Hoe leert je kind steeds beter bewegen?

Je baby zal dit nieuwe trucje uit zichzelf steeds opnieuw herhalen. Nog heel even en je kunt hem nauwelijks meer bijbenen. Wat een snelheid en handigheid ontwikkelt hij. Logisch, hij wil alles onderzoeken! Als je kind wat ouder wordt, is buiten spelen in de tuin of op de speelplaats erg goed voor zijn motorische ontwikkeling. Hij kan nu leren klauteren en klimmen. Houd je kind wel goed in de gaten!

Wat kun je als ouder doen?

Je kunt je kind helpen door hem de ruimte te geven. Let ook op de veiligheid. Liggen er voorwerpen op de grond, dan kun je die even opruimen, zodat hij er niet over struikelt. Op een gladde vloer kan je kind misschien beter op sokken met antislip-stukjes of op zachte leren slofjes lopen. Op vloerbedekking loopt je kind natuurlijk lekker op blote voeten. Dan voelt hij ook beter hoe hij grip krijgt op de vloer. Schoenen zijn pas nodig op het moment dat je met je kind buiten gaat lopen.

Liever geen loopstoel

Koop liever geen loopstoel voor je baby. Het kan gevaarlijk zijn. Je kind kan er snel mee vooruit. Als je even niet oplet, is je kind tegen een muur opgebotst. Je kind kan ermee van de trap vallen en opeens bij stopcontacten en het fornuis komen. Iets waar hij normaal niet bij kan. Een loopstoel kan ook een vertraging in de loopontwikkeling veroorzaken. Een kind leert in elk geval niet eerder lopen door het gebruik van een loopstoeltje. Op de website Veiligheid.nl vind je meer informatie over het loopstoeltje.

Schoentjes

Die eerste stapjes van je kind zijn fantastisch. Meestal vinden baby's het erg prettig om op hun blote voetjes te lopen. Dan kan hij zich beter vastgrijpen aan de grond. Daarom zijn leren slofjes of slofjes met een antislipzool beter, als je je kind ook buiten wilt laten lopen. Koop dus nog niet te snel echte schoenen.

Waar let je op?

Kan je kind al goed lopen en gaat hij ook buiten lopen? Koop dan een paar echte schoenen voor hem. Laat bij de schoenenwinkel de voetjes van je kind opmeten. Dan weet je zeker dat je de juiste maat koopt.

  • De lengte én de breedte van de voet zijn belangrijk.
  • De voet moet genoeg ruimte hebben in de schoen.
  • Voor in de schoen moet nog een centimeter ruimte over zijn. Je kind moet zijn tenen goed kunnen bewegen.
  • Koop schoenen met een verstevigde hiel.
  • Die hiel moet goed aansluiten aan de voet. Anders glijdt je kind uit de schoen als hij op zijn tenen staat.
  • De zool moet soepel zijn. Als je de zool buigt, moet de achterkant de voorkant raken. Is de zool te dik of te stevig? Dan kan je kind niet goed lopen en dan valt hij vaker.
  • De zool moet stroef zijn. Dan glijdt je kind niet uit als hij loopt of rent.
  • Zweten de voeten van je kind? Koop dan leren schoenen en katoenen sokken.
  • Koop je sandalen voor de zomer? Zorg dan dat die goed passen. Anders krijgt je kind snel steentjes in zijn schoen.
  • Tweedehands schoenen zijn niet goed voor je kind. Ze zijn naar de voet van het eerste kind gaan staan.

Zintuigen

Voor de geboorte kon je baby al horen, jullie stemmen zijn bekend. Nu kan je baby ook zien en kijken naar wat hij hoort. Hij kan steeds scherper zien, kijkt graag naar jou en krijgt ook meer interesse in alles wat er om hem heen gebeurt.

Zien, horen, voelen, ruiken, proeven: de zintuigen zijn belangrijk voor de ontwikkeling van je kind. Als hij bijvoorbeeld met zijn rammelaar schudt, hoort hij het bijbehorende geluid. Als je kind dat een aantal keer heeft gedaan, weet hij dat dit bij elkaar hoort. Als je baby iets in de mond doet, leert hij hoe iets aanvoelt.

Je kind herkent jouw geur en voelt zich daar prettig bij. Voelen, ruiken en proeven zijn belangrijk voor de voeding. Daarmee ontwikkel je trek, smaak, happen, slikken, bijten en kauwen.

Zien

Een kleine baby die wakker is kijkt rond. Als hij iets interessants ziet, kan hij er korte of langere tijd naar kijken. Je baby beweegt zijn blik dan heen en weer over dingen met veel contrast, zwart en wit bijvoorbeeld. Vooral het gezicht van een mens boeit hem erg. Als ouder ben en blijf je nog een hele tijd het meest boeiende en stimulerende speelgoed!

Kleuren herkennen

Pasgeborenen kunnen nog niet echt kleuren onderscheiden. Ze zien wel verschil tussen een donkere kleur en een lichte kleur. Pas na ongeveer 4 weken gaat een baby kleuren zien, rood het eerst. Dat blijft voor veel baby’s lang een favoriete kleur, waarop hij het meest reageert. Kort daarna kan een baby ook blauw, geel en groen herkennen. Maar pas als hij een peuter is weet hij wat het woord ‘blauw’ betekent.

Kijken is interessant

In de loop van het eerste jaar krijgt je kind steeds meer interesse voor zijn omgeving. Je kind wil zien wat er gebeurt en wat anderen aan het doen zijn: huishoudelijke karweitjes, knutselen, schrijven, telefoneren, noem naar op. Vooral nieuwe dingen zijn fascinerend.

  • Zet je kind af en toe op een andere plek. Zet zijn wipstoeltje bijvoorbeeld waar je zelf bezig bent. Je kind ziet dan wat je doet. Vertel hardop wat je doet.
  • Draag je kind regelmatig rond. Er is zoveel te zien, bijvoorbeeld een mooi schilderij of spiegel. Als je ziet dat je kind ergens naar kijkt, ga je daar dichter naartoe en praat je daarover.
  • Kijk af en toe samen naar buiten. Veel kinderen vinden het leuk om door het raam te kijken. Er is op straat vaak veel te zien. En ook een balkon of een tuin is erg interessant.
  • Neem je kind vaak mee naar buiten: ga wandelen, met de fiets, auto of bus.
  • An het eind van het eerste jaar kijkt je kind gericht naar afbeeldingen, zoals schilderijen en posters. Kijk samen en benoem wat je ziet.

Zichtproblemen

Wanneer je baby geboren wordt, gaat hij steeds beter zien. Toch kan het zijn dat je kind niet goed ziet. De meeste zichtproblemen kunnen in de eerste maanden opgespoord worden door de arts op het consultatiebureau. Je baby wordt onder andere getest op scheel kijken.

Het is altijd goed om in de gaten te houden of je zelf iets bij je baby ziet wat je niet vertrouwt. Je kunt bijvoorbeeld letten op hoe je baby iets vasthoudt en hoe hij ernaar kijkt. Wanneer je vermoedt dat je kind een zichtprobleem heeft, kun je dit aangeven op het consultatiebureau.

Gehoorscreening

Een goed gehoor is voor de ontwikkeling van je kind natuurlijk erg belangrijk. Zonder een goed functionerend gehoor kan je kind een achterstand oplopen in zijn taalontwikkeling.

Hoe gaat de gehoorscreening?

Je baby krijgt thuis of op het consultatiebureau een gehoortest in de eerste weken na de geboorte. Meestal gebeurt dit samen met de hielprikscreening. Van deze gehoortest merkt je baby bijna niets. Hij kan zelfs gewoon doorslapen.

  • Je baby krijgt een klein dopje in zijn oortje. Dat dopje zit vast aan een meetapparaat.
  • In het dopje zit een klein luidsprekertje en een microfoontje. Het luidsprekertje maakt een zacht ratelend geluid.
  • Als reactie op het ratelend geluid van het luidsprekertje, geeft een gezond oor een geluid terug.
  • Het microfoontje kan dat geluid opvangen. Als dit gebeurt, is het duidelijk dat je baby voldoende kan horen met dat oor.
  • Als het microfoontje geen geluid opvangt, kan het zijn dat er iets mis is met het gehoor van je baby. Het kan ook een andere oorzaak hebben. Misschien was er lawaai tijdens de test of was je baby onrustig of een beetje verkouden.

De test herhalen

Het kan zijn dat de uitslag van de gehoortest onvoldoende is aan één of beide oren. Dan wordt de test na ongeveer een week herhaald. Zo nodig volgt een week later nog een derde test. Hierbij wordt een ander apparaat gebruikt.

Gehoortest onvoldoende, het vervolg

Het kan zijn dat de gehoortests geen voldoende gehoor kunnen aantonen aan beide oren van je kind. Dit betekent niet meteen dat je kind een blijvend gehoorverlies heeft. Het is mogelijk dat het gehoor tijdelijk minder is. Bijvoorbeeld omdat je kind verkouden is. Daarom is meer onderzoek nodig. Dit gebeurt in een Audiologisch Centrum. Dat is een instelling die gespecialiseerd is in onderzoek van gehoor, spraak en taal.

Meer informatie over de gehoortest en vervolgonderzoek vind je op de website van het RIVM. Daar vind je ook animaties die laten zien hoe de gehoortest werkt.

Blijf opletten of je kind goed hoort

Als het resultaat van de gehoortest voldoende is, betekent dit dat je kind op dat moment vrijwel zeker goed met dat oortje kan horen. Toch is het belangrijk dat je op het gehoor van je kind blijft letten. Soms ontwikkelt een gehoorverlies zich pas na de gehoortest. Dit komt gelukkig maar zelden voor. Als je twijfelt aan het gehoor van je kind, neem dan contact op met je huisarts of met het consultatiebureau.

Steeds scherper zien

Baby's kunnen na de geboorte nog niet zo goed zien. Als je kind een week oud is, ziet hij dingen op ongeveer 20 cm afstand het best. Als ze dichterbij of verder weg zijn, ziet hij ze wazig.

Vanaf ongeveer 3 maanden kijkt een baby naar zijn eigen handen. Hij ontdekt ook zijn eigen voeten. Je kind probeert van alles uit. Hij probeert zijn voetjes vast te pakken en zijn teentjes stopt hij in zijn mond. Hij kijkt hierbij goed naar wat hij doet. Je kind gaat steeds scherper zien, maar het duurt nog een hele tijd voor je kind net zo goed kan zien als een volwassene.

Bewegingen zien

Een pasgeboren baby kan kijken naar grote voorwerpen die langzaam bewegen. Hij kijkt dan met schokjes. Je kind kijkt ook naar jou als je dichtbij hem bent en langzaam beweegt.

Met de ogen volgen

Vanaf 3 à 4 maanden blijft hij naar je kijken als je door de kamer loopt. Hij volgt je dan met zijn ogen. Je kind draait nu zelfs zijn hoofd om, om jou of een voorwerp beter te zien. Tussen 3 en 6 maanden leren baby’s ook om snel bewegende voorwerpen met hun ogen te volgen. Dan kunnen ze bijvoorbeeld zien dat speelgoed op de grond valt. Het diepte zien van je kind begint zich te ontwikkelen.

Afstand

Je baby volgt met zijn ogen, hoofd of hele lichaam een voorwerp dat verdwijnt. De afstand waarop hij kan zien, wordt steeds groter. Niet alleen leert je kind ver zien, ook ziet hij heel kleine dingen steeds scherper. Zij ogen en handen werken ook steeds beter samen. Als je kind steeds beter ziet, kan hij ook steeds beter dingen vastpakken.

Lui oog

Een lui oog (amblyopie) ontstaat door een slecht gezichtsvermogen van één of beide ogen, doordat het oog zich niet normaal heeft kunnen ontwikkelen in de vroege kinderjaren. Over het algemeen zijn er geen afwijkingen van het oog.

Op de kinderleeftijd komt dit afhankelijk van de leeftijd van het kind bij 2 tot 5 op de 100 kinderen voor. Meestal is slechts één van de ogen lui, maar soms ook beide ogen.

Oorzaken

Er zijn 3 hoofdoorzaken voor het ontstaan van een lui oog:

  1. Scheelzien.
  2. Een groot verschil in scherp zien tussen beide ogen. Bijvoorbeeld het ene oog ziet scherp van dichtbij en veraf. En het andere oog alleen in de verte.
  3. In één of beide ogen kan geen beeld gevormd worden. Bijvoorbeeld omdat het bovenste ooglid over het oog valt of omdat de lens troebel is (staar).

Vroege ontdekking is van groot belang

Het is belangrijk dat een lui oog zo vroeg mogelijk wordt ontdekt en behandeld. Het liefst voordat je kind 7 jaar is. Hoe jonger je kind is, hoe beter meestal het resultaat is. Daarom wordt je kind een aantal keren onderzocht. Als er in jullie familie sprake is van 'luie ogen', is extra aandacht belangrijk.

Consultatiebureau en schoolgezondheidszorg

In Nederland is het onderzoek van de ogen een onderdeel van het PGO (periodiek geneeskundig onderzoek) op het consultatiebureau en bij de schoolgezondheidszorg. In twijfelgevallen wordt je kind doorverwezen naar een oogarts, een orthoptist of een optometrist.

De behandeling

Bij de behandeling wordt je kind gestimuleerd het luie oog te gebruiken. Bijvoorbeeld door met een bril de verschillen tussen beide ogen te verbeteren.

Bij een te groot verschil tussen beide ogen is een bril niet voldoende. Dan wordt het goede oog gedurende een bepaalde periode dagelijks enige tijd afgedekt met een oogpleister. Hoe lang dat duurt, hangt onder andere af van de leeftijd van je kind. Soms moet de oogarts eerst de staar of het hangende ooglid opereren.

Scheel kijken

Veel baby's kijken de eerste 3 maanden af en toe scheel. Dit komt omdat baby's hun oogspieren nog niet onder controle hebben. Baby's kunnen hun ogen nog niet goed richten.

Je baby kan ook nog niet goed scherp zien. De ogen van je baby groeien snel in het eerste jaar. Ook het gezichtsvermogen komt tot ontwikkeling. Is je baby een jaar, dan kan hij al aardig scherp zien.

Wat is normaal?

De eerste 3 maanden kijken de meeste baby's af en toe scheel. Het is dus normaal dat je baby zo nu en dan scheel kijken of dat een oogje ‘wegdraait’.

Het is verstandig om een verwijzing te vragen naar de oogarts of orthoptist (oogheelkundig team), als:

  • je baby voortdurend scheel kijkt;
  • je kind ouder is dan 3 maanden en af en toe scheel kijkt;
  • scheelzien of andere oogafwijkingen binnen het gezin vaker voorkomen en je je zorgen maakt over het zicht van je kind.

De arts van het consultatiebureau kijkt overigens ook bij alle controles naar de ogen van je kind.

Sociaal-emotionele ontwikkeling

Voor de geboorte heb je vaak al een band met je baby. Die band wordt sterker nu je kind geboren is, dit heet ook wel hechting. Sommige moeders of vaders voelen niet direct een band, of hebben er moeite mee om een band met hun kind op te bouwen. Het helpt als je veel contact maakt met je baby, dat vindt hij fijn.

Tussen 0 en 3 maanden

Direct na de geboorte is je kind vaak een poosje klaarwakker. Dit is al een prachtig moment voor een eerste kennismaking. Je baby herkent je stem en vaak ook die van je (eventuele) partner. Het duurt nog even voordat een baby lacht en met je praat, maar dat wil niet zeggen dat er geen communicatie of contact mogelijk is. Integendeel!

Tussen 3 en 6 maanden

Als je baby ongeveer 3 maanden is, dan draait hij zijn hoofdje naar je toe als hij je stem hoort. Als hij je ziet, zal hij lachen en trappelen van plezier. Je baby herkent ook anderen en lacht vooral naar mensen die hij goed kent.

Als je baby ongeveer 4 maanden is, wil hij niet meer alleen zijn. Hij gaat huilen als hij niemand ziet. Als je baby ongeveer 5 maanden is, kan hij soms verlegen doen. Hij draait zijn hoofd om als hij iemand niet kent.

Tussen 6 en 12 maanden

Als je baby ongeveer 7 maanden is, kan hij eenkennig worden. Ook kan hij last krijgen van scheidingsangst en een beetje bang worden voor vreemden. Probeer je baby te laten wennen aan andere mensen, terwijl jij hem vasthoudt.

Na de periode van eenkennigheid, maakt je baby steeds duidelijker contact met andere mensen. Hij probeert je aan te raken als hij je ziet. Dat doet hij ook bij andere kinderen, bijvoorbeeld op de crèche. Doe veel aanraakspelletjes met je baby. Bijvoorbeeld zachtjes kietelen en spelletjes als 'Er komt een muisje aangelopen'. Als je kind veel brabbelt, praat dan terug of praat hem na. Hij zal je weer antwoord geven.

Tussen 1 en 1,5 jaar

Als je kind 1 jaar is, vindt hij het fijn om bij mensen te zijn. Hij probeert gesprekken te volgen. Als het stil wordt, gaat hij praten om weer contact te maken. Als je 'nee' zegt, stopt hij met wat hij aan het doen is. Hij wil steeds meer dingen zelf doen. Hij probeert te helpen met aankleden en wil zelf eten. Misschien denk je dat hij niet mee wil werken, maar hij probeert juist om zelfstandig te worden.

  • Houd je kind bij je in de buurt. Vertel hem wat je doet. Dat is gezellig en goed voor zijn taalontwikkeling. Je kind probeert je na te doen. Hij laat steeds duidelijker zien wat hij wil. Door woordjes te zeggen en gebaren te maken.
  • Een kind vindt het leuk als hij mag helpen. Laat je kind kleine klusjes doen. Geef hem een vegertje. Of een stofdoek. Of laat hem de aardappelen in een pan doen.

Contact maken

Met zijn ogen laat je baby zien wat hij bedoelt. En met zijn handjes. Ieder kind doet dat op zijn eigen manier. Kijk dus goed naar je kind, dan ga je hem steeds beter begrijpen. Je kunt dan goed op je kind reageren en jullie krijgen een goede band met elkaar. Jullie raken aan elkaar gehecht.

Vanaf de eerste dag

Contact maken met jullie baby kan al vanaf de eerste dag! En het stimuleert zijn ontwikkeling. Het is goed voor zijn ontwikkeling als jullie leren ‘praten’ zonder woorden!

Je baby reageert op je stem, op je geur en de manier waarop je hem aanraakt. Als je goed oplet zie je ook hoe je kind reageert. Kijk maar hoe je kind luistert als je met hem praat en hoe hij dan kijkt. Ook al is je kind nog zo klein, veel praten met je kind is goed. Je bouwt een band met hem op en het is goed voor zijn ontwikkeling.

Lichaamstaal

Je kunt aan het gezicht van je baby zien hoe hij zich voelt. Kijkt hij blij? Dan voelt hij zich goed. Kijkt hij je aan en maakt hij geluid? Dan wil hij contact met jou. Zijn gezicht laat zien hoe hij zich voelt. En zijn lichaam ook.

  • Als hij zich niet lekker voelt, kromt hij zijn lijfje en trekt hij zijn beentjes op.
  • Als hij blij is kruipt hij ook in elkaar, maar dan van plezier.
  • Als hij ontspannen is, is zijn lichaam recht en zijn de handjes open.

Wil je meer lezen over lichaamstaal? Kijk dan op de website van Stichting Lichaamstaal.

Lachen

Met ongeveer 6 weken lacht een baby vaak terug. Dat is een mijlpaal! Je kunt veel contact met je kind maken door hem dicht tegen je aan te houden en tegen hem te praten of een liedje te zingen. Ook het dagelijkse badje of een massage van je baby zijn fijne momenten om contact te maken.

Elkaar nadoen

Het is leuk om elkaar na te doen. Trek maar eens een pruillip: je baby doet je na. Hij vindt het ook leuk als je je wenkbrauwen optrekt. Zijn hele gezichtje beweegt mee. Je baby kan snel achter elkaar verschillende gezichten trekken. Zo fronst hij en opeens lacht hij. En als hij schrikt, dan betrekt zijn hele gezicht.

Luisteren

Een baby hoort in het begin vooral hoge tonen. Het is niet toevallig dat mensen altijd op een hoge toon tegen een baby praten. Een baby herkent bij de geboorte al de stem van zijn moeder. Je kind heeft je stem al in de baarmoeder gehoord. Als je partner erg betrokken is bij je zwangerschap, herkent je kind waarschijnlijk ook de stem van je partner.

Omgaan met gevoelens

Je baby voelt het als jij ontspannen bent. Hij voelt zich dan ook beter. Ben je moe of verdrietig? Dan reageert je kind daar ook op. Dat is goed, want zo leert hij omgaan met gevoelens. Houd je baby dus vaak dicht tegen je aan. Ook als je je niet goed voelt.

Verdriet

Als je zelf veel verdriet hebt, bijvoorbeeld na een overlijden, is het belangrijk dat je je kind laat merken dat je er voor hem bent. Misschien vind je dat moeilijk. Je kunt vrienden, familie of een goede buur om hulp vragen. Ook zijn er lotgenotengroepen. Uiteraard kun je ook altijd professionele hulp inschakelen.

Geen contact

Als je de indruk hebt dat je geen contact krijgt met je baby kan het zijn dat er iets aan de hand is. Op het consultatiebureau wordt gekeken of een kind zich goed ontwikkelt. Maak een extra afspraak om hierover te praten. De arts van het consultatiebureau kan uitleggen wat normaal is en anders verwijzen voor verder onderzoek.

Hechting

Een baby is van zijn ouders afhankelijk. Zorgen zij goed voor hem, dan voelt hij zich veilig.

Je kind gaat je vertrouwen als je je kind liefde geeft, als je contact maakt en goed reageert op zijn behoeften. Er ontstaat dan een band tussen jullie, die hechting wordt genoemd. Een kind hecht zich niet alleen aan zijn moeder als die voor hem zorgt, maar ook aan de eventuele partner en anderen die regelmatig voor het kind zorgen. De meeste kinderen en ouders hebben een goede band met elkaar.

Veilig gehecht

Heeft een kind voldoende basisvertrouwen in zijn ouders of andere opvoeders, dan is hij ‘veilig gehecht'. Een kind krijgt hierdoor meer zelfvertrouwen, hij voelt dat hij de moeite waard is als hij de juiste aandacht en zorg krijgt. Ook is veilige hechting nodig voor kinderen om zich te hechten aan andere mensen en anderen te gaan vertrouwen.

Hoe bevorder je hechting?

Je kunt als moeder, vader of co-ouder veel doen de een goede band met je kind op te bouwen. Kijk en luister goed naar je kind. Je ziet dan de signalen en behoeften van je kind. Je merkt dan dus wat je kind nodig heeft. Het is erg belangrijk om daar dan snel en goed op te reageren. Dat bevordert jullie hechting. Dit betekent dat je:

  • reageert op het contact dat hij zoekt;
  • zelf contact met je kind zoekt;
  • je kind voedt als hij honger heeft;
  • hem troost als hij huilt;
  • hem wiegt en liefdevol aanraakt;
  • speelt of zingt als je kind dat wil;
  • laat merken dat je begrijpt wat hij wil.

Vooral contact met je baby maken, op hem reageren als hij naar je kijkt, als hij brabbelt of lacht, zorgt ervoor dat er een band tussen jou en je kind ontstaat. Voor je baby is het belangrijk dat hij kan rekenen op jouw aandacht, zorg en liefde.

Wat als je als moeder geen band voelt?

Als je kind pasgeboren is, voel je de band met je kind misschien niet zo sterk. Bij de moeder kunnen verschillende redenen voor zijn.

  • Je hormonen zijn nog aan het veranderen.
  • De bevalling was erg zwaar. Je moet het nog verwerken.
  • Je baby heeft in de couveuse gelegen.
  • Je baby huilt erg veel.
  • Je dacht dat het heel anders zou zijn.
  • Je moet erg wennen aan je baby en je nieuwe leven. Zeker als het je eerste kindje is.
  • Je hebt andere zorgen, bijvoorbeeld over geld of ziekte.

Dat je geen sterke band voelt, is vervelend. Misschien voel je je schuldig. Bedenk dan dat het meestal wel goed komt. Laat je negatieve gevoelens toe en probeer te begrijpen waarom je je zo voelt. Geef jezelf de tijd, vaak komt het ritme vanzelf. Zoek naar een indeling van de dag, die goed bij jou past.

Je kunt ook hulp zoeken bij anderen. Praat bijvoorbeeld met je partner, vrienden, familie, je huisarts, verloskundige, kraamverzorgende of het consultatiebureau. Blijf er niet alleen mee lopen. Je hoeft je er niet voor te schamen.

Vader of co-ouder: de band groeit

Het is ook mogelijk dat jij als vader of co-ouder in het begin nog geen sterke band voelt. Dat gebeurt wel vaker. Er is ook zoveel veranderd. Maak vaak contact met je kind, knuffel je kind, verzorg je kind, probeer veel te doen met je kind. Er ontstaat dan een goede band met elkaar.

Eenkennigheid

De eerste maanden weet een kind nog niet dat iemand nog bestaat als het kind hem of haar niet meer ziet. Een kind mist die persoon dan niet. Vanaf ongeveer 6 tot 8 maanden begint je kind te beseffen dat zijn ouders blijven bestaan als ze weggaan, maar hij weet nog niet goed of de ouder terugkomt en wanneer.

Scheidingsangst

Wanneer je weg gaat, wordt je kind een beetje angstig en begint te huilen. Dit wordt scheidingsangst genoemd. In die periode leert je kind ook langzamerhand het onderscheid zien tussen mensen die hij kent en mensen die hij niet kent. Je kind voelt zich veilig bij jou. Hij wil alleen bij jou zijn en reageert angstig op vreemden.

Langzamerhand leert een kind de scheiding van ouders beter te verdragen. Je kind heeft een duidelijker beeld van jullie in het geheugen en heeft geleerd dat de je weer terug komt.

Wat kun je doen?

  • Als je even uit het zicht bent, blijf dan tegen je kind praten of zing een liedje. Dan weet je kind dat je er toch bent.
  • Speel af en toe kiekeboe met je kind achter je handen of een doek. Of ga even de kamer uit en steek dan je hoofd om de hoek van de deur. Kiekeboe! Je bent dan weg en snel weer terug. Zo leert je kind dat je er wel bent ook al ziet hij je niet en dat je terugkomt.
  • Als je kind bang is, troost je je kind. Blijf zelf rustig. Als je je kind naar de kinderdagopvang brengt, neem je kort en duidelijk afscheid.

Sociale vaardigheden

Sociale vaardigheden zijn van groot belang in het leven. Kinderen moeten leren om rekening te houden met anderen, zich kunnen houden aan regels, op hun beurt kunnen wachten, delen, samen spelen en nog veel meer.

Om dat te kunnen moeten kinderen leren om hun eigen gevoelens en de gevoelens van anderen te zien, te begrijpen en ermee om te gaan. Je kind kan dat natuurlijk nog helemaal niet, maar zal dat de komende jaren langzamerhand leren. De basis hiervoor leg je nu al.

Hechting

De eerste persoon die je kind leert kennen ben jij en je (eventuele) partner. Je kind leert als baby al dat contact met zijn ouders heel plezierig is. Als je tegen hem praat bij het verschonen van de luier en hem aankijkt, dan begint dat al. Hij reageert op je met een lach of met een geluidje. Jij reageert daar weer op en zo krijgen jullie een band met elkaar. Jullie raken gehecht aan elkaar. Een goede hechting is nodig voor je kind om zich te hechten aan andere mensen en anderen te gaan vertrouwen.

Andere mensen

Je kind komt steeds meer in aanraking met nieuwe mensen. Vanaf ongeveer 6 tot 8 maanden leert je kind langzamerhand het onderscheid te zien tussen mensen die het kent en onbekenden. Je kind voelt zich veilig bij jou en reageert soms angstig op vreemden.

Verstandelijke ontwikkeling

De ontwikkeling van baby’s is verbazingwekkend. Baby's reageren direct op wat ze horen en zien. Ze begrijpen steeds beter dat dingen met elkaar te maken hebben. Bijvoorbeeld, dat mama naar je toe komt als je huilt.

Tussen 0 en 3 maanden

Bij baby’s begint leren door te voelen, grijpen, proeven, kijken en horen. Je baby ervaart hoe iets voelt of proeft, merkt wat er gebeurt als hij iets doet of als zijn ouders wat doen. Als je kind bijvoorbeeld per ongeluk met zijn voetje tegen het mobiel in zijn bed stoot, komt er geluid uit. Na een aantal keren weet je kind dit.

Tussen 3 en 6 maanden

Je kind ontwikkelt zich erg snel en gaat ook van alles uitproberen. Wat je kind ziet, dat wil hij pakken. Geluidjes maken vindt je kind in deze periode ook heel leuk. Je kind hoort zijn eigen stem en merkt dat zijn ouders daarop reageren. Hij gaat steeds vaker geluidjes maken en ook op andere manieren je aandacht trekken. Je kind leert van de reacties die hij krijgt.

Je kind stopt ook alles in zijn mond: vingertjes en speelgoed! Je kind ontdekt namelijk niet alleen met zijn ogen en handen, maar ook met zijn mond. Hij ‘proeft’ alle nieuwe vormen en leert daarvan hoe dingen aanvoelen. Zorg ervoor dat je kind geen gevaarlijke dingen in zijn mond kan stoppen waardoor hij zich ernstig kan verslikken.

Tussen 6 en 12 maanden

Baby’s gaan nu dingen herkennen en weten dan al vaak wat ze ermee kunnen doen, bijvoorbeeld dat je met een rammelaar kunt schudden en dat er dan geluid is. Je kind probeert bewust iets uit om te zien wat er gebeurt. Een voorbeeld: je kind stoot per ongeluk iets aan, bijvoorbeeld een lepel van het kinderstoeltje. De lepel valt dan naar beneden. Later schuift je kind expres een lepel van de kinderstoel af, om te kijken wat er gebeurt. Je kind doet dat ook met andere dingen, en leert ervan.

Aan het eind van het eerste jaar gaan kinderen steeds vaker doelbewust dingen doen. Je kind denkt na bij wat hij doet. Je kind trekt zich bijvoorbeeld op aan de box om bij een speeltje te kunnen. Je kind laat ook duidelijk merken wat hij wil. Hij doet bijvoorbeeld zijn armpjes naar voren of maakt geluid als hij wil dat je hem optilt.

Je baby begrijpt ook steeds meer woorden en herkent zijn naam. Hij begrijpt nog niet alles wat je zegt, maar weet wat je bedoelt als je vertelt dat hij in bad gaat, naar bed gaat of dat jullie naar buiten gaan.

Onthouden

Voor een baby bestaan voorwerpen eerst alleen zolang hij ze kan zien. Als je zijn beertje onder zijn deken verstopt, weet je kind niet meer dat het beertje er is. Langzaam maar zeker vormen zich beelden van mensen en voorwerpen in zijn hersenen. Vanaf een maand of 7 weet je kind dat als hij iets niet ziet dat het er nog wel is en gaat dit dan zoeken. Of je kind wordt wat angstig als je weg gaat.

Denkontwikkeling stimuleren

De verstandelijke ontwikkeling van kinderen tot 2 jaar is verbazingwekkend. Baby's reageren direct op wat ze horen en zien. Het is belangrijk om je baby te volgen in zijn ontwikkeling en te reageren op wat je kind doet of wil.

Wat kun je doen?

  • Reageer op wat je kind doet en de geluidjes die hij maakt. Praat veel tegen je baby. Vertel tegen je kind wat je doet. Bijvoorbeeld: "Nu doe ik je luier aan."
  • Laat je kind veel doen, uitproberen en ontdekken, natuurlijk zorg je dat dit veilig is.
  • Zodra hij bijvoorbeeld kan grijpen is het bijvoorbeeld leuk om hem een zachte knuffel te geven of andere dingen die hij kan vastpakken.
  • Je kunt je baby stimuleren door liedjes te zingen, zoals ‘klap een in je handjes' of bewegingsspelletjes te doen.
  • Geef je kind een spiegeltje. Dan kan hij naar zichzelf kijken. Kijk ook samen en vertel wat je ziet.
  • Geef je kind boekjes om te voelen en met eenvoudige plaatjes.
  • Geef positieve aandacht: “Oh, wat ben je lief!”

Boekjes kijken

Boekjes zijn voor je baby al belangrijk, maar echt voorlezen gaat nog niet. Voor je baby is een boekje speelgoed, om te ontdekken, voelen, proeven. Neem je kind op schoot met een babyboekje. Laat je kind het boekje voelen, proeven. Kijk naar je kind, volg wat je kind doet en praat erbij of maak geluidjes. Rond een jaar gaan de meeste kinderen gericht naar afbeeldingen kijken. In het begin nog maar heel even. Als je goed kijkt, zie je dat. Je kunt dan benoemen wat je kind ziet.

Spraak- en taalontwikkeling

Een baby is vanaf de geboorte gericht op spreken en taal. De eerste jaren gaat de taalontwikkeling van je kind dan ook razendsnel. Jonge kinderen leren taal vooral thuis. Als ouder heb je daar zelf veel invloed op.

Praat tegen je kind

Je baby leert al taal voordat hij kan praten. Maak daarom veel contact met je kind en reageer als je kind contact met jou wil. Het is erg belangrijk dat je samen praat, samen speelt, voorleest en liedjes zingt. Probeer te begrijpen wat je kind bedoelt en praat veel met je kind. Ook al praat je kind nog niet terug, je kunt toch een gesprekje voeren. Op die manier leer je zelf je kind praten.

Het eerste half jaar

Je pasgeboren baby hoort je stem en reageert daarop. Dat is al taal. Door te huilen oefent je kind zijn ademhaling en de werking van de stembanden. Je kind maakt ook duidelijk dat er wat is. Huilen is praten voor je kind. Kijk goed naar je baby en probeer te begrijpen wat er is als hij huilt.

Je kind begint ook te reageren op geluiden. Hij hoort je stem en reageert daarop. Hij draait met zijn ogen of hoofd naar het geluid toe.

Vanaf 2 tot 3 maanden maakt je kind al verschillende klanken. En vanaf een maand of 4 maakt je kind allerlei geluidjes ('uh uh') en begint te kraaien. Na 6 maanden herhaalt hij zijn eigen klanken en doet hij geluiden na.

Van 6 tot 12 maanden

Je kind luistert steeds beter naar het praten van mensen. Je kind probeert klanken van anderen na te doen.

Vanaf 9 maanden begint je kind eenvoudige opdrachten te begrijpen en later ook uit te voeren: "Geef maar aan mij." Je kind maakt gebaren, schudt zijn hoofd, wijst naar mensen of dingen, knikt en wuift. Je kind reageert op liedjes, bijvoorbeeld door geluiden en gebaren te maken.

Brabbelen

Rond 1 jaar gaat je kind klanken combineren: baba, anna, dada, papa. Dat wordt brabbelen genoemd. Door je reactie leert je kind dat sommige klanken te maken hebben met zijn ouders. Een Nederlandstalig kind zegt meestal eerst 'papa' en dan 'mama'. 'Mama' is moeilijker dan 'dada' of 'papa'.

Vanaf 1 jaar gaat het snel. Je kind doet een echt gesprek na, doet na wat hij of zij hoort. Ook al gebruikt je kind daarbij vaak nog geen echte woorden. Maar het klinkt al goed. Je kind doet dit ook heel serieus. Je kind vindt dat hij aan het praten is.

Een kind van 1 jaar

Vanaf 1 jaar gaat je kind ook steeds meer woorden zeggen.

  • Je kind begrijpt eenvoudige opdrachten: "Pak de bal."
  • Hij brabbelt veel en gevarieerd, dit klinkt als de taal die je zelf spreekt.
  • Je kind zegt vaak al 'papa' en 'mama' .
  • En hij reageert op zijn naam.

Leren praten

Leren praten is net als leren lopen: het ene kind leert sneller dan het andere kind. Maar op leren lopen heb je weinig invloed. Je geeft je kind veel kans om te bewegen, dat is het belangrijkste. Je hebt wel veel invloed op het leren praten van je kind. Veel met je kind te praten is hierbij het belangrijkste.

Lichaamstaal

Je baby kan snel laten merken wat hij wil. Ook als hij nog niet kan praten. Dat doet hij met zijn ogen, gezichtsuitdrukking, handjes, houding van zijn lijfje en met gebaren. Kijk en luister goed naar je baby. Laat merken dat je je kind ziet en hoort door zelf gebaren te maken, door te lachen en door met je kind te praten.

Praat met je kind

Een kind leert alleen maar praten als hij contact heeft met mensen die met hem praten. Maak daarom veel contact met je kind en reageer als je kind contact met jou maakt.

  • Als je met je kind bezig bent, gaat communiceren vanzelf. Je kijkt naar je baby en hij heeft oogcontact met je. Terwijl je hem verzorgt, praat je tegen hem. Je vertelt wat je bedoeling is en wat je denkt dat hij wil: "Je hebt een schone luier en nu gaat mama je in bed leggen. Dan kun jij lekker gaan slapen."
  • Als je baby brabbelt, kun je ook klanken maken. Je kunt tegen je kind praten en betekenis geven aan zijn klanken. Bijvoorbeeld: "Uhuhuh, jij vindt het lekker in bad."

Leren praten stimuleren

Door tegen je kind te praten, leert je kind je steeds beter begrijpen en uiteindelijk ook zelf praten. Maar je kunt nog meer doen om het leren praten te stimuleren, bijvoorbeeld door spelletjes te spelen, te zingen en als je kind bijna 1 jaar is samen boekjes te kijken. Je kind leert niet praten door alleen maar naar de radio en televisie te luisteren.

Leren praten stimuleren

Je baby leert vooral praten van zijn ouders. Het is bijvoorbeeld goed om veel tegen je kind te praten tijdens de dagelijkse bezigheden. Je benoemt de dingen die je kind ziet en je vertelt hardop wat je doet.

Klanken, geluiden, praten

  • Het is belangrijk om tegen je baby te praten. Praat rustig en lief tegen je baby.
  • Vertel wat je aan het doen bent: "Nu ga je in je badje". "Wat is het water lekker warm". Je kind vindt dat leuk en leert ervan!
  • Gebruik ook je stem. Je kind wordt actiever als je met hoge stem tegen hem praat. Je troost en kalmeert hem juist met een lage stem.
  • Doe spelletjes met je baby. Varieer met je stem, maak gebaren, geluiden en klanken. Dat vindt je kind leuk en hij leert jou en zijn omgeving beter kennen.
  • Doe de geluiden van je kind na. Kijk naar hem en lach tegen hem.
  • Laat je kind het plezier van communiceren zien. Moedig alle vormen van wederzijdse communicatie aan: gekke bekken trekken, (glim)lachen, aankijken, kiekeboe-spelletjes.
  • Geef ook speelgoed dat geluidjes maakt. Zo ontdekt je kind verschillende geluiden.
  • Kinderen vinden muziek leuk. Zing gemakkelijke liedjes en beweeg daarbij. Er zijn ook cd’s voor baby’s.

Je kind gaat praten

Je kind leert steeds beter begrijpen wat je bedoelt, maar kan het eerste jaar nog geen woorden zeggen. Rond 1 jaar zeggen veel kinderen hun eerste woordje: vaak 'mama'of 'papa'. Daarna leert je kind steeds meer woorden zeggen. Dit leert je kind, door veel met hem te praten.

  • Benoem de personen en de dingen om hem heen: "Daar is papa!" Of: "Kijk de poes."
  • Vertel je kind steeds wat je doet of gaat doen: "Kijk, mama maakt een lekker fruithapje voor jou." En verwoord ook wat je kind doet: "Wat kun jij goed lopen!"
  • Praat over wat je kind ziet, hoort, voelt, proeft, ruikt. Bijvoorbeeld: "Broembroem, dat is een auto." Of: "Wat is die appel lekker."
  • Gebruik korte, gemakkelijke zinnetjes. Bijvoorbeeld: "Mama gaat nu koken." Of: "Papa gaat je in bad doen. Hij brengt je daarna naar bed." Maak daarbij gebaren en benadruk belangrijk woorden: "Ik haal je uit de box."
  • Maakt je kind foutjes? Verbeter zijn fouten dan niet. Zeg het zelf een keer goed. Je kind zegt bijvoorbeeld: "Tapel." Dan kun jij zeggen: "Ja, dat is de tafel."
  • Zing liedjes, doe (schoot-)spelletjes en zeg versjes op.
  • Vanaf ongeveer 1 jaar kun je samen afbeeldingen bekijken en er bij praten en geluiden maken.
  • Geef boekjes voor in de box van hard karton, stof op plastic. Bekijk samen de plaatjes: "Kijk eens een eendje. Kwak kwak kwak zegt het eendje!"

Tips

  • Als je met je kind praat is het belangrijk dat jij en je kind elkaar dan goed kunnen zien en horen. Zorg dat je op ooghoogte van je kind bent. Houd je kind op de arm of ga dicht bij je kind staan en hurken.
  • Het is beter om veel geluid op de achtergrond te vermijden. Als de tv uit staat, kan je kind spraakklanken beter leren onderscheiden.
  • Stimuleer je kind om uit een echte beker te drinken, dat is goed voor de ontwikkeling van de mondspieren.
  • Geef je kind steeds minder vaak een speen.

Tweetalig

Spreken jij en je partner een verschillende taal? Of vind je het belangrijk dat je kind een extra taal leert? Dan kun je je kind tweetalig opvoeden. Dat komt steeds meer voor.

Als je je kind tweetalig opvoedt, is het belangrijk dat je een manier kiest die het best bij het gezin past. Er zijn meerdere manieren die tot hetzelfde resultaat leiden.

Eén persoon één taal

Bij een meertalige opvoeding is de één-persoon-één-taalstrategie een goede manier om kinderen 2 talen tegelijk te leren. De vuistregel is dan: probeer de talen te scheiden. Is de ene ouder beter in het Nederlands? Dan spreekt die Nederlands, en de ander de moedertaal.

Eén situatie één taal

Maar je kunt ook per situatie afspreken welke taal er gesproken wordt. Bijvoorbeeld: aan tafel spreken we altijd Nederlands. Dat heet dan de één-situatie-één-taalstrategie.

Je eigen moedertaal

Als jullie thuis een andere taal beter beheersen dan het Nederlands, is het beter voor de taalontwikkeling van je kind om consequent te spreken in de taal die jullie het beste spreken. Dat zal vaak je eigen moedertaal zijn. Praat veel met je kind in je eigen taal, dan leert hij alvast één taal goed spreken. Tegelijkertijd ontwikkelt hij een taalgevoel dat bij het leren van andere talen nodig is.

Nederlands leren

Natuurlijk is het belangrijk dat je kind ook goed Nederlands leert. Daarvoor zijn veel contacten nodig met Nederlanders. Je kunt je kind ook vanaf 2 jaar naar de voorschool laten gaan. Daar wordt de taalontwikkeling van je kind gestimuleerd.

Tips

  • Ben je niet Nederlands, maar blijf je wel in Nederland wonen? Leer dan zelf ook Nederlands.
  • Spreek je wel Nederlands, maar niet de taal van je partner? Dan kun je ook overwegen om die taal te leren.
  • Stimuleer de taalontwikkeling van je kind.
  • In het begin kan een kind soms de woorden van verschillende talen in een zin door elkaar husselen, maar dit gaat vanzelf over.
  • Breng je kind in contact met leeftijdsgenootjes, kinderen in de buurt, familie en kennissen die de taal spreken die je kind nog moet leren.
  • Zorg dat het taalaanbod gelijk verdeeld is. Probeer zoveel mogelijk verschillende situaties en dus ook woorden en taalervaringen aan te bieden.
  • Als je kind wat ouder is kun je kinderboeken in je moedertaal en in het Nederlands uit de bibliotheek lenen. Later kun je hem ook computerspelletjes laten doen, waar je kind spelenderwijs beter Nederlands van leert. Voor kinderen vanaf 2 jaar zijn er leuke digitale voorleesboeken.
  • Eenmaal gekozen om een bepaalde taal aan te leren? Ga hier dan mee door, ook op de lange termijn. Je kind verleert een taal als hij de taal niet meer gebruikt.

Drietalig

Net als bij 2 talen leren, geldt de de één-persoon-één taalstrategie ook voor een drietalige opvoeding. 3 Talen tegelijkertijd leren is best veel, maar wel mogelijk.

Waar hou je rekening mee?

Als je kiest voor 3 talen kan het kind er langer over doen om de talen te verwerven. Bij 2 talen bijvoorbeeld gaat de stijgende lijn in de ontwikkeling niet zo snel als bij het leren van 1 taal. Na enkele jaren wordt die achterstand overigens over het algemeen weer ingehaald. Het is dus voorstelbaar dat het bij 3 talen nog weer langer duurt. Houd daarom rekening met een mogelijk vertraagde taalontwikkeling in de eerste 5 levensjaren.

Vertraagde taalontwikkeling

Een vertraging in de taalontwikkeling is normaal, omdat je kind elk nieuw woord in meerdere varianten moet leren. Bovendien moet hij dan leren welk klankpatroon, woord en grammaticale constructie bij welke taal hoort. Hoe meer talen een kind leert, hoe lastiger of langduriger dit kan zijn.

De achterstand inhalen

Of je kind eventuele achterstanden in taal weer inhaalt, ligt aan wat je kind 'in huis heeft' aan bijvoorbeeld taalgevoel, intelligentie en een goed gehoor. En ook aan de omgeving. Is die voldoende stimulerend voor de taalontwikkeling? Belangrijk is veel te praten met je kind. En dat je kind veel met mensen in aanraking komt die Nederlands spreken. Maar als het lukt, heeft je kind voorsprong: je kind kent 3 talen.

Activiteiten in een bepaalde taal

Het is mogelijk om een kind drietalig op te voeden. Let er dan wel op dat je kind het Nederlands voldoende beheerst om straks ook op school goed mee te kunnen komen. Je kunt je kind naar de voorschool laten gaan. Wat ook goed werkt, is het afspreken van bepaalde tijden waarop je met elkaar 1 van de 3 talen gebruikt. Dat je bijvoorbeeld aan tafel tijdens het eten altijd Nederlands spreekt. Dit kun je per taal afwisselen. Het is belangrijk om bewust tijd te reserveren voor activiteiten in een bepaalde taal, zeker als je kind 3 talen aanleert.

Tips

Voor oudere kinderen zijn er leuke digitale boeken en computerspelletjes waar je kind spelenderwijs beter Nederlands van leert. Zorg ook dat je kind veel meedoet met activiteiten met Nederlandse kinderen.

Seksuele ontwikkeling

Tot zijn 18e jaar is je kind bezig zich seksueel te ontwikkelen. Deze ontwikkeling begint al bij de geboorte. Ieder kind ontwikkelt zich in zijn of haar eigen tempo.

Ontdekken

De seksuele ontwikkeling van baby's staat vooral in het teken van ontdekken. Dit doen ze door zichzelf veel aan te raken, ook hun geslachtsdelen. Dit doen ze echter onbewust.

Baby's houden van knuffelen. Ze zitten graag op schoot en worden graag vastgehouden. Ze voelen zich dan veilig.

Geslachtsontwikkeling

Bij jongetjes ontwikkelen zich de zaadballen (testikels) al tijdens de zwangerschap. Voor de geboorte dalen de zaadballen in de balzak in. Na de geboorte hebben jongens 2 zaadballen in hun balzak.

Indaling van de zaadballen

Soms vindt er geen indaling plaats, of daalt maar 1 zaadbal in. De andere blijft dan achter in de lies of in de buikholte. Dit kan later problemen opleveren met de vruchtbaarheid. De arts op het consultatiebureau controleert de indaling als je met je zoon op het bureau komt. Je kunt daar om meer informatie vragen.

Als de zaadballen nog niet zijn ingedaald voor je zoon 2 is geworden, moet hij in ieder geval geopereerd worden. Meestal worden kinderen al eerder geopereerd. De operatie vindt onder algehele narcose plaats. Het is fijn om je kind te kunnen voorbereiden op de gang van zaken rond de operatie.

Verkleving van de voorhuid

Bij een jongen is de voorhuid van zijn penis meestal verkleefd. Probeer het niet los te maken en maak alleen de plekken schoon waar je bij kunt. Voordat je zoon 7 is, verdwijnt de verkleving over het algemeen vanzelf. Als er door de verkleving klachten ontstaan, is het verstandig dat bij het consultatiebureau of de huisarts te bespreken.

Verkleving van de schaamlippen

Bij een meisje zijn soms de schaamlippen voor een deel aan elkaar verkleefd. Hier kun je beter niets aan doen, het laat vanzelf los.

Jongensbesnijdenis

Aan het einde van de penis zit de eikel. Omdat de eikel erg gevoelig is, zit hier een dun, rekbaar stukje huid omheen: de voorhuid.

De voorhuid

Bij jongens tot ongeveer 5 jaar is het normaal dat de voorhuid nog niet (volledig) teruggetrokken kan worden. Bij de meeste jongens komt de voorhuid vanzelf los. Als dit niet het geval is, kan dit een aantal problemen veroorzaken.

Problemen bij het plassen

Door een vernauwde voorhuid kan je zoon problemen krijgen bij het plassen. Hierdoor kan urine achterblijven tussen de voorhuid en de eikel, wat een ontsteking kan veroorzaken. Je kunt het best contact opnemen met de huisarts of het consultatiebureau, als je zoon:

  • pijn bij het plassen heeft;
  • pijn aan de eikel heeft;
  • of maar kleine hoeveelheden plast.

Mogelijkheden

Een arts kan vaststellen wat er precies aan de hand is en je kind zo nodig doorverwijzen naar de uroloog. Deze zal bekijken wat de mogelijkheden zijn. Het zou kunnen dat hij niet direct kiest voor een besnijdenis, maar eerst een crème voorschrijft die de voorhuid soepeler maakt. Als de crème niet het gewenste succes heeft, is een operatie mogelijk.

Operatie

Bij een besnijdenis vanwege medische redenen haalt de arts de voorhuid of een deel van de voorhuid weg. Bij wat oudere jongens wordt de besnijdenis meestal onder algehele verdoving uitgevoerd. Mocht je zoon in aanmerking komen voor een operatie, probeer hem dan voor te bereiden door duidelijk te vertellen wat er gaat gebeuren. Uiteraard zal het ziekenhuis jou en je kind ook uitgebreid voorlichten.

Godsdienstige redenen

Besnijdenis van zowel jongens als meisjes bestond al voor het jodendom, christendom en de islam wereldgodsdiensten waren. Van oorsprong zou het gaan om vruchtbaarheidsrituelen en inwijdingsriten. Het is op veel plaatsen in de wereld gewoon dat iedere jongen besneden wordt. Ouders geven daarvoor godsdienstige redenen op. Ook in Islamitische en Joodse gezinnen in Nederland worden de jongens besneden.

Hygiënische redenen

In Amerika was het gebruikelijk dat het grootste deel van de jongens besneden werd. De reden was dat dit hygiënisch zou zijn. Dat blijkt onjuist. Goed wassen van de penis is hygiënisch genoeg. Het aantal jongens wat nu nog besneden wordt in Amerika is ongeveer 30 procent.

Ervoor kiezen om het niet doen

Besnijdenis van jongens op godsdienstige gronden wordt in Nederland door de organisaties van artsen afgeraden. Het is nergens voor nodig, het is beschadigend en het kan leiden tot ernstige complicaties. Voor veel ouders voor wie jongensbesnijdenis heel belangrijk is, is dit moeilijk te accepteren.

Meisjesbesnijdenis is in Nederland verboden en strafbaar in welke vorm dan ook.

Meisjesbesnijdenis

In Nederland wonen meisjes uit landen waar behalve jongens ook zij besneden kunnen worden. Bijvoorbeeld uit Somalië en Soedan, maar ook uit andere landen en werelddelen. In die landen is het in veel families de gewoonste zaak van de wereld. Besnijdenis bevestigt de maagdelijkheid en vergroot de kansen op een huwelijk.

Vrouwelijke genitale verminking

Meestal gebeurt een meisjesbesnijdenis tussen het 4e en 12e levensjaar, maar eerder of later kan ook. Vaak wordt de clitoris ingesneden of weggesneden. Soms wordt ook (een deel van) de binnenste schaamlippen weggesneden. In het uiterste geval worden de buitenste schaamlippen dichtgenaaid, waarbij slechts een kleine opening vrijgelaten wordt voor urine en menstruatiebloed. De ingreep is zeer pijnlijk en kan tot ernstige complicaties leiden. Meestal oefenen familie en gemeenschap veel druk uit op de ouders om hun dochters te laten besnijden

Verboden!

In Nederland is elke vorm van meisjesbesnijdenis verboden. Het wordt beschouwd als ernstige, onherstelbare vormen van lichamelijk letsel, met grote kans op lichamelijke en psychische klachten. Meisjesbesnijdenis is in Nederland strafbaar als vorm van mishandeling.

Het is ook verboden om een meisje dat in Nederland geboren is in een ander land te laten besnijden. Bijvoorbeeld tijdens een vakantie in het land van herkomst. Consultatiebureaus en de jeugdgezondheidszorg bespreken dit met ouders uit risicogebieden. Als het toch gebeurt, kunnen de ouders een gevangenisstraf krijgen van maximaal 12 jaar. Als een meisje besneden wordt door de ouder zelf, kan de straf met een derde worden verhoogd.

Verklaring tegen meisjesbesnijdenis

Als je niet wilt dat je dochter besneden wordt, kan het lastig zijn dit te vertellen aan je familie. De familie kan daar anders over denken. Er ontstaat een risico als je je familie bezoekt in het land van herkomst, bijvoorbeeld als je daar op vakantie naartoe gaat. Om je familie daar te informeren over de gevolgen van een besnijdenis en over de strafbaarheid, is er een 'verklaring tegen meisjesbesnijdenis' gemaakt. Je kunt deze verklaring krijgen van een jeugdverpleegkundige of jeugdarts als je zelf duidelijk zegt dat je dochter niet besneden mag worden. De verklaring is in 7 talen beschikbaar: Somalisch, Amhaars, Tigrina, Arabisch, Engels, Frans en Nederlands.

Op de website van Focal point meisjesbesnijdenis vind je meer informatie over meisjesbesnijdenis.

Opvoeding en gedrag

De komst van een baby zet je hele leven op z'n kop. Je hebt er een grote verantwoordelijkheid bij gekregen en dat kan soms zwaar zijn. Je baby heeft veel zorg en aandacht nodig. Zeker als het je eerste kind is, heb je misschien veel vragen.

Wat kun je doen als je kind luieruitslag heeft? Hoe leer je je kind lopen en praten? Welke methode werkt het best voor een huilbaby? Hoe ga je je kind opvoeden? Ouderwets opvoeden, modern, gewoon, religieus, multicultureel of spiritueel...? Over opvoeden is het laatste woord nog niet gezegd. Eén ding is zeker: opvoeden is ook leuk! Het is een uitdagende en inspirerende opdracht waar elke ouder voor komt te staan.

Ouderschap

Het is een bijzondere gebeurtenis om een baby te krijgen en vader of moeder te worden. Het zal zeker ook even wennen zijn aan de nieuwe situatie! Vooral als het je eerste kind is. Je baby heeft veel zorg en aandacht nodig, en dat verandert het leven en het evenwicht dat je eerst had.

Emoties

Het krijgen van een kind brengt daarnaast ook nieuwe of heftige emoties met zich mee. Positieve emoties, zoals de band die je voelt met je kind. Maar ook zorgen en onzekerheden over je rol als vader of als moeder.

Stemmingswisselingen

Als moeder heb je na de bevalling tijd nodig om te herstellen. Dan is het niet vreemd wanneer je stemming nogal eens kan wisselen. Soms moet je zomaar huilen om niets. Dit wordt ook wel kraamtranen genoemd. Het is echter heel belangrijk om te weten wanneer je je wel gelukkig voelt en wanneer bepaalde negatieve gevoelens gaan overheersen. Sommige moeders krijgen (kort na de bevalling) last van een postpartum depressie.

Moeder worden

Het is een bijzondere gebeurtenis om een baby te krijgen. Misschien heb je een tijd moeten wachten voor je zwanger werd, of misschien is het onverwacht. Misschien heb je de zwangerschap als een groot feest beleefd. Anderen kunnen zich onzeker gaan voelen. Dat hoort er beslist ook bij. Het is niet niks om moeder of vader te worden.

Onzeker?

Het kan best zijn dat je tijdens je zwangerschap werd overvallen door twijfel. Je vraagt je misschien af of je het wel aan kunt om voor een kind te zorgen. Of je bent wellicht bezorgd over de gezondheid van je baby. Ook kun je je erg onzeker voelen over de toekomst. Bijna iedere moeder (en vader!) heeft wel eens last van deze twijfels en angsten. Het is belangrijk je niet te bezorgd te maken. Je kunt er natuurlijk eens met je eigen moeder of vader over praten. Of met een vriendin of de verloskundige.

Emoties

Na de bevalling kun je last hebben van 'kraamtranen'. Dit zijn de emoties die loskomen. Het ene moment voel je je vrolijk en het andere moment huil je tranen met tuiten om helemaal niets. Dat hoort er allemaal bij. Als je last hebt van heftige emoties, is het goed om er eens over te praten. Bijvoorbeeld met je partner of met je verloskundige. Sommige moeders voelen zich erg depressief. Het kan zijn dat je dan last hebt van een postnatale depressie.

Een band opbouwen

Een baby is van zijn ouders afhankelijk. Zorgen zij goed voor hem, dan voelt hij zich veilig. Je kind gaat je herkennen en vertrouwen als je je kind liefde geeft en goed reageert op zijn behoeften. Er ontstaat dan een band tussen jullie, die hechting wordt genoemd.

Sommige ouders voelen in het begin nog geen band. Het moedergevoel is er niet bij iedereen direct na de bevalling. Je kunt de hechting bevorderen door je baby dichtbij je te hebben, goed te kijken en luisteren naar je kind en te reageren op wat je kind nodig heeft.

Vader worden

Het is een bijzondere gebeurtenis om samen een baby te krijgen. Sommige mannen zijn heel betrokken bij de zwangerschap van hun partner. Anderen kunnen zich onzeker gaan voelen. Het is ook niet niks om vader te worden.

Twijfel

Als je een kind krijgt, kun je last krijgen van angsten, onzekerheid en twijfel. Het is heel normaal dat je je zorgen maakt over de toekomst van je gezin. Maar ook kun je bang zijn voor het medische gebeuren en de gezondheid van moeder en kind. Weer andere vaders zijn bezorgd over de veranderende relatie met hun partner. Je kunt dit met je partner bespreken, of anders met je vader of met een goede vriend.

Na de bevalling

Tijdens de bevalling is jouw aanwezigheid en betrokkenheid voor je partner heel belangrijk. Maar ook in de periode daarna heeft ze positieve ondersteuning nodig. Je kunt veel doen. Bijvoorbeeld het kraambezoek regelen, het huishouden doen en koken. Maar natuurlijk ook voor de baby zorgen, bijvoorbeeld de baby in bad doen of een schone luier geven. En niet te vergeten de erkenning (als jullie niet getrouwd zijn), kraamverlof, ouderschapsverlof en de geboorteaangifte regelen.

Een band opbouwen

Een baby is van zijn ouders afhankelijk. Zorgen zij goed voor hem, dan voelt hij zich veilig. Je kind gaat je herkennen en vertrouwen als je je kind liefde geeft en goed reageert op zijn behoeften. Er ontstaat dan een band tussen jullie, die hechting wordt genoemd.

Heeft een kind 2 ouders, dan hecht je kind zich aan jullie allebei als jullie je kind liefde en aandacht geven. Hechting met je baby gebeurt niet altijd vanzelf. Het vadergevoel is er niet bij elke nieuwe vader direct na de bevalling. Toch zul je zien dat het vanzelf op gang komt, bijvoorbeeld als je ziet dat je baby naar je kijkt en op je reageert.

Samen ouder

Jullie kunnen samen je kind verzorgen, stimuleren en opvoeden. Al doende heb je contact met je kind en raakt je kind steeds meer aan je gehecht.

  • Gekke gezichten naar je kind trekken en kijken of hij dat ook kan.
  • Je baby 's nachts de fles geven. Geeft je partner borstvoeding, dan kan zij de avond ervoor melk afkolven, die jij 's nachts kunt opwarmen en in een fles aan je kind kunt geven.
  • De luier verschonen.
  • Je baby in het babybadje doen of samen met je baby in bad gaan.
  • Spelen met je kind, bijvoorbeeld bewegingsspelletjes.
  • Lekker naar buiten: wandelen en (als je kind wat ouder is) samen fietsen.
  • Samen een boekje kijken, dansen en zingen.
  • Je kind verzorgen als hij ziek is.

Bij alles wat je met je baby doet: kijk en luister goed naar je kind. Reageer op wat je kind doet en wil en praat met je kind.

Postpartum depressie

Ongeveer 50 tot 80 procent van alle vrouwen die net een kind hebben gekregen, krijgen in meer of minder mate last van een postpartum depressie (PPD). Ook wel postnatale depressie genoemd of de 'babyblues'.

Veranderingen

Een kind krijgen is natuurlijk een ingrijpende gebeurtenis. Je maakt veel veranderingen door, zowel lichamelijk en hormonaal als emotioneel en sociaal. Tijdens de eerste 2 weken na de bevalling kun je dan ook last krijgen van huilbuien, prikkelbaarheid en slaapproblemen.

Een sombere periode

Babyblues heeft soortgelijke symptomen als bij een depressie. Babyblues hoeft niet lang te duren en meestal gaat de sombere periode vanzelf weer over. Het komt echter ook voor dat het maandenlang aanhoudt of dat je er later pas last van krijgt. Bijvoorbeeld wanneer je stopt met borstvoeding geven of wanneer je weer wilt beginnen met werken. Dit noemen we een postpartum depressie.

Symptomen

  • Als je een postpartum depressie hebt, dan kun je onder andere last krijgen van huilbuien, je voelt je somber en neerslachtig en je bent vaak moe en lusteloos.
  • Je kunt misschien geen plezier beleven aan je baby of zelfs afkeer voelen. Hierdoor kun je je erg schuldig voelen.
  • Machteloosheid overheerst en je mist zelfvertrouwen. Misschien heb je ook het idee dat je ongeschikt bent als moeder.
  • Naar je partner en naar anderen toe ben je prikkelbaar en kun je soms kwaad uitvallen.

Wat kun je zelf doen?

  • Als je last hebt van een postpartum depressie, probeer er dan over te praten met mensen die je vertrouwt en die je kunnen helpen of steunen.
  • Je hoeft je niet te schamen voor je gevoelens.
  • Je mag fouten maken, niet elke moeder doet alles in één keer goed.
  • Probeer ook de zorg voor je kind te delen met je partner en neem op tijd rust.
  • Als de klachten aanhouden of heftiger worden, is het verstandig om deskundige hulp in te schakelen. Je kunt geholpen worden door middel van therapie en eventueel ook medicijnen.

Waanideeën

Bij sommige moeders neemt de postpartum depressie ernstigere vormen aan. Een moeder kan dan last krijgen van waanideeën. Bijvoorbeeld dat ze in een flits ziet dat ze haar kind iets aandoet of dat ze het idee heeft dat het kind niet van haar is. Als je last hebt van waanideeën, dan is het noodzakelijk dat je deskundige hulp zoekt via je huisarts, verloskundige of gynaecoloog.

Opvoedtips

Opvoeden gaat bijna vanzelf, als je kinderen krijgt. Het is vaak leuk, maar niet altijd even makkelijk. Soms voor kwesties, waar je wel wat hulp bij kunt gebruiken. Misschien wil je de opvoeding anders doen dan je ouders het vroeger deden. Wat je kind vooral nodig heeft, is dat je hem steunt, stimuleert en stuurt. Zo kan je kind opgroeien tot een zelfstandig, plezierig en sociaal mens.

Er is niet één goede manier van opvoeden. Als ouder bepaal je zelf wat je je kind wilt leren en zul je met vallen en opstaan een eigen manier van opvoeden ontwikkelen.

Warme aandacht en steun

Je geeft je kind wat hij nodig heeft: zorg, warme aandacht, aanmoediging en materiële dingen als kleren, eten en een veilig huis. Je ondersteunt hem en geeft hem zelfvertrouwen door je positieve aanmoediging. Je steunt je kind al vanaf het moment dat hij geboren is door contact met je kind te maken en te reageren op zijn behoeften. Je troost hem als hij huilt en geeft hem een schone luier als dat nodig is, je pakt hem even op en wiegt hem. Hierdoor krijg je een band met elkaar en raakt je kind aan je gehecht.

Aanmoediging en complimenten

Het is goed voor je kind om nieuwe dingen te leren en te ontdekken. Als ouder help je je kind daarbij, moedig je hem aan en stimuleer je hem. Je geeft je kind bijvoorbeeld veel kans om te bewegen en lopen. En je praat veel met je kind, waardoor je kind beter leert praten. Ook complimenten geven is daarbij belangrijk.

Positief opvoeden

Kinderen die positief worden opgevoed, hebben een grote kans om zichzelf te kunnen ontwikkelen tot zelfstandige volwassenen met veel zelfvertrouwen. Als je op een positieve manier met elkaar omgaat, heb je ook over het algemeen meer plezier met elkaar!

Hoe doe je dat?

  • Zorg voor een veilige en stimulerende omgeving voor je kind. Als je kind zich vrij kan bewegen en zich veilig voelt, zal hij veel gaan ontdekken en uitproberen.
  • Laat je kind leren door hem daarin op een positieve manier te ondersteunen. Je kind heeft behoefte aan aandacht en warmte. Daarnaast vindt je kind het prettig om te horen wat hij goed doet en om aangemoedigd te worden nieuwe dingen te leren.
  • Zijn de verwachtingen die je hebt realistisch? Ieder kind ontwikkelt zich op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo. Je kind moet eraan toe zijn om iets nieuws te leren. Als je te veel van je kind vraagt, is de kans groot dat hij zich ongewenst gaat gedragen.
  • Zorg ook goed voor jezelf. De opvoeding van je kind wordt daar ook makkelijker en leuker van. Als ouder en mens heb je je eigen wensen en behoeften. Als je luistert naar je eigen behoeften, kun je makkelijker geduldig en consequent zijn. En kun je ook makkelijker aandacht geven aan je kind op de juiste momenten.

Rust, reinheid en regelmaat

In de tijd waarin je oma haar kinderen grootbracht waren rust, reinheid en regelmaat de pijlers van de opvoeding. En eigenlijk zijn ze tegenwoordig nog steeds belangrijk.

Rust

Dat je baby voldoende rust krijgt, is een belangrijke voorwaarde voor gezond opgroeien. Tijdens het slapen groeien kinderen, verwerken ze wat ze overdag geleerd hebben en krijgen ze weer energie voor de volgende dag. Verder is een rustige omgeving goed voor een baby. Dat betekent bijvoorbeeld dat het huis niet rommelig is en dat er niet te veel of te harde geluiden zijn. Je kind rustig oppakken en rustig tegen je kind praten of zingen, zijn ook goede tips.

Regelmaat

Kinderen hebben baat bij regelmaat en structuur. Probeer de dag zoveel mogelijk in te richten volgens een vast patroon. Dat betekent op vaste tijden en volgens een vast patroon je baby voeden en laten slapen. Ook is het handig om het wassen volgens vaste gewoonten te laten verlopen. Als je kind ouder wordt en jou beter gaat begrijpen, is het ook goed om van te voren te vertellen wat jullie gaan doen.

Reinheid

De leefomgeving van een baby moet schoon zijn, dat bevordert zijn gezondheid. Hieronder staan een aantal tips voor een goede hygiëne.

  • Droog je baby na het wassen goed af, ook tussen de huidplooien.
  • Flessen en spenen kun je het beste uitkoken.
  • Voor je kind is het gezonder om in een huis te wonen waar niet gerookt wordt.
  • Als je een huisdier hebt, zorg er dan voor dat je baby niet de vlooienband aanraakt en niet bij de kattenbak in de buurt kan komen.

Negeren

Wil je je kind positief opvoeden, dan kijk je steeds naar het positieve van je kind en denk je vooruit om problemen te voorkomen. Je geeft je kind duidelijke grenzen, zodat hij weet wat je van hem verwacht. Houdt je kind zich niet aan de grenzen, dan is het verstandig daar iets aan te doen. Soms is negeren een verstandige oplossing.

Problemen voorkomen

Als je kind gaat kruipen en bewegen verandert er veel voor je kind. Je kind kan nu veel meer zelf ontdekken en probeert van alles uit, zoals boeken uit de kast trekken. Daar leert je kind van. Maar zorg wel dat je kind geen dingen kan doen die niet mogen of niet veilig zijn.

  • Door kleine aanpassingen kan je kind bewegen en fijn spelen. Je hoeft dan niet steeds ‘nee’ te zeggen. Zet waardevolle of gevaarlijke dingen weg, dek stopcontacten af en gebruik kindvriendelijke sluitingen en zorg voor een traphekje.
  • Zorg voor voldoende speelgoed en bezigheden. Als je kind lekker speelt, heeft je kind geen tijd om lastig te worden. Natuurlijk kan je kind nog niet lang alleen spelen. Speel dan ook regelmatig samen.

Geen aandacht is soms beter

Sommige baby's huilen veel. Als ouder kun je meestal horen wanneer er echt iets aan de hand is of wanneer je kind huilt om aandacht. Dit kun je negeren. Je blijft rustig en reageert bewust niet, totdat het huilen stopt. Dit kan erg moeilijk zijn, als ouders wil je natuurlijk zeker weten dat er echt niets ernstigs aan de hand is.

Huilen

Baby’s kunnen nog niet zeggen wat ze hebben of voelen. Je baby maakt vooral door huilen duidelijk wat hij wil en voelt. Hij kan bijvoorbeeld huilen omdat hij honger heeft, het koud heeft, een vieze luier heeft, zich verveelt en aandacht wil of juist moe is. Ook kan een baby boos of geschrokken zijn of pijn hebben.

Wat kun je doen?

Hoe je reageert, hangt samen met de reden van het huilen. Kijk goed naar je baby en probeer te begrijpen wat er is. Je kunt daar dan wat aan doen. Bijvoorbeeld een schone luier omdoen of voeden. En meestal is het nodig om je kind te troosten of te knuffelen.

Huilt je baby veel?

Als je baby veel huilt, heb je zelf misschien al een manier gevonden waardoor je baby iets rustiger wordt. Het is belangrijk dat er rust en regelmaat in zijn leventje komt. Dat is zeker goed voor baby's die te veel geprikkeld raken.

Niet schudden!

Het is heel gevaarlijk om je baby heen en weer te schudden als hij veel huilt. Doe dit nooit.

Eindeloos doorgaan met huilen

Er is voor ouders niets vervelender als je baby huilt en je weet niet waarom. Het is natuurlijk belangrijk dat er goed gekeken wordt of er een medische oorzaak van het huilen zou kunnen zijn. Als er medisch niets te vinden is en je kind blijft huilen, kan het zijn dat je een huilbaby hebt.

Tips tegen het huilen

Na 2 weken huilt je baby meer. Rond 6 weken huilen baby’s het meest. Ongeveer 2 tot 3 uur per dag. Het is normaal als je baby ’s avonds meer huilt. Na 3 maanden huilt hij meestal vanzelf wat minder.

Hoeveel je baby huilt, heeft niets met jou te maken. Het heeft te maken met zijn eigen ontwikkeling en hoe hij reageert op prikkels. De volgende 6 adviezen kunnen helpen.

1. Een regelmatig dagritme

Elke dag dezelfde opeenvolging van gebeurtenissen geeft je kind een vertrouwd gevoel: slapen, wakker worden, voeden, knuffelen of 'praten'. Zodra je baby moe wordt: 'wakker' naar bed, slapen, wakker worden, voeden, enzovoort.

2. Voorspelbaarheid van de gebeurtenissen

Slapen doet je baby in zijn eigen wiegje of bedje op een rustige plek. Maar niet in de box. 's Nachts slaapt hij op een vaste plaats.

3. Vermijden van prikkels

Prikkels vermijden doe je door te zorgen dat de radio en de tv niet de hele dag aan staan. Door je baby (onder de 3 maanden) niet steeds onder de babygym te leggen of voor de televisie neer te zetten. Je kunt ook beter niet veel bezoek laten komen, hierdoor wordt zijn slaapritme verstoord.

Natuurlijk moet je baby zich niet gaan 'vervelen'. Een baby kan ook huilen van verveling. Veel baby's willen dingen zien en houden ervan als je met ze rondloopt.

4. Rust

Een gezonde afwisseling van slapen en wakker zijn in een rustige omgeving. Na de voeding lijkt hij soms slaperig, maar een baby moet soms alleen even bijkomen na de voeding.

5. Een strak opgemaakt bedje

Een baby slaapt vaak beter als zijn armen en benen niet alle kanten op kunnen schieten. Je kunt het bedje zo opmaken dat de deken tot de schouders van je baby reikt, terwijl zijn voetjes tegen het voeteneinde liggen. Stop de deken lekker in, dan ligt je kind stevig.

6. Leg je baby moe maar wakker in bed

Als een kind gewend is uit zichzelf in slaap te vallen, slaapt hij zo veel als nodig is. Hij wordt uitgerust wakker. Een kind dat in slaap wordt geholpen, schrikt vaak wakker bij elk onverwacht geluid of als hij onwillekeurige bewegingen maakt. Soms heeft een baby 5 tot 20 minuten nodig waarin hij een beetje huilt of jengelt voor hij ineens in slaap valt.

Helpen deze adviezen niet? Bespreek dan op het consultatiebureau wat je eventueel nog meer kunt doen.

Prikkelbaar

Sommige baby’s zijn erg prikkelbaar en huilen daardoor veel. Je baby schrikt dan van onverwachte gebeurtenissen. Bijvoorbeeld als je hem opeens pakt, als een auto toetert, als een gordijn opengaat.

Een baby moet langzaam leren om rustig te reageren op prikkels. Je helpt hem door heel rustig te zijn en een regelmatig of voorspelbaar ritme aan te houden. Voorkom harde geluiden, lichtflitsen of onverwachte bewegingen. Ook vaak de televisie of radio aanzetten, geeft veel prikkels.Soms overstrekt een baby zich ook als hij prikkelbaar is.

Overstrekken

Als baby’s veel huilen, kunnen ze erg overstrekken. Dan spannen ze hun rugspieren sterk aan. Dat zijn de strekspieren in de rug. De strekspieren zijn veel sterker dan de buigspieren. Baby’s kunnen zich dan moeilijk ontspannen. Ze zitten gewoon niet lekker in hun vel, daardoor huilen ze veel.

Als je baby problemen heeft met zijn voeding, kan hij ook gaan huilen. Er zijn kinderfysiotherapeuten die overstrekken behandelen. Er zijn ook manieren hoe je je kind oppakt en vasthoudt die het overstrekken verminderen. Vraag ernaar op het consultatiebureau.

Troosten

Het is prima om in de eerste weken een ontroostbaar huilende baby op te pakken en veilig tegen je aan te houden. Praat zachtjes of zing liedjes en wieg hem rustig heen en weer. Je baby hoort je stem en je hartslag. Hij voelt hoe hij samen met jou beweegt en komt daardoor tot rust.

Het is heel goed om de huilende baby tegen je aan te houden en te kalmeren, maar denk ook aan jezelf. Zorg dat je voldoende rust krijgt. Bij de consultatiebureau kun je om advies vragen.

Draagdoek

Een draagdoek is in deze situatie een ideaal ding. Je baby ligt er extra geborgen in, het lijkt wel een beetje op de omhulling van de vertrouwde baarmoeder. Klop heel zachtjes op zijn billetjes in het ritme van je eigen hartslag. Let op dat je baby niet te warm wordt als hij zo dicht tegen je aan ligt. Trek hem niet te veel kleren aan.

Niet schudden!

Als je baby veel huilt, is het soms moeilijk je geduld te bewaren. In een moment van frustratie, vermoeidheid of kwaadheid is het niet ondenkbaar dat je je baby wel even door elkaar zou willen schudden: "Wees nu toch eens stil!" Of als je baby zich verslikt, zou je in paniek misschien ook geneigd zijn je baby heen en weer te schudden.

Niet doen! Niet schudden!

Zelfs goedbedoeld schudden kan veel kwaad doen. Bijvoorbeeld je baby omhoog gooien tijdens vliegtuigje spelen. De nekspieren van een baby zijn zelfs tot voorbij de eerste verjaardag nog niet sterk genoeg om bij flink heen en weer bewegen zijn hoofdje rechtop te houden. En al helemaal niet als hij door elkaar geschud wordt! In dat geval gaat zijn hoofd snel en hard heen en weer, waardoor kleine adertjes in de hersenen kunnen scheuren. Er treedt dan een bloeding op binnen in het hoofd, in de hersenen.

Shaken baby syndrome

Een baby die flink door elkaar geschud is, kan een hersenbeschadiging oplopen, maar ook doof of blind worden. Dit wordt het 'shaken baby syndrome' genoemd. Je kind kan last krijgen van stuipen of (jaren later) leerproblemen op school. In het ergste geval overlijdt de baby.

Normaal spelen met de baby kan geen shaken baby syndrome veroorzaken. Wanneer het hoofdje goed ondersteund wordt, is bijvoorbeeld door de kamer dansen juist heel fijn om samen te doen.

Wat als het toch gebeurt?

Heb je zelf of een ander je baby geschud? Kijk dan goed hoe je baby zich voelt en gedraagt. Is er sprake van lusteloos gedrag, slaperigheid, onregelmatig ademen, braken, prikkelbaarheid of steeds heviger huilen? Neem dan contact op met de huisarts. Is je baby bewusteloos, heeft hij stuipen of reageert hij nergens op? Ga dan onmiddellijk naar de eerstehulppost in het ziekenhuis.

Huilbaby

Huilt je baby minstens 3 dagen per week meer dan 3,5 uur per dag? En is hij dan niet te troosten? Dan noemen we het een huilbaby. Ongeveer 15 procent van de baby’s is een huilbaby. Dat is erg zwaar voor de ouders. Vooral als je denkt dat je het niet goed doet.

Nooit schudden!

Word je wanhopig van het huilen? Leg je baby dan op een veilige plek en loop even weg. Schud je baby nooit door elkaar!

Een lichamelijke oorzaak

Sommige baby’s zijn allergisch voor koemelk. Daar krijgen ze buikpijn van. Je baby kan ook huilen omdat hij een liesbreuk heeft of een urineweginfectie. Of het komt door overstrekken. Neem contact op met je huisarts of het consultatiebureau als je baby veel huilt.

Een psychische oorzaak.

Misschien zijn er spanningen thuis. Je hebt bijvoorbeeld een zware bevalling gehad, er is misschien een ernstig zieke in de familie, of misschien ga je verhuizen. Als je als moeder erg gespannen bent, dan voelt je baby dat.

Prikkels van buitenaf

Sommige baby's reageren heel sterk op prikkels van buitenaf. Denk aan geluiden. Soms schrikt een baby van elk geluidje en moet daardoor huilen. Ze zijn dan verhoogd prikkelbaar.

Inbakeren

Het liefste wil je natuurlijk dat je baby stopt met huilen. Er is wel enige hoop. Probeer uit te vinden waar je kind rustiger van wordt en wat voor jou vol te houden is. Enkele tips zijn: inwikkelen in een doek (inbakeren) en wiegen of wandelen, in de auto rijden, een zacht muziekje en betere verduistering.

Een pauze inlassen

Misschien kan het helpen wanneer je kind tijdelijk door anderen wordt opgevangen. Je kind kan dan als het ware een nieuwe start maken met het aanleren van een slaap- en waakritme. Een baby kan soms beter gaan slapen wanneer bepaalde stresssituaties doorbroken worden en wanneer hij meer structuur en regelmaat krijgt.

Naar het consultatiebureau?

Op het CJG kunnen ze je adviezen geven. Het consultatiebureau heeft een protocol voor huilbaby's. Een verpleegkundige kan bij je thuis komen om te helpen en de jeugdarts kijkt naar je baby om een lichamelijke oorzaak uit te sluiten en zo nodig naar een kinderarts te verwijzen. Sommige ziekenhuizen hebben een spreekuur voor ouders met huilbaby's.

Psychische gevolgen huilbaby

Een baby die maar niet stopt met huilen is zenuwslopend voor de ouders. Want niet alleen het huilen gaat door merg en been, als je 's nachts geen slaap krijgt, wordt het pas echt moeilijk.

Het gaat ooit over

Je kunt je proberen vast te houden aan de gedachte dat je kind eroverheen zal groeien. Maar je uithoudingsvermogen wordt natuurlijk wel op de proef gesteld.

Wisseldiensten

Als je een partner hebt, is het verstandig om meteen 'wisseldiensten' te gaan draaien. Ben je een alleenstaande moeder dan is het belangrijk dat je een praktische oppas zoekt, zodat je zelf ook eindelijk wat kunt slapen. Ook al is het maar enkele uren.

Probeer positief contact te krijgen

Vind je het (mede door het vele huilen) erg moeilijk om positief contact te krijgen met je baby? Of heb je in plaats van liefdevolle gevoelens meer haatgevoelens of juist een heel erg 'neutraal' of emotieloos gevoel tegenover je baby? Dan is het verstandig om contact te zoeken met je huisarts of een hulpverlener. Er zijn centra voor moeders met jonge kinderen, waar je met hulp van pedagogen en psychologen je band met je kind (opnieuw) opbouwt. Wacht liever niet met het vragen om hulp, elke dag is belangrijk.

Hulplijn

Het is statistisch bewezen dat ouders van huilbaby's op een gegeven moment kunnen doorslaan. Er is dus een reëel gevaar dat je vermoeidheid het van je overneemt en dat je je eigen kind door elkaar gaat schudden of slaan. Je kunt dan niet meer goed nadenken. Ook al is het natuurlijk uit pure overmacht, het valt onder kindermishandeling, het is levensgevaarlijk voor de baby en ook afschuwelijk voor jezelf. Spreek af wie je kunt bellen als je merkt dat je het niet meer aan kunt. Loop desnoods een blokje om, zodat je tot rust kunt komen. Zorg voor steun en neem contact op met de hulpverlening.

Tips voor huilbaby's

Dat een baby huilt, is in principe normaal. Er zijn algemene adviezen om ervoor te zorgen dat je baby minder huilt.

Huilbaby's

Maar wat kun je doen als de algemene adviezen nauwelijks helpen en je baby heel veel huilt?

  • Laat je baby nooit te lang alleen als hij huilt. Blijf bij hem in de buurt.
  • Zorg voor regelmaat en rust.
  • Baker je baby zo nodig in. Vraag hierbij om hulp bij het consultatiebureau. Het is belangrijk voor het inbakeren eerst naar de heupjes van je baby te kijken.
  • Houd je baby veel bij je. Bijvoorbeeld in een draagzak.
  • Vraag om meer informatie en hulp op het consultatiebureau.

Video-hometraining

Vind je het zelf erg moeilijk? Dan kun je een video-hometraining (laten) doen. Als je een video-opname van jezelf en je baby ziet, kun je zien hoe je baby op jou reageert. Kijkt hij naar je? Lacht hij? Schrikt hij van plotselinge bewegingen? Of huilt hij als jij het te druk hebt? Je ziet ook hoe je met je baby omgaat. Praat je met hem? Reageer je op je kind? Of reageer je niet meer zo veel door het vele huilen? Je ziet ook wanneer je baby niet huilt. Zo leer je wat je moet doen om je baby te troosten.

Huilen na het eerste jaar

Als je kind 1 jaar is, huilt hij omdat hij honger of pijn heeft. Of omdat hij verdrietig of bang is. Maar je kind weet ook dat hij aandacht krijgt als hij huilt. Probeer er achter te komen wat er is. Hierbij helpen de volgende vragen.

  • Is er wat aan de hand?
  • Is je kind geschrokken?
  • Is je kind bang omdat je niet bij hem in de buurt bent?
  • Wil je kind aandacht?
  • Is je kind boos omdat hij zijn zin niet krijgt?

Als je weet wat er is, kun je beter reageren.

Aandacht

Je kind kan huilen omdat hij op deze manier wil bereiken dat hij aandacht krijgt. Denk na of je je kind wel genoeg aandacht geeft. Je kind kan nog niet zo lang zelf bezig zijn. Maar het is beter om je kind aandacht te geven op de momenten dat je kind niet huilt. Als je pas aandacht geeft als je kind erom vraagt door te huilen, gaat je kind waarschijnlijk steeds vaker huilen. Je 'beloont' het huilen van je kind.

Geschrokken

Is je kind geschrokken? Troost je kind dan even. Maar overdrijf niet en blijf zelf rustig. Je kind krijgt anders het gevoel dat er echt iets aan de hand is.

Angst

Als je kind jou niet meer ziet, is hij misschien bang dat je weg bent. Dat heeft te maken met zijn ontwikkeling. Je kind moet leren dat je weer terugkomt. De angst wordt dan vanzelf minder.

Zeg altijd waar je naartoe gaat als je even wegloopt. Of laat je kind, indien mogelijk, meegaan.
Speel ‘kiekeboe’. Je kind leert dan dat mensen en dingen niet echt weg zijn als je ze niet meer ziet.

Boos

Huilt je kind omdat hij zijn zin niet krijgt? En doe je dan wat je kind wil? Dan leert je kind dat hij door te huilen zijn zin krijgt. De volgende keer doet hij dit dan weer. Reageer juist positief, en geef aandacht, als je kind zich goed gedraagt. Geef hem geen aandacht als hij huilt wanneer er niets aan de hand is.

Slapen

Je baby heeft slaap nodig om te groeien, om energie te hebben en om actief te kunnen zijn.

Elke baby slaapt anders

De ene baby slaapt langer door dan de andere. Als je baby geboren wordt, is er voor hem nog geen verschil tussen dag en nacht. Hij slaapt heel veel, maar hij wil wel elke 3 uur eten. Dus ook ’s nachts.

Hoeveel slaap is normaal?

  • Baby's tot 3 maanden slapen ongeveer 16 tot 17 uur per dag. Rond de voeding zijn ze ongeveer 1 tot 1,5 uur wakker, inclusief de voeding.
  • Na ongeveer 4 maanden krijgt je baby meer een dag- en nachtritme en slaapt ongeveer 15 uur in totaal.
  • Na 6 maanden slaapt hij misschien al 6 tot 8 uur achter elkaar.
  • Rond 9 maanden vindt je baby het niet zo leuk om alleen te zijn 's avonds. Misschien gaat hij dan niet meer rustig liggen. Dit is logisch. Je baby maakt overdag veel mee. Dat moet hij 's nachts verwerken. Hij kan ook gaan dromen en bang wakker worden.
  • Rond 1 jaar slaapt hij de hele nacht. Hij slaapt 's middags ook nog.

Structuur

Baby’s hebben veel slaap nodig om zich goed te kunnen ontwikkelen en te groeien. Duidelijkheid en structuur aanbrengen in het leven van je kind, helpt hem ook bij het slapen.

  • Je kunt een vaste structuur en een vast dag- en nachtritme hanteren.
  • Je kunt dit ritme ook voor de nacht aanhouden bij baby's die nog een nachtvoeding nodig hebben.
  • Een vast ritueel bij het naar bed brengen is erg handig. Bijvoorbeeld een liedje zingen, de knuffels dagzeggen, een kusje van zijn broertje of zusje, speeldoosje aan.

Ligt je kind lekker?

Een rustige en veilige omgeving bevordert een goede nachtrust van je kind. Het moet niet te warm of te koud zijn in de slaapkamer. Het licht aan op de gang of een nachtlampje in zijn kamer is prettig voor je kind als hij bang is in het donker. Er zijn nog meer tips om je kind beter te laten slapen.

Nachtrust

Als de baby net geboren is, vragen veel ouders zich af wat ze moeten doen. Het kind in bed nemen, in z'n wiegje bij hun op de kamer laten slapen of in een wiegje in het kamertje ernaast?

In het wiegje

Als je je baby bij je in bed neemt, bestaat het gevaar dat je op hem gaat liggen, dat hij het te warm krijgt of dat hij onder het dekbed stikt. Leg je baby dus altijd in z'n eigen wiegje of ledikantje te slapen en houd hierbij rekening met de bedinrichting.

De eerste maanden

De eerste maanden worden baby's om de paar uur wakker omdat ze honger hebben. Of het nu dag is of nacht. Rond de 11e week verandert dat en zal je baby langer kunnen doorslapen. Echt doorslapen doen sommige kinderen pas als ze ongeveer 1,5 jaar zijn. Deze getallen zijn allemaal bij benadering.

Elk kind is anders

Let dus op signalen van vermoeidheid bij je kind (in de oogjes wrijven, sloom en huilerig zijn) en zorg dat hij een slaapje kan doen voor hij helemaal over de rooie is. Om je kind alvast aan een dag- en nachtritme te wennen is het handig om 's nachts een rustig tempo aan te houden en niet al te veel licht te maken.

Een half jaar

Als je baby een half jaar is, slaapt hij 's nachts langer, en heeft hij overdag genoeg aan 2 of 3 dutjes. Rond deze tijd is het goed om rond het slapen gaan (vooral 's avonds) een vast ritueel op te bouwen. Dat wil zeggen dat je alles steeds in dezelfde volgorde doet. Bad, pyjama, verhaaltje. Zo leert je kind tot rust te komen. Als er dan ooit slaapproblemen komen, heb je het ritueel om op terug te vallen.

Dag- en nachtritme

De behoefte aan slaap van baby's is groot, maar kan ook variëren. Je kunt als ouder veel doen om je kind te helpen een regelmatig slaappatroon te ontwikkelen.

De slaap

Bij het slapen maakt een mens na elkaar verschillende perioden van slaap door. Na een diepe slaap, lichte slaap en een droomslaap wordt je kind wakker en slaapt weer in. Je baby moet leren weer zelf in slaap te vallen, als hij 's nachts wakker wordt.

Slaapritme

De eerste 3 maanden slapen baby's gemiddeld 16 tot 17 uur, verdeeld over 24 uur. Dat zijn 6 slaapjes van een paar uur. Tussen de 3 en 6 maanden ontwikkelen baby's een wat regelmatiger slaappatroon. Het aantal uren slaap vermindert tot ruim 14 uur als je baby een half jaar is. Dit zijn 3 of 4 wat langere slaapjes per dag. Je baby slaapt nu 's nachts ook wel 8 tot 9 uur achter elkaar door.

Als het doorslapen 's nachts nog niet helemaal vanzelf gaat, kun je het 's nachts goed donker maken en overdag de gordijnen open laten. Wat veel baby's heerlijk vinden, is even zacht gemasseerd te worden. Daar worden ze rustig van.

Overdag steeds minder

Je baby ontwikkelt gaandeweg een vast slaappatroon: hij slaap iedere dag op ongeveer dezelfde momenten. Na ongeveer 7 maanden slaapt je kind nog 2 of 3 keer 2,5 tot 3 uur per keer. In de maanden daarna worden dat nog maar 1 of 2 slaapjes. Na de eerste verjaardag slapen de meeste kinderen overdag 1,5 tot 2 uur rond het middaguur.

Het tijdstip waarop kinderen geen middagslaapje meer nodig hebben is heel verschillend. Het kan zijn dat je kind met 1,5 jaar al niet meer 's middags slaapt.

Slaaphouding

Baby's slapen veel. Leg je baby vanaf de geboorte op zijn rug in bed zodat hij vrij kan ademen. Leg hem niet op zijn buik. Dit vergroot de kans op wiegendood. Om ervoor te zorgen dat je baby op zijn rug blijft liggen, kun je hem in een passende slaapzak leggen. Stop een dekentje altijd strak en stevig in.

Op de rug

Je legt je baby op zijn rug te slapen, waarbij je zijn hoofd de ene keer naar links laat liggen en de andere keer naar rechts. Dit doe je om te voorkomen dat je baby een voorkeurshouding ontwikkelt, waardoor de kans bestaat dat zijn hoofd scheef groeit. Sommige baby's draaien hun hoofd vanzelf naar een favoriete kant.

  • Je kunt dit proberen tegen te gaan door bijvoorbeeld een mobile boven de andere zijde van het bed te hangen.
  • Je kunt het bedje af en toe andersom opmaken.
  • Je kunt bij het voeden je kind ook om de beurt op je linkerarm en op je rechterarm houden.
  • Je kunt je baby overdag, als hij wakker is, af en toe eens op zijn buik leggen. Dat is goed voor zijn motorische ontwikkeling. Blijf er wel bij als je baby op zijn buik ligt!

Inbakeren

Het inbakeren van zuigelingen (het in doeken wikkelen van jonge kinderen) wordt veel gedaan bij baby's die veel huilen en/of onrustig slapen. Denk je erover om jouw kind in te bakeren? Overleg dan altijd met het consultatiebureau of de arts. Zij kunnen namelijk ook tips geven hoe je een vast patroon opbouwt bij het slapen gaan. Bijvoorbeeld het verminderen van prikkels en meer regelmaat. Dat is vaak net zo effectief, en minder risicovol.

Niet te warm

Zorg ervoor dat je baby het niet te warm krijgt. Een dekbed is niet goed voor een baby. Je baby kan zich onder het dekbed wurmen en hij krijgt het veel te warm onder een dekbed. Je kunt ook een slaapzakje of trappelzak gebruiken in plaats van een deken en laken. Die moet wel in de maat van je baby zijn.

Om het risico op wiegendood te verkleinen kun je adviezen voor veilig slapen opvolgen.

Fopspeen en duimen

Sommige kinderen hebben de gewoonte om op hun duim of hun vingers te zuigen. De meeste kinderen houden op met duimen als ze een jaar of 4 zijn. Voor baby's gebruiken veel ouders een fopspeen.

Fopspeen

Je kunt een fopspeen geven, als je borstvoeding of de flesvoeding zonder problemen verloopt. Het lijkt er sterk op dat je het risico van wiegendood tijdens het slapen kunt verkleinen door je kind een fopspeen te geven. Gebruik wel steeds schone spenen.

Een fopspeen moet stevig zijn, met gaatjes in het schild dat tegen het mondje aan zit. Met een speciaal spenenkoordje kun je de speen vastmaken. Gebruik daar geen ander touwtje voor, daardoor kan je kind stikken.

Duimen

Als je kind nog duimt wanneer hij zijn tanden gaat wisselen, dan loopt hij het risico dat zijn tanden scheef gaan staan en het gehemelte vervormt. Ook de stand van de onderkaak ten opzichte van de bovenkaak kan veranderen. Je kunt voorkomen dat je kind gaat duimen door hem als pasgeborene een fopspeen te geven, zodra hij op zijn duim of vingers gaat zuigen.

Een speen heeft minder invloed op het gebit. Maar een fopspeen is ook niet goed als je kind te lang blijft spenen. Leer duimen en spenen daarom zo snel mogelijk af. Doe dat ongeveer vanaf 9 maanden.

Open-mondgedrag

Bij open-mondgedrag blijft de mond van je baby een beetje open staan. Zijn tong hangt slap tussen zijn lippen. Als zijn mondje openstaat, verdampt het speeksel sneller. Zijn mond droogt uit en daardoor heeft je baby meer kans op gaatjes. Als je je baby een duim of een speen geeft als hij gaat slapen, is er kans op open-mondgedrag.

Ook bij een verkoudheid slaapt je kind soms met open mond: hij kan niet goed door de neus ademen. Door langere perioden van verkoudheden kan een kind open-mondgedrag ontwikkelen.

Afwennen

Als je kind een half jaar is, kun je het gebruik van de speen afbouwen als je kind wakker is. Gebruik de fopspeen bijvoorbeeld alleen nog bij het inslapen. Het afwennen van het duimen is natuurlijk iets lastiger. Dat gebeurt vaak pas als je kind iets ouder is.

Afwennen fopspeen

  • Geef de speen niet meteen na het eten. Geef alleen een speen als je baby verdrietig is, begint te jengelen of een duim in zijn mond stopt. Geef de speen dus alleen als je baby dat wil en als afleiden niet meer helpt.
  • Geef de speen steeds korter.
  • Als je baby slaapt, haal je de speen uit zijn mond. Je doet zijn mond voorzichtig dicht.

Afwennen duimen

  • Zorg dat je kind niet aan zijn duim denkt. Zorg voor afleiding. Geef je kind bijvoorbeeld wat extra aandacht of doe een spelletje.
  • Belonen is beter dan straffen.
  • Als je baby slaapt, haal dan de duim uit zijn mond. Doe voorzichtig zijn mondje dicht.

Meer tips!

  • Druk vaak zijn lipjes op elkaar. Doe dat zeker als je baby slaapt.
  • Geef geen speen als je baby na de voeding rustig is en niet hoeft te zuigen.
  • Geef liever een (dental)speen als je baby na de voeding toch wil zuigen. Een speen is beter dan zijn duim. Want een speen kun je gemakkelijker afleren.

Samen slapen

Als je 's nachts graag samen met je kind wilt slapen, kun je je baby het best in een bedje of wiegje naast je eigen bed laten slapen. Dat heeft alleen maar voordelen. De baby is vlakbij je zodat je hem goed in de gaten kunt houden en 's nachts makkelijk kunt voeden. Bovendien is het superveilig!

Bij je in bed?

Om risico's uit te sluiten is het beter om je baby niet bij je in bed te laten slapen. Als één van de ouders vast slaapt, bestaat de kans dat hij of zij zich ongemerkt omdraait bovenop de baby. Ook het beddengoed is gevaarlijk voor je baby. Je baby kan erin verstrikt raken of het veel te warm krijgen.

Dromen

Vergeleken met volwassenen dromen baby's veel. De ervaringen van overdag verwerken ze in hun slaap.

Soms wordt een kind paniekerig en huilend wakker, omdat hij heeft gedroomd. Dat kan heel naar zijn om te zien. Probeer je kind dan toch in zijn bedje te troosten, zonder het licht aan te doen. Eén ding moet duidelijk zijn: het is nacht en dan slaapt hij in zijn bed. Het kan je moeilijk vallen, maar je voorkomt op deze manier dat je je kind nog jarenlang elke avond in zijn eigen bed moet zien te krijgen.

Slecht slapen

Als je baby net geboren is, slaapt hij veel. Maar hij heeft wel een eigen ritme. Het komt veel voor dat baby’s moeilijk inslapen, vaak huilen en 's nachts wakker worden. Het kost veel doorzettingsvermogen om dit te doorbreken.

Mogelijke oorzaken van slaapproblemen

  • Angsten.
  • Ziekte en nare ervaringen. Hierdoor is het ritme in de war. Als je kind ziek is, krijgt hij veel aandacht. Maar als hij beter is, wil hij nog steeds diezelfde aandacht!
  • Geen rust om je baby heen.
  • Warmte, kou en lichtinval. Dit kan ervoor zorgen dat je kindje niet doorslaapt.
  • Spanning, ruzie en onrust in huis. Dit kan zorgen voor gedragsproblemen bij je kind.
  • Geen regelmaat. Als je kind geen regelmaat heeft, kan het onrustig worden. Je baby kan dan niet rustig afscheid nemen van de dag of is te moe om in slaap te vallen.

Problemen doorbreken

Er zijn algemene slaaptips die je kunnen helpen bij het vinden van een slaapritme voor je kind. Natuurlijk is regelmaat en structuur erg belangrijk. Daarom kun je bij ernstigere slaapproblemen de volgende methoden hanteren.

  • Breng je kind naar bed wanneer je kind slaperig wordt. Op die manier leert hij om alleen in slaap te vallen.
  • Voordat je kind in slaap valt, is het vrij normaal dat hij nog 5 tot 20 minuten huilt. Laat je kind gewoon huilen en geef hem de kans om zelf in slaap te vallen.
  • Een kind dat echter te lang of te heftig huilt, kun je beter wel troosten. Een kind dat overstuur is, valt immers niet zo makkelijk in slaap. Je kunt bijvoorbeeld je kind wiegen, strelen, knuffelen, maar je kunt ook zachtjes zingen, neuriën of praten.
  • Zorg ook overdag voor rust en structuur. Dat er bijvoorbeeld niet te veel prikkels zijn van drukte in huis, andere kinderen, de radio of de televisie. Dan zijn er minder spanningen en opwinding en valt je kind ook wat makkelijker in slaap.
  • Als je kind 's nachts wakker wordt, wacht dan even totdat je kind vanzelf weer in slaap valt. Lukt dat niet, zorg er dan in ieder geval voor dat je kind niet hard begint te huilen en behoorlijk van streek raakt.

Als de tips niet helpen en je maakt je toch zorgen, neem dan voor advies contact op met het consultatiebureau.

Slaaptips

Baby’s hebben veel slaap nodig om zich goed te kunnen ontwikkelen en hard te groeien. Zo zie je dat je kind moe is:

  • hij wordt bleek;
  • hij kijkt weg;
  • hij gaapt;
  • hij wrijft in zijn oogjes;
  • hij jengelt of huilt.

Naar bed!

  • Leg je baby in bed als hij moe is, maar nog wel wakker. Geef hem de kans om zelf in slaap te vallen. Soms huilt hij nog even, dat is niet erg. Zo leer je je kind om zonder hulp te gaan slapen.
  • Volg een vast ritueel voor het naar bed gaan. Doe ook alles in een vaste volgorde als je baby wakker wordt: eerst een schone luier, dan voeden, dan knuffelen of ‘spelen’ in de box en weer naar bed als hij moe wordt.
  • Doe je baby 's avonds in bad, in plaats van 's ochtends. Gebruik badproducten die rustgevend zijn, zoals kamille en lavendel.
  • Geef je kind een vaste slaapplek en een vaste speelplek. Je kunt je baby het beste in zijn eigen bedje of ledikantje laten slapen. Probeer ook vaste slaaptijden aan te houden.
  • Zorg ervoor dat je baby lekker ligt, bijvoorbeeld op een goed matras.
  • Geef je baby meteen voeding als hij wakker wordt. En geef de laatste voeding zo laat mogelijk. Knuffel ook een tijd na het voeden.
  • Zorg dat het rustig is aan het eind van de dag. Breng je kind ook rustig naar bed. Als er te veel prikkels zijn, kan je kind gaan huilen of slecht slapen.
  • Maak bij het naar bed brengen minder oogcontact. Je geeft je kind dan minder aandacht en dat helpt hem te beseffen dat hij ’s avonds alleen moet inslapen en ook als hij ’s nachts wakker wordt.
  • Houd het ’s nachts zo donker mogelijk, laat je kind als het kan gewoon in bed liggen en doe het licht niet aan (of hoogstens een sterk gedimd licht).
  • Verschoon ’s nachts alleen een luier als het echt nodig is.
  • Als je kind overdag slaapt, laat dan de gordijnen gewoon open. Zo leert je kind het verschil tussen dag en nacht kennen.

Hard huilen voor het slapen?

Het kan zijn dat je kind hard moet huilen voor het slapen. Troost je baby dan wel, want als je kind overstuur is, valt hij immers niet zo makkelijk in slaap. Je kunt bijvoorbeeld je kind wiegen, strelen, knuffelen, maar je kunt ook zachtjes zingen, neuriën of praten.

Tips voor jezelf

Het is belangrijk dat je zelf ook rust krijgt! Rust bijvoorbeeld uit als je baby slaapt. En doe af en toe ook iets voor jezelf. Je kunt hierbij denken aan zwemmen of de sauna. Of iets waar je energie van krijgt. Ben je heel moe? Laat je baby gerust eens ergens anders slapen.

Wiegendood

Het begrip wiegendood betekent een plotselinge en onvoorziene dood van een ogenschijnlijk gezond kind. Over de oorzaken van wiegendood is nog veel onduidelijk, maar je kunt een aantal maatregelen nemen die de kans op wiegendood verkleinen.

Rugligging

De manier waarop je je baby in zijn bed legt, kan de kans op wiegendood verkleinen. Zo is het aan te raden je baby op zijn rug te leggen en niet op zijn zij of op de buik.

Bedinrichting

Door je baby in een slaapzak te laten slapen, krijgt je baby het niet te warm en kan hij altijd vrij ademen. Je kunt ook een deken en een lakentje gebruiken, maak het bedje dan kort op en stop het beddengoed stevig in. Gebruik tot de leeftijd van 2 jaar geen dekbed, dat is veel te warm voor je baby. Ook is het af te raden kussens en knuffels in zijn bed te leggen. Het is belangrijk dat je baby vrij kan ademhalen en niet in ademnood komt door kussens, knuffels of andere zachte materialen.

Temperatuur

Het is bekend dat een te hoge lichaamstemperatuur de kans op wiegendood vergroot. De temperaturen in de babykamer kunnen natuurlijk verschillen in de zomer- en wintermaanden. Dit is niet zo erg, maar het is verstandig om de temperatuur van zowel je baby als de babykamer goed in de gaten te houden. Een goede temperatuur voor de babykamer is 16-18 graden.

Inademen van rook

Roken is voor niemand gezond, maar voor baby's is het extra slecht als er in hun omgeving wordt gerookt. Een rokerige omgeving wordt in verband gebracht met wiegendood.

Eten

Je pasgeboren baby krijgt de borst of de fles. Dat zijn belangrijke momenten. Niet alleen voor de gezondheid van je kind maar ook voor de band die je met elkaar opbouwt.

Aan tafel

Na een paar maanden gaat je kind hapjes eten. Je kunt dan samen aan tafel zitten. Voor je baby zijn speciale kinderstoelen verkrijgbaar. Zorg voor duidelijke eetmomenten. Je kind leert dan: nu is het tijd om iets te eten. Ga je van tafel, dan is dat eetmoment voorbij. Zo klein als je kind is, jij bent in alles het voorbeeld: je kind kijkt hoe jij het doet, wat jij eet en doet je na.

Wat kun je beter vermijden?

Zorg voor een rustige sfeer als je baby de borst of fles geeft. Tijdens het eten kun je beter de tv uitzetten. Soms heb je zelf je hoofd bij andere dingen als je aan tafel gaat. Het is beter om je dan even te concentreren op het eetmoment en te proberen dat rustig en ontspannen te houden.

Nog meer tips

  • Een baby moet natuurlijk nog leren eten, hiervoor zijn verschillende hulpmiddelen verkrijgbaar.
  • Rond de maaltijden heeft elk gezin zo zijn eigen gewoonten. Als je deze in duidelijke en eenvoudige regels giet, bevorder je de sfeer. Je kind moet die regels natuurlijk nog leren.

Eerste hapjes

Je baby heeft alleen melk nodig tot hij 6 maanden is. Alles wat hij nodig heeft, zit in borstvoeding of flesvoeding (kunstvoeding).

Jonger dan 6 maanden

Denk je dat je kindje wel toe is aan hapjes voordat hij 6 maanden oud is? Maakt je kind bijvoorbeeld steeds smakkende geluidjes? Dan kan het eerder tijd zijn voor vaste voeding, maar dat hoeft niet. Vraag daarom eerst advies aan het consultatiebureau voordat je een kind jonger dat 6 maanden vaste voeding gaat geven.

Na 6 maanden

Het opbouwen van vaste voeding gaat stapje voor stapje en duurt ongeveer een half jaar. Als het goed is, eet je kind rond zijn eerste verjaardag hetzelfde als de rest van het gezin.

Je kind begint rond 6 maanden met een paar hapjes van een lepeltje. Dit is om te oefenen. Je geeft hem steeds nieuwe smaken. Eerst prak je het hapje fijn. Geleidelijk mag het steviger zijn, met stukjes erin.

Vanaf ongeveer 8 maanden worden de hapjes steeds meer echte maaltijden. Dan ga je melkvoedingen vervangen. Hoe dat gaat, hangt ervan af of je borstvoeding geeft of flesvoeding (volledige zuigelingenvoeding). Het consultatiebureau adviseert je hierbij.

Wat mag je kind nog niet eten?

Het is belangrijk om te weten welke voedingsmiddelen je kind nog niet mag eten. Ze kunnen namelijk schadelijk zijn voor de gezondheid van je kind.

Praktische eettips

De behoefte aan voeding blijft de eerste kinderjaren globaal hetzelfde. Er bestaat geen vaste regel voor hoeveel een kind precies moet eten. Je hebt grote eters en kleine eters. De ene dag heeft je kind meer trek dan de andere dag.

Eten en groeien

Als je kind 1 jaar is, is hij ongeveer 3 keer zo zwaar als bij zijn geboorte. Maar vergelijk je kind niet te veel met andere kinderen, want ieder kind groeit in zijn eigen tempo. Het belangrijkste is dat je kind zich goed ontwikkelt. Dan hoef je je geen zorgen te maken. Het consultatiebureau kijkt samen met jou of je kind goed groeit.

Tips!

Je kind vindt het gezellig om met anderen te eten en het is het best als hij jou ook lekker ziet eten. Hoe houd je het leuk aan tafel?

  • Schep van alles een klein beetje op het bord van je kind. Zijn bord hoeft niet vol.
  • Moedig je kind aan om van alles te proeven. Soms moet een kind wel 10 tot 15 keer proeven voordat hij gewend is aan de smaak.
  • Eet zo vaak mogelijk met het hele gezin tegelijk. Zorg dat het niet te lang duurt en maak het gezellig: zing liedjes of laat ieder zijn eigen verhaal doen.
  • Loop niet met eten achter je kind aan.
  • Jij bepaalt wat je kind eet en wanneer je kind eet. Je kind bepaalt zelf hoevéél hij opeet. Genoeg is genoeg. kleine kinderen voelen dat zelf goed aan.
  • Geef je kind niet te veel tussendoortjes. En als je iets tussendoor geeft, doe dat dan op vaste tijden. Lekker voor tussendoor is bijvoorbeeld: fruit, soepstengel, rijstwafel, rozijntjes of wat stukjes komkommer.
  • Zet de televisie tijdens het eten uit. Zo wordt hij niet steeds afgeleid door het beeld en het geluid van de televisie.
  • Leer je kind om uit een beker te drinken in plaats van uit de zuigfles. Dat is namelijk beter voor zijn tanden.

Leren eten

Als je je kind voert met een lepeltje, dan zal hij zelf naar de lepel gaan grijpen. Je kunt nu best eens proberen hem ook zelf te laten eten.

Natuurlijk hoef je niet te verwachten dat hij van dat eten al veel naar binnen krijgt. Het is een hele klus voor je baby om iets op de lepel te krijgen, die naar zijn mond te brengen en het eten eraf te happen.

2 Bordjes

Om te zorgen dat je kind toch wat eten binnen krijgt, maak je gewoon 2 bordjes klaar. Het ene bordje geef je je kind. Van het andere bordje geef je hem tussendoor af en toe een hap. Je kind vindt het prachtig om zelf met het eten bezig te zijn. Je kunt hem complimentjes geven als je ziet dat hij het probeert.

Je kind hoeft niet heel veel te eten. Het is belangrijker dat hij nu met plezier leert om verschillende dingen te eten.

  • Dwing nooit een hap eten naar binnen.
  • In het begin prak je het hapje heel fijn. Als je kind het fijngeprakte hapje goed eet, kun je wat minder fijn gaan prakken. Nog wat later is snijden in kleine stukjes voldoende.
  • Laat je kind zelf stukjes eten in zijn mond steken met zijn handjes of met een kindervorkje.
  • Geeft je kind aan dat hij genoeg heeft? Zeg dan tegen hem dat hij goed gegeten heeft, en haal zijn bordje weg.

Knoeien

Waarschijnlijk zal het eten een tijdlang een knoeiboel zijn. Je kunt daarom misschien beter een plastic tafelkleed gebruiken, een plastic slab met knoeigoot, eventueel een zeiltje op de vloer en je kunt zelf een keukenschort dragen.

Bij hele kleine kinderen zijn gedragsregels nog niet zo handig. Ze moeten nu eenmaal eerst bepaalde motorische vaardigheden krijgen, voordat ze netjes kunnen eten. Natuurlijk kun je je kind wel vertellen wat je van hem verwacht en hem prijzen als hij het probeert. Het goede voorbeeld geven werkt ook: als je kind ziet hoe jij eet, zal hij het na willen doen.

Tussen de 1,5 en 2 jaar kunnen kinderen al aardig goed zelfstandig eten. Nu kun je de gedragsregels en goede eetgewoonten meer aan bod laten komen.

Hulpmiddelen bij eten

Als je kind leert eten, gaat dat gepaard met veel geknoei. Hij doet het zelf en dat geeft hem veel plezier. In eerste instantie vindt je kind het ook prachtig om in het eten te voelen en te graaien. Dit gaat vanzelf weer over. Om je kind te helpen bij het leren eten, kun je kiezen uit allerlei hulpmiddelen.

Eten met een lepel

Vanaf 6 maanden (soms wat eerder) kun je met bijvoeding beginnen. Je kunt de fijngeprakte voeding met een klein lepeltje horizontaal naar de mond van je baby brengen. Hij ziet de lepel aankomen en doet zijn mond open. Als je de lepel licht op de tong drukt, zal je baby het voedsel van de lepel gaan zuigen en haal je de lepel horizontaal weer uit zijn mond. Je kunt beter niet de lepel afschrapen langs zijn tanden of kaakrand.

Happen en slikken

Natuurlijk morst je baby: hij moet nog leren het eten in de mond te houden en door te slikken. Gaandeweg leert hij het eten van de lepel te happen door met zijn lippen de lepel stevig te omsluiten en zijn tong naar achteren te bewegen. Lukt het niet meteen of houdt hij zijn lippen stijf op elkaar, wacht dan 1 of 2 weken om het nog eens te proberen.

Drinken

Tussen de 6 en 8 maanden kun je je kind uit een beker laten drinken. Eerst houd je zelf de beker nog vast. Je kunt je kind tussen de gewone maaltijden door af en toe een beetje water in een beker geven. Tussen de 8 en 12 maanden kunnen kinderen een beker zelf naar de mond brengen.

Liever geen tuitbeker

Je kunt je kind beter niet uit een tuitbeker laten drinken. Want bij het drinken uit een tuitbeker of een zuigfles houd je het bestaande zuig- en slikpatroon van je baby in stand. Voor de ontwikkeling van zijn mondfuncties en de spraak- en taalontwikkeling is drinken uit een gewone beker dus aan te bevelen.

Het is ook onverstandig je kind zoete dranken uit een zuigfles te geven. Dit veroorzaakt gaatjes in zijn gebit. Natuurlijk mag je kind tussendoor nog wel eens uit een fles drinken.

Kinderstoel

Het is heerlijk als je kind eraan toe is om in een kinderstoel te zitten. Nu wordt zijn wereld groter, hij kan meer zien. Hij moet wel goed rechtop kunnen zitten. Eventueel kun je eerst een stoelverkleiner gebruiken en de zijkanten opvullen met kussentjes.

Soorten stoelen

  • Een klapstoel is handig als je niet veel ruimte hebt: je kunt een klapstoel namelijk inklappen. Een nadeel is dat je kind er snel uitgroeit.
  • Een hangstoel is een kinderstoel zonder poten die je aan het tafelblad bevestigt.
  • Een meegroeistoel heeft een verstelbare zitting en voetenplank voor als je kind groter wordt. Dan kun je de kinderstoel langer gebruiken. Soms zit er een beugel of een eetblad bij.
  • Een kinderstoel met eetblad dat aan de stoel vastzit, is ook erg handig. Je kunt meestal het blad over je eigen tafel schuiven.
  • Een kubuskinderstoel bestaat uit 2 onderdelen die je ook los kunt gebruiken: een stoel en een tafeltje.
  • Een aanschuifstoel kun je aan tafel schuiven en neemt daardoor minder ruimte in beslag.

Veiligheid

Om te voorkomen dat je kind uit de stoel klimt, kun je hem vastzetten in een gordel. De gordel moet minimaal een heupband en en kruisband hebben, het liefst ook schouderbanden. Kies een stabiele stoel. Zorg ervoor dat het eetblad stevig vast zit, zodat je kind het er niet af kan halen. Kies geen stoel met losse onderdelen, of onderdelen waar je kind zijn vingers tussen kan krijgen.

Tips bij het gebruik

  • Zet je kind altijd vast met een gordel om te voorkomen dat hij in de stoel gaat staan of eruit klimt.
  • Gebruik een stoelverkleiner wanneer de kinderstoel nog wat te groot is. Dit neemt het gevaar weg dat je kind niet stevig zit en wegglijdt.
  • Laat je kind nooit in alleen achter in de stoel, zelfs niet wanneer het in de gordels zit.
  • De stoel kan omvallen als je kind zich afzet tegen de tafel of de muur. Zorg er dus voor dat je kind niet met zijn beentjes bij de tafel of de muur kan komen.
  • Als je een hangstoeltje hebt, let dan op het maximaal toelaatbare gewicht. Je kunt het beste een hangstoeltje midden tussen 2 tafelpoten in vastzetten en bij elk gebruik even controleren of het goed vastzit.

Zindelijkheid

Als je kind zelf controle krijgt over plassen en poepen en het dus kan ophouden en zelf kan reageren op aandrang, dan wordt hij zindelijk. Kinderen leren pas zindelijk te worden als ze eraan toe zijn. Als het zover is, kun je je kind aanmoedigen om op het potje of de wc te gaan.

Op welke leeftijd?

De meeste kinderen worden zindelijk tussen de 2 en 3 jaar. Het duurt dan nog een half jaar tot een jaar voordat je kind ook 's nachts zindelijk is. Meisjes zijn wat eerder zindelijk dan jongens. Er zijn trouwens ook kinderen die pas na hun 4e jaar zindelijk worden. Elk kind is weer anders en wordt dus ook anders zindelijk. Sommige kinderen gebruiken eerst een potje, anderen gaan meteen op de wc.

Wanneer is je kind eraan toe?

Je kunt soms aan signalen van je kind merken dat hij eraan toe is om zindelijk te worden:

  • Je kind heeft steeds vaker een droge luier.
  • Je kunt aan je kind zien dat hij zelf in de gaten heeft dat hij plast of poept.
  • Je kind heeft belangstelling voor wat er uit zijn lichaam komt.
  • Je kind wil zelf zijn luier uitdoen.

Het is niet zo handig om met zindelijkheidstraining te beginnen als je kind ziek is of als er grote gebeurtenissen gaande zijn, zoals de komst van een nieuwe baby of een verhuizing. Als je kind eraan toe is om zindelijk te worden, dan kun je beginnen met potje-training.

Vrije tijd

Ouders hebben vaak een druk bestaan. De combinatie werk, huishouden, zorg en opvoeding kan veel van je vragen. Daarom is het belangrijk om op tijd te ontspannen. En er zijn leuke activiteiten die je samen met je baby kunt doen. Bijvoorbeeld babyzwemmen, bewegen en muziek, baby-yoga en babymassage. Dit bevordert ook de band met je kind.

Zorg goed voor jezelf

Misschien heb je een partner en delen jullie samen de zorg? Of misschien zijn er andere mensen met wie je de zorg van je kind kunt delen? Neem regelmatig de tijd om zelf iets te doen. Met je eventuele partner of vrienden uit eten gaan of naar de film, bezig zijn met je hobby, een massage, ergens naar toe. Misschien vind je het lastig om je baby achter te laten. Een jonge baby merkt het niet als je weg bent. En je kind krijgt kans om zich ook aan andere mensen te hechten.

Bewegen en muziek met je baby

'Bewegen met je baby' is een cursus die je al met je pasgeboren baby kunt doen. Deze cursus kan onder ander bestaan uit bewegingsspelletjes met liedjes, dansen met je baby en aandacht voor de motorische en zintuiglijke ontwikkeling van je baby. Ook is er 'Muziek op schoot', waarbij je zingt en muziek maakt.

Baby-yoga

Yoga kun je tegenwoordig ook samen met je baby doen. Yoga kan voor je kind een moment van rust betekenen en is gezond.

Cursus babymassage

Tijdens de cursus babymassage leer je verschillende massagetechnieken, bijvoorbeeld de Shantala techniek uit India. Baby's vinden het erg prettig om geknuffeld, aangeraakt en gemasseerd te worden.

Vakantie

Natuurlijk kun je ook lekker op vakantie gaan in je vrije tijd. Met een baby erbij, is het verstandig je goed voor te bereiden.

Zwemmen

Wanneer je kind minimaal 6 weken oud is, mag je hem meenemen naar het zwembad.

Te vroeg?

Soms is het te vroeg. Het kan namelijk vaak nog veel te vermoeiend zijn voor zo'n kleine baby. Ook de omgeving van het zwembad met alle geluiden en vele prikkels kan een baby overweldigen. Jonge baby's zijn ook gevoeliger voor infecties. Een alternatief kan zijn samen met je jonge baby thuis in bad te gaan.

Gezond

In de meeste zwembaden worden babyzwemlessen en peuterzwemlessen gegeven. Je kind raakt hierdoor niet alleen vertrouwd met water, maar zijn spieren worden ook soepel en hij bouwt een goede conditie op. Het is goed voor de bewegingsontwikkeling.

Lekker warm water

Je kind kan zichzelf nog niet goed warm houden. Vaak begin je met babyzwemmen in extra warm water. Baby’s vinden het heerlijk!

  • Het water moet minstens 32 graden zijn.
  • Let op dat je baby niet afkoelt. Krijgt hij paarse lipjes of bibbert hij? Dan heeft hij het te koud.
  • Zorg ervoor dat je na afloop je baby goed afdroogt en warm aankleedt.

Spelen

Spetteren met water, zingen, voelen, gooien, dollen! Spelen met je baby is leuk en leerzaam. Spelen is belangrijk voor de ontwikkeling van een kind op allerlei terreinen: verstandelijk, sociaal-emotioneel en motorisch. En de band met je kind wordt er sterker door.

Spelen is leren

Kinderen leren spelenderwijs de wereld om hen heen begrijpen. Een kind doet tijdens spelen nieuwe ervaringen op. Je kind merkt bijvoorbeeld dat een bal gaat rollen als je ertegen duwt en een blokje niet. Het is belangrijk dat je bij het spelen veel praat tegen je baby. Je kind leert dan veel taal begrijpen en later ook zelf spreken. En door te spelen leert je kind met andere mensen omgaan.

Spelontwikkeling

De ontwikkeling van je baby is één groot spel voor hem. In het begin hebben baby's nog geen speelgoed nodig. Spelen is dan vooral kroelen, knuffelen en liedjes zingen. Maar al snel krijgt je kind interesse voor dingen. Je baby vindt het leuk om naar speelgoed te kijken met duidelijke kleuren en vormen. Een mobiel boven zijn bedje is bijvoorbeeld een goed idee. Je kind kijkt graag naar dingen die bewegen. Ook een speeltje dat geluid maakt, is interessant. Op deze jonge leeftijd moet je alle zintuigen prikkelen.

Motoriek

Als je baby iets ouder is, strekt hij zijn handjes ook naar het speelgoed uit. Later vindt hij zelf rammelen en rinkelen erg leuk. En weer iets later kan hij al blokjes overpakken, op elkaar zetten en omver gooien. Rond 1 jaar is er al veel speelgoed waar je kind mee kan spelen. Maar je kind vindt ook allerlei gewone dingen leuk: doosjes die open en dicht kunnen, potjes die in elkaar passen, het omslaan van de bladen in een boekje, papier dat scheurt, enzovoort. Je kind probeert van alles uit, daar leert je kind van.

Tips

  • Het is verstandig om niet teveel speelgoed tegelijk te hebben staan. Als je een deel van het speelgoed opruimt, kun je regelmatig wat anders tevoorschijn halen. Voor je kind is dat erg leuk.
  • Het proces van spelen is belangrijker dan het eindresultaat.
  • De meeste gemeenten hebben een spelotheek. Dan kun je eerst eens uitproberen wat je kind echt leuk vindt.
  • Koop je speelgoed, dan is het nodig om op te letten of het veilig is.

Spelen in de box

In de box kan je kind even zelf spelen. Hij leert er om zich te bewegen. En soms moet je je kind even neerleggen. De box is dan een veilige plek.

De plek van de box

Zet de box het liefst in een hoek. Dat is rustig voor je baby. Maar bij een raam is ook leuk! Dan kan hij naar het licht en naar de wolken kijken. Zorg er wel voor dat de box op een veilige plek staat, bijvoorbeeld niet te dicht bij de verwarming, kamerplanten, gordijnkoordjes, of ramen.

Bodem en spijlen

Zorg ervoor dat de box een verstelbare bodem heeft. Als je kind ouder wordt en leert zitten en staan, dan kun de bodem omlaag zetten. Je kind kan er dan niet uit klimmen of vallen. Zorg er ook voor dat de spijlen stevig zijn en ongeveer 4,5 tot 6,5 centimeter uit elkaar staan. Voor je het weet, kan je kind een spijltje vastpakken. Dan wordt omrollen gemakkelijker.

Speeltjes in de box

Leg je baby regelmatig even op zijn buik in de box. Blijf wel in de buurt! Misschien wordt je baby onrustig als je te veel speeltjes in de box legt. Leg steeds een paar dingen in de box en na een tijdje ruil je dat om met ander speelgoed. Denk bijvoorbeeld aan:

  • een paar zachte knuffels;
  • een leuke mobiel, om naar te kijken en te leren grijpen;
  • of een speeltje waar geluid uit komt.

Maak geen speelgoed met touwtjes aan de box vast! Daaraan kan je baby zich pijn doen.

Samen spelen

Je kunt zelf allerlei leuke spelletjes doen met je baby. Bijvoorbeeld kiekeboe spelen, je kind kriebelen of met een rammelaar rammelen.

Met elkaar

De eerste weken is samen spelen vooral samen contact hebben. Je baby hoort en ziet je. Je kind ziet je eerst alleen van heel dichtbij, vooral je ogen en mond, en later de rest van je gezicht. Spelletjes met je gezicht zijn nu heel geschikt. Wenkbrauwen fronsen, tong uitsteken, zachtjes blazen, knuffelen. Zie je dat je kindje ook gezichten trekt? Kijk en luister goed hoe je baby reageert! Door hier op in te gaan, krijg je steeds betere band met elkaar. Later krijgt je kind steeds meer interesse in speeltjes, maar jij als ouder blijft nog lang het belangrijkste 'speelgoed'.

Met andere kinderen spelen

Spelen met elkaar moeten kinderen echt leren. Jonge kinderen spelen nog niet echt samen. Twee kinderen van 1 jaar zitten bijvoorbeeld naast elkaar, kijken naar elkaar, reageren op elkaar of doen elkaar na. Maar ze hebben ieder hun eigen speelgoed, gaan elk op in het eigen spel. Ze kunnen nog niet delen, op hun beurt wachten of een ander iets gunnen. Je kind heeft nog niet door dat anderen ook gevoelens en wensen hebben. Pas vanaf 3 jaar beginnen kinderen samen te spelen. Ze begrijpen beter wat anderen willen. Voordat ze gaan spelen, overleggen ze wat ze gaan doen en stemmen ze hun wensen op elkaar af.

Tips

  • Je kunt met je baby het spelletje 'geven en nemen' doen. Je geeft je baby iets, hij geeft het jou terug, jij geeft het hem weer.
  • Breng je baby ook in contact met andere kinderen.

Speelplekken

Kinderen kunnen vrijwel overal spelen. Niet iedere plek is natuurlijk geschikt voor elke leeftijd. Als ouder ben je verantwoordelijk voor het creëren van een veilige speelomgeving voor je kind. In en rond je huis zijn heel wat veilige speelplekken.

Box

Voor kleine baby's vanaf een maand of 2 is de box een veilige plek. Het is aan te raden het rustig op te bouwen: als je kind de eerste keer een kwartier in de box ligt, is het wel genoeg. Zo geef je hem de tijd om aan de box te wennen. Veel boxen hebben een verstelbare bodem. Zet de box in de laagste stand, zodra je kind zich optrekt en wil gaan staan. Vergeet niet de klemmen eruit te halen waar de bodem op rust. Als je regelmatig wat ander speelgoed in de box legt, blijft het voor je kind leuk.

Huis

Gewoon in huis spelen is heerlijk voor kinderen. Baby's kunnen lekker rollen, kruipen en lopen op de vloer. Let wel op de veiligheid in de woonkamer en in de keuken. Oudere kinderen hebben misschien een speelhoekje, waar je wat speelgoed voor hen bewaart. Ze kunnen dan zelf kiezen en pakken wat ze leuk vinden. Als ze wat ouder zijn, vinden kinderen het vaak leuk om op hun eigen kamer te spelen.

Tuin

Veel kinderen vinden het heerlijk om buiten te spelen. Bijvoorbeeld in de tuin. Kleine kinderen doe je een groot plezier met een zandbak, waar ze naar hartenlust kunnen scheppen en graven. Je kind vindt het heerlijk om te voelen en te woelen met zijn vingers in het zand.

Spelotheek

Bij een spelotheek kun je voor je kind speelgoed lenen.

Speelgoed

Per spelotheek verschilt het wat voor speelgoed je kunt lenen. Dit kan variëren van speelgoed voor buiten tot bordspelen en muziekinstrumenten. Er is speelgoed voor alle ontwikkelingsgebieden: de taalontwikkeling, de motorische, de verstandelijke en sociaal-emotionele ontwikkeling.

Vaak wordt een onderscheid gemaakt in speelgoed om te bewegen, te bouwen, bevorderen expressie (muziek, verkleden), fantasie, gezelschapsspellen, puzzels en lotto's. En, vooral voor je baby van belang, zintuiglijk materiaal zoals activity centers, speelkleed, babyspelletjes, enzovoort.

Lid worden

Vaak kun je tegen een kleine vergoeding speelgoed lenen en betaal je een paar euro per jaar om lid te zijn van de spelotheek. Meestal kun je het speelgoed een paar weken lenen maar dit kan per spelotheek natuurlijk verschillen. Het speelgoed dat de spelotheek uitleent, is vaak geschikt voor kinderen in de leeftijd van 0 tot 12 jaar. Ook kan je kind in de meeste spelotheken tijdens de openingsuren met andere kinderen spelen.

Spelontwikkeling

Een pasgeboren baby heeft genoeg aan aanraken, knuffelen, contact met elkaar. Met elkaar spelen is het belangrijkste. Met speelgoed kan je kind de eerste weken nog niet zoveel. Je kunt al vanaf het begin tegen je baby praten. Hoe klein hij ook is, dit stimuleert zijn taalontwikkeling.

Na 3 maanden

Vanaf ongeveer 3 maanden kan je baby zelf speelgoed vasthouden. Bijvoorbeeld een eenvoudige rammelaar, zacht doekjes of zachte knuffels. Na ongeveer 4 maanden gaat je baby grijpen en leert voorwerpen vast te pakken. Kan je kind iets vastpakken? Dan vindt hij steeds grotere dingen leuk. Hij wil dat dan tegen zich aan drukken.

Materialen

Je baby vindt alles prachtig. Een speelkleed wordt extra leuk met een spiegeltje of een belletje. Of met verschillende soorten stof: zacht, ruw, glad of kriebelig. Laat je kind met zijn hand de materialen voelen. Natuurlijk steken sommige kinderen ook van alles in hun mond. Je baby ontdekt ook met zijn mond. Maar zorg dat je kind geen kleine, gevaarlijke dingen te pakken krijgt.

Water

Met een paar eenvoudige badspelletjes leert je kind dat hij voor water niet bang hoeft te zijn.

  • Sla een paar keer met je handen op het water. Je kind doet het je zo na!
  • Leg een paar kleine, drijvende speeltjes in bad.
  • Laat een druppeltje water over het hoofd van je baby lopen.
  • Laat het water met een straaltje op zijn buik komen.

Na 6 maanden

Samen spelen is leuk en belangrijk, maar na 6 maanden kan je kind ook even alleen spelen. Laat hem dus af en toe lekker alleen spelen. Ook zit je baby nu in een fase dat hij eenkennig wordt. Om hem te leren dat je er ook bent als hij je niet ziet, kun je het spelletje 'kiekeboe' spelen. Kijk ook samen in een spiegel. Wijs hem en jezelf aan. Zo ontdekt hij wie hij is.

Praten

Als je baby ongeveer 6 maanden oud is, begint hij te brabbelen. Op deze leeftijd vindt hij speelgoed dat geluid maakt erg interessant. Je kunt dus bijvoorbeeld een knuffelbeestje kopen dat geluid maakt. Praten met je baby blijft erg belangrijk. Je kunt liedjes met hem zingen en samen boekjes kijken.

Pakken, gooien en rollen

Met 2 handjes kan je baby nu speeltjes pakken, gooien en rollen. En hij wordt steeds sterker. Hij gaat zijn kracht uitproberen op alles om hem heen. En hij gaat overal op bijten met zijn nieuwe tandjes.

Geef hem dus alleen speelgoed:

  • dat stevig is en niet gauw kapot gaat;
  • waarvan de verf niet afgeeft in zijn mond;
  • waaraan hij zich niet pijn kan doen.

Geschikt speelgoed is bijvoorbeeld:

  • een tuimelaar. Die komt altijd weer overeind als je baby ertegen duwt of schopt.
  • een stoffen bal. Die kan hij beter vasthouden dan een harde bal.
  • een 'activity center'. Daar zitten heel veel dingen op: draaiwieltjes, deurtjes, geluidjes en vaak ook een spiegeltje.

Dollen en rondzwieren

Je mag nu best wat wilder met je kind spelen. Even dollen vindt hij prachtig! En de beweging is goed voor hem. Denk bijvoorbeeld aan gekke spelletjes doen op schoot en rondzwieren in de kamer. Kijk wel uit dat je je baby niet door elkaar schudt!

Na 9 maanden

Vanaf 9 maanden wordt de motoriek van je kind steeds beter. Je kunt dit bijvoorbeeld stimuleren door je baby voorwerpen vast te laten houden en ergens in te stoppen of te stapelen. Probeer er altijd op te letten dat je niet te kleine voorwerpen aan hem geeft, want hij stopt alles in zijn mond. Ook in zijn handjes klappen vindt je kind nu een leuk spelletje.

Alleen spelen

Als je baby ongeveer een jaar oud is, kan hij kleine opdrachten begrijpen. Je kunt hem bijvoorbeeld aan iemand iets laten geven, doosjes laten openmaken. Laat ook je kind af en toe even alleen spelen. Hierdoor leert hij zichzelf te vermaken.

Ontdekken

Van uitproberen, kijken wat er gebeurt en dat eindeloos herhalen leert je kind het meeste. Bijvoorbeeld deksel op de pan en er weer af en er weer op. Je kind doet niets liever en het stimuleert zijn denken en motoriek. Veel van wat je in huis hebt is hiervoor geschikt. En als jij verwoordt wat je kind doet, stimuleert dit ook de taalontwikkeling van je kind. "Nu is de deksel weer op de pan."

Leuke spelletjes

Er zijn veel leuke spelletjes die je met je kind kunt doen. Je kind leert daar ook veel van!

  • Begin beneden bij de beentjes te kriebelen. Ga door tot aan het nekje, terwijl je zegt: "Daar komt een muisje aangelopen … helemaal tot in je nekje gekropen!" Je stem begint laag en wordt steeds hoger.
  • Beweeg langzaam kleurige speeltjes langs het gezicht van je baby. Hij volgt het speeltje dan actief met zijn ogen en met zijn hoofd. Hij vindt het leuk om naar de kleur en de vorm te kijken.
  • Veeg langs zijn wangetjes met zachte, stoffen speeltjes. Daar moet hij zeker om lachen!
  • Jonge baby’s houden ervan om naar voorwerpen te kijken die bewegen, groot, rond, kleurrijk maar niet te ingewikkeld zijn. Het is goed als alle zintuigen geprikkeld worden.
  • Speeltjes moeten ervoor zorgen dat je baby ernaar kijkt en luistert. Bijvoorbeeld een mobiel dat ronddraait en een muziekje speelt.
  • Een baby onder de 3 maanden kan zich nog niet zo lang concentreren. Dit merk je vanzelf.
  • Jonge baby’s vinden het heerlijk om je (vertrouwde) stem te horen. Deze stem hoorde hij ook al toen hij nog in de buik zat. Van zingen wordt je baby soms rustig.
  • Je baby kan al heel jong contact met jou maken. Jouw gezicht vindt hij fantastisch. Leg je baby op je knieën en zing liedjes voor hem. Je baby kijkt dan heel goed naar je mond en je gezicht.
  • Leg je baby voor je neer. Ga dan langzaam met je vinger over zijn hele gezicht. Je zegt wat je aanwijst: ogen, oren, neus, mond. Pak zijn handje en doe hetzelfde bij jouw gezicht.
  • Een knuffel met een geluidje is leuk. Je prikkelt de zintuigen van je baby met speelgoed dat nieuwe, vreemde geluiden maakt.
  • Na ongeveer 4 maanden gaat je baby grijpen en leert hij voorwerpen vastpakken. In het begin wil je kindje vooral aanraken. Pakken is dan nog moeilijk. Als hij het wil aanraken, kun je hem helpen door het speelgoed in zijn handje te stoppen. Als beloning.
  • Kan je kind iets goed vastpakken? Dan vindt hij steeds grotere dingen leuk. Hij wil dat dan tegen zich aan drukken.
  • Na 6 maanden kun je een simpel boekje geven. Bijvoorbeeld boekjes van stof of plastic.
  • Na 6 maanden kun je je kind voor de spiegel zetten. Wijs hem en jezelf aan. Zo ontdekt hij wie hij is.

Tv-kijken

Je baby is natuurlijk nog te jong om echt televisie te kijken. Een baby van enkele maanden vindt kleurrijke, bewegende beelden vaak prachtig. Het is dan net als een mobiel waar je kind naar kijkt en er komt ook nog eens geluid uit.

Is tv-kijken schadelijk?

Volgens hoogleraar Patti Valkenburg zijn er geen onderzoeken waaruit blijkt dat kort tv-kijken op zichzelf slecht is voor baby's. Te veel prikkels door herrie en actie is misschien schadelijk. Maar Valkenburg wijst erop dat baby's daar ook niet van houden en vanzelf afhaken. Uit haar onderzoek blijkt dat in 2008 alle baby’s vanaf 6 maanden in Nederland weleens tv-kijken. Soms is dat ook wel even handig. Voel je daardoor niet schuldig. Maar let er wel op dat je kind maar kort voor de tv zit en dat er rustige beelden zijn.

Er zijn ook speciale app's voor baby's en peuters voor de smartphones of tablets waar een kind van 1 jaar al even mee kan spelen.

Zingen

Zingen is leuk en dat vindt je baby ook. Maar waarom eigenlijk?

  • Je kind vindt het heerlijk om een vertrouwde stem te horen. Hij hoorde jullie stemmen al in de baarmoeder.
  • Je maakt contact op een vrolijke manier. Leg je baby eens op je knieën als je zingt. Hij kijkt dan goed naar je mond en je gezicht.
  • Hij herkent liedjes en versjes aan hun ritme.
  • Je kunt ook zingen om je baby te troosten. Houd je baby dicht tegen je aan en zing zachtjes. Hij hoort je stem en voelt de trilling in je borstkas. Dat vindt hij prettig.
  • In de eerste 3 maanden hoort je baby het ritme en de klanken van de taal. Dat is de basis voor het leren praten. Het is belangrijk dat je kind de taal leert die de ouders goed spreken. Is Nederlands niet je moedertaal? Praat dan in je eigen taal tegen je kind. Omdat jij gemakkelijk in je eigen taal praat, leert hij dat ook gemakkelijker.

Op vakantie

De meeste mensen vinden het erg leuk om op vakantie te gaan met het hele gezin. Je kunt samen allerlei leuke activiteiten doen. Bijvoorbeeld lekker uitwaaien op het strand van Ameland, plezier beleven in het pretpark, wandelen op de Veluwe of een oude kerk bezoeken in Zuid-Frankrijk.

Voor vertrek!

Maar voordat je vertrekt, is er natuurlijk een goede voorbereiding nodig. Zeker met een kleine baby erbij. Wat neem je allemaal mee? Heb je de juiste zonnebrandcrème? Is je paspoort nog geldig? Staan je kinderen op je paspoort bijgeschreven? Heb je een goede reisverzekering geregeld? En zijn er misschien inentingen nodig?

Activiteiten in de vakantie

Hoe ouder je kind wordt, hoe leuker hij het zal vinden om activiteiten te ondernemen en uitstapjes te maken. Tijdens de vakantie heb je daar natuurlijk mooi de tijd voor!

Zwemmen

Bij veel campings of hotels is een zwembad. Meestal is er ook een klein pierenbadje, waar je samen met het water kunt spelen. Misschien wordt er zelfs speciaal babyzwemmen georganiseerd.

Natuur en dieren

Veel kinderen vinden het leuk om in de natuur te zijn, bijvoorbeeld in het bos of op het strand. Op het strand kan je kind lekker in het zand scheppen of op zoek gaan naar mooie schelpjes. Blijf wel bij je kind, zodat hij niet aan de wandel gaat of het water in loopt. Als je kind wat ouder wordt, zal hij het vast ook leuk vinden om naar de kinderboerderij of de dierentuin te gaan.

Tips voor vertrek

Als je op vakantie gaat, is het verstandig om je goed voor te bereiden. Zeker wanneer je een verre reis of een lange reis gaat maken. Wat moet je voor vertrek regelen? Wat neem je mee? Zijn de reisdocumenten compleet? En is het nodig om ook een EHBO-setje in te pakken?

Voor vertrek

Voordat je vertrekt is het verstandig om een lijst te maken met alles wat nog geregeld moet worden. Bijvoorbeeld de inentingen, dat iemand de planten water geeft en voor de post zorgt, dat je de gaskraan dichtdraait, dat je de prullenbak leegt en het vuilnis weg doet.

Inpakken

Voor het inpakken, is het handig om eerst een lijst te maken van wat je mee wilt nemen. Natuurlijk kleding en schoon ondergoed, maar ook verzorgingsproducten, geneesmiddelen en reisdocumenten. Daarnaast is het ook verstandig om je verzekeringspapieren bij de hand te hebben. Maak ook kopieën van je reisdocumenten en andere belangrijke papieren. Als ze gestolen worden of als je ze kwijtraakt, dan kun je dit aantonen.

Voor de kinderen

Het is verstandig om een aparte lijst te maken met wat je mee wilt nemen voor je kind. Het hangt natuurlijk van de leeftijd van je kind af wat je nodig bent, bijvoorbeeld luiers, spenen, speelgoed, zonnebrandcrème en een zonnehoedje. Zorg dat je genoeg voeding meeneemt als je naar een ander land gaat. Je baby zal graag zijn eigen knuffel meenemen.

Onderweg

Een reis kan erg vermoeiend zijn, ook voor je baby. Ben je met de auto? Probeer dan onderweg na ongeveer 2 uur te stoppen en even te ontspannen. En misschien heeft je kind na de reis ook wat extra rust nodig.

Medische artikelen

Als iemand in je gezin geneesmiddelen gebruikt, is het natuurlijk belangrijk om die niet te vergeten. Vraag ook je huisarts een doktersverklaring in het Engels zodat je kunt aantonen dat het om geneesmiddelen gaat. Het komt soms voor dat geneesmiddelen in het buitenland aangezien worden voor drugs.

Andere medische artikelen die je nodig zou kunnen hebben, zijn onder andere pijnstillers, neusdruppels, middel tegen diarree, zalf tegen insectenbeten en jeuk, pleisters, jodium en een thermometer.

Verre reizen

Een verre reis, bijvoorbeeld naar China of naar Afrika, is een hele onderneming en vergt behoorlijk wat voorbereiding. Zeker als je een baby hebt.

Warm klimaat

Als je naar een warm land gaat, is het belangrijk om goed op je gezondheid te letten en je voor te bereiden op andere temperaturen dan je gewend bent. In landen met een warm klimaat zijn er vaak meer ziektes. Daarom is het belangrijk om van te voren de huisarts of de afdeling reizigersvaccinaties van de GGD te vragen welke inentingen je kind nodig heeft. Jonge kinderen zijn erg kwetsbaar voor infecties.

Water drinken

Tijdens de gehele vakantie is het ook verstandig om veel water te drinken tegen uitdroging door de hitte. Vooral voor baby's is uitdroging gevaarlijk. Je kunt eventueel bij de apotheek of de drogist vochtregulerende middelen kopen voor jezelf en voor je baby. Bovenal is het belangrijk dat je in de schaduw blijft en je kind zo veel mogelijk uit de zon houdt.

Vliegen

Wanneer je een verre reis boekt, ga je waarschijnlijk met het vliegtuig. Het is verstandig om van te voren informatie op te vragen bij de vliegmaatschappij over het reizen met baby's. Er gelden bijvoorbeeld bepaalde regels voor babyvoeding, (hand)bagage, kinderwagen en maxicosi. En er zijn soms ook speciale babybedjes aanwezig: een 'bassinet'.

Opstijgen en landen

Tijdens het opstijgen en het landen krijg je meestal last van je oren, ook je baby kan hier last van krijgen. Daarom is het verstandig om je baby tijdens het opstijgen en landen te laten slikken of zuigen, bijvoorbeeld door te drinken of door op een speen te zuigen.

Ziektes in het buitenland

In veel landen komen ziektes voor die in Nederland niet (meer) voorkomen. Vooral baby's en jonge kinderen zijn vatbaar voor infecties en ziektes.

Besmetting voorkomen

Ondanks dat je zelf en je kind inentingen krijgen, is het van belang om besmetting te voorkomen. Er zijn immers ook veel ziektes waarvoor je niet ingeënt kunt worden. Let daarom vooral goed op persoonlijke hygiëne, maar ook op de hygiëne van voedsel en drinkwater. Eet bijvoorbeeld geen rauw of halfbakken vlees. Geef je kind (in landen waar het kraanwater onveilig is) alleen gekookt water of mineraalwater uit flesjes. En geef geen voedingsmiddelen waarbij kraanwater is gebruikt, zoals fruitsalades en schep- of softijs. Gebruik ook geen ijsblokjes die gemaakt zijn van kraanwater!

Diarree

Als je zelf of als je kind in het buitenland last krijgt van (acute) diarree is het niet verstandig om diarreeremmers te nemen. De bacterie die de darmontsteking veroorzaakt, moet juist via de ontlasting het lichaam verlaten. Je kunt het best veel water blijven drinken en normaal blijven eten. Baby's kunnen door diarree makkelijk uitdrogen, zeker als het ook nog erg warm is. Daarom is het verstandig ORS (een oplossing van zouten en druivensuiker of zetmeel in water) voor hen mee te nemen op reis. Let ook op een goede hygiëne en eet geen voedsel dat over de datum is.

Malaria

Malaria is een infectieziekte die overgebracht worden door muggen. Er zijn geneesmiddelen die malaria kunnen voorkomen. Niet elk middel is geschikt voor jezelf of voor je kind. Dat hangt af van de leeftijd, hoe lang je op reis gaat en tegen welk type mug je bescherming nodig hebt.

De malariamiddelen die je kunt gebruiken, voorkomen natuurlijk niet dat je gestoken wordt. Daarom is het verstandig om de volgende voorzorgsmaatregelen te nemen voor jezelf en voor je kind.

  • Blijf binnen tijdens de ochtend- en avondschemering.
  • Zorg voor kleding waarmee je de huid zo veel mogelijk bedekt.
  • Plaats horren en klamboes die je hebt behandeld met een insectenwerend middel.
  • Voor zover bekend, is het insectenwerend middel DEET het enige middel dat een sterk afwerende werking heeft tegen muggen en teken. DEET is in meerdere vormen verkrijgbaar.

Aangepaste vakantie

Als je kind een functionele beperking heeft, kan het lastig zijn om een vakantie te boeken. Veel vakantieadressen hebben geen speciale accommodaties. Daarom kan het een behoorlijke zoektocht zijn. Maar mogelijkheden zijn er wel.

Betrouwbaarheid

Als je een vakantie boekt, weet je nooit helemaal zeker waar je terecht komt. Zeker als je een vakantie boekt in het buitenland, kun je slechts afgaan op de informatie die te vinden is op internet of in brochures. Daarom is het verstandig om van te voren zo veel mogelijk informatie te verzamelen en ook te bellen met vakantieadressen. Leg duidelijk je situatie voor en bespreek de mogelijkheden.

De NBAV

De Nederlandse Branchevereniging Aangepaste Vakanties (de NBAV) richt zich op vakanties voor mensen met een functionele beperking. De vereniging houdt scherp de betrouwbaarheid en kwaliteit in de gaten van reisorganisaties en accommodaties. Dit doen zij door middel van herhaaldelijke keuringen. Via hun ‘Blauwe Gids' kun je leuke aangepaste vakanties vinden in Nederland of in heel Europa.

Opvoedingsondersteuning

Opvoeden is niet altijd even makkelijk. Het is daarom goed dat je steun zoekt, als je problemen tegenkomt.

Hulp nodig?

Praat er over met andere ouders en zoek zo nodig hulp. In Nederland zijn er veel manieren waarop je hulp kunt krijgen bij de opvoeding. Je kunt bijvoorbeeld een cursus opvoedingsondersteuning volgen, maar je kunt ook met je hulpvraag terecht bij het Centrum voor Jeugd en Gezin bij jou in de buurt.

Opvoedspreekuur

Bij het Centrum voor Jeugd en Gezin kun je terecht met je vragen over opvoeding en ontwikkeling van je kind. Je kunt er informatie vinden en vaak wordt er een opvoedspreekuur georganiseerd. Je kunt je vraag dan stellen aan een pedagoog. Zo nodig spreek je met elkaar enkele adviesgesprekken af.

Oudercursussen

Voor de opvoeding kun je meerdere cursussen volgen, die door verschillende organisaties worden aangeboden. Deze cursussen zijn bijvoorbeeld specifiek gericht voor de opvoeding van peuters, kinderen of jongeren. Ook zijn er programma's waarbij je leert om de ontwikkeling van je kind te stimuleren. En er zijn verschillende vormen van begeleiding thuis. Voor informatie over het aanbod kun je terecht bij het CJG.

Oudertraining

Oudertraining is bijvoorbeeld voor ouders met kinderen die een bepaalde aandoening hebben, zoals ADHD. Tijdens deze training leren de ouders hoe ze hiermee om moeten gaan en wat het beste is voor hun kind. Oudertraining wordt in veel gevallen aangeboden in combinatie met een training voor het kind. Soms kan het zijn dat oudertraining groepsgewijs aangeboden wordt. In dat geval heb je het voordeel dat je je eigen ervaringen kunt delen met andere ouders.

Lotgenotencontact

In alles wat je meemaakt, heb je lotgenoten die hetzelfde hebben doorstaan. Veel ouders hebben de behoefte om met lotgenoten te praten over wat hen is overkomen en hoe anderen hun tegenslagen hebben ervaren. Contact met lotgenoten kan veel steun bieden, en soms levert het ook goede adviezen van andere ouders op.

Begeleiding thuis

Er zijn verschillende vormen van begeleiding thuis.

Opvoeding

Er komt bijvoorbeeld een hulpverlener bij je thuis die je praktische opvoedtips kan geven als je bepaalde problemen ondervindt bij de opvoeding van je kind. Het gaat hierbij om problemen, zoals ruzie met andere kinderen en leerproblemen.

Beperking

Er is ook ondersteuning voor ouders met kinderen met een bepaalde lichamelijke of een verstandelijke beperking, voor ouders met bijvoorbeeld autisme, ADHD of een niet-aangeboren hersenletsel (NAH). Voor sommige vormen van steun heb je een indicatie nodig. Het Centrum voor Jeugd en Gezin, MEE of de huisarts kunnen je daar meer over vertellen.

KopOpOuders

KopOpOuders is bedoeld voor ouders met psychische problemen of verslavingsproblemen en hun partners. In Nederland zijn er naar schatting 864.000 ouders met deze persoonlijke problemen. Je bent dus niet de enige!

Het beste voor je kind

Je kind een gelukkige jeugd geven, dat is wat de meeste ouders willen. Maar opvoeden is een hele opgave en valt soms niet mee. Wanneer je bijvoorbeeld veel met jezelf bezig bent door psychische problemen, stress en overspannenheid. Dan kan het moeilijk zijn je kind voldoende aandacht te geven. Toch wil je het beste voor ze.

De cursus

De KopOpOuders groepscursus wordt

  • begeleid door deskundigen in de geestelijke gezondheids- en verslavingszorg;
  • biedt informatie, oefeningen, film, en tips hoe je ondanks alles toch een goede ouder voor je kind kunt zijn;
  • bevordert het psychisch welzijn van je kind en van jezelf.

Home-Start

Home-Start is een programma voor opvoedingsondersteuning. Ervaren en getrainde vrijwilligers bieden ondersteuning, praktische hulp en vriendschap aan ouders met ten minste één kind van 6 jaar of jonger. Als gezin geef je zélf aan op welke gebieden je steun nodig hebt: je eigen vragen staan centraal.

Dit kun je van Home-Start verwachten:

  • een steuntje in de rug;
  • hulp bij praktische zaken;
  • ondersteuning bij de opvoeding van kinderen tot 6 jaar;
  • de mogelijkheid om contacten te leggen met andere ouders.

Je kunt Home-Start inschakelen als je bijvoorbeeld graag je eigen zelfvertrouwen wilt vergroten en je sociale relaties wilt versterken. Of als je hulp nodig hebt bij het gebruik maken van verschillende diensten, voorzieningen en regelingen.

Home-Start bij jou in de buurt?

Home-Start is in veel gemeenten in Nederland actief! Op de website van Home-Start vind je en overzicht van alle gemeenten en alle coördinatoren. Meestal word je via het consultatiebureau of via het Centrum voor Jeugd en Gezin verwezen naar Home-Start. Maar je kunt je ook zelf aanmelden bij Home-Start voor een kennismakingsgesprek.

Instapje

Het doel van Instapje is om de ontwikkeling van kinderen van laagopgeleide ouders te bevorderen. Instapje is voor ouders en hun kind van 1 jaar. Als ouder kun je je hiervoor opgeven. Je leert dan om je kind beter te ondersteunen en stimuleren in zijn ontwikkeling.

Hoe werkt Instapje?

Je kind leert spelenderwijs van jou. Om je daarbij te helpen, komt er een Instapje-medewerkster bij je thuis. De Instapje-medewerkster neemt speelgoed en boekjes mee en een map met spelletjes en liedjes. Samen spelen en zingen jullie met je kind. De Instapje-medewerkster laat hierbij zien hoe je je kind kunt stimuleren. Ze gebruikt daarbij zogenoemde 'vuistregels'. De andere dagen van de week speel je zelf met je kind.

De 4 vuistregels

  1. Steun je kind. Een kind heeft ouders nodig die met hem meedoen en meeleven. Het is dus belangrijk dat je positief reageert op je kind, je kind aanmoedigt dingen te doen en hem te troosten als hij dat nodig heeft. Daardoor voelt je kind zich veilig en wordt hij actiever. Hij krijgt vertrouwen dat hij allerlei dingen zelf kan doen.
  2. Volg je kind. Een kind leert heel veel door zo veel mogelijk zelf te doen. Laat je kind dus (eerst) zelf dingen uitproberen. Ook is het belangrijk dat je goed kijkt en luistert naar je kind en reageert op wat hij nodig heeft.
  3. Bied je kind structuur. Een kind wil heel graag leren hoe alles in elkaar zit. Als ouder kun je de wereld om hem heen een beetje begrijpelijker maken. Daarom is het belangrijk structuur aan te brengen in het dagelijks leven.
  4. Praat met je kind. Over allerlei dingen praten en uitleggen wat hij nog niet begrijpt, bevordert de ontwikkeling van je kind.

Gezondheid en voeding

De gezondheid van je baby is belangrijk. Een baby is immers nog zo klein en kwetsbaar. Bij gezondheid kun je bijvoorbeeld denken aan borstvoeding, gezonde voeding en een goede nachtrust, maar ook aan onderzoeken en vaccinaties.

Gezondheidsproblemen

Er zijn veel kwaaltjes en kinderziekten waar je mee te maken kunt krijgen. Bijvoorbeeld luieruitslag, eczeem, berg, spruw en diarree. Het is goed om te weten wat je kunt doen wanneer je kind iets mankeert. Sommige ziekten zijn gevaarlijk, maar lang niet in alle gevallen is het nodig om meteen naar de huisarts te stappen.

Het consultatiebureau

De Jeugdgezondheidszorg (waar het consultatiebureau onder valt) is onderdeel van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Jeugdartsen en jeugdverpleegkundigen die er werken, volgen de groei en de ontwikkeling van kinderen van 0 tot 19 jaar.

Eerste afspraak

Als je kind geboren is en ingeschreven staat bij de gemeente, neemt het consultatiebureau contact met je op. De zorg die je daar krijgt, is gratis.

Meten, wegen en vaccineren

Het consultatiebureau houdt regelmatig bij hoeveel je kind weegt en hoe hard hij groeit. Dit wordt opgeschreven in het groeiboekje. Ook de basisvaccinaties van het Rijksvaccinatieprogramma worden verzorgd door het consultatiebureau. Als je kind een vaccinatie nodig heeft, dan krijgt hij die tijdens een bezoek aan het consultatiebureau. Ook kun je zelf contact hiervoor opnemen met het consultatiebureau.

Wat als het niet zo goed gaat?

Misschien heb je het idee dat je kind niet goed groeit, dat er iets is mijn zijn ogen of gehoor, of dat je kind te weinig weegt of niets aankomt. Maak je je zorgen maakt over de gezondheid of ontwikkeling van je kind? Dan mag je altijd contact opnemen met het consultatiebureau. Je wordt uitgenodigd voor een afspraak en de arts of verpleegkundige zal kijken wat er mogelijk aan de hand is met je kind. Het kan zijn dat het probleem gemakkelijk te behandelen is. Maar het kan ook zijn dat je doorverwezen wordt naar de huisarts of naar een specialist in het ziekenhuis.

Wanneer naar de huisarts?

In principe wordt je bij het consultatiebureau geholpen met alles wat maar met de groei en ontwikkeling van je kind te maken heeft. Maar als je kind bijvoorbeeld een wond heeft, echt ziek is of hoge koorts heeft, kun je beter direct een afspraak maken bij de huisarts.

Vroeghulp

Het kan gebeuren dat er iets aan de hand is met je kind, maar dat niemand precies kan zeggen wat. In dat geval worden er professionals ingeschakeld, zoals Integrale Vroeghulp of het Medisch Kinderdagverblijf.

Digitaal dossier JGZ

In het digitaal dossier jeugdgezondheidszorg staan gegevens over de gezondheid en de ontwikkeling van je kind.

Van papier naar digitaal

Vanaf juli 2010 krijgen alle kinderen van 0 tot 19 jaar een digitaal dossier dat hun papieren dossier vervangt. Het digitale dossier wordt aangemaakt bij het eerste contact met de jeugdgezondheidszorg. Baby's krijgen een digitaal dossier in de 2e week na de geboorte bij het bezoek door de verpleegkundige. Vervolgens wordt het dossier gebruikt door het consultatiebureau. En als je kind 4 wordt, wordt het dossier overgedragen aan de schoolarts.

De voordelen van digitaal

Digitale dossiers zijn beter leesbaar dan handgeschreven dossiers. Gegevens kunnen beter en veiliger worden overgedragen. Dat is belangrijk, want kinderen verhuizen, wonen soms op 2 adressen of krijgen een andere arts of verpleegkundige.

Inzage

Het digitaal dossier van je kind is een medisch dossier en wordt alleen gebruikt door zorgverleners zoals artsen en verpleegkundigen die werkzaam zijn in de jeugdgezondheidszorg. Als ouder heb je recht op inzage in het dossier van je kind.

Vaccinaties

Tijdens je zwangerschap geef je je baby antistoffen mee, die hem tot ongeveer 2 maanden na de geboorte beschermen tegen allerlei bacteriën en virussen. Ook de antistoffen in borstvoeding bieden bescherming tegen bepaalde schimmels, virussen en bacteriën.

Hoe effectief zijn vaccinaties?

Vaccinaties zijn zeer effectief. 95 Procent van de kinderen die alle vaccinaties hebben gehad, is beschermd tegen gevaarlijke ziekten. En als een kind toch een bepaalde ziekte krijgt, is het verloop van de ziekte minder ernstig dan bij kinderen die niet gevaccineerd zijn. Doordat kinderen worden gevaccineerd, komen veel gevaarlijke ziekten in Nederland ook nauwelijks meer voor. Maar in het buitenland vaak nog wel.

Hoe lang beschermd?

Voor bijna alle basisvaccinaties geldt dat je kind levenslang beschermd is. De vaccins tegen difterie en tetanus vormen hierop een uitzondering. Deze bieden 10 tot 15 jaar bescherming.

Welke prikken krijgt je kind?

  • Als je kind 2 maanden oud is, krijgt hij 2 prikken. De ene is een prik die beschermt tegen difterie, kinkhoest, tetanus, polio en tegen Haemophilus influenzae type b (DKTP-Hib). De tweede prik is een vaccin tegen pneumokokken.
  • Voor alle babys geboren vanaf 1 augustus 2011 wordt de prik standaard uitgebreid met hepatitis B, een ernstige besmettelijke leverziekte. Tot nu toe werden alleen bepaalde groepen kinderen hiertegen ingeënt. Ze krijgen het hepatitis B-vaccin als onderdeel van het combinatievaccin DKTP-Hib-HepB. Al deze vaccinaties worden herhaald als je kind 3, 4 en 11 maanden oud is.
  • Als je kind 14 maanden oud is, krijgt hij een inenting tegen Meningokokken C en de BMR-prik De BMR-prik beschermt tegen de bof, de mazelen en rodehond, en wordt herhaald als je kind 9 jaar is.

Oproep

Je krijgt vanzelf een oproep van de Entadministratie van het Rijksvaccinatieprogramma. Als dit niet gebeurt, kun je contact opnemen met het consultatiebureau.

Reactie op de prikken

Je baby is niet te jong voor een prik. Het afweersysteem van je baby kan de prikken prima aan. Een infectieziekte geeft veel meer problemen!

Lichamelijke reactie

De plek van de prik kan soms wel rood, dik of pijnlijk worden. Ook is het niet gek als je kind koorts krijgt, huilerig of hangerig is, niet wil drinken en veel slaapt. Meestal duurt dit 1 of 2 dagen.

Van de BMR-prik (met 14 maanden) kan je kind 5 tot 12 dagen ná de prik last krijgen. Soms krijgt hij lichte huiduitslag.

Naar de huisarts?

Krijgt je kind meer dan 39 graden koorts? Wordt hij slap of suf? Of maak je je om een andere reden zorgen? Bel dan met je huisarts. Dit hoeft geen reactie op de prik te zijn. Misschien is er iets anders mis. Zorg er in ieder geval voor dat je kind genoeg drinkt: bied hem vaak een beetje drinken aan.

Difterie

Difterie wordt veroorzaakt door een bacterie die zich gemakkelijk vermeerdert. De bacterie produceert een gifstof die de weefsels beschadigt. Vooral de bovenste luchtwegen lopen schade op, maar ook het weefsel van het hart en het zenuwstelsel raken aangetast.

Besmettelijk?

Besmetting vindt plaats van mens op mens door hoesten en niezen. Of door contact met opgehoest materiaal of met pus. Ook besmette melk of besmet voedsel kan de ziekte veroorzaken. Iemand kan besmet zijn met de difteriebacterie zonder zelf ziek te zijn. Maar diegene kan anderen dan wel ongemerkt besmetten.

Ziekteverschijnselen

  • Keelpijn, hangerigheid en koorts.
  • Slikklachten, misselijkheid en overgeven.
  • Bij keeldifterie: een grijze aanslag op de amandelen en in de keelholte.
  • Soms is de hals sterk opgezwollen. Als dit heel erg is, kan iemand het benauwd krijgen en zelfs stikken.
  • Soms alleen een neusinfectie.

Vaccinatieschema

Difterie kan behandeld worden met difterieantitoxine en antibiotica. Maar dit doet niets tegen al ontstane schade. Daarom is het belangrijk dat je kind ingeënt wordt tegen difterie, zodat hij de ziekte niet krijgt.

Het difterie-vaccin wordt tegelijk met vaccins tegen kinkhoest, tetanus, polio, HiB en hepatitis B toegediend in 1 prik: de DKTP-Hib-HepB-prik. Je kind krijgt die prik 4 keer, als hij 2, 3, 4 en 11 maanden oud is.

Kinkhoest

Kinkhoest wordt veroorzaakt door een bacterie. Besmetting vindt plaats van mens op mens door hoesten en niezen.

Besmettelijk

Kinkhoest is erg besmettelijk, vooral in de eerste periode als de hoestbuien nog niet zijn begonnen. Hoestende patiënten zijn nog 3 tot 4 weken nadat het hoesten is begonnen besmettelijk. Binnen een gezin is de kans dat iemand met kinkhoest de andere (niet-gevaccineerde) gezinsleden besmet heel groot.

Ziekteverschijnselen

  • Hangerigheid, lusteloosheid, hoesten.
  • Kort op elkaar lange en hevige hoestbuien met taai slijm, en een lange, gierende inademing.
  • Benauwdheid, blauw aanlopen en soms overgeven door de hoestbuien.

Een antibioticumkuur kan ervoor zorgen dat de besmettelijke periode korter wordt. De kuur heeft weinig invloed op de duur en de ernst van de ziekte.

Vaccinatieschema

In het Rijksvaccinatieprogramma wordt een acellulair kinkhoestvaccin gebruikt. Dat is opgenomen in combinatievaccins voor baby’s en kleuters.

  • DKTP-Hib-HepB-vaccin: op de leeftijd van 2, 3, 4 en 11 maanden.
  • DKTP-vaccin: in het jaar dat het kind 4 wordt.

Tetanus

Tetanus (ook wel bekend als kaakklem of wondkramp) wordt veroorzaakt door een bacterie. Zodra de bacterie, die bijvoorbeeld in straatvuil zit, in een open wond(je) komt, kan iemand een tetanusinfectie oplopen. Ook door een dierenbeet kan iemand de ziekte krijgen.

Ziekteverschijnselen

De tetanusbacterie maakt gifstoffen die weefsels aantasten. Dat zorgt voor:

  • stijfheid in de buurt van de infectie;
  • steeds erger worden spierkrampen als gevolg van prikkels als harde geluiden, aanrakingen, kou, bewegen;
  • kaakkramp, slikklachten, ademhalingsproblemen;
  • kramp in alle skeletspieren, soms zo erg dat iemand als een hoepel achterover kromtrekt en niet meer kan ademen.

Behandeling

Zonder behandeling is tetanus altijd dodelijk. Bij een goede behandeling ligt de sterfte in Nederland rond de 20 procent. Tetanus kan behandeld worden met tetanus immunoglobine. Een intensive care behandeling is nodig om te herstellen met zo min mogelijk schade aan de vitale functies. Natuurlijk is het belangrijk om je kind te laten vaccineren om te voorkomen dat hij tetanus krijgt.

Vaccinatieschema

  • DKTP-Hib-HepB: op de leeftijd van 2, 3, 4 en 11 maanden.
  • DKTP: op de leeftijd van 4 jaar.
  • Op indicatie (tetanusvaccinatie) na verwonding.

Polio

Poliomyelitis of polio is ook bekend als kinderverlamming. Polio wordt veroorzaakt door een poliovirus. Er zijn 3 typen poliovirussen. De infectie komt alleen bij mensen voor.

Besmettelijk

Directe besmetting gaat via de ontlasting naar de mond. Maar ook door druppeltjes in de lucht bij bijvoorbeeld hoesten, niezen of schreeuwen kan je kind besmet raken. De besmettelijkheid is waarschijnlijk het grootst kort voor en na het begin van de ziekteverschijnselen. De meeste besmettingen worden veroorzaakt door mensen die zelf niet ziek zijn, maar wel besmet zijn met het virus. In 70 procent van de gevallen merk je niks van een besmetting met het poliovirus.

Ziekteverschijnselen

  • Lichte, griepachtige verschijnselen en/of maag-darmklachten (bij 25 procent van besmette mensen).
  • Verschijnselen van hersenvliesontsteking, nekstijfheid, braken, hoofdpijn, koorts en pijn in de rug en ledematen (bij 4 procent van de besmettingen).
  • Verlammingsverschijnselen die heel plotseling ontstaan, komen voor bij 1 op de 100 tot 200 poliopatiënten.

Complicaties

In het algemeen geldt, hoe ouder iemand is, hoe groter de kans op complicaties. Ook wordt het risico groter als de keelamandelen verwijderd zijn. Bij 25 tot 40 procent van de mensen die in hun jeugd verlamd raakten door polio, ontstaan opnieuw spierzwakte, pijn, atrofie en vermoeidheid. Dat gebeurt dan 15 tot 40 jaar na de oorspronkelijke acute ziekte. Er bestaat geen specifieke behandeling voor polio. Met bedrust en fysiotherapie kun je complicaties voorkomen.

Vaccinatieschema

  • DKTP-Hib-HepB: op de leeftijd van 2, 3, 4 en 11 maanden.
  • DKTP: op de leeftijd van 4 jaar.
  • Hervaccinatie om de 15 jaar is nodig voor reizigers.

Bof

Bof wordt veroorzaakt door het bofvirus en is erg besmettelijk. Besmetting vindt plaats van mens op mens door bijvoorbeeld hoesten en niezen. Een patiënt is besmettelijk van 5 dagen voor de ziekteverschijnselen beginnen tot ruim een week daarna.

Gevolgen van de bof

Meestal verloopt bof mild. Iemand kan de ziekte zonder verschijnselen hebben en zo anderen ongemerkt besmetten. Ongeveer 1 op de 3 mensen merkt niks van de ziekte. Maar van de 1000 mensen die besmet zijn met het bofvirus krijgen er 4 tot 10 een hersenvliesontsteking. Dat komt vooral voor bij jonge kinderen, en loopt meestal goed af.

Ziekteverschijnselen

  • Koorts.
  • Opzwellen van één of beide wangen door een ontsteking van de oorspeekselklieren.
  • Soms opzwellen van de speekselklieren in de mond waardoor eten of de mond opendoen pijn doet.

Na ongeveer een week worden de zwellingen minder, na 2 weken zijn ze weg en is de patiënt meestal weer beter.

Vaccinatieschema

Je kind wordt tegen de bof gevaccineerd als hij 14 maanden is en als hij 9 jaar is. De vaccinatie is onderdeel van het combinatievaccin BMR, dat met één prik beschermt tegen bof, mazelen en rodehond. De BMR-prik wordt onderhuids in de bovenarm gegeven.

De laatste jaren treedt bof weer vaker op vooral in de groep jongvolwassenen. Het RIVM doet onderzoek naar de oorzaak.

Mazelen

Mazelen worden veroorzaakt door een virus. Besmetting vindt plaats via druppeltjes die met hoesten en niezen worden verspreid. Mazelen zijn zeer besmettelijk: 1 ziek kind besmet minstens 10 anderen. Patiënten zijn het meest besmettelijk van 1 tot 2 dagen vóór de uitslag begint tot ongeveer 4 dagen erna.

Complicaties

Meestal verloopt de ziekte probleemloos. Bij een aantal kinderen kunnen er echter complicaties optreden.

  • 5 tot 10 procent van de patiënten krijgt oorontsteking met soms blijvende doofheid als gevolg.
  • 1 tot 5 procent krijgt een (levensbedreigende) longontsteking.
  • Heel soms (1 op de 1000 keer) leidt mazelen tot een acute hersenontsteking die vaak blijvende hersenschade geeft.
  • 1 tot 2 van de 1000 patiënten sterven.

Ziekteverschijnselen

  • Hoge koorts, hoesten, verkoudheid en rode ogen.
  • Witte vlekjes met een rode stip aan de binnenkant van de wangen.
  • Vlekken op het gezicht, in de nek en de hals.
  • Na verloop van tijd een bijna egaal rode huid.

Er is geen behandeling voor mazelen, behalve bestrijding van koorts en pijn. Antibiotica kan helpen bij het bestrijden van een bijkomende bacteriële infectie.

Vaccinatieschema

Je kind wordt tegen mazelen ingeënt als hij 14 maanden is en als hij 9 jaar is. De vaccinatie is onderdeel van het combinatievaccin BMR, dat met één prik beschermt tegen bof, mazelen en rodehond. De BMR-prik wordt onderhuids in de bovenarm gegeven.

Rodehond

Rodehond wordt veroorzaak door een virus, dat alleen bij mensen voorkomt. Besmetting vindt plaats via druppeltjes in de lucht, bijvoorbeeld bij hoesten en niezen. Wie een rodehond infectie heeft, steekt gemiddeld 7 tot 8 andere mensen aan. De ziekte is besmettelijk van 10 dagen voor het uitbreken van de huiduitslag tot 1 week erna.

Risico’s voor ongeboren kinderen

Als een vrouw in de eerste 3 maanden van haar zwangerschap besmet raakt met rodehond, is er een grote kans op aangeboren afwijkingen bij het ongeboren kindje. Daarom kan een kind met rodehond beter geen contact met een zwangere hebben.

Ziekteverschijnselen

  • Vlekkerige, rozerode huiduitslag, beginnend in het gezicht en snel uitbreidend naar bovenlijf, armen en benen.
  • Bij oudere kinderen en volwassenen ook griepachtige verschijnselen en opgezette lymfeklieren achter het oor en in de nek.
  • Gewrichtspijn, vooral bij oudere meisjes en vrouwen.

Ongeveer de helft van de besmette personen heeft nergens last van.

Vaccinatieschema

Je kind wordt tegen rodehond ingeënt als hij 14 maanden is en als hij 9 jaar is. De vaccinatie is onderdeel van het combinatievaccin BMR, dat behalve tegen rodehond ook tegen bof en mazelen beschermt.

De BMR-prik wordt onderhuids in de bovenarm gegeven. De 2 BMR-prikken samen zorgen voor levenslange bescherming tegen rodehond.

Extra vakantieprik

Als je een verre reis gaat maken, moet je soms tegen bepaalde ziektes ingeënt worden. In veel landen komen namelijk ziektes voor die in Nederland niet (meer) voorkomen. Vooral jonge kinderen zijn vatbaar voor infecties en ziektes.

Welke inentingen zijn nodig?

Bij de GGD, de apotheek of de huisarts is informatie verkrijgbaar welke inentingen nodig zijn voor welke landen. Als je een reis hebt geboekt, is het verstandig om dit minimaal 6 weken voor vertrek bij je huisarts aan te geven. Je huisarts kan dan bepalen welke inentingen je nodig hebt, op basis van je bestemming en de lengte van je vakantie.

Last-minute reizen

Als je een last-minute reis hebt geboekt, dan is er waarschijnlijk te weinig tijd voor inentingen. Neem in dat geval zo snel mogelijk contact op met je huisarts, zodat hij zo snel mogelijk de inentingen kan regelen.

Krijgen kinderen dezelfde inentingen?

Het kan zijn dat je kind dezelfde inentingen krijgt, zoals tegen Hepatitis A. Maar het kan ook zijn dat je kind sommige inentingen juist niet hoeft. Je kind is dan waarschijnlijk al ingeënt tegen bepaalde ziektes, zoals tegen difterie, kinkhoest, tetanus en polio (DKTP).

Als je kind een bepaalde vaccinatie nog niet heeft gehad, dan zou dit vervroegd kunnen worden. Dat geldt bijvoorbeeld voor de inenting tegen bof, mazelen en rodehond. Als je kind deze inenting krijgt tussen 6 en 12 maanden moet de inenting na 14 maanden herhaald worden.

Het is hoe dan ook raadzaam om met je huisarts te bespreken welke inentingen je kind nodig heeft voor de vakantie. Zeker als je kind nog erg jong is en kwetsbaar voor infecties.

Gezondheid en bewegen

Tijdens je zwangerschap voelde je al de eerste bewegingen van je baby. Nu je kind geboren is, is het belangrijk dat je zijn bewegingen stimuleert en blijft stimuleren. Door te bewegen ontwikkelt je kind zijn motoriek.

Motoriek

In het eerste levensjaar wordt de basis van een goede motoriek gelegd. Tijdens de eerste maanden gaat je kind steeds meer zijn handen en voeten bewegen. Na ongeveer 3 maanden worden de bewegingen steeds vloeiender. Waarschijnlijk hoef je zijn hoofdje ook minder te ondersteunen. Je kind wordt gaandeweg steeds actiever in zijn bewegingen. Hij grijpt gericht iets vast, gebruikt beide handen en is geïnteresseerd in alles wat er om hem heen gebeurt.

Kruipen

Je baby probeert na ongeveer 5 maanden steeds vaker rechtop zitten, te rollen en misschien zelfs te kruipen. Na 6 of 7 maanden gaat dat steeds beter. Misschien lukt het zelfs om met jouw hulp te staan of een paar pasjes te lopen.

Borstvoeding

De beste voeding voor je kind is borstvoeding, vanwege alle goede stoffen die erin zitten. Maar als je door omstandigheden je baby geen borstvoeding kunt of wilt geven, is flesvoeding een goed alternatief.

De eerste dagen

De eerste dagen kun je je baby voeden wanneer hij daarom vraagt. Zo komt de voeding het best op gang. In de eerste weken na de geboorte heeft je baby ongeveer 8 tot 12 voedingen per dag nodig. Over het algemeen ontstaat er wel een ritme in de vraag van je baby.

Hoe geef je borstvoeding?

Als je pas bevallen bent, zijn er gelukkig mensen om je heen die je kunnen vertellen hoe het moet. Want goed aanleggen van je baby aan de borst, is belangrijk.

Je kunt altijd de hulp inschakelen van je verloskundige of je kraamverzorgende. Of wanneer zij er niet (meer) zijn de jeugdverpleegkundige van het CJG. Ook kun je de hulp inschakelen van een lactatiekundige. Daar kunnen kosten aan verbonden zijn.

Tot wanneer?

Het is verstandig om je kind de eerste 6 maanden borstvoeding te geven. Dan krijgt je kind de meeste en belangrijkste stoffen binnen. Maar je kunt daarna natuurlijk gerust nog doorgaan. Je kind krijgt vanaf 6 maanden ook andere voeding.

Zodra je kind meer ander voedsel krijgt, drinkt hij minder en neemt de hoeveelheid moedermelk af. Moedermelk blijft echter een volwaardige melkbron. Je kunt doorgaan met het geven van borstvoeding zolang jij en je kind dat willen.

De World Health Organisation (WHO) en Unicef raden vrouwen aan om minimaal 2 jaar borstvoeding te geven.

Vitamine D

Tijdens het geven van borstvoeding heb je zelf extra vitamine D nodig. In jouw moedermelk zit bijna alles wat je baby nodig heeft. De eerste 6 maanden heeft je baby geen ander eten nodig. Geef je baby vanaf dag 8 tot minimaal de leeftijd van 4 jaar dagelijks 10 microgram vitamine D.

Vitamine K

Vitamine K is van belang voor een goede bloedstolling. Geef je baby vanaf dag 8 tot 3 maanden na de geboorte dagelijks 150 microgram vitamine K. Extra vitamine K is niet meer nodig wanneer je borstvoeding combineert met flesvoeding (kunstvoeding), en je kind krijgt per dag meer dan 500 milliliter flesvoeding.

Kiezen voor borstvoeding

Borstvoeding is de meest natuurlijke en gezonde voeding voor je baby. Een goed alternatief is kunstvoeding (flesvoeding). Het is verstandig om van te voren na te denken over borst- of kunstvoeding en een beslissing te maken. Als je twijfelt, of vragen hebt, raadpleeg dan altijd je verloskundige of je kraamverzorgende.

De voordelen van borstvoeding

  • Borstvoeding heb je altijd bij je.
  • Is precies warm genoeg.
  • Is goed voor de band tussen jou en baby.
  • Bevat alle voedingsstoffen die je kind nodig heeft.
  • Bevat goede afweerstoffen.
  • Bevat beschermende stoffen tegen allerlei ziekten, bijvoorbeeld tegen astma.

Voordelen voor jezelf!

  • Het zorgt ervoor dat je baarmoeder sneller zijn oude vorm terug krijgt.
  • Je verliest minder bloed na de bevalling.
  • Je wordt meestal later ongesteld. Maar pas op! Je kunt wel zwanger worden.
  • Je bent meestal sneller terug op je oude gewicht;
  • Je hebt een iets kleinere kans op borstkanker en eierstokkanker (voor de overgang);
  • Je wordt beschermd tegen een vorm van reuma: reumatoïde artritis.

Wat als het niet goed lukt?

Of de borstvoeding lukt, hangt van veel dingen af. De mening van je partner en andere mensen om je heen is bijvoorbeeld belangrijk. Maar luister vooral naar je eigen gevoel. Je kunt altijd de hulp inschakelen van je verloskundige of je kraamverzorgende. Ook kun je de hulp inschakelen van een lactatiekundige.

Kunstvoeding

Kunstvoeding (flesvoeding) is natuurlijk ook goed voor je baby. Er zijn veel verschillende merken en soorten kunstvoeding verkrijgbaar. Fabrikanten proberen zo veel mogelijk de natuurlijke borstvoeding te benaderen, maar daarnaast bevat kunstvoeding vaak ook extra vitamines D en K en extra ijzer.

Je kunt kiezen tussen kant en klare kunstvoeding en poedermelk. Je kunt eventueel een paar soorten uitproberen en vervolgens kiezen voor het type of het merk kunstvoeding dat je zelf het prettigst vindt.

Verstandig eten en drinken

Je lichaam maakt moedermelk en dat kost energie, voedingsstoffen en vocht. Daarvan heb je dus extra nodig. Zorg dat je gevarieerd eet, voldoende drinkt en op tijd je rust neemt.

Gevarieerd eten

Het is belangrijk om gevarieerd te eten. Dit betekent dat je verschillende dingen eet, zodat je genoeg van alle voedingsstoffen binnenkrijgt. Denk bijvoorbeeld aan:

  • fruit en groente;
  • aardappelen, pasta en rijst;
  • brood;
  • vlees, vis en vleesvervangers;
  • kaas, melk en melkproducten.

Je kunt hiervoor ook de website van het Voedingscentrum raadplegen.

Drinken

Het is belangrijk om genoeg te drinken. Bijvoorbeeld melk, thee of water. Let er vooral op dat je genoeg melkproducten drinkt, want daar zit calcium in. Het Voedingscentrum adviseert 450 ml melk of melkproducten per dag. Dat zijn 2 bekers melk, karnemelk of yoghurt.

Wat mag je niet eten of drinken?

Je kunt beter geen alcohol drinken als je borstvoeding geeft. De alcohol die jij drinkt, komt via de moedermelk bij je kind.

Overleg bij medicijngebruik met je verloskundige, de huisarts of het consultatiebureau.

Belangrijke voedingsstoffen

Je lichaam past de samenstelling en de hoeveelheid moedermelk automatisch aan bij de leeftijd van je kind. Er zit steeds precies in wat je baby dan nodig heeft. Voor een baby van 2 weken is de moedermelk bijvoorbeeld anders dan voor een pasgeboren baby.

Colostrum

De eerste dagen komt er een gele melk uit je borsten. Die melk heet colostrum. In colostrum zit veel eiwit, lactose en antistoffen. Deze melk is goed voor de darmen van je baby. Hij kan er goed van poepen. En hij krijgt een goede weerstand tegen ziektes. Het is niet erg als je baby de eerste dagen bij de eerste slokjes alleen een paar druppeltjes moedermelk binnenkrijgt. Dat is genoeg.

Voormelk en achtermelk

Als je begint met een voeding, krijgt je baby voormelk. Dit is lichte, waterige melk waarin veel melksuikers zitten. Hiermee kan hij de eerste dorst lessen. In deze melk zitten alle voedingsstoffen die je baby nodig heeft. Hoe langer je baby blijft zuigen, hoe vetter de melk wordt. Dat heet de achtermelk.

Beschermende stoffen

Naast voedingsstoffen zitten er veel beschermende stoffen in moedermelk. Deze zijn heel belangrijk voor de gezondheid van je kind. Ze beschermen je kind tegen ziektes.

Vitamine D en K

Je baby heeft extra vitamine D nodig vanaf dag 8, ongeacht de hoeveelheid borstvoeding of kunstvoeding je baby krijgt. Vitamine D-druppeltjes koop je bij de drogist. Het Voedingscentrum adviseert 10 microgram per dag. Op de verpakking staat hoeveel druppels je moet geven.

Sterke botten en tanden

Vitamine D is belangrijk voor sterke botten en tanden. Het helpt om calcium uit de voeding op te nemen. Ook beschermt het tegen andere ziektes. Het lichaam haalt zelf ook vitamine D uit zonlicht. Maar in Nederland krijgen we te weinig direct zonlicht op onze huid. Daarom wordt er voor alle kinderen tot 4 jaar 10 microgram vitamine D per dag aanbevolen, ongeacht de kleur van de huid.

Vitamine K

De eerste 3 maanden geef je je baby ook dagelijks 150 microgram vitamine K. Deze vitamine is belangrijk voor het stollen van het bloed. Dat is nodig als je baby een wondje heeft. Wanneer je borstvoeding combineert met kunstvoeding (flesvoeding) en je kind krijgt per dag meer dan 500 milliliter kunstvoeding, dan is extra vitamine K niet meer nodig. Vitamine K koop je bij de drogist. Kijk op de verpakking hoeveel je moet geven.

Geef de vitamine K-druppels tegelijk met een voeding. Zo heb je een vast moment op de dag en kun je ze niet vergeten.

Vitamine D voor jezelf

Natuurlijk is het belangrijk dat je zelf zo gezond mogelijk eet. Dan krijg je de meeste vitamines en mineralen binnen. Je hebt zelf wel extra vitamine D nodig als je borstvoeding geeft. Het advies van Het Voedingscentrum is om een supplement te nemen van 10 microgram per dag. Vitamine D kun je in verschillende doseringen en toedieningsvormen krijgen bij de drogist.

Hoe werkt borstvoeding?

Achter in je borst liggen melkklieren. Die klieren maken de moedermelk. Vanuit de melkklieren lopen er kleine 'kanaaltjes' naar de tepel die ervoor zorgen dat de melk naar je tepel gaat. In je tepel zitten veel kleine openingen waar de melk uitkomt.

Hormonen

Begint je baby te zuigen? Dan komen er 2 hormonen vrij in je lichaam: prolactine en oxytocine.

Prolactine zorgt voor de aanmaak van nieuwe melk. Oxytocine zorgt ervoor dat de melk gaat stromen. Dit hormoon maakt jou én je baby rustig. Het is belangrijk voor de band tussen jou en je baby.

Hoeveel melk maakt je lichaam?

Hoeveel melk je maakt, hangt af van de vraag van je baby. Hoe meer je baby drinkt, hoe meer melk je lichaam maakt. Gaat je baby minder drinken? Dan wordt er minder melk aangemaakt. Je lichaam past de hoeveelheid melk steeds aan, zodat je baby precies genoeg krijgt.

Toeschieten van de melk

Je melk gaat stromen zodra je baby begint te drinken. Dat heet ook wel het 'toeschieten' van de melk. Hoe werkt dat precies? Je baby hapt naar je tepel. Hij masseert je tepel met zijn kaken (hij zuigt dus niet!). Daardoor maken jouw hersenen oxytocine aan. Dit hormoon zit in je bloed. Via je bloed komt het hormoon bij je melkklieren terecht. Daardoor trekken de melkklieren samen. En de melk spuit of stroomt naar buiten. Dit heet ook wel de 'toeschietreflex'.

Geef je wat langer borstvoeding? Dan kun je al een toeschietreflex krijgen als je baby huilt, als je een andere baby hoort huilen of wanneer je naar de foto van je kindje kijkt.

De eerste dagen

De eerste dagen na de geboorte noemen we moedermelk 'colostrum'. Deze eerste melk is zeer rijk aan voedingsstoffen en antistoffen, die moedermelk zo bijzonder maken.

De eerste 2 uur

Je baby is de eerste 2 uur na de bevalling erg wakker. Je kunt je baby een poosje bloot tegen je aan leggen. Hij zoekt dan je tepel en begint meteen te zuigen als hij iets in zijn mondje voelt. Daarom is het belangrijk dat je baby snel na de bevalling aan je borst wordt gelegd. Gaat dat goed? Dan is de kans groot dat het verder ook goed gaat met de borstvoeding.

De eerste 2 dagen

De eerste 2 dagen zijn oefendagen waarin de melkproductie op gang komt. Je baby moet leren om aan jouw borst te drinken. Daar heeft hij even de tijd voor nodig. Geef hem die tijd, zo leert hij het goed en is de kans groot dat het gaat lukken.

Vaak aanleggen

Leg je baby zo vaak en zo goed mogelijk aan, zodat je baby lang genoeg kan drinken. Lukt het niet meteen? Geef dan geen extra water of andere voeding. Dat is niet nodig. Als het niet lukt, kun je het best de kraamverzorgende of je verloskundige om advies vragen. Zij kunnen je doorverwijzen naar een lactatiekundige.

Tips!

  • Jonge baby’s willen graag zuigen. Maak daar gebruik van en geef 2 borsten!
  • Laat je baby zo vaak en zo lang mogelijk drinken. Behalve als je pijn hebt. Dan laat je hem zo lang drinken als je kunt.
  • Laat je baby de borst los? Geef hem dan de tweede borst. Sommige baby’s hebben tijdelijk genoeg aan 1 borst. Maar meestal is het goed om 2 borsten per voeding te geven.

Liever nog geen speen

Geef je baby de eerste weken liever geen speen. Een speen maakt het moeilijker om hem te leren zuigen aan jouw borst. Je kind kan ook moe worden van het zuigen op de speen. Daardoor slaat hij misschien een voeding over. Een baby die borstvoeding krijgt, heeft trouwens vaak geen zin in een fopspeen. Maar als hij toch extra wil zuigen, kun je hem je pink geven om op te sabbelen.

De baby aanleggen

Met ‘aanleggen’ bedoelen we ‘je baby aan je borst leggen’. Het duurt soms even voordat dat goed lukt omdat je baby moet leren goed te happen. Je kunt eventueel je kraamverzorgende om hulp vragen.

Tips bij het aanleggen

  • Leg je baby zo bij de borst dat hij goed bij de tepel kan.
  • Je baby ligt helemaal naar jou toe: dus met zijn buik tegen jou aan.
  • Zijn hoofdje, nek en rug vormen één rechte lijn.
  • Hij ligt met zijn neusje tegenover de tepel.
  • Zijn hoofdje heeft de ruimte om naar achteren te bewegen.
  • Zorg dat je baby kan happen: Streel je tepel langs de lippen van je baby. Meestal doet hij dan zijn mond open.
  • Wacht totdat zijn mond ver open is. Net zo ver als bij geeuwen.
  • Let erop dat zijn tong onder in zijn mond ligt.
  • Zeg eens het woord 'open'. Doe je mond daarbij ver open en steek je tong uit! Je baby kan jou in de eerste weken goed nadoen.
  • Is zijn mond goed open? Dan breng je hem snel naar je borst.
  • Leg je hand op zijn bovenrug of in zijn nekje, waar zijn haar begint. Duw niet tegen zijn achterhoofd. Hij gaat dan terugduwen en dat maakt het juist moeilijker.

Zo drinkt je baby

  • Je baby heeft een groot deel van de tepelhof in zijn mond. Vooral aan de onderkant van de tepel.
  • Met zijn tong en zijn onderkaakje drinkt hij.
  • Zijn lippen zijn naar buiten gekruld.
  • Zijn kin ligt in je borst gedrukt.
  • Hij ademt via zijn neus.
  • Hij heeft een zuigritme, je hoort je kind regelmatig slikken.
  • Je kunt zijn neus meer vrij maken en lucht geven, door zijn billen naar je toe te trekken.

Je baby van de borst halen

Aan het eind van de voeding worden de pauzes langer en het zuigritme verandert. Je ziet dan geen grote kaakbewegingen meer, maar kleine, korte bewegingen alleen met zijn mond. Meestal laat je kind vanzelf los of valt hij in slaap. Soms moet je hem van de borst halen. Het kan zijn dat je kind zich stevig heeft vastgezogen. Je kunt dat het volgende doen.

  • Duw voorzichtig je pink in zijn mondje.
  • Draai je pink, totdat er genoeg ruimte is om je tepel uit zijn mond te halen.
  • Kies een andere vinger als er meer ruimte nodig is.
  • Trek je kind nooit van de borst!
  • Doen je tepels pijn? Wissel je borsten dan vaker af.

Houd je kind na de voeding overeind voor een boertje. Daarna, eventueel na het verschonen van de luier, bied je hem de andere borst aan.

Voedingshoudingen

Je kunt verschillende houdingen aannemen als je borstvoeding geeft. De kraamverzorgende helpt je om de houdingen te leren. Kijk zelf welke houding je het prettigst vindt.

Liggend

Je ligt zelf op je zij, met je benen iets opgetrokken. Leg je baby ook op zijn zij, dicht tegen je aan met jullie buiken naar elkaar toe. Zijn mond is op de hoogte van je tepel. Wanneer je baby zijn mond wijd open doet, trek je hem naar je toe.

Dit is een goede houding voor de eerste tijd na de geboorte en voor ‘s nachts. Je kunt rusten of zelfs slapen terwijl je baby drinkt. Vooral na een keizersnede kan deze houding fijn zijn. Je kunt een kussentje tegen de wond leggen. Dat beschermt je als je kind met zijn voetjes trapt!

Zittend

Je kunt het best ontspannen zitten in een stoel met een armleuning. Zet je voeten eventueel op een voetenbankje. Houd je baby op je arm. Draai zijn buik tegen die van jou. Zo kun je je baby met je arm ondersteunen. Misschien is een kussen op schoot of onder je arm prettig.

Je kunt ook dezelfde houding nemen als de vorige, maar nu houd je met één hand je borst vast. Met je andere hand stuur je de baby met z’n hoofdje naar je borst. Zo kun je je baby gemakkelijk laten happen.

Wanneer je baby klaar is met het drinken van de eerste borst kun je hem omdraaien en de andere borst aanbieden. Of je schuift je baby door naar de andere borst. Hij komt dan in de bakerhouding of rugbyhouding te liggen.

Baker of rugby

Je legt je baby aan de zijkant van je lichaam, onder je arm op een groot kussen. Met zijn benen naar achteren. Zijn hoofdje ligt dan bij je borst, ondersteunt door jouw hand. Denk maar aan hoe een rugbyspeler zijn bal vasthoudt! Zo kun je goed zien wat hij aan je borst doet. Deze houding is heel geschikt voor in de eerste week. Maar ook als je baby erg onrustig drinkt of na een keizersnede. Ook bij grote borsten kan deze voedingshouding handig zijn.

Doorgeschoven madonna

Vooral hele kleine baby's zakken nog wel eens weg in de zittende houding. Ga dan zitten zoals hiervoor beschreven en ondersteun het hoofdje van je baby met je hand. Je arm draagt het lijfje achter je baby langs. Je vrije hand kun je gebruiken om de borst vast te houden.

Rechtop

Wanneer kinderen al ouder zijn kunnen ze op veel verschillende manieren aan de borst drinken, bijvoorbeeld rechtop zittend op je schoot of zelfs staand naast je.

Het aantal voedingen

Eerst moet de melkproductie goed op gang komen. Dat duurt meestal een paar dagen voordat er genoeg melk uit je borsten komt. Dat is normaal. Je kunt het volgende doen om de melkproductie te stimuleren.

  • Leg je baby 8 tot 12 keer per 24 uur aan.
  • Als je vaak aanlegt, leert je baby drinken.
  • Geef 2 borsten als je baby dat wil.
  • De eerste 2 dagen heeft je baby genoeg aan de eerste moeder­melk. Dat heet colostrum.
  • Leert je baby goed aan de borst te drinken? Dan heb jij minder last van stuwing.
  • Hoe meer je baby zuigt, hoe meer melk je lichaam maakt. Na een paar dagen geeft je lichaam de melk die je kind vraagt.

Het aantal voedingen

  • Na de eerste week willen veel baby’s vaker drinken. Dit is normaal. Laat je borsten ’s avonds goed leegdrinken. Dan kun je ’s nachts misschien een uurtje langer slapen.
  • Voed je baby elke keer als hij daarom vraagt. Dus elke keer als hij smakt, likt of wakker wordt.
  • Is de borstvoeding goed op gang? Geef dan minstens 6 voedingen per 24 uur.
  • Is de vorige voeding meer dan 3 uur geleden en slaapt je baby? Maak hem dan wakker voor de volgende voeding. Doe dat het liefst als hij licht slaapt.
  • Ga ‘s nachts gewoon slapen. Als je baby wakker wordt en huilt, dan geef je hem een voeding. Of volg het advies van je verloskundige of arts op.

Iedere baby is anders

Het is belangrijk dat je de signalen van je kind goed leert herkennen. Sommige baby’s vragen maar 6 voedingen per 24 uur. Dat is geen probleem, als je kind genoeg plast en goed groeit.

  • Sommige baby’s zijn langzame drinkers, andere baby’s zijn snelle drinkers.
  • De ene baby wil vaker kleine beetjes, de andere baby een paar grote voedingen.
  • Heeft je baby echt honger? Of wil hij gewoon bij je zijn?
  • Iedere baby heeft zijn eigen karakter. De ene baby is rustig en tevreden, de andere vraagt veel aandacht.
  • Na ongeveer 6 weken krijg je vanzelf meer vaste tijdstippen van voedingen. Hoeveel je voedt, hangt af van je kind. Sommige kinderen zijn tevreden met 6 voedingen per dag. Andere kinderen willen 7 of 8 keer per 24 uur drinken. Of nog vaker!

Clustervoeden en regeldagen

Veel baby's vertonen vanaf ongeveer de 10e dag een patroon dat 'clustervoeden' wordt genoemd. Je kind wil dan (meestal in de avond) enkele korte voedingen vlak achter elkaar drinken, soms wel elk uur. Daarna volgt een langere periode van slaap.

Regeldagen

Regeldagen komen voor rond de leeftijd van 10 dagen, 3 weken, 3 maanden en 6 maanden. Maar ook op andere momenten kunnen regeldagen voorkomen. Op regeldagen hoeft je baby niet per se langer aan de borst, maar wel iets vaker.

  • Soms wil je baby 1 of 2 dagen wat vaker drinken. Zo 'regelt' hij dat de melkproductie toeneemt, zodat die weer aansluit bij zijn behoeften.
  • Het kan ook zijn dat je kind een virus onder de leden heeft. Door vaak om de borst te vragen, krijgt je kind extra veel antistoffen binnen waardoor de ziekte bestreden wordt.
  • Of je baby heeft de vorige dag te weinig gedronken en wil dit nu inhalen. Ook op andere momenten waarop de melk wat is teruggelopen kan je baby vaak om de borst vragen. Als je daar aan toe geeft, komt de melkproductie weer heel snel op peil.

Switchfeeding

Door een paar keer snel van borst te wisselen, wordt er meer melk geproduceerd. Bijvoorbeeld:

  • 1e borst helemaal;
  • 2e borst 3 minuten;
  • 1e borst 2 minuten;
  • en zo mogelijk 2e borst 1 minuut.

Gaat borstvoeding geven goed?

Na een tijdje herken je het gedrag van je baby. Je baby drinkt genoeg, als:

  • hij groeit;
  • hij de eerste weken elke dag minstens 7 voedingen krijgt;
  • hij grote, regelmatige slokken neemt met af en toe een korte pauze;
  • hij per voeding 2 borsten krijgt aangeboden;
  • hij de eerste weken ongeveer 6 natte luiers en 2 tot 5 poepluiers heeft per 24 uur;
  • hij tevreden is na de voeding;
  • je borsten na de voeding zachter zijn en prettig aanvoelen.

Het aantal poepluiers

Je baby drinkt genoeg als hij de eerste weken ongeveer 6 natte luiers en 2 tot 5 poepluiers heeft per 24 uur. Na 6 weken gaat een baby meestal minder poepen, gemiddeld 1 keer per week en soms nog maar 1 keer per 2 weken. Dit is normaal: de darmen zijn in staat om alle moedermelk te verteren, er blijven weinig of geen afvalstoffen over.

Bij vragen of zorgen kun je altijd contact opnemen met de jeugdverpleegkundige of jeugdarts van het CJG of het consultatiebureau.

Actief drinken

  • Let niet te veel op de klok tijdens de voeding. Lang drinken betekent niet dat hij goed drinkt.
  • Probeer te zien of je kindje echt drinkt, of dat hij sabbelt. Sabbelt hij? Haal hem dan van je borst en leg hem opnieuw aan. Dan drinkt hij weer actiever.
  • Valt je baby snel in slaap aan de borst? En leg je hem dan in bed? Dan wordt hij weer snel wakker omdat hij honger heeft. Probeer hem daarom wakker te houden en zorg dat hij actief drinkt.

Spugen

Je baby kan een beetje spugen. Dat is niet erg. Vaak drinkt hij dan iets meer dan hij nodig heeft.

  • Doe geen wilde spelletjes na het voeden.
  • Houd je kind een kwartiertje rustig rechtop.
  • Zet het hoofdeind van het bedje iets hoger (leg bijvoorbeeld een boek onder de poten van het bedje).
  • Spuugt je baby veel? Of komt het er met een flinke boog uit? Overleg dan met je consultatiebureau.

Het kan ook zijn dat je kind last heeft van reflux. Dit is het terugvloeien van de maaginhoud in de slokdarm, omdat de sluitspier tussen de maag en de slokdarm nog niet goed ontwikkeld is.

Spruw

Drinkt je baby slecht? Laat hij de borst vaak los? Of huilt hij veel? Dan heeft hij misschien spruw. Spruw is een schimmelinfectie. Het ziet eruit als witte aanslag of witte vlekjes op de tong of in de mond.

Als je denkt dat je kind spruw heeft, ga dan naar de huisarts of naar de jeugdverpleegkundige van het CJG om het te laten beoordelen en advies te krijgen.

Kort tongriempje

Als het drinken niet goed lukt, kan het ook zijn dat je baby een te kort tongriempje heeft. Je baby kan zijn tong niet goed naar voren steken en daardoor de tepel niet goed in de mond nemen.

Pijnlijke borsten of tepels

Het kan zijn dat dat je pijnlijke borsten of tepels hebt. Dat kan meerdere oorzaken hebben, bijvoorbeeld stuwing of een borstontsteking. Of misschien heeft je kind de tepel niet goed in zijn mond. Vraag hierover op tijd advies aan je huisarts, het consultatiebureau of aan de lactatiekundige.

Overgaan op flesvoeding?

Het kan zijn dat de borstvoeding niet goed gaat of dat je het zelf niet handig of prettig vindt. In dat geval kun je de borstvoeding afbouwen en je kind laten wennen aan de fles. Maar je kunt ook gaan kolven, zodat je je kind toch moedermelk kunt geven.

2 Kinderen aan de borst

Het kan over het algemeen prima om 2 (of zelfs meer) kinderen te voeden. Dat gebeurt bij meerlingen, maar het kan ook als de kinderen van verschillende leeftijden zijn. Bijvoorbeeld als een ouder kind ook aan de borst blijven drinken. Dat noemt men 'tandemvoeden'.

Meerlingen

Als je een meerling hebt, kun je ze tegelijk aan je borsten laten drinken. Met veel kussens, veel oefening en hulp van iemand anders (in het begin). Er zijn 2 voedingshoudingen.

Je zit ontspannen, maar wel goed rechtop. Het best zit je in een stoel met een armleuning en je voeten eventueel op een voetenbankje. Misschien met een kussen op schoot of onder je arm.

  • Houd je baby’s gekruist over elkaar op je armen.
  • Draai de buikjes tegen jouw buik.
  • Ondersteun ze met je armen.
  • Leg een kussen op schoot of onder je arm.

Je kunt ook gaan zitten in de rugbyhouding met onder elke arm een baby. Of je kunt 1 baby in de rugbyhouding leggen en de andere in de madonnahouding. Hun beentjes wijzen dan dezelfde kant op.

Tandemvoeden

Bij tandemvoeden voed je de nieuwe baby en een ouder kind. De baby moet steeds het eerst de borst krijgen, zodat hij genoeg moedermelk binnenkrijgt. Voor het oudere kind geldt dat minder. Die krijgt meestal al bijvoeding.

Laat je baby drinken op verzoek, zo lang hij zelf wil. Dan stemt het lichaam de melkproductie daarop af, net als de kwaliteit van die melk. Een ouder kind kan zonder enig probleem meedrinken. De borsten maken extra voeding aan, net als bij een tweeling of meerling. In moedermelk voor jonge baby's zit iets meer eiwit dan in moedermelk voor oudere kinderen, maar dat kan geen kwaad. Als beide kinderen gezond zijn en goed groeien, gaat alles zoals gewenst.

Veel oudere kinderen vinden de borstvoeding trouwens al snel minder lekker als een kleine baby ‘meedrinkt’. Ze gaan minder moedermelk drinken of stoppen er vanzelf mee.

Nachtvoedingen

Sommige baby’s slapen ‘s nachts al door wanneer ze 3 maanden oud zijn. Doet jouw kind dat niet? Geef hem dan ’s nachts gewoon nog een voeding.

Een nachtvoeding zorgt ervoor dat je lichaam melk blijft maken en dat je ‘s morgens minder last van stuwing hebt. Geforceerd proberen te stoppen met nachtvoedingen lukt bijna nooit en zorgt alleen maar voor onrust.

Tips

’s Nachts wakker worden om je baby te voeden is soms zwaar. Maar je hoeft je bed niet echt uit als je borstvoeding geeft, want je voeding is meteen klaar, de melk is perfect op temperatuur en je kunt liggend voeden. Je hoeft ook niet echt je bed uit als je zijn bed naast jouw bed zet.

  • De eerste maanden zijn vaak erg vermoeiend. Doe het daarom rustig aan.
  • Misschien heb je al een kleintje rondlopen. Probeer dan wat hulp te krijgen.
  • Slaap op de momenten dat het kan, dus ook overdag.
  • Doe 's nachts niet te veel licht aan en praat zachtjes. Dan leert je baby het verschil tussen dag en nacht.
  • Wil je baby nog vaak ’s nachts drinken? En ga jij weer aan het werk? Laat je baby ’s avonds dan vaker drinken. Dan heb je meer kans op een rustige nacht.

Regeldagen

Als je baby groter wordt, dan heeft hij meer melk nodig. Ineens wil je baby vaker drinken, soms ook ’s nachts. Dat kan tijdelijk even 2 of 3 dagen duren. Omdat hij meer vraagt, maakt je lichaam meer melk aan. Dit noemen we ‘regeldagen’. Je baby groeit!

Kolven

Kan je baby niet uit je borst drinken? Dan is kolven een goede oplossing. Zo kun je je baby toch waardevolle moedermelk blijven geven. Andere redenen om te kolven zijn:

  • je tepels doen pijn;
  • je bent even weg bij je baby;
  • je wilt graag extra melk bewaren;
  • je gaat weer werken.

Kolfapparaat

Met een kolfapparaat haal je melk uit je borsten. Daar moet je waarschijnlijk wel even aan wennen, omdat de melk moeilijker uit je borst komt als je kolft. Het kan zijn dat je de eerste keer niet een volle fles melk kunt kolven.

Er zijn veel soorten kolfapparaten. Je hebt handkolven en elektrische kolven. Om erachter te komen welk apparaat voor jou het best is, kun je advies vragen op het consultatiebureau of aan de lactatiekundige. Stel jezelf ook een aantal vragen.

  • Waarom ga je kolven?
  • Hoe vaak ga je kolven?
  • Waar ga je kolven?
  • Hoe lang ga je kolven?
  • Kun je de kolf lenen, huren of kopen?
  • Wat mag de kolfmachine kosten?
  • Heb je al ervaring met kolven?

Wanneer kolf je?

  • Kun je je baby in de eerste week niet zelf voeden? Kolf dan zeker 6 tot 8 keer per 24 uur. Zo zorg je ervoor dat je borsten genoeg melk blijven maken.
  • Als stelregel geldt dat je kolft ongeveer op de tijden waarop je thuis je baby ook zou voeden. Dit komt natuurlijk niet precies op de minuut aan.
  • Als je kolft na de ochtendvoeding, heb je vaak nog genoeg melk over.
  • Heb je veel voormelk of komt de melk er snel uit? Dan kun je voor de voeding even wat melk afkolven.
  • Groeit je baby slecht? Geef hem dan meer moedermelk. Kolf dan meteen na een voeding of tussen 2 voedingen in.
  • Als een kolfsessie niet zoveel melk oplevert als je nodig hebt, kolf dan gerust een keer extra.

Hoeveel kolf je?

Hoeveel milliliter (ml) een baby drinkt is moeilijk te zeggen. Dit hangt af van het gewicht van je baby, het aantal voedingen en de samenstelling van de gekolfde melk. Een baby drinkt per dag gemiddeld ongeveer 150 ml per kilo lichaamsgewicht. Een baby van 5 kilo heeft dus elke dag 750 ml moedermelk nodig. Als hij 6 voedingen krijgt is dat ongeveer 110 ml per voeding. Meer dan 1 liter drinken baby's bijna nooit. Als ze rond de 6 maanden zijn, komen naast de moedermelk de eerste hapjes erbij.

Tips

  • Een foto, geluid of filmpje van je kind kunnen je helpen om de melk toe te laten schieten.
  • Ga je kolven op je werk? Kolf dan net zo vaak als thuis. Anders kun je last krijgen van stuwing. Je borsten worden dan heel vol.
  • Begin minimaal 1 week voordat je gaat werken met kolven. Dan heb je tijd om eraan te wennen.
  • Je kunt ook kolven om extra melk te hebben. Bewaar die extra melk meteen in de vriezer. Lukt het kolven op het werk niet zo goed? Dan kun je die extra melk gebruiken.

Moedermelk bewaren

Als je kolft, kun je een voorraad moedermelk maken. Dat is handig voor als je er zelf even niet bent of voor als je weer gaat werken. Je maakt een voorraadje als je af en toe alvast oefent met het kolfapparaat.

Waar bewaar je het in?

  • Schone flesjes (geen glas).
  • Kunststof bakjes.
  • IJsblokzakjes.
  • Speciale borstvoedingszakjes of kolfzakjes.

Kleine porties bewaren (bijvoorbeeld ijsblokjes) is makkelijk omdat je dan nauwkeurig uit de vriezer kunt halen wat je nodig hebt.

Moedermelk invriezen

  • Zet de afgekolfde melk op je werk of thuis meteen in de koelkast. Op die manier blijven de kostbare voedingsstoffen zo goed mogelijk bewaard.
  • Neem de melk in een koeltas van je werk mee naar huis.
  • Bewaar de melk achterin de koelkast, en niet in de deur. Achterin blijft de melk het best gekoeld.
  • In de koelkast kun je afgekolfde melk nog 3 dagen bewaren (bij 4 graden).
  • In de diepvries blijft je moedermelk 3 tot 6 maanden goed (bij min 18 graden).
  • Doe nooit warme (net afgekolfde) melk bij al koude of bevroren melk. Dan bederft het.

Wil je een zakje of flesje afgekolfde melk bewaren in de koelkast of in de vriezer? Plak er dan altijd een etiket op met de datum waarop je de melk hebt gekolfd! Dan weet je zeker wanneer de melk over de datum is of niet.

Moedermelk ontdooien

Ingevroren melk kun je laten ontdooien in de koelkast of onder lauwwarm stromend water. Is de melk helemaal ontdooid? Dan kun je de melk nog 24 uur in de koelkast bewaren. Je kunt deze melk niet opnieuw invriezen! Ook melk die is opgewarmd maar niet opgedronken, moet je weggooien en niet opnieuw opwarmen.

Moedermelk opwarmen

Als je kolft, bewaar je de melk in de koelkast of de vriezer. Voor gebruik moet je de melk natuurlijk eerst even ontdooien en opwarmen.

Ontdooien

Ingevroren melk kun je laten ontdooien in de koelkast of onder lauwwarm stromend water. Is de melk helemaal ontdooid? Dan kun je de melk nog 24 uur in de koelkast bewaren. Je kunt deze melk niet opnieuw invriezen!

Opwarmen

Moedermelk kun je opwarmen:

  • in een flessenwarmer;
  • in een pannetje met warm water;
  • of in de magnetron.

In de magnetron verwarm je een flesje van 100 milliliter melk ongeveer 30 seconden op 600 watt. Schud het flesje halverwege om de warmte te verdelen. Doe dit nog een keer als de melk op temperatuur is. Maar iedere magnetron is anders. Probeer het dus eerst even.

Temperatuur

Laat de melk niet warmer worden dan 30 of 35 graden. Dat is een goede drinktemperatuur. De beschermende stoffen uit je melk verdwijnen als de melk warmer wordt dan 50 graden. Laat een druppel warme melk op de binnenkant van je pols vallen. Voelt het lauw en niet pijnlijk? Dan is de temperatuur precies goed.

Niet vaker opwarmen!

Je kunt melk maar 1 keer opwarmen! Heb je melk opgewarmd en weer koud laten worden? Gooi de melk dan weg, want hij is niet goed meer.

Wennen aan de fles

Als je je baby goed voorbereiden op de tijd dat je weer aan het werk gaat. Dan kan iemand anders straks je baby gemakkelijker een fles geven.

  • Begin met oefenen als je baby ongeveer 6 weken oud is.
  • Kolf om de dag wat melk af (20 tot 30 milliliter). Bijvoorbeeld na de ochtendvoeding heb je meestal genoeg melk.
  • Laat een ander het flesje met afgekolfde melk geven. Je baby is gewend om van jou de borst te krijgen. Als je hem nu zelf een fles geeft, dan raakt hij in de war. Dan heb je kans dat hij niet meer aan je borst wil drinken.
  • Geef de fles ook om de dag. Dan kan je baby er goed aan wennen.
  • Geef steeds vaker een fles op het tijdstip dat jij straks op je werk zit.
  • Je lichaam maakt misschien minder melk aan als je weer werkt. Dat is normaal. Je moet wennen aan de nieuwe situatie. Dat kost energie.

Tips

  • Zorg dat je het niet te druk hebt naast je werk. Zeker in de eerste periode.
  • Leg je baby wat vaker aan als je thuis bent. Zo zorg je ervoor dat je lichaam genoeg melk blijft maken.
  • Zorg dat je voldoende eet en drinkt tussendoor, borstvoeding maken kost energie!
  • Zorg voor extra moedermelk in de vriezer voordat je gaat werken. Dan heb je nooit te weinig melk.

Problemen met de tepels

Borstvoeding geven kan soms wat minder goed gaan. Bijvoorbeeld als je lekkende of pijnlijke tepels hebt. Daarom is het goed te weten wat je kunt doen om problemen te voorkomen.

Zuigreflex

Een baby wordt geboren met reflexen, die gericht zijn op het vinden van de tepel. Dit zijn de zoek- en hapreflex. Als je met de tepel langs zijn wangetje en lipjes strijkt, dan zal hij zijn mond wijd open doen en zijn tong een beetje uitsteken. Zo kan hij met een grote hap een zo groot mogelijk deel van de tepelhof in zijn mond nemen. Zijn neusje komt tegen je borst.

Pijnlijke tepels

Als je kind op de juiste manier je tepel in zijn mond heeft, voorkom je pijnlijke tepels. Aan je tepel kun je zien dat je baby die goed in de mond heeft gehad: de tepel moet er rond, niet afgeplat en ongeschonden uit komen. Doet de tepel pijn, is er een duidelijke streep zichtbaar, of is de tepel wit (bloedeloos)? Dan heeft je baby de techniek nog niet helemaal onder de knie. Laat een deskundige dan eens meekijken naar het aanleggen.

Lekkende borsten

Je borsten kunnen gaan lekken. Dat kan gebeuren als je aan je baby denkt of als je hem hoort huilen. Soms lekt het ook spontaan. Er zit dan zoveel melk in dat de borsten overlopen. Dit is niet erg, maar soms wel onhandig.

  • Je kunt speciale zoog- of borstkompressen in je bh doen. Die koop je gewoon bij de drogist of de apotheek.
  • Er bestaan ook siliconen kompressen die voorkomen dat er melk uit je tepels loopt. Je plakt deze kompressen als het ware op je tepel. Je ziet ze niet onder je kleding en ze zijn wasbaar. Je kunt er ook mee slapen.

Tepelkloven

Tepelkloven zijn ruwe of schrale plekjes aan de tepel. Soms zijn het wondjes. Tepelkloven doen veel pijn, zeker als de baby net begint te drinken. Vaak komt dit omdat de baby de tepel niet goed in de mond heeft. Als je de baby goed aanlegt en je tepels goed verzorgt, dan zijn ze snel weer heel.

  • Probeer een andere voedingshouding.
  • Geef eerst de minst pijnlijke kant. Je pijnlijke kant wordt dan iets minder belast, omdat je kind daar minder hard zuigt.
  • Als je merkt dat je kind niet meer drinkt, laat hem dan niet verder doorsabbelen maar stop met voeden.
  • Dep je tepels na iedere voeding voorzichtig met koud water. Daarna goed laten drogen.
  • Gebruik tepelbeschermers in je bh.
  • Vraag bij de apotheek naar een goede zalf voor je tepels.

Tepelkloven kunnen ook ontstaan door spruw of bateriële infecties. De symptomen zijn wisselend: óf de moeder heeft klachten, óf het kind, óf allebei. De huisarts kan dit zo nodig behandelen. Het is belangrijk dat zowel jij als je baby worden behandeld.

Borstontsteking

Een borstontsteking kan ontstaan door door bacteriën die kunnen binnenkomen via de tepel of via wondjes bij de tepel.

Stuwing

3 Tot 5 dagen na de bevalling kun je stuwing krijgen. Stuwing betekent dat je borsten vollopen met melk. Je borsten voelen daardoor ook vol en gespannen aan. Soms zijn ze hard en pijnlijk, maar het is heel normaal en gaat vanzelf na een paar dagen weer weg.

Stuwing voorkomen

Zorg ervoor dat je je baby de eerste paar dagen heel vaak aanlegt. Het liefst 8 tot 12 keer per dag. Op die manier leert je kind de melk goed weg te drinken. En je lichaam stemt de melkproductie beter af op het drinkritme van je baby.

Borstontsteking

Een borstontsteking kan ontstaan door het binnendringen van bacteriën via de tepel. Bij een borstontsteking voelt de borst pijnlijk, warm en gespannen aan. De borst is ook gedeeltelijk rood. En je bent er goed ziek van, met koorts boven 38 graden.

Verstopt melkkanaal

Een verstopt melkkanaal kan het begin zijn van een borstontsteking. Het verstopte melkkanaal blokkeert dan de melk die naar de uitgang wil. Door de druk in de borst ontstaat er een rode, pijnlijke plek. Wanneer de verstopping door leegdrinken of massage niet verdwijnt, kan het een borstontsteking worden. Het is dus belangrijk om een verstopt melkkanaaltje op tijd te ontdekken en te verhelpen.

  • Controleer je borsten regelmatig op harde, pijnlijke of rode plekken.
  • Geef als eerste de borst die pijn doet. Of kolf die borst. Zorg dat die borst goed leeg is.
  • Masseer de verstopping weg. Masseer met je hand richting de tepel.
  • Maak de borst warm voordat je gaat voeden of kolven. De melkkanalen worden dan wijder en de melk kan doorstromen.

Wat doe je bij een borstontsteking?

Een ontstoken borst is pijnlijk, warm en gespannen. Je borst kan voor een deel rood zijn. Je kunt goed ziek zijn, net als bij een zware griep. Meestal heb je ook koorts.

  • Doe heel rustig aan. Neem veel bedrust.
  • Drink veel.
  • Laat iemand jou helpen om voor je baby te zorgen. Jij hebt je energie nodig om beter te worden.
  • Leg je baby vaak aan. Ook als het voeden pijn doet. Het is belangrijk dat de melk kan doorstromen en dat je borsten leeg zijn. Je baby kan de melk gewoon drinken.
  • Kolf eventueel nog eens tussendoor. Of kolf 1 keer per dag de borsten helemaal leeg met een professionele kolf.
  • Leg voor het voeden warme en na het voeden koude kompressen op de ontstoken plek. Dat helpt soms tegen de pijn.
  • Wees voorzichtig met pijnstillers. Pijnstillers kunnen invloed hebben op je kind, via de moedermelk. Lees daarom altijd de bijsluiter.
  • Vraag advies aan de lactatiekundige.

Naar de huisarts?

  • Vraag advies aan je huisarts als de klachten niet minder worden.
  • Als je je langer dan 24 uur meer dan 38 graden koorts hebt.
  • Als je je borsten steeds goed leeg laat drinken en de klachten blijven.

De huisarts kan je medicijnen geven. Met die medicijnen kun je gewoon blijven voeden.

Borstvoeding en werken

Door te kolven is het mogelijk om je baby moedermelk te blijven geven, als je weer gaat werken. Bedenk van te voren goed hoe je borstvoeding of kolven tijdens je werk wilt regelen. Je kunt ervoor kiezen om:

  • volledig borstvoeding te blijven geven;
  • borstvoeding te combineren met kunstvoeding;
  • of om de borstvoeding (geleidelijk) af te bouwen.

Kolven op je werk

Je kunt het best op je werk gaan kolven op de momenten dat je baby anders uit de borst zou drinken. Op je werk kolf je dan even vaak als dat je thuis borstvoeding zou geven. De afgekolfde melk kan je kind de volgende werkdag bij de oppas of op het kinderdagverblijf drinken.

Begin op tijd met oefenen

Vanaf ongeveer 4 tot 6 weken na de bevalling is het goed om te gaan oefenen met kolven. Je baby moet ook wennen aan het drinken uit een flesje. Kolf regelmatig tussen de voedingen door gedurende zo'n 5 minuten. Doe dat bijvoorbeeld elke dag een keer. Je raakt zo gewend aan het kolfapparaat. Het beetje afgekolfde melk kun je bewaren of in een flesje aan je baby geven. Het is een uniek moment voor je partner om ook je baby te kunnen voeden!

Wet en regelgeving

Bespreek op tijd met je werkgever (en collega's) hoe je de zorg voor je kind en je werk met elkaar wilt combineren. Je bent zelfs verplicht om dit met je werkgever te overleggen.

Er zijn wetten en regels waar je werkgever zich aan moet houden.

  • De eerste 6 maanden na de bevalling moet je werkgever er rekening mee houden dat je wilt kolven en borstvoeding geven. Het moet mogelijk zijn dat je melkproductie gewoon kan doorgaan. Is dat niet mogelijk? Dan moet er misschien iets worden aangepast in je werk of in je werktijden. Bijvoorbeeld een aangepast rooster of flexibele werktijden.
  • De eerste 6 maanden na de bevalling hoef je geen nachtdiensten te draaien.
  • De eerste 9 maanden na de bevalling mag je je werk onderbreken om borstvoeding te geven of te kolven. Maak hierover duidelijk afspraken met je werkgever. In totaal mogen de onderbrekingen een kwart van je werktijd bedragen.
  • Er moet een aparte ruimte beschikbaar zijn, die op slot kan en die voldoende privacy biedt. Dit heet ook wel een 'lactatieruimte'. Is er geen goede ruimte? Dan moet je werkgever je de kans geven om thuis te voeden of af te kolven.
  • Je werkgever hoeft niet toe te staan dat je je baby meeneemt naar je werk.

Stoppen met borstvoeding

Jij beslist wanneer je de borstvoeding gaat afbouwen. Het is helemaal jouw eigen keuze. Stap voor stap afbouwen is het prettigst voor jezelf en voor je baby.

Geleidelijk afbouwen

Als je borstvoeding goed loopt en je voedt ongeveer 6 keer per dag, dan kun je niet van het ene op het andere moment stoppen. Je lichaam moet de melkproductie afbouwen. Dit kunt je doen door de borstvoedingen 1 voor 1 te vervangen door kunstvoeding.

  • Eerst stop je de voeding die jou het minst goed uitkomt. Of de voeding die je baby het minst graag wil. Vindt je baby bijvoorbeeld de avondvoeding erg fijn? Stop daar dan nog niet mee.
  • Als je stopt met een voeding, ga je ook niet afkolven. Je lichaam went eraan dat op dat moment van de dag geen moedermelk nodig is.
  • In het begin voelen je borsten vol aan op het tijdstip dat je anders borstvoeding gaf. Wacht totdat je borsten soepel aanvoelen op dat tijdstip. Meestal is dat 4 tot 7 dagen later. Stop dan pas met een tweede voeding. Zo gaan je borsten steeds minder melk maken.

Flesvoeding

Afbouwen van borstvoeding kan emotioneel voor je zijn. Je kunt altijd doorgaan met een paar borstvoedingen per dag. Een paar borstvoedingen per dag is vaak leuk én gezond voor je kindje. Andere voedingen vervang je dan door flesvoeding (kunstvoeding). Tot de leeftijd van 6 maanden geef je je kind volledige zuigelingenvoeding, vanaf 6 maanden geef je je kind opvolgmelk. Na 1 jaar kun je ook gewone koemelk geven.

Kolven

Moet of wil je in één keer stoppen met het geven van borstvoeding? Ga dan kolven. Anders krijg je veel last van stuwing (volle borsten) of zelfs een borstontsteking. Voor meer informatie en advies hierover kun je terecht bij het consultatiebureau of een lactatiekundige.

Flesvoeding

Met flesvoeding wordt bedoeld: volledige zuigelingenvoeding of kunstvoeding.

Als je gekozen hebt om je baby kunstvoeding te geven, dan kun je het beste licht verteerbare volledige zuigelingenvoeding gebruiken.

Hoe vaak?

Pasgeboren baby's vragen om de 2 of 3 uur om een voeding. Van je verloskundige of kraamverzorgende krijg je een richtlijn hoe vaak je je kind de fles moet geven. Meestal zul je uitkomen op ongeveer 6 tot 8 voedingen per 24 uur.

Hoeveel?

Hoeveel voeding je baby nodig heeft, hangt af van zijn gewicht. Algemeen geldt 150 ml - 180 ml per kilo van zijn gewicht. Volg de behoefte van je baby net als bij borstvoeding. Groeit hij goed? Plast hij goed? Is hij levendig? Dan krijgt je baby genoeg melk. Twijfel je of je kind te veel of te weinig drinkt? Vraag dan advies aan je consultatiebureau.

Welke soort?

Kies 1 soort of merk en blijf dit geven. Dan hoeven de darmen van je baby niet steeds aan nieuwe melk te wennen.

Extra vitamines

Als je kind minimaal 500 ml flesvoeding op een dag krijgt, heeft hij geen extra vitamine K nodig. Geef je kind elke dag 10 microgram vitamine D extra, ook als er al vitamine D is toegevoegd aan de flesvoeding.

Hoe maak je flesvoeding?

Je kunt in één keer voeding klaarmaken voor de hele dag. Zorg ervoor dat de flesjes en spenen schoon zijn. En het water natuurlijk ook.

Tips

  • Neem je baby tijdens het voeden op schoot. Houd je baby lekker dicht tegen je aan. Door het voeden wordt jullie band steeds hechter. Het is belangrijk om lichamelijk contact te maken met je baby.
  • Geef eerst zelf de fles. Of je partner. Het is voor je baby misschien onrustig als 'vreemde mensen' dit doen.
  • Zorg dat je baby weinig lucht hapt. Zorg ervoor dat de speen steeds vol zit met melk.
  • Misschien wil je kind soms even stoppen voor een boertje. Maar hij kan de fles ook in één keer leegdrinken en daarna pas boeren.
  • Neem lekker ruim de tijd voor het geven van de fles. Dan is zijn zuigbehoefte goed bevredigd.
  • Je baby vindt het heerlijk om met een vol buikje nog even te knuffelen met zijn papa of mama.
  • Stop als je baby laat merken dat hij niet meer wil. Uit een fles drinken is gemakkelijker dan uit de borst. De kans is groter dat je baby te veel drinkt.

Speciale kunstvoeding

Gaat het geven van kunstvoeding niet goed? Gebruik dan niet zomaar andere voeding. Praat hierover eerst met het consultatiebureau. Er is speciale voeding voor baby's die veel honger hebben of veel spugen. Er is voeding gemaakt van soja, of met weinig lactose.

Hoeveel flesvoeding?

Hoeveel kunstvoeding of zuigelingenvoeding moet je kind drinken?

Dat is heel verschillend. Sommige kinderen hebben veel nodig, andere kinderen minder. Je kind geeft zelf wel aan wanneer hij genoeg heeft gehad. Blijf niet proberen om er nog meer in te krijgen. Dan gaat hij misschien spugen.

  • De eerste 6 maanden: 150 tot 180 ml volledige zuigelingenvoeding per kilogram lichaamsgewicht. Een voorbeeld: een baby van 4 kg krijgt 600 tot 720 ml per dag. Kijk hiervoor ook op de verpakking van de voeding.
  • Van 6 maanden tot 1 jaar: een halve liter opvolgmelk per dag naast alle andere voeding. Je baby eet nu veel gevarieerder.
  • Heeft je baby niet genoeg, dan mag je iets meer geven. Maar dring nooit aan!

Flesvoeding klaarmaken

Je kunt kunstvoeding of zuigelingenvoeding het best per fles klaarmaken. Of zo nodig in één keer voor de hele dag.

Bewaren en opwarmen

Klaargemaakte voeding kun je maximaal 8 uur in de koelkast bewaren. Het moet dan wel kouder zijn dan 4 graden in de koelkast. Warm nooit restjes voeding opnieuw op! Daar zitten bacteriën in waar je baby ziek van kan worden.

Schone flesjes

Spoel direct na het drinken de fles en speen om met koud water. Je kunt de fles en speen later in heet sop goed schoonmaken met een flessenborstel. Of je wast de fles en speen in een afwasmachine op minimaal 55 graden, op een lang wasprogramma. Zet de fles en speen ondersteboven op een droge, schone doek te drogen.

Schoon water

Als je flesvoeding gaat klaarmaken, was dan eerst je handen. Voor flesvoeding kun je koud kraanwater gebruiken. Maak je een voorraad voor de hele dag? Kook het water dan wel van tevoren. Dan heb je minder kans op bacteriën.

Hoeveelheid melkpoeder?

Het is belangrijk dat je de fles precies klaarmaakt zoals het moet. Volg dus de instructie die op de verpakking staat. Doe niet meer poeder in de fles dan voorgeschreven. Daar wordt je kind dik van en hij kan moeite krijgen met poepen.

Op basis van koemelk

Als kinderen geen moedermelk krijgen, geven ouders over het algemeen kunstvoeding of zuigelingenvoeding. Kunstvoeding is zo goed mogelijk aangepast aan de behoeftes van de baby.

Geen koemelk

Koemelk is geen alternatief voor kunstvoeding. Tot je kind 1 jaar is, heeft hij namelijk meer ijzer en goede vetten nodig dan gewone melk kan leveren.

Als je toch een alternatief wilt gebruiken overleg dat eerst met het consultatiebureau of een dieëtist. Zij kunnen je adviseren hoe je dat het best kunt doen.

Bijvoeding

Als je baby ongeveer 6 maanden is, breekt er een nieuwe fase aan. Naast de melkvoeding kun je beginnen met oefenhapjes als bijvoeding.

Voor baby's vanaf 6 maanden oud

Het maakt niet zoveel uit waarmee je begint: wat groente, fruit, brood, aardappel, vlees of vis. Het mag allemaal. Begin liever niet met zure of bittere smaken. Anders wordt het verschil met de zoete smaak van borstvoeding of flesvoeding erg groot. Aan een zachte smaak went je kind makkelijker.

Variëren en wennen

Probeer steeds andere dingen te geven. Zo went je baby aan allerlei smaken. Als hij sommige dingen nog niet meteen lekker vindt, probeer dat dan later nog een keer. Misschien lukt het dan wel. Je baby moet ook wennen aan de structuur van het eten.

Is je baby nog geen 6 maanden?

Sommige kinderen hebben al eerder behoefte aan bijvoeding. Denk jij dat je kindje wel toe is aan hapjes voor hij 6 maanden oud is? Maakt je kind bijvoorbeeld steeds smakkende geluidjes? Dan kan het eerder tijd zijn voor vaste voeding, maar dat hoeft niet. Vraag daarom eerst advies aan je consultatiebureau voordat je een kind jonger dan 6 maanden vaste voeding geeft.

Gezonde voeding is belangrijk. Maar geef je kind in ieder geval nog geen:

  • Gluten. Dit is eiwitten in graan. Gluten zit onder andere in brood, koekjes, pasta, pap en tarwemeel. Sommige kinderen worden ziek van gluten. Als zij gluten krijgen voordat ze 6 maanden oud zijn, dan kunnen ze een heftige reactie krijgen. Wacht daarom met gluten totdat je kind een half jaar oud is.
  • Nitraatrijke groenten. Bijvoorbeeld andijvie, bleekselderij, Chinese kool, koolrabi, paksoi, postelein, raapstelen, rode bieten, slasoorten, spinazie, spitskool en venkel. Tijdens het opwarmen en bewaren van groente kan nitraat veranderen in nitriet. Jonge kinderen kunnen van nitriet moeilijkheden krijgen met hun ademhaling.
  • Zout. Gebruik geen zout als je de groenten kookt. De nieren van kleine kinderen kunnen dit nog niet zo goed verwerken en dat kan later leiden tot een verhoging van de bloeddruk.

Op welke momenten geef je bijvoeding?

Je geeft de bijvoeding tussen de melkvoedingen door. Ze zijn echt extra en komen niet in de plaats van borstvoeding of flesvoeding (kunstvoeding). Het kan zijn dat je baby dan iets minder gaat drinken. De melkvoedingen blijven het belangrijkste tot je kind ongeveer 8 maanden oud is.

Maak je het zelf?

Je kunt de bijvoeding zelf maken of je kunt het kant-en-klaar in potjes kopen. Als je zelf kookt, zorg er dan voor dat alles gaar is en maal of prak het fijn. Je kunt ook meerdere porties tegelijk maken en het dan invriezen. Langzamerhand hoef je het steeds minder fijn te maken. Je kindje moet natuurlijk ook leren kauwen. Zelfgemaakt eten is dus beter voor zijn smaakontwikkeling én voor zijn mondspieren.

Meer informatie over bijvoeding vind je op de website van het Voedingscentrum.

Vaste voeding

Na een maand of 6 kan je baby langzamerhand vaste voeding gaan eten. Je kunt nu al beginnen met allerlei soorten voeding. Wanneer je zoveel mogelijk verschillende dingen uitprobeert, went je baby aan allerlei smaken. Maar pas wel goed op, baby's mogen nog niet alles eten.

Vanaf 6 maanden

Je baby krijgt nu nog borstvoeding of opvolgmelk. Je kunt beginnen met oefenhapjes. Het eerste hapje is vaak een geprakt groente- of fruithapje, of pap met een lepel. Wat kleine stukjes brood zonder korst, een beetje geprakte aardappel, rijst of bijvoorbeeld een hapje gemalen vlees of vis kan ook.

Als je kind nog geen 6 maanden oud is, kun je hem beter geen voeding geven waar gluten in zit, zoals brood, papgranen, pasta en koekjes die als basis harde tarwe hebben. Kinderen kunnen intolerant zijn voor gluten.

Pap

Je kunt pap maken met warme opvolgmelk. Je kunt het best beginnen met fijnere soorten papgranen, zoals meel of bloem. Later kun je de wat grovere soorten gebruiken. Je kunt pap in een fles geven, maar je kunt het ook eens proberen met een lepeltje. Je kind kan hierdoor leren kauwen.

Vanaf 7 maanden

Je kind krijgt nog volledige melkvoeding en hij krijgt kleine oefenhapjes. Je kunt er nu ook een broodkorst bij geven. Zo leert je kind kauwen, ook als hij nog geen tanden en kiezen heeft. Hij bijt en sabbelt met z’n kaken. Dat is goed voor zijn mondspieren. Verder ga je gewoon door met de kleine oefenhapjes. Prak ze iets minder fijn.

Broodbeleg

Je kunt een klein stukje brood besmeren met margarine. Je hoeft nog niet meteen beleg te geven, maar het kan wel. Geef dan bijvoorbeeld jam, appelstroop, kwark of vruchtenmoes.

Vanaf 8 tot 10 maanden

Vanaf 8 tot 10 maanden kun je je kind minder melkvoeding geven en meer vaste voeding. Je kind gaat nu echt maaltijden eten. Dus je gaat melkvoedingen vervangen.

Warme maaltijd

Een voorbeeld van een maaltijd is een groentehapje met aardappel, rijst en een beetje vlees of vis. Kook, bak of stoof het wel goed gaar. Prak het hapje met een vork.

Voeg aan de maaltijd eventueel een theelepel olie of een klontje zachte margarine toe. Onverzadigde vetten zijn goed voor je kind en het maakt het eten ook wat smakelijker. Het is beter om geen zout aan het eten van je baby toe te voegen, omdat de nieren van kinderen jonger dan 1,5 jaar nog niet zo goed werken.

Misschien lust je kind ook een toetje, bijvoorbeeld een beetje magere yoghurt. Maar je kunt ook borstvoeding geven als toetje of als besluit van de dag.

Tussendoortjes

Het is beter om je kind tussendoor niet te veel te laten eten. Hij moet immers genoeg eetlust overhouden voor de maaltijden. Je kunt het beste op een vast moment iets tussendoor geven. Je kind leert dat het alleen op die tijden iets krijgt. Gezonde tussendoortjes zijn bijvoorbeeld: fruit, een soepstengel, rozijntjes, kleine tomaatjes, een wortel of stukjes komkommer.

Gezonde voeding

Als je baby nog maar net geboren is, heeft hij de eerste tijd niet meer nodig dan borst- of kunstvoeding. Daar zitten alle voedingsstoffen in die hij de eerste 6 maanden nodig heeft, behalve vitamine D en K.

Na 6 maanden

Je moet je baby andere voeding erbij geven, zodra hij 6 maanden is. In moedermelk of kunstvoeding zitten dan niet genoeg voedingsstoffen meer. Je kunt beginnen met kleine hapjes fijngemaakt fruit of groente of pap. Het is goed als je langzamerhand steeds meer afwisseling brengt in het menu. Zo leert hij nu al verschillende smaken waarderen.

Na 1 jaar

Je kind kan vanaf 1 jaar met het gezin mee eten. Als hij nu al gezonde eetgewoontes aanleert, heeft hij daar later veel aan. Hoeveel je kind nodig heeft, is heel verschillend. Soms eet je kind misschien een tijdje heel veel en dan weer wat minder. Dat is heel gewoon. Als je kind goed groeit en actief is, hoef je je geen zorgen te maken.

Wat mogen baby's nog niet eten?

Baby's mogen nog niet alles eten. Of in ieder geval nog niet voordat hij 1 jaar oud is.

Zout

Zout is slecht voor de nieren van je kind. Voeg dus liever geen zout toe aan het eten. En geef je kind ook geen producten waar al veel zout in zit. In ieder geval niet totdat je kind 12 maanden oud is, maar het liefst zo lang mogelijk.

Smeerkaas

Geef niet meer dan 1 of 2 boterhammen met zoutarme smeerkaas per week. In gewone smeerkaas zit te veel zout.

Melk

Je kunt je kind het best borstvoeding of opvolgmelk geven. Wacht met het geven van gewone koemelk tot je kind 12 maanden oud is. Gewone melk bevat te weinig ijzer en goede vetten voor kinderen van die leeftijd.

Een beetje magere yoghurt als toetje kan wel, zolang borstvoeding of opvolgmelk maar de grootste melkbron blijft.

Brood en graanproducten

Geef je je kind op advies van het consultatiebureau vaste voeding voor hij 6 maanden oud is? Geef dan nog geen gluten. Dit zijn eiwitten in graan, ze zitten dus in brood, koekjes, pasta, pap en andere graanproducten. Sommige kinderen worden ziek van gluten. Ze zijn er dan overgevoelig voor. Ze kunnen een heftige reactie krijgen als ze gluten krijgen voor ze 6 maanden oud zijn. Wacht daarom met gluten totdat je kind 6 maanden oud is.

Honing

In honing zitten bacteriën waar jonge kinderen erg ziek van kunnen worden. Geef je kind dus geen honing voor hij 12 maanden oud is.

Leverworst

Kinderen van 6 tot 12 maanden oud mogen niet meer dan 1 of 2 boterhammen met (smeer)leverworst per week. Er zit namelijk veel vitamine A in. Te veel vitamine A kan schadelijk zijn voor de gezondheid van je kind.

Nitraatrijke groenten

Pas op met 'nitraatrijke groenten', zoals: spinazie, andijvie, bietjes, bleekselderij, sla, venkel en paksoi. Nitraat kan veranderen in nitriet als het verwarmd wordt. Nitriet is schadelijk voor de gezondheid van jonge kinderen. Geef je kind vanaf 6 maanden oud niet vaker dan 2 keer per week nitraatrijke groenten.

Vis

Combineer nitraatrijke groenten niet met vis. Geef ook geen rauwe of voorverpakte gerookte vis. Hierin kunnen ziekmakende bacteriën zitten.

Vlees

In rauw vlees (en rauwe vis) zitten ziekmakende bacteriën. Je kunt je kind daarom beter geen rauw vlees geven, zoals: ossenworst, fliet américain, carpaccio of niet-doorbakken tartaar.

Schijf van Vijf

Om gezond te eten, is de 'Schijf van Vijf' van het Voedingscentrum een handig hulpmiddel. Dit is een combinatie van 5 uitgangspunten en 5 vakken. 

De vakken uit de Schijf van Vijf

Elk vak uit de Schijf van Vijf bevat vergelijkbare producten. Kies liefst elke dag producten uit alle vakken en varieer zo veel mogelijk.

  • Groente en fruit.
  • Brood, granen, aardappelen, rijst, pasta en peulvruchten.
  • Zuivel, vlees(waren), vis, ei en vleesvervangers.
  • Vetten en olie.
  • Dranken.

Eet zoveel mogelijk groenten en fruit, voldoende brood, zo weinig mogelijk verzadigd vet en niet teveel zout. Het Voedingscentrum raadt ook aan om 2 keer per week vis te eten, waarvan een keer per week vette vis.

Uitgangspunten

Wil je gezond eten, let dan op de volgende uitgangspunten.

  • Eet gevarieerd.
  • Eet niet te veel en beweeg.
  • Eet minder verzadigd vet.
  • Eet veel groente, fruit en brood.
  • Eet veilig.

Hoe kies je?

Binnen de groepen vergelijkbare producten kun je kiezen uit 3 categorieën. Het Voedingscentrum heeft hiervoor een keuzetabel. Sommige keuzes zijn minder gezond dan andere. Door vaak uit de categorie 'bij voorkeur' te kiezen, heb je een andere keer de ruimte om iets uit de categorie 'bij uitzondering' te kiezen.

Hoeveel kies je?

Het Voedingscentrum heeft voor verschillende leeftijdscategorieën tabellen gemaakt met de hoeveelheden die worden aanbevolen om per dag te eten.

Extra vitamines

In onze voeding zitten in principe alle vitamines en mineralen die we nodig hebben. Door je baby gevarieerd te laten eten, zal hij van de meeste vitamines voldoende binnenkrijgen.

Vitamine K

Baby's hebben de eerste 3 maanden na de geboorte extra vitamine K nodig. Vitamine K zorgt voor een goede bloedstolling. Van vitamine K heeft een baby 150 microgram per dag extra nodig. Aan kunstvoeding wordt vitamine K toegevoegd. Als je kind minimaal 500 ml kunstvoeding op een dag krijgt, heeft hij geen extra vitamine K nodig.

Vitamine D

Kinderen tot 4 jaar hebben extra vitamine D nodig, omdat ze niet genoeg binnenkrijgen via hun voeding. Vitamine D is goed voor de botten. Het Voedingscentrum adviseert om je kind dagelijks 10 microgram vitamine D te geven. Geef je kind elke dag 10 microgram vitamine D extra, ongeacht de hoeveelheid vitamine D die al is toegevoegd aan de flesvoeding. Vitamine D kun je in verschillende doseringen en toedieningsvormen krijgen bij de drogist of de apotheek.

Als je borstvoeding geeft, heb je zelf ook extra vitamine D nodig.

Vegetarisch

Wanneer je zelf gewend bent vegetarisch te eten, kun je dat gewoon blijven doen als je kinderen krijgt. Als je je kind maar gezonde voeding geeft en erop let dat hij voldoende ijzer en vitamine B12 binnenkrijgt.

Wat geef je in plaats van vlees?

Je kunt in plaats van vlees allerlei plantaardige producten gebruiken, zoals: ei, tofu, peulvruchten en kant-en-klare vegetarische vleesvervangers. In deze producten zit ook ijzer. In quorn en kaas zit maar weinig ijzer en ze zijn daarom geen volwaardige vleesvervanger. Er zit bovendien veel verzadigd vet in kaas. Denk er wel aan dat het product voor je baby niet te veel zout mag bevatten. Wacht liever nog even met het geven van tempé en seitan tot je kind 1 jaar oud is: tempé is heel vezelrijk en seitan heel zout.

Vitamine B12 haal je alleen uit dierlijke producten. Het is verstandig om je kind voldoende melk en melkproducten te geven, omdat een tekort aan vitamine B12 leidt tot een vorm van bloedarmoede.

Hoe krijgt je kind voldoende ijzer binnen?

Het opnemen van plantaardig ijzer gaat minder gemakkelijk dan ijzer uit dierlijke producten. Vitamine C stimuleert de opname van plantaardig ijzer. Het is daarom verstandig om bij elke maaltijd ook groente of fruit of een beetje sinaasappelsap te geven. Verder komt ijzer ook voor in brood, graanproducten en peulvruchten.

Veganistisch

Als je veganistisch eet, dan laat je alle dierlijke producten weg, dus ook eieren en zuivelproducten.

Wat eet je kind?

Het is een lastige keuze of je je kind ook veganistisch wilt laten eten als hij begint met vaste voeding. Je loopt een grote kans dat je kind een tekort aan bepaalde voedingsstoffen krijgt. Het is met name moeilijk om voldoende vitamine B12, calcium en vitamine B1 en B2 binnen te krijgen als je de dierlijke producten weglaat.

Vitamine B12

Vitamine B12 komt bijna alleen voor in dierlijke producten. Het zit ook in enkele wieren en in gistextract. De B12 uit wieren kan je lichaam niet opnemen en de B12 uit gistextract levert niet voldoende. Je kunt daarom het beste kiezen voor een vitaminepreparaat met B12.

Calcium en vitamine B1 en B2

Je kind heeft calcium nodig voor sterke botten en een goed gebit. Je kunt het best je kind veel producten geven waaraan calcium is toegevoegd, zoals: sojamelk, tahoe, mineraalwater en vruchtensap. In sojamelk wordt vaak ook vitamine B2 aan toegevoegd en is in allerlei smaken verkrijgbaar. Vitamine B1 komt behalve in dierlijke producten ook veel voor in brood en graanproducten, aardappelen en groente.

Het is belangrijk om te weten dat je kind de benodigde voedingsstoffen in voldoende mate binnenkrijgt. Dat gaat meer spelen naar mate je kind minder kunstvoeding (flesvoeding) of borstvoeding krijgt. Een diëtist kan je hierbij helpen.

Leverworst

Welke belegsoorten zijn geschikt voor zuigelingen vanaf een half jaar?

Leverproducten zoals (smeer)leverworst zijn rijk aan vitamine A (retinol). Dit is een vetoplosbaar vitamine en komt van nature voor in vlees en vleeswaren, zuivelproducten, vis en eidooier. Daarnaast zit het als toevoeging in margarine, halvarine en bak- en braadproducten.

Vitamine A

Het advies is 1 tot 2 boterhammen met smeerleverworst per week voor kinderen in de leeftijd van 6 tot 12 maanden. In lever zit heel veel vitamine A. Van deze vitamine mag je kind niet te veel binnenkrijgen, want dat kan schadelijk zijn.

Naarmate kinderen ouder worden stijgt de behoefte aan vitamine A slechts langzaam. Kinderen van 1 tot 3 jaar mogen niet meer dan 2 tot 3 boterhammen met smeerleverworst eten per week.

Niet te veel!

Als je net begint met vaste voeding is (behalve een beetje margarine) meer beleg op brood nog niet echt nodig. Fruit is ook lekker als broodbeleg, geprakt of in kleine stukjes. Hartig beleg is niet beter dan zoet beleg. In kaas en vleeswaren zit vooral ongezond vet. Kies daarom voor de magere soorten, bijvoorbeeld 20+ kaas of een plakje kipfilet.

Voedselallergie

Sommige kinderen die geboren worden, hebben een kans op het krijgen van voedselallergie.

Wat is een voedselallergie?

Bij een voedselallergie maakt het afweersysteem antistoffen aan tegen eiwitten die in de voeding voorkomen. Deze eiwitten worden ook wel allergenen genoemd. Ze zorgen voor allergische reacties bij je kind. Onder andere koemelk, ei, pinda's en noten bevatten allergenen die soms allergische reacties veroorzaken.

Erfelijke aanleg

Heb je zelf, je partner of andere kinderen in het gezin een voedselallergie? Dan heeft je ongeboren kind ook een verhoogd risico.

Borstvoeding

Moedermelk is de beste voeding voor kinderen met een verhoogd risico op voedselallergie. Borstvoeding zorgt ervoor dat het maagdarmkanaal goed groeit en rijpt. Er zitten immuunstoffen in. Die immuunstoffen zorgen voor meer weerstand. Mocht borstvoeding niet lukken, dan kun je overgaan op 'hypoallergene flesvoeding'. Dat zorgt ervoor dat je kind minder kans heeft op het krijgen van koemelkallergie.

Allergie door borstvoeding

Heel soms krijgt een baby een allergische reactie van voedingsmiddelen die je als moeder eet en die daardoor in de moedermelk terechtkomen. Heeft je baby last van bijvoorbeeld kolieken (hevige, krampachtige pijn), diarree, eczeem of benauwdheid? Dan kan dit een allergische reactie zijn. Vraag in dat geval altijd eerst het consultatiebureau, je huisarts of de diëtist om advies.

Meer tips!

  • Naast het geven van borstvoeding is het belangrijk dat je niet rookt tijdens je zwangerschap. Ook na de geboorte van je baby, is het beter dat er niet gerookt wordt in de buurt van de baby.
  • Denk je dat je kind overgevoelig is voor eten? Doe dan een test bij je huisarts of het consultatiebureau.
  • Rond de leeftijd van 6 maanden beginnen kinderen met een allergie voor koemelk met eerste hapjes zoals fruit- of groentehapjes of brood. Neem contact op met het consultatiebureau of je huisarts als je denkt dat je kind ook voor een nieuw voedingsmiddel allergisch is.

Voedingsmiddelen

Voedselallergenen die de meeste overgevoeligheidsreacties veroorzaken zijn:

  • glutenbevattende granen, zoals tarwe, rogge, gerst, haver, spelt en kamut. Di zit bijvoorbeeld in brood, koekjes, pasta's en pap;
  • ei;
  • vis;
  • noten en pinda's;
  • soja
  • melk
  • schaaldieren en weekdieren;
  • selderij;
  • mosterd;
  • sesamzaad;
  • sulfiet;
  • lupine.

Koemelk

Krijgt je kind flesvoeding? En heeft hij rode bultjes of rode plekken op zijn huid? Of heeft hij veel last van zijn darmen? Dan heeft hij misschien koemelkallergie. Als je denkt dat je kind niet tegen koemelk kan, ga dan altijd naar je huisarts of het consultatiebureau.

Je ontdekt een koemelkallergie meestal voordat je kind 1 jaar is. De kans is groot dat hij weer tegen koemelk kan als hij 1 jaar is. Bij de meeste kinderen is de koemelkallergie helemaal weg als ze 5 jaar zijn. Vraag aan je huisarts of het consultatiebureau wanneer je weer koemelk kunt uitproberen bij je kind.

Intolerantie

Sommige kinderen zijn overgevoelig voor bepaalde voedingsmiddelen. Er is dan geen sprake van allergische reacties, maar het lichaam reageert wel op bepaalde voedingsmiddelen. Bekende vormen van intolerantie zijn lactose-intolerantie en glutenintolerantie.

Lactose-intolerantie

Bij lactose-intolerantie is er in de darmen een tekort aan het enzym lactase. Lactase is nodig voor het verteren van lactose, een melksuiker dat in koemelk en moedermelk zit. Het onverteerde lactose geeft soms klachten, zoals: overgeven, diarree, winderigheid en buikpijn.

Lactose in moedermelk

Het komt voor dat baby's vanwege lactose-intolerantie geen moedermelk verdragen. Gelukkig is dit maar zeer zelden het geval. Je kunt het best met je baby naar de huisarts of het consultatiebureau gaan, als je vermoedt dat je baby hier last van heeft. Heeft de kinderarts de diagnose lactose-intolerantie gesteld, dan kan een diëtist je adviseren over een goede vervangende voeding voor je baby.

Glutenintolerantie

Gluten is een eiwit dat voorkomt in granen zoals tarwe, rogge, haver en gerst. Gluten zitten in:

  • brood;
  • pasta (zoals macaroni en spaghetti);
  • koekjes;
  • pap die gemaakt is van tarwe.

Bij kinderen met een glutenintolerantie wordt de dunne darm beschadigd en werkt hierdoor minder goed. Als je baby op vast voedsel overgaat, waaronder brood en pap, dan kun je gaan merken of je kind glutenintolerantie heeft. De klachten kunnen variëren van diarree tot onvoldoende groei.

Glutenvrij dieet

Een kinderarts kan na een aantal onderzoeken vaststellen of er sprake is van een glutenintolerantie. Glutenintolerantie wordt ook wel coeliakie genoemd. De enige remedie tegen coeliakie is een glutenvrij dieet. Een diëtist kan je helpen om voeding te kiezen die geen gluten bevat. Het Voedingscentrum heeft lijsten van merkartikelen die je kunt gebruiken om levensmiddelen te selecteren, waar je kind geen last van krijgt.

De diëtist

Als je kind misschien een voedselallergie of een intolerantie heeft dan is het nodig eerst te achterhalen waar je kind precies overgevoelig voor is.

Onderzoek

Als je baby borstvoeding krijgt, dan volg je zelf (onder begeleiding) 4 weken een dieet zonder melk, ei en soja. Soms worden nog meer voedingsmiddelen weggelaten. Als je baby kunstvoeding (flesvoeding) krijgt, dan wordt dat 4 weken lang vervangen door een dieetvoeding.

Als na 4 weken de klachten zijn verminderd, volgt een test met de voeding die je kind eerst kreeg. Komen de klachten weer terug, dan kan de oorzaak een voedselallergie zijn.

Deze test kan alleen worden gedaan onder begeleiding van het consultatiebureau, de huisarts of de diëtist.

Afspraak met diëtist

Met vragen over een dieet voor jezelf kun je een afspraak maken bij een diëtist. Als je baby jonger is dan 6 maanden kun je met vragen bij het consultatiebureau terecht. Als je baby ouder is dan 6 maanden, kan een diëtist altijd samen met jou bekijken welke voeding je baby nodig heeft. Dit geldt ook als je kind allergisch reageert als hij begint met vast voedsel.

Let op! Ga zeker niet op eigen houtje voedingsmiddelen weglaten. Doe dat alleen in overleg met de jeugdgezondheidszorg of een diëtist. Het risico bestaat dat je baby anders voedingstekorten krijgt.

Genotmiddelen

Het kan gevaarlijk zijn om genotmiddelen te gebruiken waar je kind bij is. Het is belangrijk dat je weet wat de gevaren zijn en hoe je je kind kunt beschermen.

(Mee)roken

Rook niet in een ruimte waar je kind bij is. Dit levert directe schade op voor zijn gezondheid.

Alcohol

Je kunt beter geen alcohol drinken, als je nog borstvoeding geeft. En natuurlijk geldt altijd dat je ook voor je eigen gezondheid maat moet houden. Een ouder die te veel drinkt, is niet goed in staat om de nodige verantwoordelijkheid voor zijn kind te dragen.

Meeroken

Als je zelf niet rookt, maar de rook van een sigaret of sigaar inademt, rook je mee.

Meeroken is schadelijk

In tabaksrook zitten giftige stoffen. Daarom is meeroken ongezond. Voor baby's en kinderen is het extra slecht als ze meeroken. Dat komt doordat hun lichaam nog in ontwikkeling is. Ze ademen ook sneller dan volwassenen. Daardoor komen er meer schadelijke stoffen in hun lichaam.

Hoe bescherm je je kind tegen meeroken?

Rook niet in een ruimte waar je kind bij is. Dit levert directe schade op voor zijn gezondheid. Je kind kan bijvoorbeeld sneller last hebben van oorontsteking, luchtweginfecties en benauwdheid. Ook wordt de kans op wiegendood groter.

  • Als je nog borstvoeding geeft, kan je beter niet roken, omdat de schadelijke stoffen in de moedermelk terecht komen. Rook in ieder geval 2 uur voor de voeding niet meer. Het nicotinegehalte in de melk is dan het laagst.
  • Rook niet in je eigen huis. En laat je bezoek ook niet binnen roken.
  • Spreek met de oppas duidelijk af dat hij of zij bij jou thuis en bij jouw kind niet rookt.
  • Ga je langs bij vrienden die roken? Vraag dan van tevoren of ze niet willen roken waar je kind bij is.
  • Houd ook de auto rookvrij. De auto is maar een kleine ruimte. Je hebt dus snel veel schadelijke stoffen. En een raampje openzetten is dan niet voldoende.
  • Roken onder de afzuigkap haalt maar een deel van de rook weg. Met roken onder de afzuigkap bescherm je je baby dus niet voldoende.

Op de website van Stivoro vind je meer informatie en tips.

Drank

Als je borstvoeding geeft, drink dan geen alcohol. Alcohol komt in de borstvoeding terecht en je baby drinkt het dus ook. Dat is absoluut niet goed voor zijn ontwikkeling. Ook komt de melkproductie moeilijker op gang als je vaak alcohol drinkt. En de hoeveelheid melk wordt minder. Als de baby minder voeding binnenkrijgt, groeit hij soms onvoldoende.

Let op: Het is niet waar dat een speciaal bruin bier goed is voor de moedermelk! Alle alcohol is slecht voor moedermelk.

Wil je toch alcohol drinken? Neem dan maar 1 glas, meteen na een voeding. Wacht daarna 3 uur met de volgende voeding. Alcohol heeft minimaal 3 uur nodig om af te breken en uit je moedermelk te verdwijnen.

Overmatig gebruik

Voor genotsmiddelen geldt voor je eigen gezondheid natuurlijk dat je maat moet houden. Een ouder die te veel drinkt of bijvoorbeeld slaapmedicatie of drugs gebruikt, is niet goed in staat om de nodige verantwoordelijkheid voor zijn kind te dragen.

Test jezelf

Het is bekend dat mensen die verslaafd zijn zelf vaak niet in de gaten hebben hoe erg ze eraan toe zijn. Als je twijfelt of je verslaafd bent, kun je mensen uit je omgeving eerlijk vragen wat zij van je drank- of drugsgebruik vinden. Je eigen partner is soms niet altijd eerlijk. Dat klinkt misschien gek, maar partners raken vaak gewend aan het verslavingspatroon, waardoor ze er een blinde vlek voor ontwikkelen.

Als je vermoedt dat je misschien teveel drinkt, kun je de drinktest van het Trimbos-instituut invullen.

Klachten en verschijnselen

Als je kind ziek is, kun je dat waarschijnlijk wel aan hem zien. Je kunt ook even zijn temperatuur opmeten, om erachter te komen of je kind koorts heeft.

Welke symptomen?

Het is belangrijk dat je goed let op de klachten en verschijnselen die je kind heeft. En dat je weet wat je het best kunt doen. Bijvoorbeeld als je kind darmkrampjes of diarree heeft. Als je kind abnormaal hard of veel huilt, kan er iets aan de hand zijn.

Aardbeienvlek

Wanneer je baby rode vlekjes heeft die bobbelig aanvoelen en bovenop de huid lijken te liggen, heeft hij zogenaamde aardbeienvlekjes. Net als een ooievaarsvlek verschijnt een aardbeienvlek in de eerste dagen na de geboorte. Na het verschijnen kunnen ze nog behoorlijk groeien, van een kleine stip tot een echte vlek.

Bloedvaatjes

Een aardbeienvlek wordt ook wel eens een frambozenvlek genoemd. Net als bij de ooievaarsbeet is er hier sprake van een kluwen bloedvaatjes die zich in de huid hebben opgehoopt. Ook deze opeenhopingen zijn ongevaarlijk, maar dat neemt niet weg dat ze behoorlijk opvallend kunnen zijn. Aardbeienvlekken kunnen behalve in het gezicht en in de hals ook op andere plekken van het lichaam voorkomen.

Vlekken weghalen

Een gedeelte van deze vlekken verdwijnt al naar 6 maanden. Het kan ook zijn dat de vlekken pas na het vijfde jaar van je kind helemaal weg zijn. In weer andere gevallen gaan de vlekken helemaal niet weg. Omdat de vlekken vaak op duidelijk zichtbare plekken zitten en met je kind meegroeien, kun je besluiten om een hardnekkige vlek weg te laten halen (als ze niet vanzelf weggaan). Dit is een simpele en in principe ongevaarlijke schoonheidsoperatie.

Abnormaal huilen

Een baby kan huilen om veel redenen. Huilen is de enige manier voor een baby om te laten merken dat er iets aan de hand is. Geef er daarom zeker aandacht aan. Als je baby 'normaal huilgedrag' heeft, kun je eerst de meest voor de hand liggende oorzaken proberen uit te sluiten.

Normaal huilen

Als je baby in korte, forse stoten huilt met een geluid dat niet onaangenaam is om te horen, dan kan je kind honger of dorst hebben. Maar je kind kan ook last hebben van de kou, buikkrampjes of kwaadheid.

Huilt je baby langgerekt of zeurderig? Dan kan hij last hebben van fysiek ongemak, zoals doorbrekende tandjes, luieruitslag of een vuile luier. Maar het kan ook zijn dat je kind last heeft van psychisch ongemak, zoals graag aandacht en stimulatie willen.

Als je baby vaak en langdurig huilt met monotoon geluid, dan kan het zijn dat je een huilbaby hebt. Maar het kan ook zijn dat je kind een (voedsel)allergie heeft of een ander chronisch probleem.

Abnormaal huilen

Let goed op de manier waarop je baby huilt. Merk je 'abnormaal huilgedrag' bij je baby? Vraag dan zo snel mogelijk advies van je huisarts. Je baby heeft waarschijnlijk medische hulp nodig!

  • Kreunend. Je baby kan uitgeput of ernstig ziek zijn.
  • Met een zwak geluid. Je baby voelt zich ziek of hij heeft buikpijn. Maar je kind kan ook hees zijn door een keelontsteking. Let ook op andere aspecten van het huilen om de precieze oorzaak te achterhalen.
  • Zonder tranen. Je baby heeft last van uitdroging.
  • Eerst zonder geluid en zonder ademhalen, daarna krijsend. Je baby heeft waarschijnlijk een ernstige verwonding.
  • Schel, diep of met grof geluid. Je baby is ernstig ziek, heeft buikpijn of hoofdpijn.
  • Onaangenaam. Het kan zijn dat je baby een genetische afwijking heeft of er is sprake van een andere dieperliggende medische oorzaak.

Bloedarmoede

Als je kind bloedarmoede heeft, dan zit er te weinig zuurstof in zijn bloed. Daardoor is er ook te weinig zuurstof in de organen en weefsels, waardoor je kind zich snel moe en uitgeput voelt.

Hoe ontstaat bloedarmoede?

Bloedarmoede ontstaat bijvoorbeeld door een hevige bloeding, bijvoorbeeld door een ongeval of door hevige menstruatie. Er is dan letterlijk eventjes te weinig bloed in het lichaam. Andere oorzaken kunnen zijn dat het lichaam te weinig rode bloedcellen aanmaakt, bijvoorbeeld door een tekort aan ijzer of aan vitamine B12. Maar het kan ook zijn dat het lichaam de rode bloedcellen te snel afbreekt. En ten slotte is het mogelijk dat er iets mis is met de hemoglobine in het bloed. Hemoglobine is een ijzerhoudend eiwit dat in de rode bloedcellen zit. Het zorgt voor het zuurstoftransport in het lichaam.

Wat zijn de symptomen van bloedarmoede?

Als je kind bloedarmoede heeft, dan voelt je kind zich snel moe en uitgeput. Je kind voelt zich waarschijnlijk ook snel duizelig. Je kind krijgt een bleke huid en heeft last van oorsuizingen, kortademigheid en hartkloppingen.

De behandeling van bloedarmoede

Allereerst is het belangrijk dat de huisarts met een onderzoek aantoont of je kind inderdaad bloedarmoede heeft. De behandeling hangt af van de oorzaak van de bloedarmoede. Maar meestal lukt het om via bepaalde voeding met extra ijzer of met vitamine B12 het zuurstoftekort in het bloed weer op peil te brengen. Zoals vlees, pure chocolade, kiwi's en cashewnoten.

Buikpijn

Baby's kunnen veel last hebben van darmkrampjes.

Borstvoeding

Bij borstvoeding kunnen de darmkrampjes veroorzaakt worden doordat de moeder iets heeft gegeten waar de baby (nog) niet goed tegen kan. Voorbeelden hiervan zijn alle koolsoorten, spruitjes, ui en paprika.

Flesvoeding

Baby’s die kunstvoeding (flesvoeding) of borstvoeding krijgen, kunnen ook allergisch zijn voor koemelk of een bestanddeel daarvan. Het gevolg is dat zij veel last hebben van darmkrampen.

Vaste voeding

Als baby’s op vaste voeding overgaan, moeten hun darmen vaak wennen aan de nieuwe voeding. Dit kan ook weer buikpijn veroorzaken.

Ontlasting

Buikpijn bij baby’s kan ook veroorzaakt worden door harde en pijnlijke ontlasting.

Darmkrampjes

Vanaf de derde week tot aan de 3e of 4e maand is het heel normaal dat je baby last van darmkrampjes heeft. Of je nu borstvoeding of flesvoeding (kunstvoeding) geeft, maakt niet uit.

Oorzaken

De darmpjes zijn nog niet helemaal ontwikkeld en veroorzaken last bij de baby na het eten. Je kind laat dat merken door even na de voeding hard en ontroostbaar te huilen en met de beentjes te trappen. Ook teveel voeding per dag of teveel voeding ineens kan last veroorzaken. Evenals te gulzig drinken waardoor veel lucht meekomt.

Wat kun je doen?

  • Eet geen gekruid voedsel als je borstvoeding geeft.
  • Laat je kind rustig drinken. Neem de tijd voor de voeding en laat halverwege de voeding een boertje doen. En neem ook achteraf ruim de tijd om je baby te laten boeren.
  • Zorg ervoor dat de speen van de fles gevuld blijft, zo voorkom je dat er teveel lucht mee wordt gehapt.
  • Masseer je baby's buikje met ronde bewegingen in de richting van de klok (zo lopen de darmpjes namelijk). Leg hem daarbij bijvoorbeeld met zijn rug op je knieën. Wat ook vaak werkt is de houding waarbij hij juist met zijn buikje op je onderarm en hand ligt terwijl je hem met je andere hand zijn ruggetje masseert.
  • Draag je baby of houdt hem vast in de 'ronde houding', dat wil zeggen met opgetrokken knietjes en een beetje een rond ruggetje. Als je je baby in een hangmatje legt heeft dat hetzelfde effect omdat je kind dan vanzelf in deze houding blijft liggen.
  • Maak de flesvoeding (kunstvoeding) aan met mineraalwater in plaats van met kraanwater.
  • Gebruik een warme kruik / kersenpittenkussen (niet te warm, eerst zelf testen!) om het buikje warm te houden.
  • 'Fiets' met de beentjes van je baby.
  • Inbakeren helpt soms bij huilende baby's in het algemeen.
  • Heeft je kindje last van moeizame ontlasting, verdun de voeding iets meer met water.
  • Er zijn speciale voedingen te koop (voor baby's met allergie of met gevoelige darmpjes bijvoorbeeld), maar ga daar niet zelf mee experimenteren. Raadpleeg eerst je huisarts, consultatiebureau of verloskundige.

Na 3 tot 4 maanden zullen de meeste krampjes vanzelf over gaan omdat de darmpjes dan voldoende ontwikkeld zijn.

Behalve de normale krampjes zijn er natuurlijk ook kinderen die een afwijking of allergie hebben. Ga daarom naar je huisarts of consultatiebureau als je het niet vertrouwt.

Diarree

Diarree is waterige, dunne ontlasting. Als je kind diarree heeft, heeft hij meestal ook last van buikkrampen.

Oorzaken

Diarree wordt meestal veroorzaakt door een virus of een bacterie die het lichaam binnenkomt door bedorven voedsel of besmet water. Het is ook mogelijk dat je kind diarree krijgt als hij voedsel binnenkrijgt waar hij intolerant voor is, bijvoorbeeld voor gluten en lactose. De darmwand raakt ontstoken en geeft meer vocht af dan normaal. Daardoor is de ontlasting zo waterig en dun.

Uitdroging

Baby's moeten vaak overgeven als ze diarree hebben. Soms hebben ze ook koorts. Hierdoor verliezen ze nog meer vocht en daarom is het belangrijk om je kind meer te laten drinken dan normaal. Binnen 24 uur kan je kind uitdrogen.

Wat kun je doen?

Er is geen geneesmiddel tegen diarree. Als je baby blijft overgeven en de diarree niet gestopt is binnen de tijd van 2 voedingen, is het noodzakelijk om de huisarts te waarschuwen. Uitdrogingsverschijnselen kunnen ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid van je kind.

  • Geef je baby een dag geen fruithapje of ander eten.
  • Blijf wel de borst of de fles geven.
  • Geef eventueel extra vocht met ORS.

ORS

ORS zorgt ervoor dat je kind niet uitdroogt als hij diarree of buikgriep heeft. In ORS zitten speciale stoffen die je kind nodig heeft. Het is een poeder dat je oplost in water. Kijk op de verpakking voor de juiste hoeveelheid. ORS koop je bij de drogist of bij de apotheek.

Ga je op vakantie naar een warm land? Neem dan ORS mee. In een warm land krijgt je kind eerder buikgriep of diarree. Meng de ORS in het buitenland altijd met water uit een fles en niet met water uit de kraan.

Direct naar de huisarts?

Bel de huisarts als je baby

  • diarree heeft;
  • daarbij ook nog spuugt;
  • minder dan 2 keer per dag plast.

Je baby is dan misschien uitgedroogd.

Harde ontlasting

Als je kind zijn ontlasting kwijt wil, loopt hij soms rood aan. Meestal heeft hij geen last van verstopping, maar is hij gewoon aan het persen.

Hoe vaak poept je baby?

Geef je borstvoeding? Dan kan je baby 1 tot 9 poepluiers per dag hebben. Maar 1 poepluier per week is ook normaal. Met flesvoeding (kunstvoeding) poept je baby ongeveer 1 tot 3 keer per dag. Vooral met flesvoeding kan je baby last hebben van harde keutels. Je baby gaat meestal minder poepen als hij vast voedsel gaat eten.

Poepluiers zijn altijd weer anders

  • De kleur van de poep is soms zachtgeel, dan weer groen en dan weer bruin.
  • Soms is de poep heel zacht en waterig, soms zitten er wat hardere stukjes in.
  • Poepluiers kunnen ook veranderen door iets wat je zelf hebt gegeten.
  • Is je baby verkouden? Dan slikt hij soms slijm in. En dat zie je terug in zijn poepluiers.

Wat kun je doen?

Poepen kan erg pijn doen. Zit er bloed in de luier? Dan heeft je kind waarschijnlijk een klein wondje of kloofje bij zijn poepgaatje. Smeer dan wat zinkzalf. Soms helpt het om wat extra water bij de voeding te doen. Maar overleg dit eerst op het consultatiebureau.

Er is ook een speciale voeding voor baby’s die een harde ontlasting hebben. Deze melk helpt om wat meer vocht in de darmen vast te houden. Op warme dagen zweet je baby meer. Geef dan meer te drinken.

Koorts

Koorts is nodig om ziektes tegen te gaan. Door de hogere temperatuur gaan virussen en bacteriën eerder dood.

Een hoge temperatuur

De normale temperatuur van een baby is 36,5 tot 37,5 graden. Maar baby’s hebben sneller een hogere temperatuur. Dat komt doordat het temperatuurcentrum in de hersenen nog niet volgroeid is. Je hoeft je niet meteen zorgen te maken.

Wat kun je doen?

Baby’s drogen snel uit! Houd dat goed in de gaten. Laat je kind genoeg drinken als hij koorts heeft. Als hij niet wil drinken, geef hem dan vaker kleine beetjes.

Naar de huisarts?

Bel de huisarts als je baby:

  • nog geen maand oud is en boven de 38 graden koorts heeft;
  • tussen 1 en 3 maanden is en meer dan 38,5 graden koorts heeft;
  • ouder is dan 3 maanden en de koorts 2 of 3 dagen lang boven de 38 graden zit;
  • een beetje suf is;
  • slecht drinkt;
  • snel stijgende koorts heeft die niet wil zakken;
  • ziek is en kreunende geluidjes maakt. Dat is echt een alarmsignaal. Bel je huisarts dan meteen.

Een koortsstuip

Je kind heeft koorts en begint ineens erg met zijn armpjes en beentjes te trekken. Dat kan een paar minuten duren. Soms houdt hij even op met ademen. Daarna is je kind vaak een beetje suf. Dat is een koortsstuip. Het ziet er vervelend uit, maar het is niet schadelijk voor je kind. Het heeft ook niets met epilepsie te maken.

Wat doe je bij een koortsstuip?

  • Blijf rustig.
  • Leg je kind op zijn zij of op zijn buik.
  • Zorg ervoor dat hij niet kan vallen. En dat hij zich niet stoot of bezeert.
  • Bel daarna de huisarts.

Koortslip

Een koortslip is heel erg gevaarlijk voor pasgeboren baby’s! Het afweersysteem van een kleine baby kan niet goed reageren op het herpesvirus. De eerste maanden kan dit virus een ernstige ziekte veroorzaken (herpes neanotorum). Hierdoor kan een baby zelfs hersenletsel oplopen of overlijden.

Een kus geven

Hoe kleiner je baby, hoe gevaarlijker een besmetting is. Laat kraamvisite met een koortslip je baby dus absoluut niet kussen of knuffelen. Vertrouw je het niet als je baby ziek lijkt en er is contact geweest met iemand met koortsuitslag? Neem dan contact op met de huisarts.

Wat kun je doen?

Heb je zelf een koortslip? Zorg er dan voor, dat je je baby niet besmet. Knuffelen en zoenen mag pas weer als je huid helemaal genezen is. Dat geldt dus ook voor je bezoek!

Voordat je je baby oppakt of verzorgt, kun je het risico van een herpesbesmetting verkleinen door:

  • een mondkapje of 'smoeltje' te dragen;
  • je handen extra goed te wassen.

Heb je vaak een koortslip?

Als je vaak een koortslip hebt, moet je altijd voorzichtig zijn. Ook als je geen blaasjes of korstjes hebt. Want dan zit het virus altijd in je. Je kunt je baby dus altijd besmetten! Bespreek dit met je huisarts of het consultatiebureau.

Kort tongriempje

Het tongriempje is het vlies onder de tong. Een strak of te kort tongriempje is een aangeboren afwijking die zo nu en dan voorkomt. Je baby kan door een te strak tongriempje zijn tong niet goed naar voren brengen.

Problemen bij het voeden

Een te kort of te strak tongriempje kan problemen geven bij het voeden, zowel bij borstvoeding als bij het drinken uit een flesje. Je baby kan hierdoor de tepel en tepelhof niet goed in zijn mond nemen om te drinken. Er klinkt een klikkend of smakkend geluid tijdens het voeden als het vacuüm wordt verbroken. Je baby gaat vaak slechter drinken en groeit niet genoeg. En er kunnen tepelkloven ontstaan, ook al leg je je baby goed aan.

Doorknippen van het tongriempje

Bij zulke borstvoedingsproblemen kan het doorknippen van de tongriem in de eerste week een goed effect hebben. De ingreep heeft weinig om het lijf: het duurt niet langer dan 10 à 15 seconden. Een verdoving is niet nodig bij baby’s jonger dan 1 jaar, want het tongriempje heeft maar weinig bloedvaten en zenuwen. Nabloeden komt nauwelijks voor en pijnstillers en antibiotica zijn ook niet nodig. Neem hiervoor contact op met de huisarts. Meestal zal een KNO-arts het tongriempje doorknippen.

Luieruitslag

Luieruitslag (of luierdermatitis) is een rode, geïrriteerde huid op de billetjes van je kind. Door een natte of vieze luier kan de huid gaan irriteren en ontsteken.

Luieruitslag voorkomen

  • Smeer de billetjes na het verschonen eventueel in met een laagje vaseline. Dat beschermt de huid tegen scherpe stofjes uit plas en poep. Er zijn ook andere crèmes die goed beschermen. Vraag hiernaar op het consultatiebureau.
  • Gaat de huid toch open? Smeer dan zinkolie of zinkzalf op de open plekken. Doe dit steeds als je een schone luier om doet. Dat geeft de huid de kans om te herstellen.
  • Laat je baby vaak een paar minuutjes zonder luier liggen. Even in zijn blote billetjes. Zijn huid kan dan goed drogen.
  • Gebruik geen kant en klare billendoekjes met parfum, maar een washandje met water als je baby een gevoelige huid heeft. Dit geeft dan geen extra irritatie van de huid.

Naar de huisarts?

In principe gaat luieruitslag vanzelf over als je bovenstaande adviezen opvolgt. Het kan echter zijn dat de huid begint te ontsteken. Het is dan altijd verstandig om de huisarts om advies te vragen. Waarschijnlijk schrijft de huisarts dan een medicinale zalf of crème voor.

Schimmelinfectie

Breidt de uitslag zich ondanks alle zorgen uit? Dan heeft je kind misschien een schimmelinfectie. Ga daarmee altijd naar je huisarts.

Mongolenvlek

Baby’s met een donkere huidskleur kunnen zogenaamde mongolenvlekken hebben. Een mongolenvlek is een blauwzwarte, grijs grauwe of soms donkerbruine goedaardige pigmentvlek met golvende grenzen en een onregelmatige vorm. De vlekken doen denken aan een blauwe plek en zitten vaak op de onderrug en op de billen van je kind. Ze zijn echter volkomen onschadelijk en verdwijnen vanzelf.

Goedaardige vlek

Een mongolenvlek is een goedaardige 'moedervlek' die al tijdens de geboorte of snel na de geboorte zichtbaar is. De term werd voor het eerst gebruikt door een Duitse hoogleraar in 1885 die de moedervlek waarnam bij Japanse baby’s. Hij beweerde toen dat de moedervlek kenmerkend is voor het Mongolische ras. Een mongolenvlek heeft dus geen enkel verband met een 'mongooltje' oftewel het Downsyndroom!

Aziatische en donkere kinderen

Mongolenvlekken worden gezien bij 80 tot 100 procent van alle Aziatische en donkere kinderen. Ook zou de moedervlek bij 1 tot 15 procent van blanke kinderen zijn gezien. Mongolenvlekken komen vaker voor bij jongens. De meeste mongolenvlekken verdwijnen spontaan.

Hoe ontstaat een mongolenvlek?

De ontstaanswijze van mongolenvlekken is nog onduidelijk. Onder de microscoop kunnen we in een mongolenvlek klompjes pigmentcellen zien die zich diep in de huid bevinden. Pigmentcellen bepalen de huidskleur van je kind. Gedurende de ontwikkeling van je kind tijdens de zwangerschap, verplaatsen pigmentcellen zich naar de opperhuid om zich daar permanent te nestelen. Waarschijnlijk vindt er op bepaalde plaatsen in de huid een soort vertraging van de pigmentcellen plaats, waardoor de huidskleur pas in de eerste levensjaren voltooid wordt.

Mongolenvlekken verdwijnen vanzelf

Een mongolenvlek zal in de meeste gevallen spontaan verdwijnen. De vlek wordt eerst donkerder in het eerste levensjaar. In het tweede levensjaar bereikt de vlek haar maximum grootte en verdwijnt dan geleidelijk in de eerste 7 levensjaren. Tegen de leeftijd van 10 jaar zijn de meeste mongolenvlekken verdwenen. Bij 3 tot 4 procent van de kinderen zullen de mongolenvlekken niet verdwijnen; de oorzaak hiervoor is onbekend.

Wat kun je doen?

Er bestaan geen maatregelen die je zelf kunt treffen om het natuurlijk beloop van een mongolenvlek te beïnvloeden. Mongolenvlekken hoeven niet behandeld te worden.

Ooievaarsbeet

Ongeveer de helft van de baby’s wordt geboren met kleine roze of rode vlekken op de huid. Deze vlekken zijn vaak grillig gevormd en bevinden zich op het gezicht, meestal op de neus, op de oogleden of in de nek. Dit zijn kleine huidaandoeningen die in de meeste gevallen onschadelijk zijn en vanzelf verdwijnen. In de medische wereld wordt een onderscheid gemaakt tussen een aantal van deze geboortevlekken.

Rozerode vlek

Een ooievaarsbeet is een rozerode vlek, die een paar dagen na de geboorte duidelijk zichtbaar wordt. Meestal heeft je baby meerdere van deze vlekjes bij elkaar. Er kan een groepje vlekjes verschijnen op het voorhoofd van je kindje, op de bovenste oogleden of in de haargrens op het achterhoofd. De vlekjes op het voorhoofd en de oogleden van je baby worden met een lieve term ook wel engeltjeskussen genoemd.

De ooievaar

De naam van de vlekjes is ontleend aan het fabeltje dat baby’s gebracht worden door de ooievaar. De vlekjes in de nek van je baby worden dan ook wel aangeduid als een afdruk van de snavel van de ooievaar. Het lijkt er immers op dat dat de plek was waar de ooievaar je baby vasthield, voordat hij je kindje bij je bracht.

Groepjes bloedvaten in de huid

In werkelijkheid worden de vlekken gevormd door groepjes bloedvaten in de huid. Er wordt gezegd dat deze bloedvaten tijdelijk wat te wijd en uitgezet zijn, en dat dit een vlekkerig effect geeft. Na verloop van tijd slinken de bloedvaten weer en verdwijnen de vlekjes. Anderen beweren dat op de plaats van de vlek te veel bloedvaatjes in de huid aanwezig zijn. Volgens hen verdwijnen de vlekken wanneer de bloedvaten afsterven, omdat ze geen functie hebben.

De vlekjes verdwijnen vanzelf

Het kan 6 maanden tot een jaar duren voordat de vlekjes verdwenen zijn. In de loop van de tijd worden ze geleidelijk steeds lichter van kleur. De wat grotere en sterker gekleurde plekken in de nek kunnen langer zichtbaar blijven. Deze schoonheidsfoutjes worden in de loop van de tijd vaak bedekt door de haren van je kind.

Het kan zijn dat de vlek, ook nadat hij verdwenen lijkt te zijn, weer even terugkeert wanneer je kind zich inspant, bijvoorbeeld bij heftige huilbuien en bij persen of wanneer je kind heeft geslapen. Ook wanneer je kind ziek is en koorts heeft, kunnen de vlekjes duidelijker worden. Het is overigens goed mogelijk dat ooievaarsvlekken erfelijk zijn, maar bewezen is dit nog niet.

Oorpijn

Oorpijn is te herkennen aan zeurende, scherpe, stekende of kloppende pijnklachten. Soms komt er etterend of bloederig vocht uit het oor. Je kunt misschien niet zien waar dit vocht vandaan komt, omdat de ontsteking diep in het oor kan liggen. Daarbij kan het ook zijn dat je kind koorts heeft.

Oorontsteking

Een oorontsteking gaat meestal binnen een paar dagen vanzelf weer over. Misschien is het gehoor nog een paar weken verminderd, maar dit geneest ook vanzelf.

Naar de huisarts?

Het is alleen nodig om in de volgende situaties naar de huisarts te gaan:

  • als je kind langer dan drie dagen pijn en koorts heeft;
  • als je kind voor de derde keer in een jaar oorpijn heeft;
  • als er langer dan twee weken vocht uit het oor komt;
  • als je kind voortdurend blijft huilen en ontroostbaar is.

Reflux en ruminatie

Reflux is het terugvloeien van de maaginhoud in de slokdarm.

Sluitspier tussen maag en slokdarm

Bij baby's is de sluitspier tussen de maag en de slokdarm nog niet volledig ontwikkeld. Daardoor kan er voedsel terugstromen in de slokdarm en soms zelfs in de mond en de luchtwegen. Het kan wel tot het eerste levensjaar duren voor de slokdarm volledig is ontwikkeld en de sluitspier goed werkt.

Hoe weet je of je kind last heeft van reflux?

Baby's met ernstige reflux huilen dikwijls, omdat ze last hebben van een branderig gevoel. Je kind kan een pijnlijk gezicht trekken. Soms slaapt hij kort. Hij kan kokhalzen of huilen tijdens het spugen. Ook kan hij met het hoofdje naar achteren trekken.

Wanneer moet je je zorgen maken?

Bij de meeste baby's met reflux gaat het om klachten zonder complicaties en is er geen behandeling nodig. De klachten gaan vanzelf over. Maar soms zijn er wel complicaties, zoals een ontsteking van de slokdarm en pijn bij het slikken. Soms komt het ook voor dat de baby bloed spuugt en bloedarmoede krijgt. Bij ernstige klachten huilt je baby veel en slaapt hij slecht. Als de complicaties lang aanhouden, kan de slokdarm vernauwen. Hierdoor kan je kind problemen krijgen met eten, wat een groeiachterstand kan veroorzaken. Dit soort complicaties moeten door een arts worden beoordeeld en behandeld.

Wat kun je doen?

Je kunt je kind wat vaker kleinere hoeveelheden voeding aanbieden. Ook kun je je baby rechtop houden tijdens het voeden, zodat de voeding minder makkelijk terugloopt. Je kunt het hoofdeinde van de wieg wat hoger zetten, zodat je kind minder snel last krijgt van reflux. Als de problemen aanhouden of verergeren, overleg dan altijd met de arts.

Ruminatie

Naast reflux is er nog een aandoening met soortgelijke verschijnselen, maar met een andere oorzaak: ruminatie. Dit is een zeldzaam fenomeen en ontstaat meestal na de leeftijd van 6 maanden. Een kind kan bijvoorbeeld zijn vuistje in zijn mond steken om zo te ‘rumineren’ (overgeven). Ruminatie wordt onder andere veroorzaakt door stress, spanningen en niet durven slikken. Dit zijn psychische oorzaken.

Ruminatie kan voorkomen bij kinderen tot 3 jaar, het komt vaker voor bij kinderen met een verstandelijke beperking. Bij gezonde kinderen is het zeer zeldzaam.

Spugen

Of je nu borst- of flesvoeding geeft, het zal regelmatig gebeuren dat je baby tijdens of na de voeding wat melk uitspuugt. Dat wordt ook wel 'een mondje' genoemd.

Mogelijke oorzaken

Dat je baby wat melk opgeeft, hoeft niet zoveel te betekenen. Het komt omdat bij een kleine baby de maag nog niet goed sluit. Als je je kind een tijdje rechtop tegen je aan houdt, kan hij een boertje laten en zijn voeding rustig laten zakken. Het kan ook zijn dat je kind veel lucht heeft gehapt tijdens het voeden. Of hij heeft te snel of te veel gedronken. Als je baby goed groeit en er levendig uitziet, hoef je je geen zorgen te maken.

Tips tegen het spugen

  • Neem voldoende tijd voor het voeden.
  • Je kunt je baby halverwege het voeden en na het voeden even rechtop houden. Je legt je baby met zijn hoofd tegen je schouder. Het is handig om een spuugdoekje op je schouder te leggen. Je baby kan dan een boertje laten en zo het teveel aan lucht laten ontsnappen.
  • Drinkt je baby zijn flesje te snel, dan kun je een speen met een kleiner gaatje gebruiken.
  • Je kunt hem ook wat rechter op houden tijdens het voeden.
  • Geef je borstvoeding, dan kan liggend voeden ook helpen.

Te veel spugen

Als een baby veel spuugt, of erbij huilt, of als de voeding met een flinke boog naar buiten komt, overleg dan met het consultatiebureau of de huisarts. Doe dit meteen als je kind:

  • langer dan een halve dag heftig spuugt nadat hij iets gegeten of gedronken heeft;
  • ziek of suf lijkt;
  • hangerig is en niet wil eten;
  • gewicht kwijtraakt.

Je baby kan bijvoorbeeld last hebben van een allergie of van een infectie.

Traanoogje

Soms krijgt een baby een tranend oogje, waar wat viezigheid uit kan komen.

Traanbuisjes

Een traanoogje duidt op een traanbuisje dat wat nauw is, want de traanbuisjes zijn de eerste maanden nog niet helemaal open. Traanbuisjes voeren traanvocht af. Het traanbuisje zit in de hoek van het oogje, bij de neus. Als het traanbuisje is afgesloten, gaat het oog tranen. Als je baby 4 tot 6 weken is, gaat het traanbuisje meestal spontaan open, maar soms blijft het buisje dicht.

Wat kun je doen?

  • Maak het oog een paar keer per dag met een gaasje met lauw water schoon.
  • Veeg zachtjes van buiten naar binnen.

Ontsteking

Het traanbuisje kan ontstoken raken, omdat bacteriën nog niet goed kunnen verdwijnen. Jammer genoeg gaat een traanoogje dan niet snel over.

Masseer 3 keer per dag de traanbuisjes met een schone pink. Masseer het binnenste ooghoekje aan de onderkant in de richting van de neus. Veeg het schoon met een watje met uitgekookt, afgekoeld water. Masseer niet vaker, anders gaat het bindvlies ontsteken.

Naar de huisarts?

Bij vieze oogjes of oogjes met pus (in de volksmond ook wel tochtoogjes genoemd) ga je naar de huisarts. Doe dat ook als het oogwit rood wordt of als je baby pijn lijkt te hebben.

Verkoudheid

Een verkoudheid is een besmettelijke virusinfectie van de bovenste luchtwegen. Er bestaat niet 1 verkoudheidsvirus, er bestaan er maar liefst meer dan 200.

Weerstand

Ook je baby kan verkouden worden. Via borstvoeding krijgt je baby antistoffen van jou. Maar die beschermen niet tegen alle virussen. Je baby heeft ook nog geen weerstand ontwikkeld tegen de 200 verkoudheidsvirussen. Daardoor loopt je baby meer kans op een infectie. Een verkoudheid is gelukkig meestal onschuldig. Gemiddeld is een kind 8 keer per jaar verkouden.

Geneesmiddelen

Er bestaan geen geneesmiddelen tegen verkoudheid. Ook antibiotica helpen niet, omdat antibiotica alleen helpen tegen bacteriële infecties. Een verkoudheid is een virusinfectie.

Naar de huisarts?

Meestal gaat een verkoudheid binnen 2 weken vanzelf weer over. Het is dus ook niet nodig om meteen naar de huisarts te gaan. Ga wel met je kind naar de huisarts als:

  • een verkoudheid langer dan 2 weken aanhoudt;
  • als er ademhalingsproblemen ontstaan;
  • of wanneer de symptomen verergeren.

Vieze neus

Als je baby een vieze of verstopte neus heeft kun je een speciale zoutoplossing gebruiken die je in het neusje spuit om het snot op te lossen.

Daardoor kan je baby beter door zijn neus ademhalen en wordt het drinken gemakkelijker. Dit is gewoon verkrijgbaar bij de apotheek en de drogist.

Vieze oogjes

Het gebeurt wel eens dat een baby een vies tranend oogje krijgt. Dat begint vaak met een verstopt traanbuisje.

Het traanvocht kan dan niet weg het oogje ‘loopt over’. Soms zit er pus in het traanoogje. De randen van de oogleden zijn rood, geïrriteerd en kunnen jeuken. Er kunnen korstjes op de oogleden en wimpers vormen. Door een infectie ontstaat een ontsteking aan de rand van het ooglid.

Wat kun je doen?

  • Je kunt het oogje afvegen met gekookt water dat is afgekoeld.
  • Maak 's morgens en 's avonds de ogen schoon met een afgekoeld, in gekookt water gedept steriel gaasje en veeg de dichte oogleden af, van de buitenkant naar de neus toe.
  • Verwijder voorzichtig de korstjes door van buiten naar binnen te wrijven.
  • Gebruik steeds een schoon gaasje.
  • Doe dit niet vaker dan 2 keer per dag en gebruik niet teveel water, anders gaat het bindvlies van het oogje irriteren.

Eventueel kan de huisarts zalfjes of oogdruppels met antibiotica voorschrijven. Als het oogwit rood is, raadpleeg dan in ieder geval je huisarts. Als het oog toch gaat ontsteken kan de huisarts eventueel antibiotica oogzalf voorschrijven.

Wijnvlek

Een wijnvlek is een vaak grote, rode of paarsachtige vlek op de huid. Wijnvlekken komen meestal voor in het gezicht of in de hals. In tegenstelling tot de ooievaarsbeet en de aardbeienvlek gaat een wijnvlek niet uit zichzelf weg. Zonder behandeling blijven ze het hele leven duidelijk zichtbaar.

Vaak is er wel iets aan deze vlekken te doen. Dat kun je het best aan je huisarts vragen.

Ziekten en aandoeningen

Lichamelijke gezondheid is belangrijk. Zeker voor kleine kinderen van wie de weerstand meestal nog niet zo sterk is. Er zijn veel kinderziektes waar je je zorgen over zou kunnen maken. Toch zijn de meeste vrij onschuldig, zoals eczeem en worminfecties. Tegen andere ziektes worden de meeste kinderen ingeënt.

Lage weerstand en besmetting

Kinderen worden ziek omdat ze een lage weerstand hebben en omdat ze elkaar makkelijk besmetten. Baby's raken elkaar aan tijdens het spelen, stoppen van alles in hun mond en houden ook nog niet hun hand voor hun mond bij het niezen. Daarom is het verstandig om je kind van jongs af aan te leren dat hygiëne belangrijk is.

Allergieën

Baby's hebben soms een allergie en kunnen daar veel last van hebben. Ze hoesten, ze hebben het benauwd of ze hebben eczeem. Als ouder maak je je misschien veel zorgen.

Wat veroorzaakt een allergie?

Een allergie is een afweerreactie van het afweersysteem op gewone stoffen.  Die reactie heeft te maken met een storing in het afweersysteem. Het lichaam wordt blootgesteld aan een bepaalde stof, reageert heftig en maakt te veel antistoffen aan. Hierdoor moet je bijvoorbeeld niezen, krijg je tranige ogen, huiduitslag of jeuk. Je kunt een allergie erven van je familie.

Verschillende typen allergieën

Er zijn veel stoffen die allergieën kunnen veroorzaken, ze zijn ondergebracht in de volgende verdeling.

  • Inhaleringsallergieën: stoffen die je inademt, bijvoorbeeld stuifmeel van grassen en uitwerpselen van huisstofmijt.
  • Voedingsallergieën: stoffen die je eet of drinkt, bijvoorbeeld koemelk, pinda's, noten en garnalen.
  • Contactallergieën: stoffen waarmee je in aanraking komt, bijvoorbeeld nikkel en chemische stoffen.
  • Insectenallergieën: insecten waardoor je gestoken wordt, zoals bijen en wespen.
  • Geneesmiddelenallergieën: geneesmiddelen die je inneemt of inspuit, zoals penicilline.

Allergietest

Als je denkt dat je baby een bepaalde allergie heeft, dan kun je bij de huisarts terecht voor een allergietest. Als het mogelijk is, zal de huisarts medicatie voorschrijven. Hij kan de allergie waarschijnlijk niet genezen, maar wel de klachten verminderen.

Wat kun je zelf doen?

Natuurlijk is het verstandig om de stoffen waar je kind allergisch voor is zo veel mogelijk te vermijden. Bijvoorbeeld bij een voedselallergie is het belangrijk om hem bepaalde dingen niet te laten eten. Let ook op producten waar bepaalde voedingsstoffen in verwerkt zitten. Je kunt ook de allergie van je kind op de kinderopvang of school melden, zodat ze daar rekening mee kunnen houden.

Anafylaxie

Soms kan een allergische reactie zo ernstig zijn dat het zelfs levensbedreigend is. Er treden bijvoorbeeld zeer grote zwellingen op, je kind voelt zich misselijk, zijn polsslag versnelt en hij raakt in ademnood. Soms raakt je kind zelfs bewusteloos. Een dergelijke reactie wordt ook wel anafylaxie of anafylactische shock genoemd. Het is dan belangrijk om zo snel mogelijk je huisarts of 112 te bellen.

Amandelen

Neus- en keelamandelen zijn onderdeel van het afweersysteem. Ze helpen dat je kind niet ziek wordt.

Ontstoken amandelen

Het kan gebeuren dat de amandelen niet meer in staat zijn om alle bacteriën, virussen en schimmels te weren. Ze raken dan zelf ontstoken. Dit gebeurt bij kinderen vaak al op jonge leeftijd. Afhankelijk van de ernst van de klachten, is het nodig de amandelen te verwijderen. Dat gebeurt op een moment dat de amandelen niet ontstoken zijn.

Neusamandelen verwijderen

In de meeste gevallen worden alleen de neusamandelen verwijderd. De neusamandelen raken door deze infecties verdikt en opgezwollen waardoor je kind lastig kan ademen. Als de neusamandelen verwijderd worden, gaat je kind onder narcose. Dit is een kleine ingreep. En meestal mag je kind enkele uren na de ingreep alweer naar huis.

Keelamandelen verwijderen

Als je kind last heeft van terugkerende keel- en middenoorontstekingen, kan de arts ervoor kiezen om ook de keelamandelen te verwijderen.Als de keelamandelen dik en opgezwollen zijn, is het lastig en pijnlijk om te slikken en te praten. Als de neusamandelen verwijderd worden, gaat je kind onder narcose. Het is meestal een dagbehandeling. Dus aan het eind van de dag mag je kind vaak alweer naar huis.

IJsjes eten

Nadat de (keel)amandelen verwijderd zijn, is het raadzaam om je kind veel waterijsjes of ijsklontjes te laten eten. De kou van het ijs verzacht de pijn.

Astma

Astma is een erfelijke, chronische (langdurige) ontsteking aan de luchtwegen waardoor je kind moeite heeft met ademen. Als een baby astma heeft, zit er in zijn luchtwegen meer slijm en vocht dan normaal.

Symptomen

Astma komt niet veel voor bij kleine kinderen. Je baby kan wel heftig reageren op prikkels van buiten.

  • Benauwdheid. Hij heeft dan een hoorbare ademhaling, zoals piepen, zagen en/of brommen.
  • Veel slijm in de longen. Dit komt vaak door een virusinfectie.
  • Een loopneus. Dit kan lang duren of steeds terugkomen.

Stoffen en prikkels

Stoffen of prikkels waar je baby heftig op kan reageren, zijn:

  • huisstof(mijt)
  • huidschilfers of haren (van paarden, katten, honden, vogels)
  • schimmels
  • deeltjes van planten (pollen)
  • luchtverontreiniging (rook!)
  • geuren van cosmetische producten
  • het weer en temperatuurwisselingen
  • spanningen en stress
  • infecties

Test

Het is moeilijk om te zien of een jong kind astma heeft. Het heeft weinig zin om een test te doen als je kind jonger is dan 4 jaar. Heeft je kind na 4 jaar nog klachten? Dan is de kans groot dat hij astma heeft. Die kans is zeker groot als er astma in de familie is.

Wat kun je doen?

Het is verstandig om de stoffen waar je kind benauwd van wordt, zo veel mogelijk te vermijden. Hygiëne in het huis is belangrijk om huisstofmijt, pollen en honden- of kattenharen te verminderen. Denk bijvoorbeeld aan ventilatie, afstoffen en stofzuigen. Misschien is het zelfs beter om geen huisdier te nemen. Gezonde en gevarieerde voeding is belangrijk. Dit verbetert de weerstand van je kind. Roken en meeroken is ook niet goed voor de gezondheid van je kind.

  • Gebruik niet te veel cosmetica (make-up, parfum). Je baby kan ook overgevoelig zijn voor geuren.
  • Neem geen cavia's, hamsters en andere dieren in huis.
  • Zet geen droogbloemen in huis. En ook geen planten die bloeien en sterk ruiken.
  • Houd je huis zoveel mogelijk stofvrij. Je kunt bijvoorbeeld afsluitbare kasten kopen.
  • Zorg dat de wanden in huis glad zijn.
  • Zorg dat je huis niet vochtig is en dat het niet tocht in huis. Maar zorg wel voor frisse lucht door goed te ventileren.
  • Zorg ervoor dat de temperatuur in huis niet snel verandert.
  • Neem vloerbedekking dat zo weinig mogelijk stof vasthoudt. Bijvoorbeeld linoleum of gladde synthetische vloerbedekking. Ook laminaat en parket zijn goed.
  • Kies voor meubelen die je nat kunt afnemen.
  • Kies voor gordijnen van katoen of kunstvezel.
  • Koop speelgoed dat je kunt wassen. Let op dat je kind niet allergisch is voor vullingen van speelgoed. Koop ook liever geen pluche speelgoed.

Bij de thuiszorgorganisaties werken vaak gespecialiseerde longverpleegkundigen die speciale spreekuren houden of bij je thuis komen om je te adviseren.

Welke medicijnen zijn er tegen astma?

Er zijn geen medicijnen die astma kunnen genezen. Er zijn wel verschillende soorten medicijnen en inhalatoren om de klachten van astma te behandelen. Bijvoorbeeld een verstuiver, een poederinhalator en een vernevelapparaat. Je kunt het beste met je arts bespreken welk medicijn en welke inhalator geschikt is voor je kind.

Berg

Berg is een type eczeem (seborrhoïsch eczeem) dat veel voorkomt bij pasgeboren baby's. Het wordt veroorzaakt door een teveel aan gistcellen op de huid. Iedereen heeft deze gistcellen, maar als je baby er te veel van heeft, gaan ze de huid irriteren en dan krijgt hij huiduitslag. Berg is geen besmettelijke vorm van eczeem.

Huiduitslag

Als je kind berg heeft, dan zie je dat aan de huiduitslag op zijn hoofd. Soms zit het ook in de schaamstreek. De huid is dan rood en er zitten vettige gele schilfers op de huid.

Wat kun je doen?

Berg ontstaat meestal nadat je kind een paar weken oud is. Het is geen ernstige vorm van huiduitslag en je kunt het ook niet voorkomen. Meestal verdwijnt het snel door elke dag de huid van je baby goed te verzorgen.

  • Je kunt het best de hoofdhuid van je baby masseren met babyolie.
  • Vervolgens kun je de schilfers voorzichtig weghalen en de hoofdhuid wassen met babyshampoo.
  • Als het ondanks de verzorging niet vanzelf verdwijnt, dan kun je contact opnemen met de huisarts. Hij schrijft waarschijnlijk een zalfje of een huidlotion voor.

Eczeem

Eczeem is een huidaandoening waar baby's vaak last van hebben. Je herkent eczeem aan de volgende symptomen: roodheid, jeuk, schilfertjes, kloofjes en vochtblaasjes. Meestal komt het voor op het hoofd, de armen, het bovenlichaam en in de knieholtes. Het jeukt.

Eczeem is een ontsteking van de huid. Eczeem kan overal op de huid zitten. Maar het kan ook maar op een paar plekjes zitten. Komt er in jullie familie eczeem voor? Of een andere allergie, zoals hooikoorts of astma? Dan is de kans groter dat je baby het ook krijgt.

Contacteczeem

Je kunt allergisch zijn voor stoffen. Zoals metaalstof, hout, shampoo, verfkleurstoffen, textiel, rubber en sommige planten. Hierdoor kun je contacteczeem krijgen.

Allergische aanleg

Je kind kan geboren zijn met een allergische aanleg. Dit heet constitutioneel of atopisch eczeem. Dauwworm is daar een voorbeeld van. Je kind krijgt dan heel jong eczeem. De huid wordt rood en jeukt. Op het gezicht en tussen de hoofdharen zitten vaak vochtige blaasjes. Dit eczeem gaat vaak weer weg als je kind ouder wordt. Maar het kan ook weer terugkomen in de puberteit. Maar dan in een andere vorm. Bijvoorbeeld als hooikoorts.

Wat kun je doen?

Eczeem is een chronische huidaandoening, dat betekent dat je het niet kunt genezen. Als de klachten niet vanzelf overgaan, dan kun je de klachten meestal wel verminderen. Het is verstandig om met je huisarts te overleggen wat de beste optie is om het eczeem van je kind te behandelen. Meestal schrijven huisartsen een zalfje voor.

  • Bezoek je huisarts. Je huisarts kan de oorzaak zoeken.
  • Zorg dat je kind niet krabt aan eczeem. De kans is dan groter dat het een infectie krijgt.
  • Zorg dat de huid niet uitdroogt, smeer je kind regelmatig in met een neutrale zalf of crème.
  • Koop materialen zonder allergene stoffen.

Epilepsie

Epilepsie is chronische aandoening van de hersenen. Epilepsie kan erfelijk zijn, maar kan ook veroorzaakt worden door een beschadiging of een ontsteking van de hersenen. Soms is er een aantoonbare oorzaak maar vaak ook niet.

Symptomen van epilepsie

Epileptische aanvallen duren meestal slechts enkele seconden tot enkele minuten. Een patiënt is zich soms niet eens bewust van een aanval. Het verloop van een aanval kan per persoon verschillen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen 'gegeneraliseerde aanvallen' en 'partiële aanvallen'.

  • Bij gegeneraliseerde aanvallen vinden er abnormale elektrische ontladingen in de gehele hersenen plaats. Je kind kan daardoor zijn bewustzijn verliezen, daardoor in elkaar zakken, en meestal beginnen zijn ledematen te schokken.
  • Bij partiële aanvallen vinden er abnormale elektrische ontladingen plaats in een bepaald gedeelte van de hersenen. Je kind verliest soms zijn bewustzijn en meestal schokt alleen een bepaald lichaamsdeel.

Behandeling

Om de diagnose te stellen maakt de arts in het ziekenhuis een hersenfilmpje (EEG), een CT-scan of een MRI-scan van de hersenen. Als je kind epilepsie heeft, schrijft hij een behandeling met anti-epileptica voor. Er zijn verschillende soorten medicijnen en verschillende combinaties mogelijk. Per persoon verschilt wat helpt, en wat niet helpt.

Wat kun je zelf doen?

Je kunt zelf veel doen voor je kind. Een regelmatig leven en gezonde voeding kan mee helpen om de epilepsie onder controle te houden. Natuurlijk is het ook belangrijk dat je kind zijn medicijnen inneemt volgens het voorschrift. Als de medicijnen bijwerkingen hebben, is het verstandig om je arts te raadplegen.

Gordelroos

Gordelroos of herpes zoster is een huiduitslag en kan besmettelijk zijn. Gordelroos komt heel zelden bij baby's voor.

Hoe ontstaat gordelroos?

Wanneer je kind de waterpokken heeft gehad, blijft dat virus ongemerkt achter in de huid. Soms wordt het virus weer actief en veroorzaakt het gordelroos. Het is niet helemaal duidelijk waardoor het virus actief wordt, misschien door een verslechterde weerstand of oververmoeidheid. Je kunt vaker gordelroos krijgen.

Welke symptomen heeft gordelroos?

  • Gordelroos verschijnt daar waar het waterpokkenvirus is achtergebleven in de huid.
  • Het komt altijd voor op één lichaamshelft in de vorm van een deel van een gordel.
  • Meestal begint het met pijn, jeuk en een tintelend gevoel.
  • Na een paar dagen ontstaan er groepjes met vocht gevulde blaasjes en rode vlekjes op de huid. Dit kan behoorlijk pijn doen en het kan ook zijn dat je kind grieperig of koortsig wordt.
  • Na verloop van tijd drogen de blaasjes in, kun je de korstjes voorzichtig van de huid af wassen en geneest de huid.

Wat kun je doen?

In de meeste gevallen gaat gordelroos vanzelf weer over. Er kunnen soms bepaalde complicaties optreden. Als de gordelroos bijvoorbeeld in het gezicht zit, dan kunnen de ogen of de oren aangetast worden. Het is belangrijk om dan langs de huisarts te gaan. Maar ook wanneer de klachten ernstig zijn of wanneer het te pijnlijk is, kun je de huisarts raadplegen.

Gordelroos is besmettelijk

Gordelroos is besmettelijk in de 'acute fase'. Dat wil zeggen, in de fase dat er groepjes met vocht gevulde blaasjes en rode vlekjes op de huid zitten. Je kunt alleen iemand besmetten die nog geen waterpokken heeft gehad, die persoon kan er waterpokken van krijgen. Als je baby gordelroos heeft, kan hij ook het beste uit de buurt blijven van zwangere vrouwen, andere baby's en zieke mensen. Een besmetting kan namelijk ernstige complicaties tot gevolg hebben.

Griep

Griep is een besmettelijk virus. Vooral de luchtwegen worden door de griep aangetast. De griep duurt meestal 1 tot 2 weken, maar gaat vrijwel altijd vanzelf over. In principe kan iedereen de griep krijgen. Het griepvirus verandert namelijk elk jaar een beetje, waardoor je steeds opnieuw het risico loopt dat je het krijgt.

Symptomen

Als je kind de griep heeft dan heeft hij waarschijnlijk last van hoge koorts, hoofdpijn, keelpijn, niezen, een loopneus, koude rillingen, spierpijn en moeheid. Je kind kan ook weinig eetlust hebben en overgeven.

Griep is besmettelijk

Omdat griep besmettelijk is, is het belangrijk om altijd in een papieren zakdoekje te niezen dat je meteen daarna weggooit. Het is verstandig om na het niezen ook goed je handen te wassen.

Behandelingen

Griep is een virusinfectie en daarom kun je het niet genezen met een antibioticum. In de meeste gevallen gaat griep vanzelf weer over. Als de koorts echter langer dan 5 dagen aanhoudt, is het verstandig om toch de huisarts te raadplegen. Als je kind nog erg jong is en hoge koorts heeft (39 graden of meer), is het verstandig om eerder al naar de huisarts te gaan.

De griepprik

Sommige mensen hebben een verhoogde kans om ziek te worden. Dit zijn meestal oudere mensen en mensen die door een (chronische) aandoening een verminderde weerstand hebben. Ook kleine kinderen met bijvoorbeeld astma of een hartafwijkingen horen tot de risicogroep en kunnen een griepprik krijgen. Dit gaat meestal in overleg met de kinderarts. Deze volwassenen en kinderen krijgen een oproep van hun huisarts om een griepprik te halen. De griepprik beschermt alleen tegen de meest voorkomende virussen van dat seizoen. Een jaar later zijn er weer nieuwe griepvirussen en is er dus ook een nieuwe griepprik.

Hazenlip

De officiële naam voor hazenlip is schisis. Het woord schisis betekent 'spleet'. Als je kind een schisis heeft, heeft hij een opening in de bovenlip. Het kan zijn dat de spleet doorloopt tot in de bovenkaak, het gehemelte of in de neus. Ook een spleet alleen in het gehemelte kan voorkomen.

Is dit erfelijk?

In Nederland komt een schisis voor bij 1 of 2 kinderen op de 1000 pasgeborenen. De oorzaak is meestal een combinatie van erfelijkheid en een stoornis in de zwangerschap tussen de 6 en 12 weken.

Problemen bij een hazenlip

Bij een spleet in het gehemelte kunnen er na de geboorte problemen ontstaan met zuigen en slikken. Een schisis kan soms ook gevolgen hebben voor de spraak- en gebitsontwikkeling, of er kan sprake zijn van gehoorproblemen.

Bij kinderen met een gehemeltespleet en/of een te kort aangelegd gehemelte gaat de buis van Eustachius vaak niet goed open omdat de werking van de gehemeltespieren niet voldoende is. Daardoor ontstaat er in het middenoor vochtophoping en zit er minder lucht in het oor. Het trommelvlies kan niet meer goed meetrillen met het geluid en kan geluid dus niet goed doorgeven (geleiden) aan het gehoorzintuig: het kind hoort slecht.

Diagnose en behandeling

De diagnose wordt meestal direct na de geboorte gesteld op basis van de uiterlijke kenmerken. Daarnaast wordt er een lichamelijk onderzoek gedaan om de schisis precies te bepalen. Zo wordt ook onderzocht of er verdere aangeboren afwijkingen in het spel zijn.

Je kind wordt meestal behandeld door verschillende specialisten die samen een team vormen. Zij voeren de correcties uit die nodig zijn. Dit kan chirurgie omvatten, en mogelijk spraaktraining. Vaak moet een kind worden behandeld tot hij is volgroeid en zijn er meerdere operaties nodig.

Hepatitis B

Hepatitis B ofwel geelzucht, is over de hele wereld de meest voorkomende leverziekte. Hepatitis B is een ernstige infectieziekte, die wordt veroorzaakt door het hepatitis B virus. Dit virus dringt de levercellen binnen en veroorzaakt daar een ontsteking.

Besmetting

In Nederland draagt 1 op de 200 inwoners (0,5 procent van de bevolking) het hepatitis B virus bij zich. Hepatitis B is erg besmettelijk en wordt vaak ongemerkt overgedragen. Iemand met een infectie kan dus anderen besmetten zonder dat zelf te weten.

  • Een moeder die het virus bij zich draagt kan haar baby tijdens of na de bevalling besmetten. In Nederland worden alle zwangere vrouwen getest op hepatitis B.
  • Handen geven, knuffelen, gezamenlijk gebruik van kopjes en bestek vormt geen risico. Een gezonde huid zonder wondjes (ook niet in de mond) geeft bescherming genoeg.

De ziekte blijft vaak onopgemerkt

Vooral bij jonge kinderen blijft de ziekte vaak onopgemerkt. Zij lopen een grote kans dat ze het virus voor altijd bij zich blijven dragen. De ziekte kan heel acuut komen opzetten, maar vaak gebeurt dat pas na enkele jaren.

Herpes

Herpes is een virus waarvan meerdere varianten bestaan. Deze varianten veroorzaken verschillende huidaandoeningen, waaronder een koortslip en gordelroos.

Alle varianten van herpes zijn besmettelijk als er klachten zijn. Meestal zijn dat open, vochtige blaasjes op de huid. De huid is dan rood of laat rode vlekken zien. De blaasjes zijn pijnlijk en kunnen behoorlijk jeuken. Ook kunnen de klachten milder verlopen, in de vorm van geïrriteerde kloofjes of scheurtjes en een branderig gevoel. Een herpes infectie kan ook zonder symptomen verlopen. Ook dan is er soms besmetting mogelijk.

Gordelroos

Herpes zoster is de variant die gordelroos veroorzaakt. Alleen mensen die eerder al eens de waterpokken hebben gehad, kunnen later gordelroos krijgen. Je kunt ook vaker gordelroos krijgen.

Een koortslip

Herpes labialis is de variant die een koortslip kan veroorzaken. Als je zelf een koortslip hebt, geef je baby dan geen zoen!

Soa

Herpes genitalis is een seksueel overdraagbare aandoening (soa). Dit is eenzelfde soort huidaandoening op de geslachtsorganen en in de schaamstreek.

Geneesmiddelen

Er zijn geen geneesmiddelen tegen het herpesvirus zelf. Als je kind een bepaalde variant heeft, dan komt hij hier niet meer van af en kunnen de klachten terugkeren. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij een verminderde weerstand. Er zijn wel geneesmiddelen om de klachten van herpes te bestrijden en de duur van de klachten te verkorten. Hiervoor kun je terecht bij de drogist, de apotheek en de huisarts.

Voorkomen van herpes

Veel kinderen raken besmet met het waterpokkenvirus. Dat is lastig te voorkomen. Andere herpes varianten kun je wel makkelijker voorkomen door besmetting te vermijden. Als je zelf een koortslip hebt, kun je je baby beter geen zoen geven.

Hersenvliesontsteking

Hersenvliesontsteking (of meningitis) is een zeer ernstige aandoening. Als je vermoedt dat je kind hersenvliesontsteking heeft, is het noodzakelijk om acuut medische hulp in te schakelen.

Vaccinaties

Hersenvliesontsteking is een gevaarlijke ziekte die door een virus of een bacterie kan worden veroorzaakt. Kinderen worden tegen sommige verwekkers ingeënt, zoals meningokokken C en Pneumokokken of HiB.

Vlekken

Vlekken zijn een teken van bloedvergiftiging door de bacteriën. Ze beginnen als kleine speldenknopjes, maar worden geleidelijk groter. Dat gebeurt meestal binnen een paar uur, soms zelfs voordat andere symptomen zichtbaar zijn.

Direct medische hulp nodig

Als je kind deze vlekken heeft, is dringend medische hulp nodig. Bel dus meteen je huisarts als je denkt dat je kind dit heeft. Kun je je huisarts niet bereiken? Ga dan naar het ziekenhuis.

Zoek ook medische hulp bij één van de volgende signalen.

  • Bij een kind jonger dan 3 maanden: koorts boven de 38 graden of een temperatuur lager dan 36 graden.
  • Bij een kind ouder dan 3 maanden: 2 of 3 dagen koorts boven de 39 graden.
  • Niet alert zijn of suffig.
  • Slecht drinken (uitdroging is een groot gevaar).
  • Pijn en huilen bij het verschonen van de luier.
  • Als je kind een echt zieke indruk maakt of vlekjes heeft.

Heupdysplasie

Er is sprake van aangeboren heupdysplasie wanneer het heupgewricht niet voldoende is ontwikkeld.

De heupkom is dan niet diep genoeg en bedekt de heupkop dus niet voldoende. Daardoor kan de heupkop makkelijk uit de kom glijden. Het kan zelfs leiden tot een ontwrichting (heupluxatie). Wanneer de heupdysplasie van je kind niet wordt behandeld, kan dat later tot slijtage (artrose) leiden. Het is dus van belang om de dysplasie tijdig te behandelen.

Hoe vaak komt het voor?

Heupdysplasie komt voor bij ongeveer 2 procent van alle baby's. Het is nog niet bekend wat de oorzaak is. Het komt vaker voor bij meisjes dan bij jongens en het lijkt erop dat erfelijke invloeden van belang zijn. Bij een stuitligging komt heupdysplasie iets vaker voor, dus de ligging van je baby in de baarmoeder lijkt ook invloed te hebben op heupdysplasie. Heupdysplasie is niet pijnlijk voor je kind. Het gebruik van een draagzak voor je baby (in een spreidpositie voor de heupen) is gunstig.

Onderzoek en behandeling

Hoe vroeger de heupdysplasie bij je baby wordt ontdekt, hoe beter. Onderzoek vindt dan ook direct na de geboorte plaats, ook op de consultatiebureaus. Soms geneest heupdysplasie vanzelf. Als dat niet gebeurt, begint de behandeling van een kind als hij tussen de 3 tot 6 maanden oud is.

Spreidbroek

Het kan zijn dat je kind als behandeling een spreidbroek moet dragen, die de beentjes in de juiste positie zet. Dit doet geen pijn. Een andere mogelijkheid is een tractiebehandeling. Daarbij worden de heupjes heel geleidelijk opgerekt. Soms is een operatie nodig, maar dat gebeurt pas als je kind een paar jaar oud is.

HiB-ziekten

De HiB-ziekte worden veroorzaakt door een bacterie. Deze bacterie is vooral schadelijk voor kinderen jonger dan 5 jaar. De HiB-bacterie kan longontsteking, hersenvliesontsteking en een ontsteking van het strottenklepje veroorzaken.

Als je vermoedt dat je kind geïnfecteerd is met de HiB-bacterie en daar ziek van geworden is, dan is het dringend noodzakelijk om medische hulp in te schakelen.

Symptomen

Je herkent een infectie bijvoorbeeld aan een neus- en keelontsteking (snotneus), hoge koorts en braken, nekstijfheid, huidbloedingen, coma of epileptische aanval. Specifieke verschijnselen bij baby's zijn: luierpijn (hevig huilen als je de beentjes optilt bij het verschonen), sufheid en soms een te lage lichaamstemperatuur in plaats van koorts.

Vaccinatie tegen HiB

Sinds 1993 worden alle kinderen ingeënt tegen de HiB-bacterie. Baby's krijgen deze vaccinatie in hun tweede, derde, vierde en elfde maand. De vaccinatie biedt langdurige bescherming.

De meeste kinderen hebben geen bijwerkingen van de vaccinatie, misschien alleen een zwelling en pijn op de plek waar de injectie is geweest. Sommige kinderen krijgen iets ernstigere bijwerkingen, zoals koorts en veel huilen. Deze bijverschijnselen verdwijnen meestal binnen 24 uur. Als de koorts hoger is dan 39 graden, dan is het raadzaam om je huisarts hiervan op de hoogte te houden.

Na de vaccinatie

Als ouder kun je het beste de plek waar geïnjecteerd is masseren direct na de vaccinatie, dit vermindert de pijn. Een koud kompres of ijs is niet nodig, dit kan de bijwerkingen zelfs verergeren. Het is verstandig om je baby van te voren goed te laten eten, omdat hij misschien na de injectie niets meer wil eten. Als je kind koorts heeft, dan helpt een lauwwarm bad en extra vocht (water drinken). Je kunt je kind eventueel een paracetamol zetpil geven.

Hiv en aids

Hiv is een schadelijk virus dat het afweersysteem afbreekt. Het lichaam raakt op den duur ernstig verzwakt en is daardoor vatbaar voor allerlei infecties en aandoeningen. Zonder behandeling (het nemen van hiv-remmers) is er een kans dat er aids ontstaat en kan iemand komen te overlijden.

Voor een kind met hiv (en ook voor de ouder) brengt het leven uitdagingen en onzekerheden met zich mee. Er is gebrek aan kennis over hiv in de omgeving, onnodige angst voor overdracht van hiv en er kleeft een stigma aan hiv. Ouders en kinderen krijgen te maken met het verwerken van de diagnose, het wennen aan medicatiegebruik en de vraag aan wie je wel of niet vertelt over hiv. Goede ondersteuning is daarom belangrijk wanneer je kind hiv-positief is.

Hiv-infectie bij kinderen

De kans op overdracht van hiv op een kind tijdens de bevalling is ongeveer 30 procent. Ook als je je kind borstvoeding geeft, is infectie mogelijk. Gelukkig kan een infectie tegenwoordig goed worden voorkomen door het nemen van hiv-remmers tijdens de zwangerschap en afzien van het geven van borstvoeding. De kans op hiv kan hierdoor verkleind worden tot minder dan 1 procent. Het is belangrijk om dit met je arts te bespreken.

Medicatie

Er bestaat geen vaccin tegen hiv en ook geen genezing van hiv. Wel bestaat er een behandeling uit een combinatie van verschillende medicijnen. Deze 'combinatietherapie' zorgt ervoor dat de vermenigvuldiging van het virus wordt onderdrukt en het afweersysteem wordt gestimuleerd. Overleg met de arts van je kind over zijn of haar behandeling.

Baby's met hiv

Een baby met hiv moet zo snel mogelijk (na de geboorte) beginnen met hiv-remmers. Dit kan het beste in het ziekenhuis. De medicijnen zijn er in een drankje en worden met een spuitje of via een speen toegediend. Net als bij volwassenen is het belangrijk dat de medicijnen steeds op tijd gegeven worden. Als de baby 4 weken oud is kunnen de medicijnen in de regel gestopt worden.

Zonder behandeling met hiv-remmers wordt ongeveer 25 procent van de kinderen met hiv in het eerste jaar ziek. De verschijnselen van de hiv-infectie die bij heel jonge kinderen voorkomen zijn aanhoudende diarree, slecht groeien, terugkerende schimmelinfecties en een trage ontwikkeling.

Geen borstvoeding

Het is belangrijk dat een hiv-positieve moeder geen borstvoeding geeft, omdat hiv ook via de moedermelk kan worden overgedragen aan de baby.

Krentenbaard

Krentenbaard (impetigo) is een oppervlakkige infectie van de huid, veroorzaakt door bacteriën. Het vocht uit de blaasjes is besmettelijk. De infectie zit meestal in het gezicht rond de neus of mond, vandaar de naam krentenbaard, maar kan zich ook op andere plaatsen voordoen. Het komt meestal voor bij kinderen die jonger zijn dan 9 jaar.

Infectie

De infectie begint vaak op een plaats waar de huid al beschadigd is (schaafplekje, krabplekje, eczeem). Doordat de huid niet meer intact is, kunnen schadelijke bacteriën binnendringen en een infectie van de huid veroorzaken. Het gaat meestal om de bacterie stafylokok. Krentenbaard is besmettelijk totdat de wondjes zijn ingedroogd of genezen. Het vocht in de blaasjes is besmettelijk. Ook bij het hoesten en niezen kan de bacterie vrijkomen.

Kinderen en volwassenen kunnen deze bacterie bij zich dragen zonder dat ze zelf krentenbaard krijgen. Meestal wordt de bacterie overgedragen via de handen of besmet speelgoed of ander materiaal.

Symptomen

Krentenbaard begint meestal met rode bultjes op de huid. Die bultjes vormen een groepje. Middenin deze bultjes komen blaasjes. Die blaasjes drogen snel in en worden honinggele korstjes. De plekken met blaasjes en korstjes worden snel meer. Die plekken doen pijn en jeuken. Bij uitgebreide krentenbaard kan je kind een hogere temperatuur hebben en opgezette lymfeklieren in de hals.

Wat kun je doen?

De volgende hygiënische maatregelen kunnen helpen verergering en uitbreiding van de krentenbaard tegen te gaan en besmetting van anderen te voorkomen.

  • Probeer aanraken of krabben van de wondjes te voorkomen.
  • Houd de nagels schoon en kort.
  • Was je kind een keer per dag met zeep.
  • Gebruik een eigen handdoek voor je baby en neem elke dag een nieuwe handdoek.
  • Zorg dat mensen in de omgeving van je baby regelmatig de handen wassen.
  • Je kunt ook alles wat je kind vaak aanraakt (speelgoed) dagelijks schoonmaken.
  • Als je baby krentenbaard heeft, kan hij gewoon naar het kinderdagverblijf. Je baby is al besmettelijk voordat de krentenbaard te zien is. Daarom kunnen andere kinderen al besmet zijn. Zeg het wel tegen de leidsters van het kinderdagverblijf.
  • Je kind kan ook meerdere keren besmet raken en krentenbaard krijgen.

Behandeling

Krentenbaard gaat niet makkelijk vanzelf over. Het is ten eerste belangrijk dat je kind zo weinig mogelijk aan de blaasjes krabt. Dat is natuurlijk moeilijk, omdat het erg jeukt. Een koud kompres kan helpen. Het is raadzaam om daarom een antibioticazalfje te halen bij de huisarts. Als de klachten groter zijn, dan kan de huisarts ook een antibioticakuur voorschrijven.

Meningokokken

Meningokokken zijn bacteriën die nekkramp of hersenvliesontsteking kunnen veroorzaken. Er zijn 13 types meningokokkenbacteriën, niet alle types zijn schadelijk en sommige komen gewoon voor in de neus- en keelholtes van iedereen.

Meningokokken types A, B, C, W135 en Y

De types A, B, C, W135 en Y zijn schadelijk en kunnen hersenvliesontsteking veroorzaken. De meeste types meningokokken zijn gevoelig voor antibiotica en kunnen makkelijk behandeld worden. Er zijn nog geen grootschalige vaccinatieprogramma's ontwikkeld om te voorkomen dat kinderen geïnfecteerd raken. Alleen tegen type A en C zijn vaccins. Type B komt het meest voor in Europa, maar daar is nog geen vaccin tegen ontwikkeld. Type W135 en type Y zijn vrij zeldzaam. Als je baby 14 maanden is, wordt hij ingeënt tegen meningokokken C.

Verspreiding

Meningokokkenbacteriën leven het liefst op warme, vochtige plaatsen. Omdat de bacterie niet lang kan overleven buiten het lichaam, kan hij zich alleen verspreiden via nauw menselijk contact. Bijvoorbeeld in warme huizen.

Hersenvliesontsteking

Bij sommige mensen die een schadelijke meningokokkenbacterie hebben opgelopen, vermenigvuldigt de bacterie zich snel en wint de bacterie het van het afweersysteem. Het gevolg is dan een hersenvliesontsteking. Hersenvliesontsteking of nekkramp is een zeer ernstige aandoening. Het is daarom belangrijk om dringend medische hulp te zoeken als je vermoedt dat je kind geïnfecteerd is met de meningokokkenbacterie.

Je herkent een infectie aan:

  • een stijve nek waarbij de kin niet meer de borst kan raken
  • misselijkheid en braken;
  • sufheid;
  • en vlekken op de huid die niet weggaan als je er op drukt (bijvoorbeeld met een glas).

Oorontsteking

Als je kind opeens een infectie in zijn oor krijgt, heet dat een acute middenoorontsteking. Dit komt door virussen en bacteriën, die ook verkoudheid en andere luchtweginfecties veroorzaken.

Dit merk je aan je kind:

  • veel oorpijn (die verergert als je kind ligt)
  • koorts
  • hangerig

Loopoor

Het kan gebeuren dat je kind ook een loopoor krijgt. Dan is het trommelvlies in het oor kapot gegaan. Er komt dan pus uit het oor. De pijn en de koorts worden dan minder. De pus ziet eruit als snot. Het is lichtgeel of groen, vrij dun en het stinkt vaak. Het is anders dan oorsmeer. Oorsmeer is donkergeel, vaster en ruikt niet. Een loopoor kan 2 weken duren.

Heeft je baby een loopoor? Zorg dan dat het oor goed schoon blijft.

  • Dep regelmatig het pus uit de oorschelp. Doe dit met een wattenbolletje. Ga nooit met wattenstokjes in het oor!
  • Was daarna goed je handen.
  • Maak alles schoon waar het pus mee in contact is geweest

Middenoorontsteking

Heeft je baby middenoorontsteking? Dan hoef je hem niet per se thuis te houden. Neem wel contact op met je huisarts.

Open rug

Een open ruggetje, in het Latijn 'spina bifida', ontstaat in de eerste maanden van de zwangerschap doordat de ruggenwervels en spieren niet rondom het ruggenmerg sluiten. Dit probleem manifesteert zich meestal ter hoogte van de lendenwervels. Als deze aandoening in de familie voorkomt, is de kans dat je kind een open ruggetje krijgt groter.

Hoe vaak komt het voor?

Gemiddeld worden er in Nederland per jaar 120 kinderen met een open ruggetje geboren. Er zijn verschillende vormen van spina bifida, die in ernst variëren. Spina bifida occulta is de minst ernstige. Spina bifida aperta is de ernstigste vorm van een open ruggetje.

De ernst verschilt

Vaak zal iemand met een minder ernstige vorm een gewoon leven kunnen leiden. Met de ernstiger vormen ligt dat anders. Daarbij kan je kind klompvoeten en problemen met de blaas krijgen. Het dagelijks leven zal hierop moeten worden aangepast. Bij nog ernstiger vormen van spina bifida aperta kan verlamming optreden. Ook verstandelijke beperkingen en gevoelloosheid komen voor. Veel kinderen met een open ruggetje worden geboren met een waterhoofd. In dat geval wordt er een drain aangebracht om het vocht te laten weglopen.

Diagnose

De lichtere vormen van een open ruggetje worden soms pas op latere leeftijd ontdekt. In dat geval groeit er huid over de niet goed gesloten plek, met soms een plukje haar, een kuiltje of een verkleuring. Röntgenfoto's geven dan duidelijkheid. Ernstiger vormen zijn wel meteen te zien. In dat geval zal het kind meestal binnen enkele dagen geopereerd worden.

Pseudo-kroep

Pseudo-kroep is een infectie van de stembanden, de luchtpijp en de grote luchtwegen die meestal wordt veroorzaakt door een virus. In de meeste gevallen is je kind eerst verkouden voordat hij pseudo-kroep krijgt.

De eerste aanval

Wanneer je kind pseudo-kroep heeft, kun je hier vooral bij de eerste aanval erg van schrikken. De eerste aanval vindt bijna altijd 's avonds of 's nachts plaats, terwijl hij overdag geen klachten had. Je kind wordt huilend wakker, is niet ziek en heeft meestal geen verhoging, maar is wel erg benauwd. Het inademen gaat moeilijk en 'gierend'.

Ademhalen gaat moeilijk

De infectie veroorzaakt een zwelling van het slijmvlies in de bovenste luchtwegen. Hierdoor gaat je kind vreemd hoesten (een soort 'blaf-hoest') en klinkt je kind ook erg hees. Ook wordt het ademhalen moeilijker, vooral wanneer je kind zich opwindt en huilt. Daarom is het belangrijk om je kind rustig te houden en voorzichtig rechtop te laten zitten.

Behandeling

Pseudo-kroep duurt meestal 2 tot 3 dagen. Een aanval gaat vrij snel vanzelf over. Vooral 's nachts kan het heviger zijn dan overdag. In principe is er geen medicatie nodig, maar de huisarts kan pseudo-kroep behandelen met medicijnen die geïnhaleerd moeten worden.

Epiglottitis

Pseudo-kroep mag niet verward worden met epiglottitis. Epiglottitis wordt meestal veroorzaakt door een HiB-bacterie en is een ontsteking van het klepje dat de luchtpijp afsluit bij het slikken. Dit kun je herkennen wanneer je kind hoge koorts heeft, pijn in de keel, kwijlt, moeite heeft met slikken en de nek niet voorover kan buigen zonder blafhoest. In dit geval moet je direct een arts waarschuwen, want epiglottitis kan fataal zijn als het niet onmiddellijk wordt behandeld.

RS-virus (RSV)

Het RS-virus (of RSV) is een erge vorm van verkoudheid. Het komt veel voor bij jonge kinderen. Het komt door een infectie aan de luchtwegen. Baby's en jonge kinderen kunnen er erg ziek van worden.

Symptomen

  • De neus van je kind is verstopt met taai snot.
  • Je kind moet soms hoesten, soms met overgeven.
  • Je kind is soms benauwd.
  • Je kind krijgt soms koorts.

Genezing

Antibiotica hebben geen zin. Dit gaat om een virus en niet om een bacterie. De infectie geneest vanzelf. Als je kind het RS-virus heeft gehad, dan kan hij het nog een keer krijgen. Na de infectie kunnen kinderen nog een paar weken blijven hoesten en kortademig zijn.

Soms moet een kind naar het ziekenhuis. Als je kind erg benauwd is bijvoorbeeld. Baby's met extra risico's hebben een grotere kans dat ze naar het ziekenhuis moeten. Denk aan baby's die te vroeg geboren zijn, baby's die hart- of longafwijkingen hebben of baby's met een slecht werkend afweersysteem.

Wat kun je doen?

Je kunt je kind niet goed beschermen tegen het RS-virus. Maar je kunt wel iets doen.

  • Zorg dat je goed schoon bent. Was bijvoorbeeld je handen met zeep voordat je je baby aanraakt.
  • Rook niet in de buurt van je kind.
  • Maak je je zorgen? Neem dan contact op met je huisarts.

Roodvonk

Roodvonk wordt veroorzaakt door een bacterie.

  • Het begint vaak met keelpijn en koorts.
  • Eerst wordt de tong wit en na een paar dagen rood en dik.
  • Na 3 dagen wordt de huid roze en ontstaan er ruwe, rode puntjes op de borst. Deze huiduitslag breidt zich geleidelijk uit over het hele lichaam.

Als je vermoedt dat je kind roodvonk heeft, is het verstandig om de huisarts te raadplegen.

Spruw

Spruw is een aandoening die veroorzaakt wordt door een schimmel. Deze schimmel komt vaak voor op de huid van volwassenen, zonder dat je daar ziek van wordt. Als je borstvoeding geeft, dan kan het zijn dat je je baby besmet met spruw.

Besmetting met spruw

Als je je baby verschoont, of als je borstvoeding geeft, dan kun je de schimmel overbrengen op je kind. De schimmel verspreidt zich dan in het maag-darmkanaal, de mond en de schaamstreek van je kind.

Hoe herken je spruw?

Spruw is te herkennen aan een hardnekkige, witte uitslag op de lippen, de tong en binnenin de mond. Bij spruw in de schaamstreek ziet het er rood vlekkerig uit met witte schilfering en vage rode pukkeltjes.

Hoe voorkom je spruw?

Een goede hygiëne is belangrijk. Verschoon je kind regelmatig en was altijd goed je handen. Als je borstvoeding geeft, kun je je tepels insmeren met geneesmiddel. Als je flesvoeding geeft, is het belangrijk om de speen en de fles goed te reinigen of uit te koken. En ten slotte is het ook beter om je kind geen zoete dingen te geven, de schimmel houdt namelijk erg van suikers.

Geneesmiddelen

Als je vermoedt dat je kind spruw heeft, is het noodzakelijk dat je de huisarts bezoekt. De huisarts test of je kind inderdaad spruw heeft. Als dat zo is zal hij een schimmeldodende zalf voorschrijven of druppels. Er is ook een ander middel dat je zou kunnen gebruiken, namelijk 'gentiaan violet'. Dit is een paarse inkt met een sterke schimmel- en bacteriedodende werking.

Vijfde ziekte

De vijfde ziekte is een virusinfectie die tot een typische, vlekkerige huiduitslag leidt in het gezicht en op het bovenlichaam. Het is een licht besmettelijke ziekte, maar verder niet schadelijk. De ziekte gaat ook vanzelf over.

  • Eerst krijgt je kind lichtrode vlekken op zijn wangen.
  • Rond zijn mond is het wit.
  • Daarna krijgt hij vlekken op zijn armen en benen.
  • Daarna krijgt hij vlekken op zijn buik en rug.
  • Na ongeveer 3 dagen krijgt hij koorts. Die is meestal niet zo hoog.

Waterhoofd

In het hoofdje van een kind zitten hersenen en ook hersenvocht. Dat hersenvocht is nodig voor de aan- en afvoer van stoffen voor de hersenen. Daarnaast beschermt het vocht de relatief zachte hersenen tegen de harde schedel.

Wat is een waterhoofd?

Het hersenvocht wordt aangemaakt in de hersenkamers (holtes in de hersenen gevuld met vocht). Het hersenvocht moet afgevoerd kunnen worden naar de bloedvaten in het lichaam.

Als dat niet mogelijk is, blijft er teveel vocht in het hoofd zitten. Dit zorgt voor stuwing van het vocht in de hersenkamers (waterhoofd of 'hydrocefalie'). Daardoor kunnen de hersenen in de verdrukking komen.

Hoe vaak komt een waterhoofd voor?

De aangeboren vorm van een waterhoofd komt voor bij ongeveer 1 op de 500 pasgeborenen. En de niet-aangeboren vorm ook bij 1 op de 500 pasgeborenen. Soms gaat het om een erfelijke afwijking. Er kan sprake zijn van een combinatie met een open ruggetje of andere aandoeningen.

Hoe kun je het zien bij je kind?

Bij het ontstaan van een waterhoofd groeit het hoofd sneller dan normaal. Op het consultatiebureau meten ze de eerste maanden de omtrek van het hoofd. Dat houden ze bij in een curve.

Wanneer het hoofd van je kind te hard groeit, kan dat een eerste symptoom zijn van het ontstaan van een waterhoofd. Soms kan de fontanel gespannen aanvoelen. En soms kun je het oogwit aan de bovenkant van het oog zien (het zonsondergangfenomeen).

Diagnose

Een waterhoofd kan nader vastgesteld worden via een echo-onderzoek of via een CT- of MRI-scan.

Behandeling

Soms herstelt een kind spontaan, maar vaak is een operatie nodig. Daarbij wordt een verbindingsbuisje aangebracht tussen de hersenkamers waar het vocht zit, via de hals naar beneden, richting de buikholte. Dit buisje wordt een shunt genoemd. Het zorgt ervoor dat het teveel aan hersenvocht wordt afgevoerd uit de hersenen.

Waterpokken

Waterpokken worden veroorzaakt door een herpesvirus. Het is een besmettelijk virus, maar niet schadelijk. Bijna elk kind krijgt dan ook de waterpokken. Het ziet eruit als rode vlekjes met blaasjes op de huid.

  • Je kind krijgt lichte koorts. Hij voelt zich niet lekker en is een beetje hangerig.
  • Dan krijgt hij rode vlekken en bultjes.
  • Op de bultjes ontstaan blaasjes, die heel erg jeuken.
  • Zolang er vocht in de blaasjes zit, is je kind besmettelijk voor andere kinderen.
  • Na ongeveer 3 dagen drogen de blaasjes in. Het worden dan korstjes.
  • De ziekte is voorbij als de korstjes eraf gevallen zijn.

Waterpokken gaan vanzelf over. Eventueel kun je bij de apotheek een zalfje halen tegen de jeuk. Vaak helpt een koud kompres ook.

Worminfecties

Er zijn verschillende soorten wormen waar mensen last van kunnen krijgen, zoals spoelwormen, lintwormen en aarsmaden. Spoelwormen en lintwormen komen zelden voor. Aarsmaden komen het meest voor.

Aarsmaden

Aarsmaden zijn kleine, witte wormpjes. Als je kind aarsmaden heeft, dan kun je deze wormpjes zien in de ontlasting. De aarsmaden leven in de darmen en zijn verder onschadelijk. Het kan echter wel gaan jeuken in en om de anus.

Kinderen kunnen aarsmaden krijgen, doordat ze de eitjes inslikken. Bijvoorbeeld door rauwe groente of vlees te eten, of door buiten in de tuin of in de zandbak te spelen. De eitjes zijn zo klein, dat je ze niet kunt zien.

Spoelwormen en lintwormen

Lintwormen komen zelden voor. Spoelwormen komen meestal voor in de darmen van honden en katten. Bij uitzondering kan je kind besmet worden via de ontlasting van de hond of de kat. Als je kind spoelwormen heeft, dan vind je iets grotere, crèmekleurige wormen in zijn ontlasting.

Wat kun je doen?

Een goede hygiëne is belangrijk. Als je onderstaande tips volgt, verdwijnen de aarswormen vanzelf, omdat je kind dan geen eitjes meer binnen krijgt.

  • Handen wassen nadat je naar de wc bent geweest, na het buitenspelen en voor het eten.
  • Elke dag een schone handdoek ophangen in het toilet.
  • Gebruik een nagelborsteltje.
  • Knip de nagels van je kind kort af.
  • Gebruik dagelijks aparte washandjes voor het onderlichaam en voor het bovenlichaam van je kind.
  • Maak regelmatig de wc-bril, de spoelknop, deurknoppen en speelgoed schoon.
  • Was groenten goed en zorg dat het vlees goed doorbakken is.
  • Heeft je hond spoelwormen? Koop dan een kuur in de dierenwinkel.

Naar de huisarts?

Als je kind ondanks de hygiënetips de aarswormen niet kwijt raakt, dan kun je overleggen met je huisarts wat je het best kunt doen. Als je kind spoelwormen of lintwormen heeft, kun je beter meteen even naar de huisarts gaan. En als het mogelijk is, doe dan een worm in een potje en neem die mee.

Wratten

Wratten zijn kleine, ruwe knobbeltjes die vooral op de handen en voeten voorkomen. Maar ze kunnen ook ergens anders op het lichaam voorkomen. Wratten zijn besmettelijk en worden veroorzaakt door een virus. In principe hoeven wratten niet behandeld te worden. Ze verdwijnen meestal vanzelf binnen 2 jaar.

Waterwratten

Waterwratten of kinderwratten zijn minder bekend dan gewone wratten. Ze zien er ook iets anders uit, ze zijn namelijk iets kleiner, gladder en witter. Ze zijn niet groter dan 2 tot 5 millimeter. En ze hebben een klein kratertje in het midden. Aan waterwratten hoef je niets te doen, ze geven vrijwel nooit klachten en gaan ook meestal vanzelf weer weg binnen 6 maanden tot 4 jaar.

Wat kun je zelf doen tegen wratten?

  • Als je kind wratten heeft, dan kan je kind er beter niet aan krabben en peuteren, anders komen er juist meer.
  • Als je kind een wrat op zijn vinger of duim heeft, kan hij daar beter niet aan zuigen.
  • Als je de wrat wilt laten behandelen, kun je het best een afspraak maken bij de huisarts.
  • Gewone wratten verdwijnen wel eens als je ze iedere dag aanstipt met wratteninctuur. Dit is te koop bij de drogist of de apotheek.
  • Bij waterwratten mag je geen wratteninctuur gebruiken. Het irriteert juist en het helpt niet.
  • Waterwratten kun je alleen insmeren met een vette crème om de irritatie te verminderen.

Zesde ziekte

De zesde ziekte is een virusinfectie. Als je kind de zesde ziekte heeft, dan krijgt hij hoge koorts, lichte rode vlekjes op zijn bovenlichaam en opgezette klieren in zijn hals en nek. Dit duurt enkele dagen en daarna geneest je kind weer.

  • Je kind krijgt koorts. Die kan best hoog worden.
  • Na ongeveer 3 dagen verdwijnt de koorts.
  • Dan krijgt hij rode vlekjes.

Ziekte van Lyme

Teken kunnen de ziekte van Lyme overbrengen. De kans daarop is groter als je een teek niet goed verwijdert.

Symptomen

Wanneer er om de beet een rode plek ontstaat die steeds groter wordt en niet na 1 of 2 weken verdwijnt, dan kan het zijn dat je kind de ziekte van Lyme heeft opgelopen. Soms ontstaat er echter geen rode plek, maar krijgt je kind wel bepaalde klachten zoals vermoeidheid, koorts en hoofdpijn.

Naar de huisarts?

Wees na een tekenbeet extra alert op de gezondheid van je kind. Ga even langs de huisarts als je vermoedt dat je kind een infectie heeft of als je de teek niet goed verwijderd hebt. Wanneer de ziekte van Lyme op tijd ontdekt wordt, is deze vaak goed te behandelen met antibiotica.

Verzorging en veiligheid

De kraamverzorgende helpt je de eerste week na de bevalling. Zij helpt je om je baby te verzorgen. Maar daarna moet je het zelf doen! Dat kan erg intensief zijn. Het is dan ook belangrijk dat je goed voor jezelf zorgt.

Gelukkig zijn er genoeg mensen en instanties waar je met vragen naartoe kunt. Denk aan familie, vrienden, het consultatiebureau en het Centrum voor Jeugd en Gezin. Bijvoorbeeld als je vragen hebt over onderwerpen als aankleden, luiers verschonen, huidverzorging, mondverzorging, veilig slapen en een veilig huis.

Veiligheid

Een baby is natuurlijk klein en kwetsbaar. Daarom is het goed om te weten welke gevaren er zijn en hoe je de veiligheid van je kind kunt waarborgen. Kleine kinderen kennen en zien zelf niet de gevaren om hen heen. Je kind kan bijvoorbeeld zomaar iets in zijn mond steken wat niet eetbaar is.

Kinderen tot 2 jaar zien geen gevaar. Ze willen graag alles ontdekken. Zo trekken ze gemakkelijk een tafelkleedje naar beneden. Of ze komen dicht bij een stopcontact. Er kan van alles gebeuren. Zorg daarom dat het veilig is in en om het huis. En let op je kind!

Lichaamsverzorging

Je baby verzorgen is een heerlijke manier om even met hem bezig te zijn. Je hebt even alle aandacht voor je kind en het is gezellig om wat tegen hem te praten of ondertussen een liedje te zingen.

Luiers verschonen

Om te voorkomen dat je baby luieruitslag krijgt, is het belangrijk de luier regelmatig te verwisselen. Een goed moment is na elke voeding. Verder kun je de luier verwisselen, zodra je ruikt dat je baby gepoept heeft. Het is verstandig om alle huidplooien goed schoon en droog te maken. Je kunt ook zinkzalf of zinkolie op de babybillen doen om ze te beschermen tegen luieruitslag.

Baby in bad

Het is niet nodig je baby elke dag in het babybadje te doen. Je kunt je baby ook wassen met een washandje. Voor het afdrogen gebruik je een zachte hydrofielluier van katoen. Het is belangrijk dat je alle huidplooien goed droog maakt. Je kunt de huid verzorgen met vaseline of een vette crème.

Oogjes verzorgen

De traanbuisjes van je baby zijn nog heel klein. Ze raken snel verstopt of ontstoken. Maak vieze oogjes voorzichtig schoon met een beetje lauw water. Wrijf het oogje voorzichtig van buiten naar binnen schoon. Niet vaker dan 2 keer per dag.

Oren en neus

Oren en neus hoef je niet schoon te maken. Je baby kan soms wat oorsmeer in zijn oortjes hebben. Laat dat rustig zitten. Maak het niet schoon met een wattenstaafje. Dan duw je het oorsmeer naar achteren. Met een vochtig doekje kun je de oorschelp een beetje schoonmaken. Maar dat hoeft niet. De neus van je baby maak je alleen van buiten schoon.

Nageltjes

Babynagels groeien erg snel. Soms krabt je baby zich in zijn gezicht. Je kunt de nagels vijlen met een kartonnen vijltje. Of je kunt ze voorzichtig afbijten. Vaak breken de nagels gewoon vanzelf af.

Knip de nageltjes van je kind de eerste tijd niet. De kans is groot dat je te veel afknipt. Of dat de nagels scherpe randjes krijgen. Daarmee kan je kindje zichzelf pijn doen. Na ongeveer 6 weken kun je de nagels van je kindje knippen met een speciaal nagelschaartje voor baby’s.

Huidverzorging

Het is belangrijk om de huid van je kind schoon te houden en goed te verzorgen. Baby's hebben soms last van eczeem of luieruitslag. Dan is het goed om te weten wat je kunt doen. Maar natuurlijk ook om te voorkomen dat de huid van je kind geïrriteerd raakt.

Huidsmeer

Pasgeboren baby's hebben een beschermende witte, vette laag op hun huid. Dit is huidsmeer. Je hoeft het er niet af te wassen, het trekt vanzelf weg in de huid.

Huidplooien

Huidplooien zitten bijvoorbeeld achter de oren, onder de kin, in de nek, in de elleboogholtes, in de knieholtes, in de liezen en tussen de billetjes.

Afdrogen en verzorgen

Bij huidplooien zit de huid dicht tegen elkaar aan. Daardoor droogt het niet goed vanzelf. Het is dus belangrijk dat je zelf de huidplooien goed droog maakt. Anders raakt de huid snel geïrriteerd. Doe dat het liefst met een hydrofielluier. Daarna kun je de huid verzorgen met vaseline of een vette crème.

Blijft er een beetje spuug, melk of badwater achter in de huidplooien van je baby? Dan wordt de huid vuurrood, soms nat of een beetje gezwollen. Droog de huid daar steeds goed af. En gebruik eventueel een beetje zinkzalf.

In het babybadje

Je baby verzorgen is een heerlijke manier om even met hem bezig te zijn. Je hebt even alle aandacht voor je kind en het is gezellig om wat tegen hem te praten of ondertussen een liedje te zingen.

Wassen en afdrogen

Het is niet nodig je baby elke dag in bad te doen. Je kunt je baby ook wassen met een washandje. Voor het afdrogen gebruik je een zachte hydrofielluier van katoen. Het is belangrijk dat je alle huidplooien goed droog maakt, bijvoorbeeld in de hals, de ellebogen, tussen de benen en in de knieholten. Deze plekjes raken bij baby's gauw geïrriteerd. Je kunt de huid verzorgen met vaseline of een vette crème.

Tips

  • Het is prettig voor de baby als het in de kamer waar je hem in bad doet, ook lekker warm is.
  • Het is handig om van te voren alles binnen handbereik te leggen wat je nodig hebt, ook luiers en kleding.
  • Veiligheid is belangrijk! Zorg voor de juiste temperatuur en hou je kind op de juiste manier vast. Je kunt je baby niet alleen op het aankleedkussen laten liggen en ook niet alleen in bad laten.
  • Het is nodig om de temperatuur van het badwater te controleren voordat je de baby erin doet. Het water mag niet kouder zijn dan 36 graden en niet warmer dan 38 graden.
  • Gebruik niet teveel zeep en shampoo. Er is speciale shampoo die niet in de oogjes prikt.
  • Je hoeft de haren van je kind niet dagelijks te wassen.
  • Giet een beetje olie in het badje. Dan komt er een laagje olie op de huid van je kind. Dat houdt het vocht vast.
  • Je kraamverzorgende kan je voordoen hoe je een baby in bad doet. Dan hoef je niet alles zelf te ontdekken.

Luiers

Baby’s hebben een intensieve verzorging nodig. Je stopt je kind lekker in bad, je wast zijn haartjes en je verzorgt zijn huid met speciale babyolie of andere crèmes. Ook bij het verschonen van de luier is het belangrijk om de kwetsbare huid van de billetjes goed te verzorgen.

Verschonen

Hoe moet je een luier verschonen? Zeker bij je eerste kind kan het nogal lastig zijn. Als je baby geplast heeft, is dat meestal niet zo moeilijk. Anders is het als je baby gepoept heeft. Hoe vaak een baby poept, is bij elke baby anders. De ene poept elke dag, de andere kan wel een paar dagen overslaan.

Tips

  • Gebruik lauwwarm water met een speciale babylotion. Geen zeep!
  • Maak de huid, de billetjes en de liezen goed droog. Gebruik hiervoor een hydrofiele handdoek.
  • Voorkom irritatie door na het afdrogen de billetjes en de huidplooien in te smeren met een babycrème.
  • Jongetjes gaan vaak plassen wanneer de luier los is, houd daarom zijn piemeltje naar beneden.
  • Houd bij het omdoen van de luier een vingerbreedte ruimte tussen de luier en het buikje van je baby.
  • De gerimpelde randjes van de luier (bij de beentjes) moeten naar buiten wijzen, anders lekt de luier door.

Poepluiers

  • Bij een meisje kunnen de schaamlippen helemaal vol zitten met poep. Je kunt ze dan het beste schoonmaken met veel lauw water. Doe dat heel voorzichtig, maar wel grondig.
  • Bij jongens gaat het verschonen van een poepluier wat makkelijker. Wees wel voorzichtig met de voorhuid van zijn piemel, die kun je niet naar achteren trekken.

Luieruitslag

Na het verschonen is het belangrijk om de tere huid van de billetjes goed te verzorgen. Om luieruitslag te voorkomen en te genezen, kun je het best de huid tweemaal per dag insmeren met zinkzalf. En na het verschonen kun je een beetje babypoeder over de billetjes strooien.

Wasbaar en milieuvriendelijk

Per dag verschoon je je baby al gauw 8 tot 10 keer. Dat heeft invloed op het type luier dat je kiest. Wil je een wasbare luier die vaker meegaat of kies je voor het gemak van een wegwerpluier?

De voordelen van wasbare luiers zijn dat ze goedkoop en milieuvriendelijk zijn. Ook worden kinderen eerder zindelijk. Het nadeel is natuurlijk dat je de luiers moet uitwassen. Dit kost water en energie.

Wegwerpluiers

Het voordeel van wegwerpluiers is vooral dat ze gemakkelijk zijn. Je kunt ze meteen weggooien en je hoeft ze dus ook niet uit te wassen. De nadelen van wegwerpluiers zijn dat ze duur en milieuonvriendelijk zijn. Sommige gemeenten zamelen wegwerpluiers daarom apart in.

Aankleden

Soms is het lastig om de juiste kledingmaten voor je kind te vinden. De maten zijn namelijk afgestemd op de lengte van je kind (in centimeters) en op de leeftijd van je kind.

Als je dus een wat mollig kind hebt, dan kan het zijn dat je iets te klein koopt. Maar ook als je kind vrij lang is of snel groeit, heb je vaak al gauw een grotere maat nodig.

Matentabel

  • Maat 50: pasgeboren – 1 maand
  • Maat 56: 2 maand
  • Maat 62: 3 maand
  • Maat 68: 6 maand
  • Maat 74: 9 maand
  • Maat 80: 1 jaar
  • Maat 86: 18 maand
  • Maat 92: 2 jaar
  • Maat 98: 3 jaar
  • Maat 104: 4 jaar

Tips en trucs

  • Je kunt het best kleding kopen dat rekbaar is. Ook broeken met een aanpasbare taille of een elastiek zijn slimme aankopen.
  • Het is niet zo erg wanneer een T-shirt of een trui net iets te groot is.
  • En het is ook handig om iets wat goed past mee te nemen als je gaat winkelen. Je legt dan het goed passende kledingstuk precies op het nieuwe kledingstuk. Zo kun je de maten vergelijken en zien of de nieuwe aankoop te groot of te klein is.

Op de groei!

Kleine kinderen groeien snel. Als je in september een winterjas wilt kopen voor je kind, houd er dan rekening mee dat je kind die het komende half jaar nog past. Wat dat betreft is een maat groter altijd beter dan net een maat te klein.

Aankleden en veiligheid

  • Loop nooit weg als je baby op het aankleedkussen ligt. Hij kan ineens omrollen en eraf vallen.
  • Gebruik alleen kleding met drukknoopjes. Haal alle losse touwtjes eruit.
  • Kleed je kind niet te warm aan en gebruik 'ademende materialen', zoals katoen of wol.
  • Zorg dat de kleding goed past, zodat je kindje er niet in verstrikt raakt.

Mondverzorging

Zodra de eerste tand zich aandient, moet die ook verzorgd worden. Jong geleerd is oud gedaan!

Tandenpoetsen

Tandenpoetsen bij een baby is niet bepaald gemakkelijk. Daar moet hij aan wennen. Ga er vooral mee door, want eraan wennen kost tijd.

  • Gebruik vanaf de eerste verjaardag speciale peutertandpasta met fluoride zonder extra smaakje.
  • De hoeveelheid op de borstel hoeft niet meer te zijn dan de grootte van een erwt. De concentratie fluoride is afgestemd op het feit dat jonge kinderen een deel inslikken.
  • Je kunt het best een kleine, zachte tandenborstel gebruiken. Masseer daarmee ook het tandvlees.

Poets dus zodra de eerste tand doorkomt 1 keer per dag en bij voorkeur 's avonds voor dat je baby naar bed gaat.

Voorkomen van zuigflescariës

Langere tijd een zuigfles of tuitbeker gebruiken, kan gaatjes in de tanden en kiezen veroorzaken. Dit komt door het drinken wat je erin doet. Alle dranken (behalve water en thee zonder suiker) veroorzaken gaatjes in de voortanden. De gaatjes ontstaan als het zuigflesje mee naar bed gaat en als dit regelmatig gebeurt. Ook een flesje met borstvoeding mee naar bed veroorzaakt gaatjes! Natuurlijk alleen als je baby al tandjes heeft.

Drinken uit een gewone beker

Begin zo vroeg mogelijk met het leren drinken uit een gewone beker zonder tuit. Dit kan (met wat hulp bij het vasthouden van de beker) op het moment dat je baby zelfstandig kan zitten. Geschikte dranken zijn water, thee zonder suiker of vruchtensap.

De meeste kinderen kunnen al vanaf 9 maanden uit een gewone beker drinken. Om dat te oefenen, kun je er eerst een dikkere vloeistof in doen Bijvoorbeeld yoghurt of dunne pap. Als je even geen zin hebt in geklieder, is een (afsluitbare) beker met een rietje ook een goed alternatief.

Veilig met voedsel

Een kind kan zich tijdens het eten weleens verslikken of zich branden aan hete dranken. Meestal loopt het met een sisser af en komt hij met de schrik vrij. Maar ongelukken zijn vaak te voorkomen.

Snoepjes

Het is niet verstandig om een jong kind kleine snoepjes te geven. Hij kan zich hier gemakkelijk in verslikken en het kan zelf zijn luchtpijp blokkeren. Als je hem toch een snoepje wilt geven, doe dat dan als hij rustig zit en niet druk aan het spelen is. Dat verkleint de kans dat hij zich verslikt.

Verslikken

Als je kind nog niet helemaal gewend is aan vast voedsel, kan hij zich daarin verslikken. Zorg daarom dat het eten goed geprakt is en geef je kind de tijd om aan vast voedsel te wennen. Je kunt naast hem blijven zitten, tot hij het eten op heeft. Het is belangrijk dat je kind tijdens het eten rustig zit. Dit voorkomt dat er door bewegen van je kind iets in zijn keel schiet en hij zich verslikt.

Verstikking

Je kunt een EHBO-cursus volgen, waar je leert hoe je bij een ongeval met kinderen het beste kunt handelen. Maar als je denkt dat je kind ergens in stikt, en je kunt niets doen of je weet niet wat je moet doen: bel dan direct 112.

Veilig met hete dranken

Kinderen hebben een dunne huid. Ongelukken met hete vloeistoffen kunnen bij kinderen ernstige brandwonden veroorzaken.

Aan tafel

  • Kinderen van 2 jaar en ouder kun je uitleggen dat soep heet is. Jongere kinderen begrijpen dit nog niet.
  • Probeer hete vloeistoffen zoals soep of jus op een plek op de tafel te zetten waar je kind er niet bij kan.
  • In plaats van een tafelkleed kun je beter placemats gebruiken. Een tafelkleed is voor een kind namelijk erg verleidelijk om aan te trekken, met alle gevolgen van dien.
  • Let extra goed op in de keuken als je aan het koken bent. Zorg ervoor dat de stelen van de pannen niet uitsteken! En als je loopt met hete pannen, dat je nergens over struikelt en zo per ongeluk de inhoud over je kind morst.

Koffie en thee

  • Hete thee of koffie kun je het best op een plek zetten waar je kind er niet bij kan.
  • Een tafelkleed kan ook hierbij gevaarlijk zijn. Je kind kan eraan trekken en zo een kop of pot hete drank over zich heen krijgen. Vooral als je kind net leert om te staan, wil hij zich misschien optrekken aan het tafelkleed of aan het snoer van de koffiezetter of de waterkoker.
  • Drink geen hete thee of koffie met je kind op schoot of op de arm! Kinderen kunnen immers onverwachte bewegingen maken.
  • Thee of koffie kun je het best in een goed afsluitbare thermoskan gieten. Een thermoskan wordt aan de buitenkant niet heet en is voor je kind minder gemakkelijk te openen.

Veiligheid in en om het huis

Je wilt het liefste dat je kind overal kan gaan en staan, zonder dat je je zorgen hoeft te maken. Toch is het verstandig je kind goed in de gaten te houden. Kinderen tot 2 jaar zien geen gevaar. Ze willen graag alles ontdekken. Zorg daarom dat het veilig is en let op je kind!

Ruimte

Kinderen hebben ruimte nodig om zich te ontwikkelen. Ze spelen en leren van hun fouten. Het is helemaal niet erg als je kind eens valt. Dit hoort er nu eenmaal bij. Maar het is natuurlijk niet de bedoeling dat je kind er blijvende schade aan overhoudt.

Waar is het gevaar?

Je ziet het best wat gevaarlijk kan zijn voor een rondkruipend of lopend kind als je zelf eens op de grond gaat liggen of zitten. Dan zie je hoe makkelijk je kind bij een stopcontact kan komen, dat er van alles op de vloer ligt of dat een afhangend tafelkleed heel geschikt lijkt om je aan op te trekken.

Toezicht houden

Je kunt je kind niet overal tegen beschermen en je wilt je kind ook niet van alles verbieden. Als je kind wat ouder wordt, kun je hem bepaalde gevaren laten inzien. Waarschuw je kind bijvoorbeeld voor de gevaren van hete thee of dichtbij het trapgat spelen.

Voorzieningen

Het is verstandig maatregelen te treffen, zodat een kind dat leert lopen niet onverwacht uit het raam, van een trap of door glas kan vallen. Maar bedenk ook dat je kind zijn vingertjes tussen de deur kan krijgen of zich kan verwonden aan scherpe hoeken van het meubilair. Daarvoor zijn beschermers te koop.

In de woonkamer

Als je kind gaat kruipen en daarna lopen, kan hij overal komen. Natuurlijk is het goed dat je hem de ruimte geeft. Maar let daarbij wel extra goed op de veiligheid.

  • Zet kasten en wandmeubelen stevig vast aan de muur. Als je kind in een kast klimt om iets te pakken, dan kan hij die hele kast over zich heen krijgen.
  • Berg gevaarlijke producten zo op, zodat je kind er niet bij kan. Bijvoorbeeld medicijnen, alcohol, cosmetica en tabak.
  • Houd glazen vazen, asbakken, sigaretten, alcohol en pinda’s buiten bereik van je kind.
  • Het is nog steeds erg belangrijk dat je in huis niet rookt, dit is erg slecht voor de gezondheid van je kind.
  • Laat je kind nooit rennen met een lolly, ijsstokje of iets anders scherps in zijn mond. Als hij valt, kan hij zich flink bezeren.
  • Zet de box ver weg van snoeren van elektrische apparaten, koordjes van luxaflex of gordijnen, (giftige) planten, een hete verwarming, eten en andere dingen die hij over zich heen kan trekken.
  • Zet een wipstoeltje niet hoog neer. Altijd op de grond.
  • Laat je kind nooit alleen met een huisdier (hoe lief die ook is).
  • Neem je baby niet op schoot als je koffie of thee drinkt. Bij een onverwachte beweging kan je baby zich verbranden.
  • Dek je verwarming af. Zet losse kacheltjes en haarden op een veilige plek.
  • Beveilig alle stopcontacten die lager zitten dan 1.50 meter.
  • Plak scherpe hoeken en randen af met beschermhoekjes.
  • Plaats traphekjes boven en onder aan de trap.

Tips voor ramen en deuren

  • Plaats kindveilige sluitingen op ramen, balkondeuren en tuindeuren.
  • Zorg dat je kind niet over de rand van het balkon kan klimmen. Denk aan opstapjes, stoelen en plantenpotten.
  • Zet geen krukjes, dozen of vuilnisbakken in de buurt van een raam. Je kind kan daar op klimmen.
  • Dek deurspleten af met speciale beveiligers. Zo voorkom je dat je kind zijn vingers pijn doet.

In de keuken

Ben je aan het koken of aan het afwassen? Dan is het gevaarlijk voor je kind in de keuken. Als hij leert kruipen en lopen, is het belangrijk dat je goed let op de veiligheid in de keuken. Leer je kind van jongs af aan dat hij niet overal aan mag komen. Of dat hij niet ongevraagd in de keuken mag komen.

  • Plaats een pannenrekje rond het gasfornuis.
  • Zet de stelen van de pannen naar achteren als je kookt.
  • Zet geen stoelen of andere opstapmogelijkheden in de keuken die je kind kan gebruiken om bij het fornuis of de hete kraan te komen.
  • Zet apparaten die heet kunnen worden achter op het aanrecht (denk aan een tosti-ijzer of frituurpan), zodat je kind er niet bij kan en het kan omtrekken.
  • Maak de snoeren van de apparaten, bijvoorbeeld van het koffiezetapparaat en waterkoker, zo kort mogelijk en leg ze achter op het aanrecht.
  • Leeg na gebruik de waterkoker.
  • Zet eventueel een hekje voor de keuken, zodat je kind er helemaal niet in kan.
  • Houd lucifers en gasaanstekers buiten het bereik van je kind.
  • Laat je kind nooit alleen met een emmer hete sop of een beker hete koffie of thee.
  • Berg schoonmaakmiddelen hoog en veilig op. Dus niet in het kastje onder de gootsteen.
  • Zet eventueel kindersloten op kastjes en laden.
  • Berg plastic tassen goed op.
  • Zit je oven laag? Dan kun je een ovenruitbeschermer voor het raampje zetten. Dan kan je kind zich niet branden.
  • Heb je een kattenbak in de keuken? Let er dan op dat je kind daar niet aan komt. Kattenbakkorrels zijn giftig.

In de bad- en slaapkamer

De badkamer

  • Zorg voor een medicijnkastje met een veilige sluiting. Medicijnen, vitamines en cosmetica zien er voor je kind erg ‘lekker’ uit.
  • Plak antislipmateriaal in de douche en het bad.
  • Gebruik een thermostaatkraan. Dan heb je altijd een veilige watertemperatuur. Pas wel op, want vaak is een deel van deze kraan toch heet.
  • Laat nooit een bad gevuld met water staan, laat het bad direct leeglopen na gebruik.

De slaapkamer

Slaapt je kind nog in een babybedje, of al in een groot bed? Er zijn verschillende dingen belangrijk voor de veiligheid van je kind in bed. Bijvoorbeeld de bedinrichtingen de plek van het bed.

In de tuin

Zandbak

Misschien heb je een zandbak in de tuin. Spelen in de zandbak is voor je kind een leuke bezigheid, daarnaast is het ook goed voor zijn ontwikkeling. Begrijpelijk is dat je als ouder misschien bang bent voor ziekten die je kind kan oplopen. Als je kind in de zandbak speelt, houd dan altijd een oogje in het zeil.

Afdekken

Kinderen stoppen van alles in hun mond. Dit kan dus ook een hap zand zijn. Om te voorkomen dat je kind ziek wordt van bijvoorbeeld vogelpoep in het zand, kun je de zandbak na gebruik afdekken. Ook regelmatig het zand verversen, kan ziekten voorkomen.

Zwembadje

Het is goed om je kind van jongs af aan te laten wennen aan water. Als het mooi weer is, wil je kind misschien in een zwembadje spelen. Houd je kind altijd goed in de gaten, want hij kan al in een klein laagje water verdrinken. Laat je kind ook nooit alleen als je een zwembadje in de tuin hebt. Grotere broers en zussen kunnen nog niet opletten.

Vijver

Heb je een vijver in de tuin? Scherm de vijver af met een hek of met een rooster. Of maak van de vijver tijdelijk een zandbak!

Planten

Je kunt een boek over planten kopen (of lenen in de bibliotheek) en controleren of je giftige planten in de tuin hebt staan. Leer kinderen zo vroeg mogelijk dat ze niet zomaar van planten mogen eten.

Een traphekje

Een val van de trap is één van de meest ernstige ongevallen. Het zijn met name kinderen van 1 en 2 jaar oud die de meeste risico's lopen. Een traphekje maakt de trap voor kleine kinderen onbereikbaar, zodat ze er niet af kunnen vallen of op kunnen klimmen.

Tips

Het is het beste om boven en onder aan de trap een traphekje te plaatsen. Belangrijk is om het hekje ook altijd te sluiten!

  • Maak de treden van een open trap even dicht. Een klein kind glijdt gemakkelijk tussen de open treden door.
  • Plak antislipmateriaal op de treden van de trap.
  • Vergeet de trap naar zolder niet.

Traplopen

Zodra je kind kan lopen, kun je beginnen met het oefenen van het traplopen. Loop achter je kind aan de trap op en voor je kind uit de trap af. Leer hem om zodra hij bij de trapleuning kan, altijd met 1 hand de trapleuning vast te houden.

Elektriciteit

Kleinere kinderen begrijpen nog niet dat uit stopcontacten elektriciteit komt en dat elektriciteitssnoeren gevaarlijk kunnen zijn. Je kunt daarom alvast maatregelen nemen die de kans op ongelukken verkleinen.

Veilige maatregelen

Je kunt kindveilige wandcontactdozen (laten) plaatsen of bestaande stopcontacten beveiligen met een afdekplaatje. Het is het best om elektriciteitssnoeren zoveel mogelijk weg te werken, bijvoorbeeld achter een plint. Wanneer je bijvoorbeeld gaat verhuizen naar een nieuwbouwhuis, kun je zelf bepalen waar je stopcontacten laat plaatsen.

Wat te doen als je kind een schok krijgt?

  • Eerst de stroom uitschakelen door de stekker uit het stopcontact te trekken of door de hoofdschakelaar om te draaien.
  • Als je kind bewusteloos is en niet meer ademt, meteen 112 bellen en mond-op-mondbeademing (laten) geven.
  • Als je kind niet bewusteloos is geraakt, ga dan toch even naar de huisarts.

Loden waterleidingen

Loden waterleidingen in huis zijn gevaarlijk, omdat er looddeeltjes in het drinkwater kunnen komen.

Bij kleine kinderen kan een teveel aan lood leiden tot bloedarmoede, schade aan het zenuwstelsel, aangeboren afwijkingen en nierschade. Ook kan het leiden tot leerproblemen en gedragsproblemen. Het is dus heel belangrijk om te weten of er in het huis loden waterleidingen aanwezig zijn.

Oude huizen

Sinds 1960 worden er geen loden waterleidingen meer gebruikt in de bouw. Ook zijn ze in de meeste huizen vervangen. Toch zullen er soms in oude huizen nog loden waterleidingen voorkomen. Voornamelijk in huizen die voor 1945 zijn gebouwd.

Wat te doen?

Als je in een oud huis woont, kun je het best eerst zelf controleren of er loden waterleidingen zijn. Je herkent ze aan hun grijze kleur. Vermoed je dat er loden waterleidingen zijn of weet je het niet zeker? Dan kun je voorlopig beter geen kraanwater drinken. Drink het liefst bronwater uit flessen. En gebruik dat ook voor flesvoeding!

Wat als je koopt of huurt?

Als je een koophuis hebt, dan kun je een erkend installateur (een loodgieter) natuurlijk meteen de opdracht geven de loden waterleidingen te vervangen. Als je een huurhuis hebt, dan is de huiseigenaar of woningcorporatie verantwoordelijk voor het vervangen van de loden waterleidingen.

Glas

Glazen deuren, ramen, glazen tafels en drinkglazen. Als je alles bij elkaar optelt, heb je best veel glas in en om het huis.

Voorkomen

Er zijn verschillende mogelijkheden om ongelukken met glas te beperken.

  • Op ramen en deuren kun je bijvoorbeeld stickers plakken zodat het glas zichtbaarder is.
  • Daarnaast is het mogelijk om speciaal glas te laten zetten dat sterker is en dus minder snel breekt.
  • Ook kun je er een speciale folie op plakken, dat het glas bij elkaar houdt als het breekt.

Inrichting

Uiteraard kun je bij de inrichting van je huis rekening houden met waar je glazen voorwerpen neerzet.

  • Vazen kun je misschien beter wat hoger zetten.
  • Ook kun je bijvoorbeeld de draairichting van een glazen deur veranderen, wat de kans op ongelukken kan verkleinen.

Verwonding

Ondanks al je maatregelen kan je kind toch een ongelukje krijgen. Bij kleine schaaf- en snijwonden kan een pleister plakken al voldoende zijn. Raadpleeg bij ernstige verwondingen altijd je huisarts.

Speelgoed

In Nederland moet speelgoed aan hoge veiligheidseisen voldoen. Dit kun je herkennen aan de zogenaamde CE-markering op het speelgoed. Maar dit biedt geen garantie dat speelgoed altijd volkomen veilig is. Je kunt zelf ook letten op een aantal veiligheidskenmerken.

Kijken en voelen

Baby's zijn nog erg bezig met kijken en voelen. Geschikt speelgoed voor baby's is bijvoorbeeld van zacht materiaal, is uitwasbaar of maakt een geluidje. Let op dat er geen kleine onderdelen aan zitten die je baby makkelijk los kan peuteren. Kleine onderdelen stoppen ze namelijk in hun mond, neus of oor.

Opletten

Bij het kopen van speelgoed voor baby's en peuters kun je erop letten dat het speelgoed:

  • geen scherpe uitsteeksels heeft;
  • geen onderdelen bevat die kleiner zijn dan 3,5 centimeter;
  • van stevig en goed materiaal gemaakt is, hout dat niet splintert, plastic dat niet breekt;
  • niet afgeeft als je baby erop sabbelt;
  • geen touwtjes of koordjes bevat die langer zijn dan 22 cm;
  • geen harde geluiden maakt, dit kan gehoorschade veroorzaken als ze het speelgoed te dicht bij hun oor houden.

Ongelukje

Er zijn genoeg zaken waar je op kunt letten bij het kopen van veilig speelgoed. Toch kan het gebeuren dat je kind iets inslikt, iets in zijn oor stopt of zich ergens aan snijdt. Bij kleine schaaf- en snijwonden kan een pleister plakken al voldoende zijn. Vertrouw je het niet, ga dan naar de huisarts.

Veilig in bed en in de box

Er zijn veel mogelijkheden om je kind veilig en lekker te laten slapen.

Bedinrichting

Voor het bedje van baby's en peuters is er van alles te koop: babyslaapzakken, dekens of dekbedden. Een goede bedinrichting is belangrijk en kan wiegendood voorkomen.

Bedje

Je kunt je kind laten slapen in een wiegje of een ledikant. Spijlen voorkomen dat je kind uit bed valt, maar let op de afstand ertussen. Ook de plek van het wiegje of ledikant is van belang voor de veiligheid. Het juiste beddengoed en een goed matras kunnen de kans op wiegendood verkleinen.

Box

Voor baby's is de box een veilige plek om te spelen. Veel boxen hebben een verstelbare bodem. Zodra je kind zich gaat optrekken en probeert te gaan staan, kun je de bodem beter in de laagste stand zetten.

Veiligheid in bed

Lekker en veilig slapen is belangrijk. Je kunt daar veel voor doen!

Babybedje

Als je een babybedje gaat kopen, let dan op dat de afstand tussen de spijlen ligt tussen 4,5 en 6,5 centimeter. Een goed babybedje is van stevig, glad afgewerkt materiaal gemaakt en heeft een ventilerende bodem. Daar hoort een stevig en vlak matrasje op.

Het bedje verven?

Misschien ga je het bedje zelf schilderen? Vraag dan advies aan de winkel zodat je verf kiest zonder giftige stoffen. Kleine kinderen bijten en sabbelen nu eenmaal ook aan hun bed.

Veilig slapen

  • Leg je baby altijd op zijn rug te slapen.
  • Gebruik de eerste 2 jaar geen dekbed, maar een laken met een dekentje. Of trek je kind een babyslaapzak aan.
  • Gebruik je een dekentje? Maak het bedje dan kort op. De voetjes van je kindje mogen bijna de onderkant raken.
  • Gebruik een stevig, goed passend matras.
  • Gebruik liever geen zeiltje of matrashoes met een ondoordringbare laag. Wil je dit toch, leg het dan niet onder het hoofdje van je kind.
  • Zet het bedje ver weg van de verwarming en van (gordijn)koorden en snoeren.
  • Zorg voor een koele omgeving. Een goede temperatuur voor in de slaapkamer is tussen de 16 en 18 graden.
  • Leg geen hoofdbeschermer, kussentje, of grote zachte knuffel bij je baby in bed. Als hij er met z'n gezicht tegenaan ligt, kan hij in ademnood raken.
  • Laat je baby niet bij je in bed slapen. Je kunt wel zijn bedje naast je eigen bed zetten.

Leg je baby nooit vast

Veel ouders willen hun baby vastleggen om te voorkomen dat hij zich bloot woelt, uit bed valt, een afgeplat hoofdje krijgt, of op zijn buik gaat liggen (angst voor wiegendood). Helaas gebeuren er veel ongevallen doordat de producten hiervoor verkeerd gebruikt worden, waardoor kinderen zich vastdraaien of zelfs stikken.

Gelukkig zijn er een heleboel alternatieven om je baby rustig en veilig te laten slapen zonder het vast te leggen. Daarbij kun je denken aan het gebruik van een babyslaapzak en het aanbrengen van een vast patroon voor het slapen gaan.

Veiligheid in de box

In de box kan je kind even zelf spelen. Zo leert hij hoe hij zich kan bewegen. En soms moet je je kind even neerleggen. De box is dan een veilige plek.

Rustig opbouwen

Het is aan te raden het rustig op te bouwen. Als je kind de eerste keer een kwartier in de box ligt, is dat lang genoeg. Zo geef je hem de tijd om aan de box te wennen. Zodra je kind zich gaat optrekken en probeert te gaan staan, kun je de bodem in de laagste stand zetten.

Waar zet je de box neer?

Zet de box het liefst in een hoek. Dat is rustig voor je baby. Bij een raam is ook leuk! Dan kan hij naar het licht en naar de wolken kijken. Zorg er wel voor dat je kind niet bij de koordjes van (rol)gordijnen kan en ook niet bij de verwarming.

Een goede box

Een goede box heeft een verstelbare bodem en stevige spijlen die 4,5 tot 6,5 centimeter uit elkaar staan. Maar houd je kind in de gaten! Voor je het weet, kan hij een spijltje vastpakken. Dan wordt omrollen gemakkelijker. Als je de bodem op tijd omlaag zet, kan hij niet uit de box vallen.

Op de buik

Leg je baby regelmatig even op zijn buik in de box. Blijf er wel bij! Leg steeds een paar speeltjes in de box. En na een tijdje ruil je dat om met ander speelgoed, zo blijft het leuk! Maak geen speelgoed met touwtjes aan de box vast. Daaraan kan je baby zich pijn doen.

Bedinrichting

Bij het kiezen van beddengoed kun je denken aan een babyslaapzak, een deken of een dekbed.

Slaapzak

Probeer bij het kiezen van een babyslaapzak altijd een passende maat te kopen. De armsgaten en de halsopening mogen niet te groot zijn zodat je kind niet in de babyslaapzak kan kruipen. Een groot voordeel van een babyslaapzak is dat je kind niet onder de dekens kan kruipen. Dit verkleint het risico op warmtestuwing en verstikking.

Een dunne slaapzak mag eventueel gecombineerd worden met een lakentje en een dekentje.

Deken

Kies je voor een deken, zorg er dan voor dat je het bedje kort en stevig opmaakt. Je kind komt dan minder snel met het hoofd onder de dekens terecht.

Dekbed

De eerste 2 jaar kun je beter geen dekbed gebruiken. Dat kan namelijk veel te warm worden. Kinderen kunnen door getrappel makkelijker onder het dekbed komen en in de hoes verstrikt raken.

Matras

Je kind brengt veel tijd door in zijn bed. Bij de keuze van een matras kun je rekening houden met een aantal zaken.

  • Kies voor een vlak en stevig matras, dat goed in het bed past. Dit kan voorkomen dat je kind tussen het matras en de zijkant van het bed beklemd raakt.
  • Er mag geen plastic hoes om het matras zitten. Plastic ventileert namelijk niet, waardoor je kind het te warm kan krijgen.
  • Dunne matrassen klappen makkelijk dubbel. Kies daarom liever voor een dikker matras.
  • Als je een matras hebt gekocht dat niet in Europa gemaakt is, laat dit dan even luchten. Deze matrassen hebben namelijk vaak in een zeecontainer gezeten, waarin mogelijk desinfecterende stoffen zijn gespoten.

Kussen en knuffels

Leg geen kussens of knuffels bij je kind in bed. Kinderen kunnen daar met hun gezichtje tegenaan kruipen en daardoor in ademnood komen. Wanneer je kind wat ouder is en in een groter bed slaapt, kun je wel knuffels en kussens in het bed leggen. Je kunt beter geen hoofdbeschermers of bedverkleiners gebruiken. Deze verhogen ook de kans dat je kind bij het ademen wordt belemmerd.

Kruik

Het is belangrijk om kruiken voor gebruik altijd te controleren. Er zijn verschillende soorten kruiken verkrijgbaar, zoals een elektrische oplaadbare kruik, een pittenkruik of een warmwaterkruik.

Je kunt met de kruik het best het bedje alleen voorverwarmen. Haal de kruik uit het bed als je baby in bed ligt. Wil je toch de kruik gebruiken wanneer je baby in bed ligt? Dan kun je dit beter eerst goed overleggen met een arts, kraamverzorgende of verloskundige.

Uit bed vallen

Je wilt natuurlijk voorkomen dat je kind uit bed valt. Je kunt een aantal voorbereidingen treffen om de kans hierop te verkleinen.

Verstelbare bodem

Bij veel ledikanten is de bodem verstelbaar. Je hoeft dan niet zo diep te bukken om je kind uit bed te halen of terug te leggen in bed. Tegen de tijd dat je kind kan zitten, zet je de bodem op de middelste stand. Kan je kind staan? Dan moet de bodem op de laagste stand worden gezet, zodat hij niet uit bed kan vallen.

Babyslaapzak

Je kunt je kind in een babyslaapzak leggen. Je kind kan dan moeilijker uit bed klimmen. Je kunt ook voor de zekerheid iets zachts naast het bed leggen, voor het geval dat je kind toch uit bed valt. Het is niet aan te raden je kind vast te leggen in bed. Dan loop je het risico dat hij verstrikt raakt.

Gevallen

Ondanks al je maatregelen kan je kind toch een keer uit bed vallen. Misschien is een kusje of een pleister voldoende. Je kunt bij ernstigere verwondingen het best meteen je huisarts raadplegen.

Plek van het bed of de box

Je kind zit in een fase waarin hij alles wil vastpakken en overal aan wil trekken. Om ongelukken te voorkomen, kun je rekening houden met de plek van het bed en de box.

Frisse lucht

Het is belangrijk dat je kind voldoende frisse lucht krijgt tijdens het slapen, maar denk er wel om dat hij niet op de tocht ligt. Je kunt de babykamer het best regelmatig ventileren, als je baby niet in bed ligt. De babyslaapkamer kan de eerste weken het beste een temperatuur tussen de 16 en 18 graden hebben.

Niet te dicht bij de kachel

Zet het bed of de box liever niet te dicht bij een kachel of radiator. Je kind kan zich dan branden of het te warm krijgen.

Koorden, snoeren en stopcontacten

Het is verstandig om het bed of de box zo ver mogelijk bij elektriciteitssnoeren of gordijnkoorden vandaan te zetten, om te voorkomen dat je kind die vastpakt of erin verstrikt raakt. Ook stopcontacten kunnen gevaarlijk zijn. Zet het bed of de box er zo ver mogelijk bij vandaan of beveilig stopcontacten met speciale afdekplaatjes.

Water

Laat je je kind spelen met of in water? Dan kun je het best dicht bij hem in de buurt te blijven.

Bad

Je kunt verschillende maatregelen nemen om je kind veilig te laten baden, zoals bijvoorbeeld het instellen van de juiste temperatuur.

Zwemmen

Je kunt al vroeg beginnen met je kind te laten wennen aan water. Er zijn bijvoorbeeld speciale baby en peuter zwemuren.

Verdrinken

Jonge kinderen kunnen al in een laagje van 5 centimeter water verdrinken, het is daarom raadzaam op goed op je kind te letten.

Veilig in bad

Je kunt een aantal maatregelen nemen om het baden van je kind nog veiliger en leuker te maken.

Opletten!

Hou je kind tijdens het baden altijd goed in de gaten! Zorg dat je je kind steeds kunt zien en binnen handbereik hebt. Laat hem nooit alleen, al is het maar voor even. Loop ook niet naar de kamer ernaast. Je kind kan namelijk al in een paar centimeter water verdrinken. Zorg dat je alles wat je nodig hebt, binnen handbereik klaar hebt staan.

Ook als een ouder broertje of zusje oplet, is je baby niet veilig.

Hulpmiddelen

  • Zet de badstandaard op een stevige, horizontale en droge ondergrond. Klap hem helemaal uit voordat je je baby in bad doet.
  • Je kunt een antislipmatje aanschaffen. Dit matje voorkomt dat je kind in bad uitglijdt.
  • Ook kun je een badzitje aanschaffen. Over de veiligheid van een badzitje zijn de meningen verdeeld. Het belangrijkste advies is: blijf altijd bij je kind, ook als hij in een badzitje zit!
  • Als je kind zit, kan hij tegen de kraan aan stoten en zich bezeren. Hiervoor zijn zogenaamde kraanbeschermers te koop, die je over de kraan kunt schuiven.

Temperatuur

Bij een temperatuur tussen de 36 graden en 38 graden kan je kind veilig en lekker badderen.

Je kunt het best eerst het badje vullen met koud water en daarna warm water toevoegen. Meng het water met de hand zodat het overal dezelfde temperatuur heeft. Voor alle zekerheid nog even checken met je elleboog of met een badthermometer. Dit kan brandwonden voorkomen.

Thermostaatkraan

Als je kind al kan kruipen of lopen, zorg dan dat hij nooit bij de hete kraan kan komen. Neem daarom liever een thermostaatkraan!

Zwemmen

Je baby kan meteen zwemmen als hij geboren is. In je buik deed hij dat ook. Toch moet je niet meteen met hem gaan zwemmen. Er is te veel infectiegevaar.

Als je kind ongeveer 6 weken oud is, kun je hem laten wennen aan water.

Watergewenning

Wanneer je kind 6 weken oud is, kun je hem al meenemen naar het zwembad. In de meeste zwembaden worden zogenaamde baby- en peuterzwemlessen gegeven. Je kind raakt zo niet alleen vertrouwd met water, maar zijn spieren worden ook soepel en hij bouwt een goede conditie op.

Niet te koud!

Je kind kan zichzelf nog niet goed warm houden. In het zwembad wordt hij dan te koud. Krijgt je kind paarse lipjes, dan heeft hij het te koud. Zorg ervoor dat:

  • het water minstens 30 graden is,
  • en dat je je baby goed afdroogt.

Oren en luchtwegen

Wanneer je kind last heeft van een oorontsteking kun je beter niet met hem gaan zwemmen. Ook als hij last heeft van zijn luchtwegen is het beter om eerst advies te vragen aan je huisarts of consultatiebureau. In een zwembad hangen chloordampen, waar je kind last van kan krijgen.

Stapje verder

Het is belangrijk dat je kind het zwemmen leuk vindt. Als hij er geen plezier in heeft, zal hij angstig worden. Het is belangrijk hem stapje voor stapje aan het water te laten wennen.

Veiligheid

Er zijn verschillende hulpmiddelen om je kind veilig te laten zwemmen. Zo kun je bijvoorbeeld zwemvleugels aanschaffen. Ga je met je kind varen op een boot, zorg dan voor een goed passend reddingsvest. Maar welk hulpmiddel je ook gebruikt, houd altijd een oogje in het zeil.

Verdrinkingsgevaar

Kinderen spelen graag met water, vooral bij warm weer. Maar ze snappen nog niet dat water ook gevaarlijk kan zijn.

Opletten

Kleine kinderen kunnen al verdrinken in een laagje water van 5 centimeter diep. Probeer dus altijd goed op te letten, ook al speelt je kind alleen maar met een emmer water. Dit lijkt op het eerste gezicht onschuldig, maar ook hierbij kunnen ongelukken gebeuren.

Open water

Zwemmen in open water, zoals de zee, is heel anders dan zwemmen in het zwembad. In de zee en in rivieren kan de stroming heel verraderlijk zijn. Probeer het gebruik van opblaasbaar speelgoed, zoals een zwemband of zwemvleugels, zoveel mogelijk te vermijden. Hiermee kan een kind door de stroming en de wind snel afdrijven.

Zwin

Je kunt samen met je kind in een zogenaamd zwin baden. Een zwin is een stukje ondergelopen strand dat niet in verbinding staat met de zee. Het is hier ondiep en vaak wat warmer dan in de zee zelf. Hier kan je kind een stuk veiliger spelen dan in de zee. Maar houd ook hier je kind goed in de gaten.

Hulpmiddelen

Er zijn hulpmiddelen die de kans op verdrinking verkleinen, zoals zwemvleugels. Let er wel op dat het goed past en vermijd deze hulpmiddelen in open water met stroming. Wanneer je met je kind gaat varen, is het verstandig hem een goed passend reddingsvest aan te trekken.

Let op! Gebruik een zwemhulpmiddel nooit in combinatie met een wegwerpluier. Een luier houdt lucht vast. Hierdoor kunnen de billen boven water komen en raakt het hoofd in het water. Laat je kind zonder luier in het water of gebruik een speciale zwemluier.

Zomer

Eindelijk is het zomer en gaat de zon lekker schijnen! Misschien blijf je gewoon in Nederland of misschien ga je lekker op vakantie samen met je kind.

Maar wat je ook doet, het is hoe dan ook verstandig om je voor te bereiden op warm weer. Wat te doen om te voorkomen dat je kind verbrandt in de zon en wat te doen tegen de zomerhitte?

In de zon

De huid van je kind is zo teer, dat het zich maar 5 tot 10 minuten kan beschermen tegen de zon. De kans op verbranding is dus heel groot.

Schaduw

Het is het best om je kind zoveel mogelijk uit de zon te houden. Dit lukt niet altijd, maar probeer in ieder geval de zon te vermijden tussen 11.00 uur en 15.00 uur. Gebruik het liefst een parasol, want in de kinderwagen met de kap omhoog wordt het al snel veel te warm.

Zonnebrandcrème

Een zonnebrandcrème met een hoge beschermingsfactor (minimaal factor 30) speciaal voor kinderen is erg belangrijk voor de bescherming van de huid. Er zijn crèmes die je maar één keer hoeft aan te brengen. Neem het zekere voor het onzekere en smeer je kind het liefst elk uur in. Ook in de schaduw kun je verbranden, dus gebruik ook in de schaduw een zonnebrandcrème.

Kleding en zonnehoedje

In de schaduw heeft je kind ook bescherming nodig. Trek hem luchtige kleding aan, bijvoorbeeld een dun T-shirt. Smeer zijn onbedekte armpjes en hals goed in met zonnebrandcrème. Het is ook belangrijk dat het hoofd van je kind goed beschermd is. Gebruik daarvoor een petje of een zonnehoedje.

Drinken

Je kind heeft veel behoefte aan vocht, zeker als het warm is. Genoeg drinken helpt hem zijn warmte kwijt te raken. En het voorkomt natuurlijk uitdroging. Je kind zal het ook lekker vinden om een keertje extra te baden.

Ogen

Ogen zijn ook heel gevoelig voor uv-straling. Er zijn speciale kinderzonnebrillen te koop. Wanneer je besluit een bril te kopen, let dan wel of op de glazen daadwerkelijk de schadelijke straling tegenhouden.

Verbrand

Mocht je kind toch ondanks alle voorzorgsmaatregelen toch verbrand zijn, smeer hem dan in met een verzorgende aftersun. Raadpleeg bij ernstige verbranding je huisarts.

Zomerhitte

Nederland een koud kikkerlandje? Vaak wel, maar niet altijd.

In de zomer kan het ook in Nederland tropisch warm worden. Maar of je nou in Nederland bent, of je gaat op vakantie naar het buitenland, in de zomer is het belangrijk om rekening te houden met de zomerhitte en met de gezondheid van je kind.

Borstvoeding

Natuurlijk is het belangrijk om zelf voldoende water te drinken, minstens 2 liter per dag. Als je je kind borstvoeding geeft, zal je kind misschien vaker willen drinken. Als je niet genoeg borstvoeding kunt geven of als je kind erg dorstig is, kun je snel een flesje klaarmaken met kunstvoeding. Dit is natuurlijk ook erg handig voor mee op reis!

Als je geen borstvoeding (meer) geeft, kun je je kind tussendoor extra te drinken geven. Ongeveer 2 of 3 meer drinkbekers dan normaal.

Uitdrogingsverschijnselen

Als je denkt dat je kind uitdroogt, neem dan direct contact op met de huisarts. Uitdroging herken je aan één of meerdere van de volgende verschijnselen:

  • onregelmatig plassen en minder plassen;
  • donkergele urine;
  • droge lippen en een droge mond;
  • nauwelijks tranen bij het huilen;
  • sufheid;
  • diepliggende ogen;
  • de huid is stug en als je een huidplooi pakt, veert die niet meteen terug.

Zonnesteek

Onbeschermd en te lang in de zon spelen, is gevaarlijk. Je kind kan zich verbranden, maar hij kan ook een zonnesteek oplopen. Dit betekent dat de hersenen van je kind als het ware 'oververhit' raken. Als je denkt dat je kind een zonnesteek heeft, zet je kind dan op een koele plaats en spoel zijn gezicht en polsen met koud water. Als het niet snel beter gaat, ga dan naar de huisarts.

Tips tegen de zomerhitte

  • Voor baby’s is het niet goed om direct in de zon te zijn. Bescherm je kind dus goed!
  • Zorg er ook voor dat de kinderwagen niet direct in de zon staat en dat de kap naar beneden geklapt is.
  • Thuis kun je het best zo min mogelijk de zon binnenlaten. Hou dus de gordijnen dicht en laat ook de ramen gesloten als de zon erop schijnt.
  • Om af te koelen kun je je kind even in een lauw badje leggen.

Dieren

In de meeste gevallen zorgen dieren voor veel plezier. Maar je kind kan gekrabd worden door de kat of door een vervelend insect gebeten worden.

Insecten

Een insectenbeet is nooit leuk, maar een kind schrikt er vaak extra van. De meeste insectenbeten zijn heel goed te behandelen. Is je kind allergisch voor een bepaald insect, of is hij gebeten door een teek, dan is het raadzaam de huisarts te raadplegen.

Huisdieren

Ook al kent je kind de hond al heel lang, een huisdier kan altijd onverwacht reageren waarbij het je kind bijt of krabt. Daarbij kan je kind mogelijk een ernstige infectie oplopen. Let op dat je kind niet aan vlooienbanden likt of kattenbakkorrels opeet. Dat kan vergiftigingen veroorzaken.

Huisdieren

Over het algemeen hebben huisdieren een positieve invloed op de ontwikkeling van kinderen. Maar er kunnen ook gevaarlijke situaties ontstaan.

Bijten en krabben

Honden, katten en andere huisdieren kunnen uit enthousiasme of angst je kind bijten of krabben. Een beet of krabwond kan een infectie veroorzaken. Spoel de plek het liefst meteen uit met zeep en water. En raadpleeg bij ernstige beet- en krabwonden de huisarts.

Vlooienbanden en kattenbakkorrels

Een vlooienband maar ook kattenbakkorrels zijn giftig. Probeer deze producten dus zo ver mogelijk bij je kind vandaan te houden. Heeft je kind bijvoorbeeld gelikt aan de vlooienband van je hond of kat, dan is het verstandig om als eerste je kind zijn mond te spoelen met water. Volg dan het advies van de Gifwijzer op en raadpleeg een arts.

Voorkomen

  • Probeer je kind te leren dat hij niet zomaar vreemde dieren kan aaien.
  • Je kunt je kind ook uitleggen dat hij dieren niet mag plagen of boos mag maken.
  • En dat hij een dier dat eet of slaapt het best met rust kan laten. Vooral honden zijn erg territoriaal en kunnen agressief reageren als ze tijdens het eten of slapen gestoord worden.
  • Probeer jonge kinderen niet alleen te laten met een hond of kat.

Teken

Een teek is een klein bruinzwart insect dat vaak in een bosrijke omgeving, maar ook tussen hoog gras en struiken voorkomt. Teken voeden zich met bloed dat ze door middel van een beet opzuigen. Teken kunnen ook ziekten met zich meedragen en die door een beet op mensen overbrengen.

Controleren

Het is verstandig de kleding, de huidplooien en het hoofd van je kind regelmatig op teken te controleren. Wanneer je kind veel speelt in hoog gras en struiken, dan kun je ervoor zorgen dat je zijn kleding bij zijn broek instopt. Blote lichaamsdelen kun je insmeren met een insectenwerend middel.

Verwijderen

Een teek laat de huid pas los als hij zich helemaal volgezogen heeft met bloed. Als je een teek bij je kind ontdekt, kun je deze het best direct verwijderen. Gebruik hiervoor een tekentang. Controleer of alle delen van de teek uit de huid verwijderd zijn. Dit doe je door de teek te bekijken: een zuigmond met aan weerszijde 2 tastdelen moeten aanwezig zijn.

Niet doen!

Verwijder een teek liever niet met alcohol, olie, jodium of andere middelen. De teek kan hiervan schrikken en zijn maaginhoud in de huid spuiten, wat een infectie kan veroorzaken. Teken kunnen namelijk de ziekte van Lyme overbrengen.

Schoonmaken

Het is verstandig om na het verwijderen van de teek de huid rondom de beet schoon te maken met bijvoorbeeld alcohol. Als je vermoedt dat de teek niet helemaal is verwijderd, kun je het best dezelfde dag nog met je kind langs de huisarts gaan.

Insecten

Een insectenbeet is meestal onschuldig. Als je kind allergisch is, kunnen de gevolgen wel ernstig zijn.

Gestoken

Een insectenbeet is vaak te herkennen aan een rode, jeukende plek op de huid. Soms is de plek gezwollen of pijnlijk. Ook kan je kind aangeven dat hij duizelig of misselijk is.

Behandeling

  • In eerste instantie kun je ervoor zorgen dat je kind niet aan de beet krabt. Dit kan namelijk een ontsteking veroorzaken.
  • Probeer bij bijvoorbeeld een wespensteek de angel er zijdelings met je nagel uit te vegen. Gebruik liever geen pincet. Hierdoor kan de angel halverwege afbreken.
  • Tegen de pijn of de jeuk kan een verkoelend middel verlichting brengen.

Menthol

Menthol is zo sterk, dat je kind kan het er benauwd door kan krijgen. Bovendien irriteert het erg als je kind het per ongeluk in z'n ogen wrijft.

Voorkomen is beter dan genezen

Je kunt een aantal maatregelen nemen die de kans verkleinen dat je kind wordt gestoken.

  • Probeer je kind uit te leggen dat hij beter niet kan zwaaien of slaan naar wespen en bijen.
  • En bij mooi weer is het verstandig je kind uit een glas met een rietje te laten drinken.
  • In het gras kruipen veel insecten rond, dus je kunt je kind beter niet op blote voeten laten lopen.
  • Voordat je kind gaat slapen, kun je zijn kamer inspecteren op insecten.

Allergie

Krijgt je kind het na de beet benauwd, of krijgt hij uitslag of zwellingen op een andere plek dan op de plek van de beet? Aarzel dan niet en bel direct je huisarts. Ook als je kind in zijn mond is gestoken, is het verstandig direct de huisarts te raadplegen. De keel of tong kan dan namelijk opzwellen, wat benauwdheid of zelfs verstikking kan veroorzaken. Als een allergisch kind na een beet niet behandeld wordt, kan het kind in shock raken.

Gevaarlijke stoffen

Je hebt waarschijnlijk een hoop dingen in huis waarvan je zelf misschien niet weet dat ze giftig zijn. Dit kunnen schoonmaakmiddelen zijn, maar ook bepaalde planten of geneesmiddelen.

Ontdekkingsfase

Jonge kinderen zitten in een fase waarin ze alles willen ontdekken. Dit doen ze niet alleen door dingen vast te pakken, maar ook door ze in hun mond te stoppen. Ze weten nog niet wat wel en niet eetbaar is. Ze kunnen dus iets in hun mond stoppen dat giftig is. Voor kinderen is dat extra gevaarlijk, omdat ze gevoeliger voor giftige stoffen zijn dan volwassenen.

Planten

Misschien heb je een giftige plant in de woonkamer staan, zoals een aronskelk. Ook in je tuin kunnen giftige planten of struiken groeien, die je kind beter niet kan eten of zelfs beter niet kan aanraken.

Geneesmiddelen

Veel vergiftigingen van kinderen worden veroorzaakt door geneesmiddelen. Sommige pijnstillers hebben vrolijke kleurtjes, waardoor kinderen denken dat het snoepjes zijn. Ook bepaalde kruidenpreparaten kunnen een vergiftiging veroorzaken. Als je vermoedt dat je kind geneesmiddelen heeft binnengekregen, raadpleeg dan direct je huisarts. En bewaar medicijnen op een plaats waar je kind niet bij kan.

Giftige stoffen

De symptomen van een vergiftiging kunnen heel verschillend zijn, afhankelijk van wat je kind heeft binnengekregen. Soms krijgt je kind blaren op de lippen of heeft hij plotseling last van hevige pijn in bijvoorbeeld zijn buik.

Opbergen

Berg medicijnen en schoonmaakmiddelen het liefst op in kastjes waar je kind niet bij kan. Je kunt ook speciale kastbeveiliging aanschaffen. En het is verstandig verpakkingen met een kindveilige sluiting te kopen.

Bij vergiftiging

Als je het vermoeden hebt dat je kind schoonmaakmiddel, geneesmiddelen, verfoplosmiddel, tabak of alcohol heeft binnengekregen, ga dan altijd naar de huisarts en neem (als het kan) de verpakking van de giftige stof mee. Is je kind niet meer bij bewustzijn, bel dan direct 112. Probeer eventuele tabaksresten of medicijnen uit de mond van je kind te halen.

Gifwijzer

Als je weet wat je kind heeft gegeten, kun je de Gifwijzer raadplegen. Die vertelt je wat je moet doen bij welke soort vergiftiging. De Gifwijzer is bij elke apotheek verkrijgbaar en ook via het internet te bestellen.

Giftige planten

Kleine kinderen worden aangetrokken door kleuren en willen vaak alles in hun mond stoppen. De kans bestaat dus dat je kind een kleurrijk besje plukt en opeet van een plant uit de tuin of in huis.

Aanraken van een plant

Soms is zelfs het aanraken van een giftige plant gevaarlijk. De huid van je kind is dun, waardoor gif er soms doorheen kan dringen. Ook kan je kind huidirritaties krijgen wanneer hij bijvoorbeeld een brandnetel of berenklauw aanraakt.

Risicogroep

Kinderen zijn gevoeliger voor vergiftiging dan volwassenen. Omdat ze nog klein zijn, is een kleine hoeveelheid gif voor hen schadelijker dan voor een volwassene.

Binnen

Het is het veiligst om geen giftige planten in huis te hebben. Heb je toch planten in huis die giftig zijn, dan kun je deze voor de veiligheid van je kind het beste op een hoge plaats zetten.

Buiten

Fel gekleurde bessen zijn erg aantrekkelijk voor kinderen. Om te voorkomen dat je kind ze opeet, kun je al vroeg proberen uit te leggen dat dit niet mag. Ook kun je je kind leren welk deel van een plant giftig is, maar heel jonge kinderen begrijpen dit nog niet. Je kunt rekening houden met de beplanting in je tuin. Er zijn genoeg planten, struiken en bloemen te koop die niet giftig zijn. Heb je wel giftige planten in je tuin en wil je deze liever niet verwijderen, dan kun je ze afschermen met een hekje.

Bij vergiftiging

Als je het vermoeden hebt dat je kind een giftige plant heeft opgegeten of aangeraakt, aarzel dan niet en bel direct je huisarts. Probeer eventuele plantenresten uit de mond van je kind te halen. Als je weet wat je kind heeft gegeten, kun je de Gifwijzer raadplegen. Die vertelt je wat je moet doen bij welke soort vergiftiging. De Gifwijzer is bij elke apotheek en ook op internet verkrijgbaar.

Veilig in het verkeer

Je wilt je kind in elke levensfase zo veilig mogelijk vervoeren of laten deelnemen aan het verkeer.

Je kunt zelf een aantal maatregelen nemen die de kans op ongelukken in het verkeer verkleinen. Bijvoorbeeld tijdens het wandelen, maar ook op de fiets en in de auto.

Wandelen

Je kind hoeft nog niet te kunnen lopen als je met hem wilt gaan wandelen. Je kunt je kind prima meenemen. Er zijn verschillende mogelijkheden, afhankelijk van de leeftijd van je kind en waar je wilt gaan wandelen. En er zijn een aantal veiligheidstips voor als je je kind mee naar buiten neemt.

Kinderwagen

Je baby kan tot ongeveer 6 maanden in de kinderwagen liggen. Een kinderwagen heeft een platte bak. Je kind ligt veilig, goed beschermd tegen te veel licht en schokken.

Als je een kinderwagen koopt, bedenk dan goed waarvoor je de kinderwagen wilt gebruiken. En hou rekening met de veiligheid van je kind.

  • Reis je veel? Dan is een licht wagentje handig.
  • Een zwaardere wagen is geschikt om lekker mee te wandelen of om lopend boodschappen mee te doen.
  • De kinderwagen moet stabiel staan.
  • Er moet een rem op zitten die minstens 2 wielen afremt.
  • Je moet de rem gemakkelijk kunnen gebruiken.

Een wandelwagen of buggy

Als je kind kan zitten, kan hij in een wandelwagen of buggy. Let wat betreft de veiligheid op de volgende zaken.

  • Zet je kind het liefst vast met een gordel of tuigje, zodat hij er niet per ongeluk uit glijdt.
  • Let tijdens het wandelen goed op dat z'n handjes niet buiten de wagen hangen, zodat hij nergens met z'n vingers tussen kan komen.
  • Als je stilstaat, is het verstandig de wagen altijd op de rem te zetten.
  • Als je een tas hebt, kun je die beter in een mandje of netje onder de wagen leggen. Want als je je tas aan de duwbeugel hangt, kan de kinderwagen omvallen door het gewicht.

Draagzak of draagdoek

Al na een week kun je je baby meenemen in een draagdoek of draagzak. In een draagzak ligt je baby horizontaal in een foetale houding. In een draagdoek wordt je baby rechtop gedragen, deze doek moet je zelf knopen. Let bij de draagzak extra goed op dat je baby vrij kan ademen en dat hij het niet te warm heeft. Let er verder op dat het hoofdje, de rug en de heupen genoeg steun krijgen. Draag je baby nooit onder een dichte jas. Dan krijgt hij het te warm.

Buikdrager

Met een buikdrager kun je je baby op je buik dragen. Probeer voor elk gebruik de drager te controleren op slijtage en kijk of de sluitingen nog goed werken. Houd altijd goed in de gaten dat je baby vrij kan ademen en het niet te warm of de koud heeft. Ga niet met een buikdrager sporten, autorijden of huishoudelijk werk doen. Dit kan gevaarlijke situaties voor je baby opleveren.

Rugdrager

Een rugdrager kun je pas gebruiken als je kind al goed rechtop kan zitten. De rugdrager is geschikt voor kinderen tot ongeveer 4 jaar. Controleer de drager voor elk gebruik op slijtage en kijk of de sluitingen nog goed werken. Probeer rekening te houden met vooroverbuigen en achteroverbuigen. Ga niet met een rugdrager sporten, autorijden of huishoudelijk werk doen. Dit kan gevaarlijke situaties voor je baby opleveren.

Zelf lopen

Als je kind zelf kan lopen, kun je in het begin beter niet te lange wandelingen maken. Kinderen hebben korte benen en zijn dus sneller moe. Kinderen zijn nieuwsgierig en zijn zich niet altijd bewust van het verkeer. Probeer je kind dus altijd goed in de gaten te houden, zodat hij niet wegloopt.

Op de fiets

Je kunt je baby op een aantal manier op de fiets vervoeren. Het is erg belangrijk dat je baby comfortabel zit.

Babyzitje

Er zijn beugels te koop waarmee je een babyautostoeltje of babyschelp stevig op je bagagedrager kunt bevestigen. Nog veiliger is het gebruik van een fietskar of een bakfiets. Plaats het autostoeltje het liefst tegen de rijrichting in in de kar of bak. Zorg dat het zitje goed vastzit.

Kinderzitje

Als je baby goed zelfstandig kan zitten, dan kun je een kinderzitje gebruiken dat je voor of achter op de fiets vastmaakt. Tot ongeveer 3 jaar kan je kind in een voorzitje.

Onveilig

Ga niet fietsen met een buik- of rugdrager. Als je valt of een ongeluk krijgt, is je kind hierin veel minder goed beschermd dan in een zitje.

Als je kind niet van fietsen houdt

Als je merkt dat je baby fietsen niet leuk vindt, doe het dan liever niet. En als je toch wilt gaan fietsen met je baby, probeer dan regelmatig pauze te houden. Maak de tochten niet te lang en probeer hobbelige wegen te vermijden.

Veiligheidseisen

Volgens de Europese norm moet een fietsstoeltje voor voorop aan een aantal regels voldoen.

  • De rugleuning moet 16 centimeter hoog zijn. De rugleuning moet stevig zijn. Je moet hem niet kunnen vervormen.
  • De armleuningen moeten 10 centimeter hoog zijn.
  • Het stoeltje moet een 3- of 4-puntsgordel hebben. Dit is een gordel die over de schouders van je kindje loopt en die je tussen zijn beentjes vastmaakt.
  • Er mogen geen scherpe dingen aan het fietsstoeltje zitten. Of kleine voorwerpen die je kindje in zijn mond kan doen.

Meer tips!

  • Laat je fiets nooit op de standaard staan als je baby er nog op zit. Ook niet als je een brede standaard hebt.
  • Het dragen van een fietshelm is niet verplicht, maar wel veel veiliger.
  • Maak in het begin nog geen lange tochten. Dat houdt je kind nog niet vol.
  • Fiets net zo lang als dat je kind zelf los kan zitten.
  • Probeer schokken en trillingen te voorkomen.
  • Op de website van VeiligheidNL vind je nog meer tips!

In de auto

Wanneer je je baby in de auto wilt vervoeren, is het het veiligst om hem in een babyautostoeltje te plaatsen.

Veiligheidseisen

Je baby kan in principe direct na de geboorte vervoerd worden in een babyautostoeltje. Koop altijd een stoeltje dat aan de Europese veiligheidseisen voldoet. Dit is te herkennen aan een label of een sticker met het oranje ECE-keurmerk: ECE 44/03 of 44/04.

Als je een tweedehands stoeltje aanschaft, controleer dan of dit niet beschadigd is of betrokken is geweest bij een aanrijding. Zo'n stoeltje is dan niet meer veilig.

Autostoeltje plaatsen

  • Plaats het autostoeltje achterstevoren op de bank of stoel, dus tegen de rijrichting in.
  • Zet het autostoeltje het liefst op de achterbank.
  • Heeft je auto een airbag voorin? Dus op de passagiersstoel voorin? Dan mag je daar nooit een autostoeltje zetten. Alleen als je de airbag uit kunt zetten, mag je daar het stoeltje plaatsen.
  • Je baby zet je in het autostoeltje vast met de Y-gordel van het autostoeltje zelf. Het autostoeltje zet je daarna vast met de gordel in de auto. Dat is een 3-puntsgordel.
  • Zet het autostoeltje alvast een keer in de auto. Dan weet je hoe het moet als de baby er is.

Pauze

Regelmatige autoritten van 2 uur of langer zijn niet goed voor de motorische ontwikkeling van je baby. Een autostoeltje is heel veilig, maar beperkt de bewegingsvrijheid van je baby. Mocht je toch een keer een lange rit moeten maken, zorg dan voor veel pauzes en haal je baby uit het stoeltje zodat hij zich kan strekken.

Nooit op schoot!

Neem je kind in de auto nooit op schoot. Je kunt hem onmogelijk vasthouden bij een botsing! Het is het veiligst om een kind te vervoeren op de achterbank in een goedgekeurd babyautostoeltje, vastgezet met een 3-puntsgordel.

Nooit alleen laten!

Het is niet aan te raden je kind alleen in de auto te laten. Kinderen raken snel oververhit dus laat je kind nooit alleen in de auto wanneer deze in de zon staat. Het heeft geen nut een raampje open te zetten in een auto die stilstaat in de zon. Dit helpt niet tegen het stijgen van de temperatuur in de auto.

Kinderautostoel

Is je kind uit zijn babyautostoeltje gegroeid? Je kind is te groot voor het babyautostoeltje als:

  • de bovenkant van zijn oren boven de rugleuning uit komt;
  • of als hij te veel weegt (let op het aangegeven maximale gewicht).

Dan is het tijd om over te stappen op een kinderautostoel. De kinderautostoel is bedoeld voor kinderen die al zelf kunnen zitten.

Vuur en verbrandingsgevaar

Het kan een keer gebeuren dat je kind zich brandt aan een hete kachel of vuurkorf in de tuin. Meestal loopt dit goed af, en komt hij met de schrik vrij. Toch wil je als ouder voorkomen dat je kind zich brandt, want brandwonden kunnen ernstige gevolgen hebben.

Vuur

Vuurwerk, een open haard in je huis of een vuurkorf in de tuin kunnen voor jonge kinderen gevaarlijk zijn. Je kunt een aantal maatregelen nemen om te voorkomen dat je kind zich bezeert aan vuur. Ook kun je verschillende maatregelen nemen om het risico op brand te beperken.

Eten en drinken

Je kind kan zich ook branden aan heet eten of drinken. Oudere kinderen kun je op dit gevaar wijzen, maar voor kinderen onder 2 jaar moet je zelf beschermende maatregelen treffen. Zorg bijvoorbeeld dat je geen hete thee of koffie op de rand van een tafel zet, waar kinderen er makkelijk bij kunnen.

Verbranding

Het kan gebeuren dat je kind brandwonden oploopt. In dat geval is het belangrijk om de wond direct te koelen met lauw, zacht stromend water. Waarschuw bij ernstige verwondingen direct je huisarts.

Strijkijzer

Een strijkijzer is niet alleen heet, maar ook zwaar. Als het bijvoorbeeld op het hoofd van je kind valt, kan een strijkijzer naast brandwonden ook andere ernstige verwondingen veroorzaken.

Opletten

Je kunt je kind beter niet laten spelen in de kamer waar je aan het strijken bent. In een onbewaakt ogenblik kan je kind aan het snoer van het strijkijzer trekken of tijdens het spelen tegen de strijkplank aanlopen.

Opruimen

Probeer het strijkijzer na het strijken te laten afkoelen en op een veilige plek op te bergen. Laat het liever niet op de strijkplank liggen. Als je kind tegen de strijkplank aan loopt, kan het strijkijzer immers naar beneden vallen.

Verwarming

Je kind kan zich lelijk verbranden en bezeren aan de verwarming en verwarmingsbuizen. Je kunt een aantal maatregelen nemen om dit risico te verkleinen.

Afschermen

Om je kind tegen de hitte van de radiator te beschermen, kun je hem afschermen met zogenaamde radiatorbekleding. Dit is bij de meeste doe-het-zelfzaken te koop. Je kind kan zich ook bezeren aan scherpe randen van de verwarming. Je kunt hiervoor speciale beschermhoekjes voor verwarmingen kopen. Maar je kunt er ook voor kiezen een ombouw om de radiator te plaatsen.

Temperatuur ketel instellen

Je kunt de temperatuur van de ketel lager instellen. Hierdoor worden de radiatoren minder heet, waardoor je kind zich er minder snel aan zal branden.

Plaats

In een nieuwbouwhuis kun je de plek van de verwarming zelf bepalen, of zelfs een heel ander verwarmingssysteem kiezen. Daarbij kun je rekening houden met de veiligheid van je kind. Zo zijn bijvoorbeeld vloerverwarming of heteluchtverwarming kindvriendelijker dan radiatoren of kachels.

Warmte kookbron

Je kind kan zich gemakkelijk verbranden aan het fornuis, de oven of een barbecue. Je kunt met een aantal dingen rekening houden, zodat je kind zich minder snel brandt.

Fornuis

  • Je kunt alleen de achterste pitten of kookplaten van het fornuis gebruiken, zodat je kind zich minder snel brandt aan een hete pan of vlam.
  • Het is nog veiliger om te zorgen dat de handvatten en stelen van de pan niet over de rand van het fornuis uitsteken.
  • Na het koken blijven kookplaten altijd nog even warm. Pannen die nog op de kookplaten staan, blijven dus ook langer warm. Vergeet daarom niet na het koken de pannen van de kookplaat af te halen.

Fornuisrekje

Er bestaan zogenaamde fornuisrekjes die je voor het fornuis kunt plaatsen. Je kind kan dan niet met zijn vingers bij een pan of vlam komen. Als je van plan bent een nieuw fornuis aan te schaffen, dan kun je er één kopen met knoppen die voor kinderen moeilijker bereikbaar zijn.

Frituurpan

Je moet er niet aan denken dat je kind heet vet over zich heen krijgt. Houd de frituurpan bij het frituren zo ver mogelijk bij je kind uit de buurt. Je kunt ook voor een inbouwmodel kiezen. Een ingebouwde frituurpan kan niet omvallen.

Oven

Een oven kan aan de buitenkant erg heet worden, vooral een wat ouder model. Het is daarom het best om je kind uit de keuken te houden als er iets in de oven staat. Als je een nieuwe oven wilt kopen, kun je er eentje kopen waarvan de buitenkant niet heet wordt. Een inbouwoven kun je eventueel wat hoger laten plaatsen, zodat je kind er minder goed bij kan.

Barbecue

Vuur heeft op kinderen een enorme aantrekkingskracht. Als je gaat barbecueën, dan kun je je kind eerst op de gevaren wijzen. Daarnaast is het verstandig om obstakels en speelgoed rond de barbecue op te ruimen. Zo voorkom je dat je kind ergens over struikelt en zich aan de barbecue verbrandt.

Vuur

Kinderen vinden vuur vaak interessant en spannend. Een baby kun je nog niet uitleggen waarom vuur gevaarlijk kan zijn, dus kun je zelf maatregelen nemen om hem te beschermen. Oudere kinderen kun je wel op het gevaar van vuur wijzen.

Kaarsen

Houd kaarsen liever bij jonge kinderen uit de buurt, om brandwonden te voorkomen. Je kunt ze bijvoorbeeld op een hoge plek zetten, zodat je kind er minder goed bij kan. Ook lucifers of aanstekers kunnen gevaarlijk zijn voor kinderen. Je kunt ze het best op een veilige plek opbergen.

Open haard

Eén vonkje uit de open haard is genoeg om makkelijk brandbare kleding vlam te laten vatten. Je kunt het best je kind weghouden bij de open haard door de open haard af te schermen met een openhaardhekje. Dit is veiliger dan een vonkenscherm, omdat een openhaardhekje verankerd is aan de muur en niet kan omvallen.

Fakkels en vuurkorven

Het is niet verstandig je kind dicht bij fakkels of vuurkorven te laten spelen. Net als bij een open haard, kan één vonk al brandwonden veroorzaken. Probeer dus speelgoed en andere obstakels bij fakkels en vuurkorven vandaan te houden. Oudere kinderen vinden het soms spannend om brandbare vloeistoffen in vuurkorven te gooien. Probeer je kind uit te leggen dat dit een steekvlam kan veroorzaken en dat hij daardoor brandwonden kan oplopen.

Brand

Een brand kan heel snel ontstaan en zich snel verspreiden. Het is verstandig een aantal dingen in huis te hebben, die je kunnen waarschuwen voor brand of die helpen een brand te bestrijden.

Buiten bereik

Je kunt zaken als lucifers en aanstekers het best buiten het bereik van je kind houden. Ook al lijkt het nog zo spannend en leuk, probeer je kind van jongs af aan uit te leggen dat spelen met vuur gevaarlijk is.

Brandwonden

Het kan gebeuren dat je kind zich brandt aan vuur of een kaars. Maar het gebeurt vaker dat een kind zich brandt aan hete voorwerpen of heet water. Brandwonden hebben verschillende gradaties. Het is erg belangrijk dat je een brandwond direct behandelt.

Rookmelders

Je kunt een aantal dingen aanschaffen die brand in huis kunnen voorkomen of helpen bestrijden. Eén van de belangrijkste daarvan is een rookmelder. Rookmelders alarmeren je al bij de minste hoeveelheid rook. Dit kan een hoop narigheid voorkomen, zeker als je slaapt. Sommige rookmelders (met CO-sensoren) waarschuwen ook voor koolmonoxide. Dit is een zeer giftig gas.

Rookmelders kun je het best ophangen in een ruimte met deuren. Meestal zijn dit gangen of overlopen.

Blusdeken

Een blusdeken is geschikt om over kleine brandjes te gooien en om een persoon in te wikkelen die in brand staat. Onder een blusdeken krijgt vuur geen zuurstof meer, waardoor het zal doven. Een blusdeken kun je bij een doe-het-zelfzaak of een bouwmarkt kopen.

Brandblusser

Een brandblusser is geschikt om kleine brandjes te blussen. Je kunt kiezen voor een poederblusser of een schuimblusser. Het is handig om van tevoren te lezen hoe je de brandblusser gebruikt. Ook een brandblusser is te koop bij een doe-het-zelfzaak of een bouwmarkt.

Vluchtplan

Kinderen hebben de neiging om zich te verstoppen bij een brand. Daarom kan het heel verstandig zijn een plan te maken voor als er brand uitbreekt in je huis. Betrek je kind hier ook bij, zodat hij weet wat hij wel en niet moet doen. Je kunt bijvoorbeeld vluchtroutes vastleggen in een zogenaamd vluchtplan.

Eerste hulp

Veel ongelukken met je kind gebeuren thuis. Dit kan variëren van een schaafwondje tot een derdegraads verbranding. Het is daarom verstandig dat je weet wat je moet doen als je kind of zijn vriendjes thuis iets overkomt.

Cursussen

Als je wilt weten hoe je moet handelen als je kind iets overkomt, kun je een EHBO-cursus volgen die speciaal op kinderen is gericht. Deze cursussen worden in bijna elke woonplaats gegeven door de EHBO-vereniging.

Wonden

Een kleine schaafwond is vaak te behandelen door hem goed schoon te maken en te ontsmetten. Maar het kan natuurlijk ook gebeuren dat je kind een diepere wond heeft, die misschien gehecht moet worden. Ga dan in ieder geval naar je huisarts.

Verbranding

Een brandwond kan variëren van een rode plek tot een verkoolde huid. Het is het belangrijkst dat de wond meteen wordt gekoeld.

Verdrinking

Je kind kan al verdrinken in een klein laagje water. Probeer je kind dus altijd goed in de gaten te houden wanneer hij bij of in het water speelt. Is je kind kopje onder gegaan en heeft hij water binnen gekregen, laat hem dan onderzoeken door je huisarts, ook al lijkt hij in orde.

Kneuzingen en botbreuken

Bij kneuzingen en verstuikingen kun je de wond allereerst goed koelen met stromend water of een zak ijsblokjes. Heeft je kind een botbreuk opgelopen, probeer dit lichaamsdeel dan zo min mogelijk te bewegen en ga direct met je kind naar je huisarts of het ziekenhuis.

Verstikking

Je kind kan zich ernstig verslikken of zelfs stikken. Bel bij vermoedens van verstikking altijd direct 112 en probeer je kind zo mogelijk te reanimeren.

Cursus EHBO

Ook al houd je je kind nog zo goed in de gaten, een ongeluk zit in een klein hoekje.

Eerste hulp

Bij een ongeluk wil je natuurlijk zo goed mogelijk handelen. Je kunt voor verschillende soorten letsel een EHBO-cursus volgen. Deze worden gegeven door de EHBO-vereniging. In elke woonplaats is er wel eentje te vinden. Er bestaat ook een speciale cursus voor eerste hulp aan kinderen.

Kneuzingen en breuken

Bij een val van bijvoorbeeld de trap kan je kind een kneuzing, verstuiking of zelfs een botbreuk oplopen.

Kneuzing

Een kneuzing (aan bijvoorbeeld de enkel) kun je herkennen aan:

  • een zwelling (die ook later kan optreden);
  • pijn;
  • en mogelijk bloeduitstortingen.

Een bloeduitstorting is een blauwe verkleuring van de huid. Een kneuzing kun je het beste verzorgen door allereerst te koelen met bijvoorbeeld een zak ijsklontjes. Je kunt ook koelen met water uit de kraan. Probeer het gekneusde lichaamsdeel altijd te ondersteunen.

Verstuiking

Een verstuiking is een overbelasting van de gewrichtsbanden. Je kunt een verstuiking hetzelfde verzorgen als een kneuzing.

Breuken

Als je kind een lichaamsdeel gebroken heeft, kun je dit op verschillende manieren herkennen.

  • De stand van het gebroken lichaamsdeel kan abnormaal zijn en er kunnen botdelen uit de huid steken.
  • Een botbreuk gaat vaak gepaard met veel pijn en een zwelling.
  • Soms is er weinig te zien, maar kan je kind niet meer op zijn been staan van de pijn.

Probeer het gebroken lichaamsdeel van je kind zo min mogelijk te bewegen. Ga vervolgens naar je huisarts of naar het ziekenhuis.

Niet alleen

Laat je kind niet alleen en zorg dat hij warm blijft. De pijn en bijvoorbeeld de kou kunnen ervoor zorgen dat je kind flauwvalt of in een shock raakt.

Cursus

Om goed te kunnen handelen bij een kneuzing, verstuiking of botbreuk, kun je een speciale cursus eerste hulp voor kinderen volgen. Deze cursus wordt gegeven door de EHBO-vereniging.

Wonden

Kinderen lopen al gauw een schaafwond of een snijwond op. Daarom is het belangrijk dat je weet hoe je dit soort wonden moet behandelen.

Schaafwond

Heeft je kind een oppervlakkige schaafwond? Dan is het belangrijk dat je deze eerst goed schoonmaakt, om de kans op infectie te verkleinen. Je kunt de wond eerst met lauw water reiniging en daarna ontsmetten met betadine-jodium. Dat is jodium met een bruinrode kleur. Dat mag alleen als je kind niet overgevoelig is voor jodium. Laat de wond drogen aan de lucht. Een pleister is niet nodig.

Diepe snijwond

Glas kan diepe snijwonden veroorzaken. Kijk eerst of er geen pezen en spieren beschadigd zijn. Dit kun je controleren door je kind het betreffende lichaamsdeel te laten bewegen. Als dit niet goed lukt of de wond groter dan 2 centimeter is, is het raadzaam de wond te laten behandelen door je huisarts.

Huisarts

Voordat je naar je huisarts gaat, kun je het bloeden van de wond stelpen door de wond dicht te drukken met een gaasje. Leg hierna een (snel)verband aan. De huisarts zal bepalen of de wond gehecht moet worden of niet. Ook als je kind een bijtwond heeft, is het verstandig direct naar je huisarts te gaan. Zo kun je het risico op een infectie beperken.

Cursus

Om goed te kunnen handelen bij verschillende verwondingen, kun je ervoor kiezen om een speciale cursus eerste hulp aan kinderen te volgen. Deze cursus wordt gegeven door de EHBO-vereniging.

Verdrinking

Kleine kinderen kunnen al in een laagje van 5 centimeter water verdrinken. Zonder dat je het merkt.

Let op je kind

Kinderen die verdrinken, zakken onder water zonder te huilen of te spartelen. De meeste ongelukken gebeuren bij vijvers of vaarten vlak bij huis. Het is raadzaam je kind permanent in de gaten te houden als hij in de buurt van water speelt.

Direct eruit

Als je ontdekt dat je kind in het water ligt en misschien verdrinkt, haal hem dan direct uit het water. Als je kind in dieper water ligt, zoals een vaart, dan is het belangrijk dat je zelf goed kan zwemmen.

Deken

Is je kind eenmaal uit het water en bij bewustzijn, wikkel hem dan in een deken. Ga daarna met hem langs de huisarts, ook al is hij alleen kopje onder geweest.

Bewusteloos

Bel 112 als je kind bewusteloos is. Of vraag iemand om 112 te bellen. Je kind moet gereanimeerd worden. Reanimeren betekent beademen en krachtig drukken op de borstkas. Lukt de beademing niet goed, kijk dan in de mond of er iets in de weg zit. Maak de mond schoon. Leg je kind op de zij als je niet kunt reanimeren en er is ook niemand in de buurt die dat kan. Vocht kan dan makkelijk uit de mond lopen.

Cursus

Om goed te kunnen handelen bij een eventuele verdrinking van je kind, kun je ervoor kiezen een EHBO-cursus te volgen. Deze cursus wordt gegeven door de EHBO-vereniging.

Verstikking

Een kleine verslikking is niet zo erg. Als je kind nog kan hoesten en ademen en als er geen voorwerp vastzit in zijn keel, gaat een verslikking vanzelf over. Probeer het hoesten te blijven stimuleren totdat je kind weer normaal kan ademen.

Ernstig verslikken

Het kan zijn dat je kind niet kan hoesten en ademen. Dan zit er waarschijnlijk iets in de keel vast, wat de luchtwegen blokkeert. Dat kan levensbedreigend zijn. Bel direct 112 en laat je kind ondertussen vooroverbuigen. Geef vervolgens stoten met de hiel van de hand tussen de schouderbladen van je kind, terwijl je met je andere hand de borstkas van je kind ondersteunt. Schud je baby nooit heen en weer!

Reanimeren

Als je kind niet meer reageert, reanimeer hem zo mogelijk dan meteen. Kun je dit niet zelf, probeer er dan iemand bij te halen die dit wel kan.

Cursus

Leren hoe je je kind of iemand anders moet reanimeren, kan levens reden. Om goed te kunnen handelen bij een ernstige verslikking of verstikking van je kind, kun je ervoor kiezen een speciale cursus eerste hulp voor kinderen te volgen. Deze cursus wordt gegeven door de EHBO-vereniging.

Verbranding

Ook al let je nog zo goed op, je kind kan hete thee of heet water over zich heen krijgen. Het is dan belangrijk dat je weet wat je moet doen. Brandwonden hebben namelijk verschillende gradaties.

Lauw, zacht stromend water

In alle gevallen geldt dat je de verbrande plek minstens 10 minuten onder lauw, zacht stromend water houdt. Zorg dat de kraan niet hard aan staat. Een harde straal kan extra pijn doen op de brandwond.

Eerstegraads brandwonden

Eerstegraads brandwonden herken je aan een rode huid die licht gezwollen is en pijnlijk is. De wond moet je direct koelen met stromend lauw warm water. Het is het beste om dit in ieder geval 10 minuten vol te houden. Dek de wond daarna steriel af, bij voorkeur met metallineverband.

Tweedegraads brandwonden

Tweedegraads brandwonden kun je herkennen aan een rode huid die licht gezwollen is en blaren heeft. Koel een tweedegraads brandwond ook direct met stromend lauw warm water en houd dat in ieder geval 10 minuten vol. Dek de wond daarna steriel af, bij voorkeur met metallineverband.

Derdegraads brandwonden

Derdegraads brandwonden zijn het ernstigst. Je herkent een derdegraads brandwond aan een grauwwitte of verkoolde huid. Als er kledingstukken aan de brandwond kleven, probeer deze dan niet te verwijderen, maar houd ze nat. Koel ook deze brandwond met stromend lauw warm water. Dek de brandwond steriel af. Als je kind een derdegraads brandwond heeft, moet je altijd de huisarts raadplegen.

Wat doe je niet?

  • Houd alleen de brandwond onder de kraan en bijvoorbeeld niet zijn hele arm. Anders krijgt je kind het te koud. Houd voor de zekerheid een deken bij de hand.
  • Trek je kind nooit zijn kleertjes uit. Je kunt zijn huid dan nog meer beschadigen.
  • Trek wel de luier meteen uit! Want die houdt hete vloeistoffen juist vast.
  • Laat de blaren heel. Als je ze kapot prikt, vergroot dat de kans op infectie.
  • Smeer nooit zelf iets op een brandwond. Dan heb je kans op een infectie.

Huisarts

Is de huid van je kind voor een groot deel rood? Of heeft je kind blaren of een kapotte huid? Bel dan meteen je huisarts. Maar ook als je twijfelt over de mate van verbranding, neem dan ook gerust contact op met je huisarts. Probeer je kind dan zittend te vervoeren. Dek de brandwond af met een schone, droge, loszittende doek of een steriel gaasje. En geef je kind geen eten of drinken als je naar het ziekenhuis gaat.

Om in het vervolg goed te kunnen handelen bij brandwonden, kun je een EHBO-cursus volgen.

Vergiftiging

Ook al berg je de schoonmaakmiddelen goed op, heb je geen giftige planten in huis of in de tuin, dan nog kan het gebeuren dat je kind iets eet of drinkt dat giftig is.

De symptomen

De symptomen van een vergiftiging kunnen heel verschillend zijn, afhankelijk van wat je kind heeft binnengekregen. Soms krijgt je kind blaren op de lippen of heeft plotseling last van hevige pijn in bijvoorbeeld de buikstreek.

Gifwijzer

Als je weet wat je kind heeft binnengekregen, kun je dit opzoeken op de Gifwijzer. De Gifwijzer kun je bij elke apotheek kopen. Het is goed om de Gifwijzer in huis te hebben zodat je weet wat je moet doen bij vergiftiging.

Bijtend gif

Wanneer je weet dat je kind bijtend gif (bijvoorbeeld gootsteenontstopper of ammonia) heeft binnengekregen, mag je hem niet laten overgeven. De reden is dat het bijtende gif dan voor de tweede keer langs zijn slokdarm komt en nog meer schade aanricht.

Het is beter om eerst de mond van je kind te spoelen met water. Laat hem daarna een halve tot een heel glas water drinken. Ga daarna altijd met je kind naar de huisarts en neem als het kan, de verpakking mee van de giftige stof. Is je kind niet meer bij bewustzijn, bel dan direct 112.

Niet-bijtend gif

Wanneer je zeker weet dat je kind niet-bijtend gif (bijvoorbeeld een wc-blokje of muizengif) heeft binnengekregen, laat hem dan juist wel overgeven. Dit voorkomt dat er nog meer van de giftige stof wordt opgenomen in zijn lichaam. Lukt het niet om hem zelf te laten overgeven? Dan kun je proberen je vingers achter in zijn keel te bewegen.

Laat je kind niet drinken, hierdoor wordt de giftige stof verdund en sneller in het lichaam opgenomen. Ga altijd naar de huisarts en neem als het kan, de verpakking mee van de giftige stof. Is je kind niet meer bij bewustzijn, bel dan direct 112.

De huid

Je kind kan ook vergiftiging via de huid oplopen. Wanneer dit gebeurt moet je het desbetreffende lichaamsdeel direct onder stromend lauwwarm water houden. Breng je kind daarna zo snel mogelijk naar de huisarts.

Inademen

Door het inademen van giftige dampen kan je kind vergiftigd worden. Als je het vermoeden hebt dat je kind een giftige stof heeft ingeademd, zorg dan eerst voor frisse lucht. Ga daarna naar met je kind naar de huisarts. Is je kind niet meer bij bewustzijn probeer hem dan te beademen. Kun je dit niet, bel dan onmiddellijk 112.

Relaties

De meeste kinderen groeien op in een gezin. Vroeger bestond het gezin meestal uit een vader en moeder met broertjes en/of zusjes. Maar tegenwoordig kennen we ook gezinnen met bijvoorbeeld gescheiden ouders, alleenstaande ouders, pleegouders en homoseksuele ouders.

Waardevolle basis

Hoe je gezin ook is samengesteld: het blijft een belangrijke thuishaven voor je kind. Dé plek waar hij moet kunnen rekenen op veiligheid, liefdevolle aandacht, zorg en respect. Hier leert je kind met relaties om te gaan en legt hij de basis voor zijn verdere leven.

Advies en informatie

Op de volgende pagina's vind je informatie over gezinssamenstelling, scheiding, overlijden en samenlevingsvormen. Natuurlijk kun je voor meer informatie en ondersteuning altijd terecht bij het Centrum voor Jeugd en Gezin bij jou in de buurt.

Gezinssituatie

Volgens de overheid is een gezin een leefverband van één of meer volwassenen die verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en de opvoeding van één of meer kinderen.

Volgens deze definitie zijn er veel verschillende gezinssamenstellingen mogelijk. Bijvoorbeeld gezinnen met een vader en een moeder, maar ook gezinnen met 2 vaders, of 2 moeders. Daarnaast zijn er ook nog adoptieouders, pleegouders, stiefouders, jonge ouders, co-ouders en alleenstaande ouders.

Bijzondere gezinssituatie

Behalve gezinssamenstellingen zijn er ook situaties die maken dat je een bijzondere gezinssituatie hebt. Bijvoorbeeld een groot gezin, een samengesteld gezin, een multicultureel gezin, en een multiprobleemgezin. Ook als je als ouder een verstandelijke beperking hebt of een psychische aandoening, kun je spreken van een bijzondere gezinssituatie.

Wat de gezinssamenstelling of de gezinssituatie ook is, het belangrijkste is dat je samen gelukkig bent en goed voor elkaar zorgt.

Alleenstaande ouders

Als je er als ouder alleen voor staat, is het misschien niet makkelijk om voor je kind(eren) te zorgen. Zeker als je een scheiding hebt doorgemaakt, of als je je partner hebt verloren. Maar het kan natuurlijk ook zijn dat alleenstaand ouderschap een bewuste keuze was.

Werk en inkomen

Alleen je kind opvoeden kan lastig zijn als je de zorg voor je kind moet combineren met je werk of je studie. Als je geen werk hebt, kom je misschien in de bijstand terecht. Je moet dan leven van een bestaansminimum. Daarom is het bijna altijd beter om een goede opleiding te volgen en een leuke baan te zoeken.

Ontheffing arbeidsplicht

Je kunt ontheffing van de arbeidsplicht krijgen om voor je kind te zorgen. Maar als je kind jonger is dan 5, heb je wel scholingsplicht. Je kunt maar één keer voor maximaal 6 jaar ontheffing van arbeidsverplichting aanvragen. Ook al krijg je er meer kinderen bij in de tijd voordat je kind 5 wordt.

Kinderalimentatie

Als je gescheiden bent en je kind bij jou woont, dan zul je ook alimentatie ontvangen van je ex-partner. Op die manier deel je in de kosten voor de zorg van je kind.

Alleenstaande ouderkorting

Als alleenstaande ouder heb je onder voorwaarden recht op alleenstaande ouderkorting. Deze korting op de inkomstenbelasting kun je krijgen als je je kind in belangrijke mate zelf onderhoudt en geen partner hebt.

Een nieuwe partner

Misschien ben je op zoek naar een nieuwe partner, of heb je inmiddels een nieuwe partner. Dit heeft natuurlijk gevolgen voor je gezin. Je nieuwe partner wordt dan niet ineens wettelijk stiefouder, maar krijgt in de praktijk vaak wel de rol van stiefouder van je kind. De situatie zal zeker veranderen als je nieuwe partner ook kinderen heeft. Als je bij elkaar intrekt, ontstaat er een samengesteld gezin.

Co-ouders

Co-ouderschap is een manier waarop je samen de zorg voor je kind(eren) voortzet, bijvoorbeeld na een scheiding.

Gezamenlijk gezag

Een scheiding heeft juridisch gezien in principe geen gevolgen voor de relatie met de kinderen. Beide ouders behouden hun ouderlijk gezag na de scheiding. Beide ouders blijven dus ook onderhoudsplichtig aan hun kind, tot het kind 21 jaar is geworden.

Onderhoudsplicht

Als je kiest voor het co-ouderschap, vul je samen de onderhoudsplicht in. Co-ouders delen zo veel mogelijk de zorg en opvoeding van hun kinderen. Je bent vanaf het moment van de scheiding wettelijk gezien allebei een alleenstaande ouder, maar als je kiest voor een co-ouderschap blijf je samen voor je kind zorgen.

Samen afspraken maken

Bij scheidingen die niet goed verlopen en waarbij de partners veel ruzie hebben, is het meestal onmogelijk om een goede relatie te behouden en samen zorg te dragen voor de kinderen. Het co-ouderschap vereist een stabiele basis. Het is belangrijk dat je met elkaar kunt praten, dat je dicht bij elkaar woont, dat je goede afspraken maakt en dat je het belang van je kinderen voorop stelt. Deze afspraken kun je eventueel op papier laten vastleggen bij de notaris.

Ouderschapsplan

Sinds maart 2009 moeten alle ouders met minderjarige kinderen die een scheiding aanvragen ook een ouderschapsplan indienen. In het ouderschapsplan moeten in ieder geval afspraken staan over de zorgverdeling en omgangsafspraken, over informatie-uitwisseling tussen de ouders en over de kinderalimentatie.

Meerouderschap

Meerouderschap is een vorm van co-ouderschap en houdt in dat je als het ware een kind deelt met een ander stel of een ander persoon. Als co-ouders draag je samen de zorg voor het kind. Dit wordt bijvoorbeeld veel gedaan door homoseksuele stellen.

Multiculturele gezinnen

Als je je kind opvoedt vanuit 2 culturen, probeer je beide culturen te combineren. Je verdiept je in de cultuur van je partner en natuurlijk andersom ook. Toch blijft je eigen cultuur misschien het meest vertrouwd.

2 Culturen

Verschil zit soms al in de kleinste dingen. Bijvoorbeeld wat je je kind te eten geeft, wat je doet als je kind huilt en hoe laat je je kind naar bed brengt. Je partner kan vanuit zijn eigen cultuur daar een andere mening over hebben. Daarom is het belangrijk dat je goed overlegt hoe je je kind opvoedt en waarom je dat op die manier wilt doen.

Behalve binnen je eigen gezin, heb je ook te maken met de cultuur van je ouders en van je schoonouders. Zij zullen misschien minder begrip voor je hebben als je iets doet op je eigen manier of op de manier van je partner.

2 Religies

Als je binnen je gezin te maken hebt met 2 verschillende religies, dan is het belangrijk om elkaars geloof te respecteren en om je daar in te verdiepen. Natuurlijk hoef je je niet tot het geloof van je partner te bekeren. Het is wel raadzaam om goede afspraken te maken over je kind en met welk geloof hij eventueel opgevoed wordt.

2 Talen

Misschien spreken jij en je partner een verschillende moedertaal. Je kunt er dan voor kiezen om je kind tweetalig op te voeden. Op die manier zal je kind goed in staat zijn om te communiceren met de familie aan beide kanten. Als je je kind Nederlands-Engels opvoedt, zou je je kind later ook naar een tweetalige school kunnen laten gaan.

Homoseksuele ouders

Onze samenleving is vooral gericht op heteroseksuele ouders. Dat komt het meeste voor en wordt door de meeste mensen als ‘normaal' beschouwd. De biologische ouder wordt vaak als de echte ouder gezien. Maar ook adoptieouders, pleegouders, stiefouders en homoseksuele en lesbische ouders zijn echte ouders!

In elk gezin gaat het erom dat je de zorg en opvoeding van je kinderen voorop stelt. Ook al gaat het om een bijzondere gezinssituatie.

Kinderen en hun omgeving

Jonge kinderen ervaren de situatie dat ze 2 vaders of 2 moeders hebben meestal als normaal. Ze zijn niet anders gewend. Maar als je kind ouder wordt, kan hij vragen gaan stellen of krijgt hij misschien vragen van nieuwsgierige vriendjes en vriendinnetjes. Sommige pubers zijn misschien bang dat ze door de groep uitgelachen, buitengesloten, of gepest zullen worden. Maar meestal zijn er geen problemen.

Openheid en uitleg

Het is beter dat je je niet afsluit voor je omgeving, maar dat je open bent en ook bereid bent om uitleg te geven. Als je bijvoorbeeld op de basisschool merkt dat vriendjes en vriendinnetjes van je kind vragen beginnen te stellen, kun je aan de meester of juf van je kind voorstellen om in de klas uitleg over jullie gezinssituatie te geven.

Grote gezinnen

Vroeger kwamen grote gezinnen meer voor dan nu. Er waren soms zelfs ouders die meer dan 10 kinderen hadden. Sindsdien is er een hoop veranderd en noemen we een gezin met 4 kinderen al 'groot'.

Tweelingen

Misschien wilde je altijd al graag een groot gezin hebben. Dat kan. Maar het kan ook zijn dat je het van te voren niet had gedacht dat je een groot gezin zou hebben. Als je een bijvoorbeeld een tweeling krijgt, breidt je gezin meteen al aardig uit. Vooral als het je 2e of 3e zwangerschap is.

Een groot gezin is gezellig

Een groot gezin is gezellig en leuk, maar ook vol en druk. Als ouder is het misschien lastig om je aandacht en zorg te verdelen over al je kinderen. Dat vergt een hoop van jezelf. Vooral omdat je ook je werk en het huishouden met de zorg voor je kinderen moet combineren. Dat is misschien druk, maar niet onmogelijk. Je kunt bijvoorbeeld elk kind als ze wat ouder worden zijn eigen huishoudelijke klusjes geven.

Kinderen kosten geld

Een groot gezin kost veel. Het meeste geld gaat op aan huisvesting en voeding. De rest vooral aan kleding, ontspanning, gezondheid en onderwijs. Hoe groter je gezin, hoe belangrijker het is dat je je kinderen financieel kunt ondersteunen.

Samengestelde gezinnen

Als je een relatie met elkaar aangaat en je neemt allebei kinderen mee uit een vorige relatie, dan heb je een samengesteld gezin. Deze gezinnen zijn vaak groot, en dat brengt natuurlijk een behoorlijke organisatie met zich mee.

Familie

De kinderen hebben ineens meer familie dan voorheen. Er zal waarschijnlijk ook een omgangsregeling zijn voor de kinderen met je eigen ex en ook met de ex van je partner. Dit kan soms een beetje ingewikkeld worden. Een goede omgang met de ex-partners, is natuurlijk belangrijk voor de zorg en de opvoeding van de kinderen.

Ouderlijk gezag

Je bent niet automatisch de wettelijke ouder van de kinderen van je partner. Ook niet als je trouwt. Je kunt alleen het ouderlijk gezag krijgen over de kinderen van je partner, als je kiest voor stiefouderadoptie. Zowel de kinderen, als je partner en de ex van je partner moeten het hier allemaal mee eens zijn.

Als je getrouwd bent met je nieuwe partner (of een geregistreerd partnerschap aangaat) en jullie krijgen samen een kind, dan hebben jullie wel meteen gezamenlijk gezag over je kind. Is dat niet zo dan moet je partner het kind eerst erkennen. Daarna kan het gezamenlijk gezag via de rechtbank worden geregistreerd in het gezagsregister.

Juridisch vastleggen

Als je een relatie met elkaar aangaat, waarbij ook kinderen zijn betrokken, is het verstandig om een duidelijke vorm van samenleven te kiezen. Zeker als je ook eigendommen deelt, zoals een woning. Als je met elkaar trouwt, is het verstandig om ook na te denken over de huwelijkse voorwaarden. Misschien wil je een testament opmaken, zodat je stiefkinderen ook iets van je kunnen erven.

Stiefouders

Als je een relatie aangaat met iemand die kinderen meeneemt uit een vorige relatie, dan krijg je in de praktijk meestal de rol van stiefouder als jullie relatie steeds meer een serieuze vorm krijgt. Je zult dan ook meer betrokken raken bij de kinderen van je partner.

Acceptatie

Misschien vinden de kinderen het moeilijk om jou te accepteren als stiefouder. Het is niet zo dat je de plaats in neemt van hun vader of moeder. Je hebt in feite ook weinig zeggenschap over de kinderen van je partner. Natuurlijk kun je wel je best doen om je partner te helpen bij de zorg en opvoeding van zijn kinderen. Het is belangrijk dat je dit soort kwesties met elkaar bespreekt. Ook wanneer je merkt dat de kinderen moeite hebben om jou als stiefouder te accepteren. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat de kinderen zich tegen je keren.

Familie

In je relatie heb je meestal ook te maken met de ex van je partner. De kinderen hebben het volste recht om hun ouders te zien en ook met hun familie om te gaan. Het kan soms lastig zijn om een goede band te onderhouden met de ex-partner en de familie. Toch is het in veel situaties belangrijk voor de kinderen.

Als er geen contact meer is met de ex van je partner (of als deze is overleden), dan kun je overwegen om je stiefkinderen te adopteren.

Stiefouderadoptie

In principe zijn je stiefkinderen niet je echte kinderen. Je hebt niet het ouderlijk gezag over hen, ook niet als je met je partner trouwt. Als je wel het ouderlijk gezag over je stiefkinderen wilt krijgen, dan is er de mogelijkheid tot adoptie van je stiefkind. Dit heet stiefouderadoptie. De rechter zal daarbij altijd rekening houden met de mening van het kind. Vanaf 12 jaar is de instemming van het kind nodig voor stiefouderadoptie. Ook de ex van je partner moet met de stiefouderadoptie instemmen.

Jonge ouders

Het kan gebeuren dat je al op jonge leeftijd moeder of vader wordt. Misschien is je zwangerschap een bewuste keuze. Maar het kan ook zijn dat het niet de bedoeling was, en dat je er toch voor gekozen hebt om de baby te houden.

Werk en studie

Het is lastig om het ouderschap te combineren met je werk of studie. Zeker wanneer je er alleen voor staat, bijvoorbeeld als tienermoeder, is het lastig om goed voor je kind te zorgen. In Nederland zijn veel hulporganisaties die je kunnen informeren en helpen bij de zorg en opvoeding van je kind. Bijvoorbeeld de FIOM.

Zelfstandig wonen

Als je zwanger bent voor je achttiende kan het zijn dat je bij je ouders bent blijven wonen. Maar ook al ben je nog geen achttien, als je een kind krijgt en zelfstandig wilt gaan wonen, dan zit je in een bijzondere situatie en kunnen er uitzonderingen worden gemaakt. Via de woningstichting kun je waarschijnlijk urgentie aanvragen. Je krijgt dan voorrang op alle andere woningzoekers. Via de Belastingdienst Toeslagen kun je vervolgens huurtoeslag aanvragen.

Samenlevingsvormen

Misschien sta je er niet alleen voor, maar ga je samen met je vriend of vriendin voor jullie kind zorgen. Dan is het goed om ook eens na te denken over de verschillende juridische samenlevingsvormen die er zijn. Je kunt bijvoorbeeld gaan samenwonen en een samenlevingscontract opstellen. En je kunt eventueel ook trouwen, ook als minderjarige. Denk hier van te voren goed over na en maak geen overhaaste beslissingen, omdat anderen dat van je verwachten. Trouwen kan later ook nog wel.

Tienermoeder of -vader

Je bent niet de enige die heel jong moeder wordt. Hopelijk kun je als (aanstaande) moeder en vader bij elkaar terecht voor steun, gaan jullie samen naar de controles en naar een cursus. Alle informatie over zwanger- en ouderschap op deze site is ook voor jou bedoeld. Maar je loopt misschien ook tegen specifieke zaken en problemen aan. Zoals dat je óók nog een opleiding wilt volgen. Dat je omgeving je veroordeelt. Dat je nog niet zelfstandig woont. Dat je weinig of geen steun van je partner krijgt. Enzovoort.

Contactgroep tienerouders

Je hoeft het niet alleen uit te zoeken. Je kunt de verloskundige vragen naar de speciale cursussen of contactgroepen voor tienerouders. Of neem contact op met de FIOM. Het is leuk om contact te zoeken met andere tienermoeders. Sommige steden zullen een centrum voor jonge moeders hebben. Soms organiseert een FIOM in de regio gespreksgroepen voor jonge moeders. Je kunt dan praten over je zwangerschap, de bevalling, moeder zijn en opvoeden. De FIOM organiseert ook zwangerschapsgymnastiek voor tienermoeders.

De FIOM heeft een website speciaal voor tienermoeders en tienervaders ontwikkeld, waar je veel informatie en steun kunt vinden.

Adoptieouders

Als je zelf geen kinderen kunt krijgen en je wilt toch graag je kinderwens in vervulling laten gaan, is adoptie een mogelijkheid om dat te doen. Op die manier kun je een kind, dat waarschijnlijk uit een kansarme situatie komt, een beter leven geven.

Sinds 1 januari 2009 kunnen stellen van gelijk geslacht (man en man of vrouw en vrouw) onder voorwaarden ook een kind adopteren.

Adoptie

Veel kinderen worden geadopteerd als ze baby zijn en passen zich meestal makkelijk aan hun nieuwe situatie aan. Buitenlandse adoptiekinderen die iets ouder zijn moeten vaak erg wennen aan hun nieuwe situatie. Vooral als ze in hun nog korte verleden al aardig wat hebben meegemaakt, zoals verwaarlozing en verzwakking door honger en armoede. Na de adoptie kan een kind daardoor problemen vertonen.

Ondersteuning

Ouders worden van te voren ingelicht over de emotionele ontwikkeling van hun adoptiekind. De voorgeschiedenis van een kind kan immers veel invloed hebben. Het is belangrijk dat het kind een goede relatie vormt met zijn adoptieouders. Als je merkt dat er iets niet goed zit en dat je kind problemen vertoont, is het verstandig om steun of hulp in te schakelen.

Probleemgedrag

Als er problemen ontstaan uiten die zich meestal in het gedrag van je kind. Je kind wil bijvoorbeeld niet aangeraakt worden, of is juist heel erg aanhalig. Het kan ook zijn dat je kind niet goed leert, niet goed overweg kan met klasgenootjes en misschien zelfs agressie toont. Als je kind ouder wordt, kunnen deze problemen groter worden. Voor steun of hulp hierbij kan je altijd naar het Centrum voor Jeugd en Gezin gaan. Het kan ook prettig zijn om contact te hebben met ouders in dezelfde situatie. Er zijn verenigingen voor adoptieouders.

Discriminatie

Een probleem van een andere aard is discriminatie. Als je een kind uit het buitenland hebt geadopteerd, dan kan het gebeuren dat klasgenootjes hem gaan pesten vanwege zijn huidskleur en afkomst.

Pleegouders

Pleegouders zijn mensen die voor korte of langere tijd een kind in huis opnemen dat niet thuis kan wonen.

Bureau Jeugdzorg

Voordat een kind bij pleegouders wordt geplaatst, moet de kinderrechter een uithuisplaatsing uitspreken, meestal op verzoek van Bureau Jeugdzorg. Op basis van gesprekken en onderzoek wordt bepaald of het kind in een pleeggezin komt en voor hoe lang. Daarna wordt er een geschikt gezin uitgezocht en zal de kennismaking plaatsvinden.

Pleegzorg in Nederland

Via de stichting Pleegzorg Nederland kun je veel te weten komen over het pleegouderschap en de zorg voor pleegkinderen. Elke regio heeft zijn eigen pleegzorginstelling die regelt dat pleegkinderen geplaatst worden bij pleegouders. Je kunt je bij hen opgeven als je pleegouder zou willen worden.

Introductieprogramma

Bij de pleegzorginstelling volg je eerst een introductieprogramma. Aan de hand daarvan weet je of je inderdaad pleegouder wilt worden en kan de instelling voor pleegzorg inschatten of je daarvoor geschikt bent. Wil je pleegouder worden en zijn er geen bezwaren, dan kom je in het bestand van beschikbare pleegouders. Je kunt dan kiezen voor bepaalde vormen van pleegzorg, namelijk kortdurende, deeltijd- en langdurige pleegzorg.

Kortdurende pleegzorg

Soms gaat het maar om een korte periode waarin pleegzorg nodig is. Die periode is genoeg om ervoor te zorgen dat de problemen thuis worden opgelost. Het doel van deze vorm is dat het kind weer terug naar huis gaat. Deze vormen van pleegzorg heten crisispleegzorg, pleegzorg ter overbrugging of pleegzorg ter observatie.

Deeltijdpleegzorg

Sommige kinderen wonen thuis, maar gaan ook regelmatig naar hun pleegouders. Bijvoorbeeld in de weekenden en in de vakanties. Dit heet vakantiepleegzorg, weekendpleegzorg en ondersteunende pleegzorg.

Langdurige pleegzorg

Wanneer het kind niet zo makkelijk naar huis kan, vanwege grote problemen thuis, dan kan het zijn dat het kind voor langere tijd bij zijn pleegouders verblijft. Dit kan in principe duren totdat het kind 18 is geworden. Maar het kan ook nog langer duren dan dat.

Ouders met een verstandelijke beperking

Als je als ouder een verstandelijke beperking hebt, vind je het misschien moeilijk om je kind goed op te voeden. Er zijn verschillende vormen van begeleiding om je te helpen. Als je veel steun krijgt van je ouders en familie, heb je waarschijnlijk minder professionele begeleiding nodig.

Professionele begeleiding

Professionele begeleiding bestaat vaak uit gezinsondersteuning en begeleiding bij zelfstandig wonen. Eventueel kan er ook pedagogische gezinsbegeleiding zijn. Dat is begeleiding bij het opvoeden. De begeleiding is altijd op maat, naar de behoefte van jou als ouder en je gezinssituatie.

Opvoeding van de kinderen

Als je een verstandelijke beperking hebt, word je zo veel mogelijk ondersteund bij de opvoeding van je kind. Dit gebeurt meestal thuis. De begeleider besteedt aandacht aan de ontwikkeling van je kind, maar ook aan hoe het met jou gaat. Als je kind ook een verstandelijke beperking heeft, dan zal daar ook aandacht voor zijn.

Woonbegeleiding

Misschien wil je graag een eigen huis hebben en zelf je huishouden runnen. Dat kan geregeld worden met woonbegeleiding. De begeleiding helpt je bij het plannen en organiseren van dagelijkse zaken. Bijvoorbeeld met het betalen van de huur en het contact met de buren.

Psychische en verslavingsproblemen

Je wilt als ouder het beste voor je kind. Maar als je als ouder psychische of verslavingsproblemen hebt, valt opvoeden soms niet mee.

Het is bekend dat kinderen van ouders met psychische of verslavingsproblemen zelf vaak problemen krijgen zoals gedragsproblemen en psychische problemen. Het goede nieuws is dat je daar als ouder iets aan kunt doen!

KopOpOuders

Als je zelf, of je partner, last hebt van psychische of verslavingsproblemen kan je een online opvoedcursus volgen van KopOpOuders. Daar kan je ook informatie en advies krijgen en met andere ouders praten op het forum. Natuurlijk kan je ook in de plaats waar je woont steun zoeken bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) of een instelling voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Sommige instellingen bieden lokaal een opvoedcursus voor ouders met psychische of verslavingsproblemen.

Lotgenotengroepen voor kinderen

Je kind kan ook naar een eigen KOPP of KVO groep. KOPP staat voor kinderen van ouders met psychische problemen en KVO voor kinderen van ouders met verslavingsproblemen. Tijdens deze bijeenkomsten ontmoeten kinderen elkaar en kunnen ze hun ervaringen delen. Zo leren ze de situatie beter te begrijpen en daarnaast wordt er natuurlijk ook aandacht besteed aan het oplossen van de problemen die ontstaan zijn door de situatie thuis.

Multiprobleemgezinnen

Ieder gezin heeft wel eens problemen. Maar het is ook mogelijk dat je wel heel veel problemen hebt, dan heb je waarschijnlijk veel hulp nodig om er uit te komen.

Veel problemen

Je kunt op veel gebieden problemen hebben: te weinig geld, een slecht huis, het opvoeden van je kinderen gaat lastig, vaak ruzie met je partner, je voelt je somber. Het kan je veel te veel worden. Als je verschillende problemen tegelijk hebt, en al lang, kom je er alleen niet uit.

Waar kun je terecht?

Zorg voor steun in je omgeving. Maar als je veel problemen hebt is dat niet genoeg. Neem contact op met het Centrum voor Jeugd en Gezin, je huisarts of het maatschappelijk werk.

Welke hulp?

Je hebt meer nodig dan alleen een hulpverlener die met je praat. Je hebt mensen nodig die je praktische steun geven en helpen om je problemen op te lossen. Bijvoorbeeld iemand die je helpt met het aanvragen van bijzondere bijstand, schuldsanering, een beter huis. En iemand die je thuis helpt bij het opvoeden. Het hangt er natuurlijk van af van wat jij aan hulp nodig hebt.

Beter samenwerken

Er is veel hulp mogelijk en er zijn veel instanties die hulp bieden. Dat is goed, maar ook vaak lastig. Soms werken hulpverleners niet goed samen. Het is dan heel fijn als je een hulpverlener hebt, bijvoorbeeld een gezinscoach, die zorgt dat de hulpverleners beter samenwerken.

Een broertje of zusje

Als er een baby op komst is, is het verstandig om je andere kind of kinderen bij de zwangerschap te betrekken en goed voor te bereiden op de komst een nieuw broertje of zusje. Niet elk kind zal immers enthousiast reageren als hij merkt dat de aandacht van zijn ouders naar de nieuwe baby uitgaat.

Wanneer vertel je het?

Vertel je kind niet te vroeg dat je zwanger bent. Hoe jonger je kind, hoe langer je er eigenlijk mee kunt wachten. Wacht in ieder geval tot je al 3 maanden in verwachting bent. De eerste 3 maanden is de periode waarin het risico op een miskraam het grootst is. Als je inmiddels een paar maanden zwanger bent, dan is het definitief dat de nieuwe baby komt. Na verloop van tijd merkt je kind misschien dat je buik groeit. Vertel je kind wat er gebeurt, ook al ziet of merkt je kind het misschien niet.

Hoe betrek je je kind erbij?

Elk kind reageert anders op de komst van een nieuwe baby.

  • Laat je kind geleidelijk wennen aan het idee dat hij een broertje of een zusje krijgt.
  • Je kunt hem bijvoorbeeld meenemen naar de verloskundige, je buik laten voelen en de echo laten zien.
  • Je kunt ook samen de kinderkamer gaan inrichten. Bijvoorbeeld bij het uitzoeken van behang, een kastje en babykleding.

Hoe kan dat, een baby in mama's buik?

Wanneer je kind nog jong is, is hij misschien heel nieuwsgierig hoe de baby in je buik komt en wanneer de baby eruit komt.

  • Het is belangrijk om open te praten over hoe het kindje in je buik komt.
  • Natuurlijk is het belangrijk om je kind te vertellen over de groei van de baby en wanneer de baby geboren gaat worden.
  • Een leuke tip is bijvoorbeeld om een voorleesboekje te kopen over een nieuw broertje of zusje.

Minder aandacht en tijd

Misschien is je oudste kind boos op je. Jij hebt nu minder aandacht en tijd voor hem. Doe daarom af en toe iets met je oudste kind alleen. Zo weet hij dat je hem ook nog steeds heel belangrijk vindt. Laat je oudste kind ook gewoon naar het kinderdagverblijf of de peuterspeelzaal gaan. Dat is vertrouwd en prettig voor je kind. En jij hebt wat meer tijd voor jezelf en de baby.

Samenlevingsvormen

Wanneer je in een relatie echt voor elkaar kiest kun je trouwen, een samenlevingscontract of een geregistreerd partnerschap met elkaar aangaan. Tussen deze vormen van verbintenissen zijn een aantal duidelijke verschillen aanwezig met betrekking tot de rechten en plichten die je naar elkaar hebt en bij het krijgen van kinderen.

Rechten en plichten

Een samenlevingscontract kent minder rechten en plichten dan een huwelijk en een geregistreerd partnerschap. Daarom moeten er goede afspraken gemaakt worden over het samenleven. Een huwelijk kent natuurlijk de meeste rechten en plichten. Er is bijvoorbeeld een onderhoudsplicht en vaak ook gemeenschap van goederen.

Kinderen

Bij kinderen is altijd van belang dat er ‘familierechtelijke betrekkingen' bestaan. Als er tussen ouders en kind familierechtelijke betrekkingen bestaan, dan heeft dat gevolgen voor onder andere de achternaam van het kind, het gezag, het omgangsrecht, de nationaliteit en het erfrecht.

Zijn een man en een vrouw gehuwd en wordt er in dit huwelijk een kind geboren? Dan zijn zij automatisch de ouders van dit kind. Dit is niet automatisch zo bij ouders die een geregistreerd partnerschap hebben of bij ouders van gelijk geslacht zijn. En dat is ook niet automatisch zo bij een samenlevingscontract.

Samenlevingscontract

Door te gaan samenwonen regel je nog niet meteen de bekostiging van je gezamenlijke huishouden. In een samenlevingscontract kan dit, en nog veel meer, officieel vastgelegd worden.

Andere manieren om je gezamenlijke huishouden officieel vast te leggen zijn trouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan.

Wonen

Over het samenwonen kun je in een samenlevingscontract duidelijke afspraken maken. Bijvoorbeeld over het samen huren van een woning. Wanneer je samen een woning koopt, maak dan goede afspraken over de financiering van het huis en wat er gebeurt bij een eventuele scheiding.

Geldzaken

Het voeren van een gezamenlijke huishouding brengt veel kosten met zich mee. In een samenlevingscontract wordt beschreven waaruit deze kosten precies bestaan en hoeveel kosten ieder voor zijn eigen rekening neemt. Hierbij wordt er rekening gehouden met het netto-inkomen van jezelf en het netto-inkomen van je partner.

Kinderen

Wanneer jullie een kind krijgen, dan heeft de moeder automatisch een familierechtelijke betrekking tot haar kind. In een relatie tussen een vrouw en een man moet de vader zijn kind erkennen bij de notaris of bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Daarna moet hij officieel nog het ouderlijk gezag aanvragen bij de rechter. Voor beide procedures heeft hij altijd de toestemming nodig van de moeder van het kind.

2 vaders of 2 moeders?

Als een lesbisch stel een kind krijgt en de partner van de moeder wil het kind adopteren, kan zij een adoptieverzoek indienen bij de rechtbank. Als een homopaar een kind uit het buitenland heeft geadopteerd, kan de partner van de adoptieouder het kind na een jaar ook adopteren als zij het kind in dat jaar samen hebben verzorgd en opgevoed.

Scheiding en overlijden

Het samenlevingscontract eindigt als de relatie wordt beëindigd of als één van jullie overlijdt. Het is verstandig om van te voren een testament te maken, zodat je van elkaar erft. Ook is het verstandig om in het samenlevingscontract afspraken te maken over hoe de relatie beëindigd wordt. En wat vervolgens beide partners toekomt. Ook al hoop je natuurlijk dat dit nooit zal gebeuren.

Trouwen

Voor veel mensen is hun trouwdag de mooiste dag van hun leven. Want als je gaat trouwen met de persoon van wie je houdt, is dat natuurlijk een feestje waard!

Andere manieren om je gezamenlijke huishouden officieel vast te leggen zijn een samenlevingscontract of een geregistreerd partnerschap aangaan.

Formaliteiten

Nadat jullie samen hebben besloten om te gaan trouwen, doe je hiervan aangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Als jullie willen trouwen op huwelijkse voorwaarden, is het van belang om van te voren contact op te nemen met de notaris. Als je dit niet doet, trouwen jullie in gemeenschap van goederen. Dit betekent dat alle schulden of eigendommen gedeeld worden.

Na het huwelijk zijn jullie officieel voor de wet: man en vrouw, man en man, of vrouw en vrouw. Dit betekent dat je naar elkaar een aantal rechten en plichten hebt. Hieronder vallen bijvoorbeeld het erfrecht, het successierecht en de onderhoudsplicht.

Kinderen

Als jullie als man en vrouw getrouwd zijn en een kind krijgen, dan ben je allebei automatisch de wettelijke ouders van het kind. Bij alle andere vormen van samenleven, ben je dat niet en moet de vader officieel het kind erkennen. Vervolgens moet hij het ouderlijk gezag aanvragen bij de rechter.

2 vaders of 2 moeders?

Als een lesbisch stel een kind krijgt en de partner van de moeder wil het kind adopteren, dan kan zij een adoptieverzoek indienen bij de rechtbank. Als een homopaar een kind uit het buitenland heeft geadopteerd, kan de partner van de adoptieouder het kind ook adopteren als zij het kind in dat jaar samen hebben verzorgd en opgevoed.

De familierechtelijke band met je kind

Als je als man en vrouw getrouwd bent en kinderen krijgt, zijn jullie de wettelijke ouders van het kind. Je hebt het ouderlijk gezag. Dat betekent dat je onder andere onderhoudsplicht hebt naar jullie kind, en dat er een erfrechtelijke band is.

Geregistreerd partnerschap

Het geregistreerd partnerschap lijkt in veel opzichten op het huwelijk. De voorwaarden voor het aangaan van een huwelijk en een geregistreerd partnerschap zijn gelijk aan elkaar. Net als de rechten en plichten van beide partners. Er zijn wel verschillen in de manier waarop de verbintenis tot stand komt of eventueel wordt beëindigd. En er zijn ook grote verschillen in de familierechtelijke relatie tot de kinderen.

Een andere manier om je gezamenlijke huishouden officieel vast te leggen is door een samenlevingscontract aan te gaan met elkaar.

Formaliteiten

Het geregistreerd partnerschap komt niet tot stand met het jawoord, maar met een verklaring. Hier moeten 2 tot 4 meerderjarige getuigen bij aanwezig zijn. Mochten jullie ooit in de toekomst nog overwegen te gaan trouwen, dan kan dit alleen door 'omzetting'. Dit betekent dat jullie in de woongemeente moeten trouwen. Er zijn ook geen getuigen bij het huwelijk aanwezig en je geeft dan ook niet formeel het jawoord.

Beëindiging van het partnerschap

Wanneer het geregistreerd partnerschap wordt beëindigd, kan dit alleen buiten de rechter om gaan als jullie het eens zijn over de beëindiging ervan en geen minderjarige kinderen hebben. In alle overige gevallen moet het geregistreerd partnerschap beëindigd worden door de rechter.

Kinderen

Wanneer jullie een kind krijgen, dan heeft de biologische moeder automatisch een familierechtelijke betrekking tot het kind. In een relatie tussen een man en een vrouw kan de vader alleen een familierechtelijke betrekking krijgen als hij het kind officieel erkent.

2 vaders of 2 moeders?

Ook bij geregistreerde partnerschappen en huwelijken tussen 2 partners van hetzelfde geslacht geldt dat alleen de biologische ouder automatisch een familierechtelijke betrekking heeft tot het kind.

Als een lesbisch stel een kind krijgt en de partner van de moeder wil het kind adopteren, kan zij een adoptieverzoek indienen bij de rechtbank. Als een homopaar een kind uit het buitenland heeft geadopteerd, kan de partner van de adoptieouder het kind ook adopteren als zij het kind in dat jaar samen hebben verzorgd en opgevoed.

Scheiding

Als je een echtscheiding aanvraagt, dan beëindig je je huwelijk.

Beëindiging van een huwelijk

Een scheidingsprocedure voor het beëindigen van een huwelijk loopt bijna altijd via de rechtbank. Als je het samen met je partner eens bent over de gevolgen van een scheiding en de verdeling van de bezittingen, kun je samen 1 advocaat nemen. In andere gevallen neem je je eigen advocaat en kun je ook een mediator inschakelen.

Scheiden en kinderen

Als je samen minderjarige kinderen hebt, dan maakt dat de scheiding moeilijker. Zowel op emotioneel vlak als op het gebied van regelingen en afspraken. Het is belangrijk om goed met elkaar te overleggen bij wie de kinderen gaan wonen en hoe je de financiële situatie regelt. Hieronder vallen de omgangsregeling, alimentatie en co-ouderschap.

Na de scheiding

Niet alleen de periode vóór de scheiding is moeilijk. Ook de eerste tijd erna kan voor iedereen in het gezin lastig zijn. Wat kan je doen voor je baby?

  • Knuffel veel met je baby.
  • Wat als je te verdrietig of te druk bent? Zorg ervoor dat je naast de dagelijkse verzorging een paar keer per dag alle aandacht hebt voor je baby. Een paar korte momenten van echte aandacht zijn belangrijk.
  • Probeer toch voor rust en regelmaat te zorgen. Dat is goed voor je baby.
  • Wat als je er zelf niet uitkomt? Zoek steun of hulp voor het verwerken van de scheiding. En voor het opvoeden van je kind in de nieuwe situatie.

Scheidingsprocedure

Een echtscheiding loopt vrijwel altijd via de rechtbank. Als je een geregistreerd partnerschap met elkaar hebt dan loopt een scheiding alleen via de rechtbank als je het niet eens bent over de scheiding en als je samen minderjarige kinderen hebt.

Het verzoekschrift

Om een scheiding aan te vragen, dien je via je advocaat een verzoekschrift in bij de rechtbank van je woonplaats. In dit verzoekschrift neem je een ouderschapsplan op. In het ouderschapsplan moeten in ieder geval afspraken staan over de zorgverdeling en omgangsafspraken, over informatie-uitwisseling tussen de ouders en over de kinderalimentatie. Naast het verzoekschrift kun je ook nevenvoorzieningen aanvragen. Dit zijn beslissingen van de rechter omtrent de omgangsregeling (en het ouderschapsplan), de alimentatie en de boedelverdeling.

Eenzijdig verzoek

Je kunt het verzoekschrift samen indienen. Als dat niet lukt, of niet mogelijk is, kun je alleen een verzoekschrift indienen. Dit heet het eenzijdig verzoek. Je partner kan hiertegen bezwaar maken door een verweerschrift in te dienen.

Het verweerschrift

Het verweerschrift moet binnen 6 weken na het verzoekschrift ingediend worden door de advocaat van je partner. Je partner kan op 2 manieren verweer maken. Namelijk door te ontkennen dat er een 'duurzame ontwrichting' is van het huwelijk. Of door voorwaarden te stellen aan de scheiding. De echtscheiding wordt dan niet officieel uitgesproken, voordat de zaken goed geregeld zijn omtrent bijvoorbeeld het veilig stellen van het nabestaandenpensioen.

Scheiding van tafel en bed

Een scheiding van tafel en bed betekent dat je voor de wet nog wel met elkaar getrouwd bent, maar feitelijk niet meer samenleeft omdat dit niet meer gaat. Sommige mensen doen dit vanuit hun geloof of vanwege bepaalde financiële voordelen. Ook het gezamenlijk ouderlijk gezag over de kinderen blijft in stand.

Omgangsregeling

Na de scheiding blijf je beide verantwoordelijk voor de zorg en de opvoeding van je kind. Je behoudt namelijk allebei het ouderlijk gezag. Als ouders ben je daarom wettelijk verplicht om een ouderschapsplan te maken en deze tegelijk met het verzoekschrift in te dienen bij de rechtbank.

Ouderschapsplan

In het ouderschapsplan spreek je samen af hoe je de zorg en opvoeding van je (minderjarige) kind voortzet na de scheiding. Sommige ouders kiezen bijvoorbeeld voor het co-ouderschap. In het ouderschapsplan worden naast de afspraken over de zorgverdeling ook afspraken gemaakt over de alimentatie en de communicatie. Je moet dus bedenken hoe je elkaar voortaan zal informeren over je kind. Bijvoorbeeld over hoe het gaat op school.

Wat als het niet lukt?

Als je het samen niet eens kunt worden over het ouderschapsplan, dan kun je alleen een voorstel indienen voor de zorgverdeling. Daarnaast kun je ook raad en advies vragen aan de rechter. Soms wordt er een mediator ingeschakeld. De rechter maakt uiteindelijk een beslissing over de omgangsregeling.

Ontzegging van het ouderlijk gezag

Bij hoge uitzondering besluit de rechter dat een ouder het ouderlijk gezag ontzegd wordt of dat een ouder zijn kind niet meer mag zien. Bijvoorbeeld wanneer hij vindt dat een ouder niet geschikt is of in staat is tot omgang met het kind. In alle gevallen maakt de rechter een beslissing die in het belang is van jullie kind.

Telt de mening van je kind ook mee?

Als je naast je baby nog kinderen hebt die al wat ouder zijn, dan is het raadzaam om hen te betrekken bij het maken van het ouderschapsplan. Kinderen jonger dan 12 jaar hebben geen inspraak in de procedure, maar kunnen wel aangeven dat ze hun mening aan de rechter willen vertellen. De rechter zal waarschijnlijk naar hen luisteren. Pas wanneer een kind ouder is dan 12 jaar, telt zijn mening mee in de beslissing van de rechter.

Co-ouderschap

Hoe je na de scheiding samen met je ex-partner voor je kind(eren) gaat zorgen, beschrijf je in het ouderschapsplan. Co-ouderschap is een manier waarop je samen de zorg en opvoeding van je kind voortzet na een scheiding.

Onderhoudsplicht

Als je kiest voor het co-ouderschap, vul je samen de onderhoudsplicht in. De kinderen verblijven afwisselend bij de ene en de andere ouder. Beide ouders delen de zorg, opvoeding en kosten van de kinderen. Het belang van het kind staat daarbij voorop.

Alleenstaande ouder

Je bent vanaf het moment van de scheiding wettelijk gezien een alleenstaande ouder, maar als je kiest voor een co-ouderschap blijf je samen voor je kind zorgen. In de praktijk oefen je nog steeds het gezamenlijk ouderlijk gezag uit.

Afspraken maken

Bij scheidingen die niet goed verlopen en waarbij de ex-partners veel ruzie hebben, is het meestal onmogelijk om samen voor de kinderen te zorgen. Het co-ouderschap vereist een stabiele basis. Het is belangrijk dat je met elkaar kan praten, dat je dicht bij elkaar woont, dat je goede afspraken maakt en dat je het belang van je kind voorop stelt. Maak bijvoorbeeld afspraken over:

  • de roosterafspraken en verdeling van tijd over de 2 huizen;
  • de onderlinge woonafstand;
  • de taakverdeling tussen de ouders;
  • verjaardagen, vakanties en feesten;
  • regels waaraan de kinderen zich thuis moeten houden;
  • de financiën;
  • de communicatie tussen de ouders;
  • wat te doen bij wijzigingen in de situatie.

Je kunt eventueel de hulp van een mediator inroepen bij conflicten bij echtscheiding. Deze helpt jullie om er samen uit te komen.

Meer informatie

Het Nibud heeft meer informatie over het verdelen van kosten en de gevolgen voor regelingen en tegemoetkomingen.

Kinderalimentatie

Een scheiding is natuurlijk geen leuke gebeurtenis. Zeker niet als er kinderen bij betrokken zijn. Het is daarom verstandig om goede afspraken te maken over de omgangsregeling en de kinderalimentatie. De rechter neemt hierover uiteindelijk een beslissing.

Zorgkosten

De zorgdragende ouder is waarschijnlijk veel geld kwijt aan de zorg en opvoeding. De andere ouder is vanwege zijn ouderlijk gezag verplicht om bij te dragen in die zorgkosten. Je bent als ouders in ieder geval verplicht om je kind financieel te ondersteunen tot hij 21 is geworden.

De hoogte van de alimentatie

Natuurlijk mag je zelf afspraken maken over de hoogte van de alimentatie in het ouderschapsplan. Als dit bedrag te laag is, of als je er samen niet uitkomt, dan bepaalt de rechter welk bedrag er (maandelijks) betaald moet worden aan kinderalimentatie.

Rechters hebben gezamenlijk normen ontwikkeld die ze gebruiken voor het vaststellen van alimentatie: de zogenaamde Trema-normen. De alimentatiebedragen veranderen jaarlijks. De overheid bepaalt rond november met welk percentage de bedragen het komende jaar moeten worden aangepast.

Wat als je ex-partner de alimentatie niet betaalt?

Als je ex-partner de alimentatie niet betaalt, dan kun je de hulp inschakelen van je advocaat of van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (het LBIO).

Als je ongehuwd bent en de biologische vader weigert zijn kind te erkennen, dan kun je het vaderschap laten vaststellen door een vaderschapstest. Hij is daarna onderhoudsplichtig aan zijn kind en moet dus ook alimentatie betalen.

Op de website van het Nibud vind je meer informatie over kinderalimentatie.

Overlijden

Als je partner overlijdt, of als je zelf niet meer lang te leven hebt, dan is dat natuurlijk heel erg. Dan is het belangrijk om te weten hoe het zit met de erfenis en wat er gebeurt met je kind.

De erfenis

Bij de verdeling van de erfenis krijgt de langstlevende echtgenoot (of geregistreerde partner) de erfenis. Je kind kan zijn erfdeel pas opeisen wanneer beide ouders overleden zijn. Op deze manier komt de langstlevende ouder niet in financiële problemen. Wanneer een kind minderjarig is (en beide ouders zijn overleden), krijgt hij zijn erfdeel pas als hij 18 wordt.

Niet getrouwd?

Als je niet getrouwd bent en ook geen geregistreerd partnerschap hebt met elkaar, dan gelden de regels met betrekking tot het verdelen van de erfenis niet. In dat geval kun je het best een testament vaststellen waarin je afspraken maakt over hoe de erfenis wordt verdeeld.

Ouderlijk gezag over de kinderen

Wanneer je zelf (en je partner) overlijdt, is het belangrijk dat iemand de zorg voor je kind op zich neemt. Dit heet 'voogdij' en kun je vaststellen in je testament. Een ander woord hiervoor is testamentaire voogdij. Je kunt bijvoorbeeld een familielid of een goede vriend(in) aanwijzen als voogd. Dit betekent niet dat die persoon verplicht is om de voogdij op zich te nemen. Als hij of zij het niet wil, benoemt de kinderrechter een ander persoon. Ook wanneer je geen voogd hebt benoemd in je testament, zorgt de kinderrechter ervoor dat iemand de zorg voor je kinderen op zich neemt. In de meeste gevallen is dit een familielid. In sommige gevallen komt een kind terecht in een pleeggezin.

Als je kind overlijdt

Ten slotte kan het gebeuren dat je baby overlijdt. Het kan plotseling gebeuren door bijvoorbeeld wiegendood. Maar het kan ook zijn dat je kind al gezondheidsproblemen had bij of direct na de geboorte. Als dit gebeurt, zul je waarschijnlijk veel vragen hebben over hoe je ermee om kunt gaan.

Voogdij

Een voogd is iemand die het gezag uitoefent over een minderjarig kind, omdat de ouders dat niet kunnen of overleden zijn

Een voogd moet ouder zijn dan 18 jaar en mag niet onder curatele staan of aan een andere geestelijke stoornis lijden. Een voogd is dus in de meeste gevallen een persoon, maar het kan ook zijn dat het Bureau Jeugdzorg of Stichting Nidos tot voogd benoemd wordt.

Testamentaire voogdij

Als ouder kun je zelf 1 of 2 personen aanwijzen als voogd voor je minderjarige kind(eren). Dit wordt beschreven in het testament. Een voogd is meestal een familielid, maar kan bijvoorbeeld ook een goede vriend zijn. De aangewezen voogd hoeft overigens niet de voogdij op zich te nemen als hij dat echt niet wil. De kinderrechter benoemt dan een ander geschikt persoon.

Voorlopige voogdij

De kinderrechter kan een voorlopige voogdij opleggen wanneer de ouders de verzorging en opvoeding van de kinderen niet aan kunnen. Dit gebeurt alleen op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Of van de officier van justitie als de belangen van een kind ernstig worden bedreigd.

Het Bureau Jeugdzorg krijgt het gezag over het kind. Hierna moet de Raad voor de Kinderbescherming binnen 6 weken een verzoek indienen bij de kinderrechter voor een definitieve gezagsvoorziening of voor een ontheffing van het ouderlijk gezag. Als er geen verzoek wordt ingediend door de Raad, vervalt de voorlopige voogdij en krijgen de ouders het gezag terug. Als er wel een verzoek is ingediend, dan neemt de kinderrechter hier een beslissing over.

Als ouder hoef je het natuurlijk niet eens te zijn met de uitspraak van de kinderrechter. Je kunt hiertegen in hoger beroep gaan. Voor deze gerechtelijke procedure heb je een advocaat nodig.

Geweld in het gezin

Voor een kind is de huiselijke omgeving bijna de hele wereld. Daarom is het ook zo belangrijk dat die wereld goed, voorspelbaar en veilig is. Soms zijn er redenen waardoor dat niet altijd zo is.

Ouders

Het kan zijn dat je als ouder overspannen raakt of relatieproblemen hebt. Of misschien zijn er ingrijpende dingen gebeurd en zie je het zelf even niet meer zitten. Soms is er dan sprake van geweld tussen partners of tegen kinderen waardoor het niet mogelijk is om je kind de veilige thuishaven te bieden die je zou willen geven.

De omgeving

Misschien schaam je je voor de problemen en om er voor uit te komen, of heb je zelfs het gevoel dat je met de nek wordt aangekeken. Hierdoor kun je in een isolement raken. Dit is soms de voedingsbodem voor meer problemen. De spanning wordt dan alleen maar groter.

Kinderen

Soms zijn kinderen getuige van huiselijk geweld of worden ze zelf thuis mishandeld. Het kan hierbij gaan om fysieke mishandeling, maar ook om emotionele mishandeling en affectieve verwaarlozing. Ook seksueel misbruik komt voor.

Verbod op geweld in de opvoeding

Aan het Burgerlijk Wetboek is in 2007 de volgende bepaling toegevoegd: "In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe." Kortom, in Nederland mogen ouders en verzorgers geen geweld gebruiken tegen kinderen.

Wat kan de omgeving doen?

Ook al is het verboden, mishandeling komt toch voor in Nederland. En mishandeling wordt vaak alleen maar erger als niemand iets doet. Het kan erg helpen wanneer iemand van buiten gewoon bijspringt door de kinderen op te vangen of navraag doet bij vader of moeder. Hulp bij kindermishandeling is namelijk wel mogelijk. Voor meer informatie en advies hierover kun je terecht bij het AMK (Advies- en Meldpunt kindermishandeling) of het Bureau Jeugdzorg. Er is ook een landelijk AMK nummer: 0900 123 12 30.

Het kind als getuige van geweld

Als ouders veel ruzie hebben, dan lijden de kinderen daar vaak ook onder. De meeste ouders beseffen dat heel goed en proberen meningsverschillen met hun (bestaande of nieuwe) partner zoveel mogelijk uit te praten op een apart tijdstip en op zo'n manier, dat de kinderen daar geen last van hebben.

Partnergeweld

Als er sprake is van veel boosheid, opgekropte frustratie, heftige emoties, middelengebruik of drank, dan kan ruzie uit de hand lopen en overgaan in schreeuwen, dreigen en slaan. Dit betekent niet dat de partners niet van elkaar houden. Er is meestal wel degelijk ook liefde, maar het geweld leidt vaak tot emotionele problemen.

Kinderen hebben behoefte aan veiligheid

Als kinderen getuige zijn van huiselijk geweld, is dat heel schadelijk voor ze. Wat kan gebeuren is dat je kind zich opsluit in een eigen wereldje. Wat oudere kinderen kunnen denken dat zij de schuld hebben van alle ruzies, of ze lopen weg van huis. Hoe oud je kind ook is, bij huiselijk geweld geef je je kind niet de basisveiligheid die hij nodig heeft.

Kies voor de kinderen

Als er kinderen in het spel zijn en je hebt te maken met huiselijk geweld, dan is dat een extra reden om te zorgen dat dit geweld stopt. Kinderen krijgen er altijd meer van mee dan je denkt. Zoek dus hulp. Er is hulp voor de slachtoffers, maar ook voor de daders. Vaak zitten zij samen gevangen in een patroon van goed maken, weer afstoten, weer ruzie. Het is een neergaande spiraal. Voor informatie kun je contact zoeken met een hulporganisatie bij jou in de buurt. Je kunt ook met het steunpunt huiselijk geweld bellen: 0900 1 26 26 26.

Kindermishandeling

Fysieke mishandeling

Je hebt zuiver fysieke mishandeling, waarbij een kind verwond wordt. Dit soort mishandeling is bij het kind te herkennen aan blauwe plekken, brandwonden (bijvoorbeeld van sigaretten of van het strijkijzer), botbreuken, scheuren in de lip of bij het oog en menselijke beten. In het geval van seksueel misbruik kunnen er soms ook verwondingen aan de vagina of de anus zijn. Dit kun je zien aan de manier waarop het kind loopt of gaat zitten.

Vaak gecombineerd met emotionele mishandeling

Vaak gaat fysieke mishandeling hand in hand met emotionele mishandeling. Het kind wordt vaak te streng benaderd en te streng gestraft voor zijn of haar leeftijd. Er worden te hoge eisen aan het kind gesteld en het lijkt vaak alsof de ouder niet helemaal goed beseft dat het kind maar een kind is. Het kind is geen 'kreng' dat er speciaal op uit is om de ouders het leven zuur te maken. Ouders maken hun eigen kind zwart en gebruiken termen als 'waardeloos' en 'stuk ongeluk' als ze hun kind aanspreken.

Hoe merk je dit aan kinderen?

Bij kinderen die mishandeld worden kun je verschillende reacties waarnemen. Soms vallen de letsels op. Sommige kinderen worden stil en heel oplettend als andere kinderen huilen, trekken zich terug en schrikken als ze aangeraakt worden. Wat oudere oudere kinderen gaan soms dingen vernielen, vechten met andere kinderen, vertellen verhalen over zeer ernstige ongelukken, liegen, stelen, hebben nachtmerries en vertonen zelfdestructief gedrag. Hun zelfbeeld is heel negatief en ze gaan zich vreemd en onprettig gedragen. Dit is gezien de omstandigheden niet iets wat je het kind kwalijk kunt nemen.

Verwaarlozen van kinderen

Naast fysieke en emotionele mishandeling is er ook affectieve verwaarlozing. Die is op het oog minder zichtbaar, maar kan op lange termijn ernstige gevolgen hebben. De littekens zitten van binnen.

Wat is het?

Affectieve verwaarlozing betekent dat het kind hoegenaamd geen aandacht van de ouders krijgt. Ook kan het voorkomen dat het kind het ene moment overdreven veel en het andere moment opeens helemaal geen aandacht krijgt.

Hoe herken je affectieve verwaarlozing?

Je herkent dit probleem aan het feit dat kinderen slecht gekleed zijn of niet goed verzorgd worden: vieze of niet passende kleding, te koud gekleed voor het weertype, niet goed gewassen, onbehandelde infecties. Het kind lijkt erg passief en teruggetrokken. Wat oudere kinderen lopen vaak zonder toezicht rond in de buurt en komen te laat op school.

Wanneer komt het voor?

Affectieve verwaarlozing komt voor als de ouders of verzorgers hun ouderrol niet goed kunnen vervullen. Dat kan te maken hebben met chronische overbelasting, psychiatrische problemen (zoals een borderline stoornis), verstandelijke beperkingen (het kind als een soort pop zien), een persoonlijkheidsstoornis (zelf alle aandacht nodig hebben) of ook door ziekte, overmacht of verslavingen.

Opvang

Er bestaan verschillende soorten kinderopvang voor baby's. Kies wat het best past bij jullie gezin: opvang op een kinderdagverblijf (crèche), bij een gastouder of bij familie. Voor de formele opvangcentra geldt dat je kinderopvangtoeslag kunt aanvragen, wanneer je een werkende of studerende ouder bent.

Opvang voor baby's

  • Dagopvang (voor kinderen van 0 tot 4 jaar).
  • Opvang door een gastouder (gastouderopvang).
  • Opvang door vrienden of familie.
  • Een au pair of oppas voor af en toe.

Oppas

Lekker een avondje weg! Maar wie past er zolang op de kinderen?

Als je buiten de formele kindercentra en gastouderopvang om een oppas nodig hebt, is het handig om snel een oppas te kunnen regelen die thuis komt oppassen. Bijvoorbeeld in de avonduren, in de weekenden, of op tijdstippen waarop je geen afspraken hebt gemaakt met het kinderdagverblijf.

Oppassers

Oppassers zijn vaak vertrouwde personen uit de directe omgeving, zoals familieleden, buren en vrienden. Maar zij zullen misschien niet altijd beschikbaar zijn. Je kunt ook scholieren en studenten vragen om oppaswerk te doen. Daarbij moet je wel zelf goed nagaan of die scholier geschikt is om eventueel op baby's of hele jonge kinderen te passen.

Au pair

Als je voor langere tijd een oppas zoekt, zou je ook een au pair kunnen nemen. Dit zijn vaak buitenlandse, vrouwelijke studenten die op de kinderen passen en licht huishoudelijke taken verrichten in ruil voor kost en inwoning en een bepaald maandbedrag.

Kosten

Bij het Nibud kun je informatie vinden over redelijke vergoedingen voor informele oppassers. Meestal betaal je de oppas contant. Het is echter niet zo dat een oppas daarom altijd zwart werkt. Als de oppas niet meer dan 3 dagen per week bij jou oppast, werkt de oppas in principe wit. Als de oppas wel meer dan 3 dagen bij jou werkt, dan moet de oppas dat zelf aangeven bij de Belastingdienst. En er moet dan onder andere loonbelasting ingehouden worden.

Alle overige formele vormen van kinderopvang en gastouderschap vallen onder de Wet Kinderopvang. Hiervoor kunnen werkende of studerende ouders kinderopvangtoeslag ontvangen.

Gastouderopvang

Gastouderopvang is kleinschalige en flexibele opvang voor kinderen van 0 tot 13 jaar.

Flexibel

Het voordeel van gastouderopvang is dat het flexibel is. Je regelt zelf met de gastouder wanneer je opvang nodig hebt. Gastouderopvang is daarom ook geschikt als je onregelmatige werktijden hebt of als je 's avonds opvang nodig hebt. Vaak woont de gastouder in de buurt.

Gastouderopvang thuis

Gastouders mogen op meerdere locaties kinderen opvangen. Dat kan bij de gastouder thuis zijn, maar ook bij jou thuis. Voorwaarden zijn onder andere dat:

  • er op de locatie een slaapruimte is voor kinderen jonger dan 1,5;
  • dat de ruimte rookvrij is;
  • en dat er ook voldoende speelmogelijkheden aanwezig zijn.

Aantal kinderen

Gastouders mogen meerdere kinderen tegelijkertijd opvangen. Hoeveel kinderen dat zijn, hangt af van de leeftijd van de kinderen. Ook tellen de eigen kinderen van de gastouder mee.

  • Bij een gastouder mogen maximaal 6 kinderen tegelijk zijn, inclusief de eigen kinderen onder de 10 jaar.
  • Echter niet meer dan 5 kinderen, als deze jonger zijn dan 4 jaar.
  • Of maximaal 4 kinderen van 0 en 1 jaar, waarvan maximaal 2 kinderen van 0 jaar.

Kortom hoe jonger de kinderen, hoe minder kinderen een gastouder mag opvangen.

Landelijk Register Kinderopvang

In het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) worden alle kinderdagverblijven, organisaties voor buitenschoolse opvang, gastouderbureaus en gastouders bijgehouden. Dit zijn organisaties die voldoen aan de kwaliteitseisen van de Wet Kinderopvang.

Kwaliteit van de opvang

Aan gastouders worden steeds hogere eisen gesteld om de kwaliteit van de opvang te garanderen.

  • Gastouders moeten aangemeld zijn bij de gemeente en bij geregistreerde gastouderbureaus.
  • Ook worden ze gecontroleerd door de GGD of ze voldoen aan alle kwaliteitseisen van de Wet Kinderopvang.
  • Gastouders moeten minimaal een diploma mbo-2 Helpende (Zorg en) Welzijn of een ervaringscertificaat hebben.
  • Daarnaast ook een geregistreerd certificaat Eerste Hulp aan kinderen en een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).

Als een gastouder voldoet aan alle eisen van de Wet Kinderopvang, wordt hij of zij geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang.

Kinderopvangtoeslag

Als je gebruik maakt van gastouderopvang, kun je in 2011 maximaal €5,09 per uur kinderopvangtoeslag krijgen. Je hebt alleen recht op kinderopvangtoeslag, als de gastouder of het gastouderbureau opgenomen is het Landelijk Register Kinderopvang.

Kinderopvang

In Nederland zijn veel verschillende vormen van kinderopvang, ook voor baby's. Dit maakt het mogelijk om het ouderschap te combineren met je werk. Er is zelfs een wet waarin staat dat kinderopvang zowel de verantwoordelijkheid is van de ouders als van de overheid en de werkgevers.

De Wet

Volgens de Wet kinderopvang houdt de overheid toezicht op de kwaliteit en de financiering van kinderopvang. Elk kinderopvangcentrum moet daarom geregistreerd staan bij de gemeente en in het Landelijk Register Kinderopvang. Jaarlijks controleert de GGD of ze aan alle kwaliteitseisen voldoen.

De kosten van kinderopvang

Als je een erkend kinderopvangcentrum hebt gevonden voor je baby, sluit je met hen een contract af voor het aantal uren dat je afneemt en welke prijs je daarvoor betaalt. Je kunt voor deze kosten kinderopvangtoeslag ontvangen als:

  • het bureau geregistreerd staat bij de gemeente;
  • en voldoet aan bepaalde regels voor de kwaliteit.

Kinderopvangtoeslag

Voor dagopvang kun je in 2011 maximaal €6,36 per uur kinderopvangtoeslag krijgen. De meeste opvangcentra hanteren daarom een uurtarief van €6,36. Als je gebruikt maakt van gastouderopvang, kun je maximaal €5,09 per uur vergoed krijgen.

Kinderopvang regelen

Wees op tijd als je gebruik wilt maken van kinderopvang voor je baby. Want vaak is er een wachtlijst. En je moet veel beslissen en regelen.

Wat moet je regelen?

  • Kies de vorm van kinderopvang die bij je gezin past.
  • Beslis ook, hoeveel dagen opvang je nodig hebt en welke dagen dat zijn.
  • Bekijk of je de kinderopvang kunt betalen en of je recht hebt op kinderopvangtoeslag.
  • Ga bij verschillende crèches of kindercentra in je buurt kijken. Praat met de leidsters en kijk of je de sfeer prettig vindt.
  • Zoek een kindercentrum dat plaats heeft voor je baby. Veel centra hebben wachtlijsten en soms moet je een paar maanden wachten voordat er plaats is. Vraag daar dus naar voordat je je kind inschrijft.
  • Heb je een plek? Dan sluit je met het kindercentrum een contract af. Iedere maand krijg je een rekening.

Kwaliteitseisen kinderopvang

In het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP) worden alle kinderdagverblijven, organisaties voor buitenschoolse opvang, gastouderbureaus en gastouders bijgehouden.

Registratie

Aan kinderopvangcentra en gastouders worden steeds hogere eisen gesteld om de kwaliteit van de opvang te garanderen. De GGD controleert of ze voldoen aan alle kwaliteitseisen van de Wet Kinderopvang. Is dat het geval, dan krijgen ze de vermelding 'geregistreerd' in het LRKP. Als een organisatie niet meer voldoet aan de kwaliteitseisen, dan krijgt deze de vermelding 'niet meer geregistreerd' in het LRKP.

Kwaliteitseisen

De kwaliteitseisen gaan bijvoorbeeld over:

  • de betrokkenheid en inspraak van ouders;
  • de opleiding en deskundigheid van de leidsters;
  • het waarborgen van de veiligheid en de gezondheid van de kinderen;
  • de accommodatie en de inrichting;
  • de groepsgrootte en het aantal kinderen per leidster;
  • het pedagogisch beleid en de uitvoering daarvan in de praktijk.

Kinderopvangtoeslag

Je hebt alleen recht op kinderopvangtoeslag als het kinderopvangcentrum of het gastouderbureau als geregistreerd opgenomen is in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen.

Medisch Kinderdagverblijf

Het medisch kinderdagverblijf (MKD) is voor kinderen van ongeveer 2 maanden tot 7 jaar met een achterstand in de emotionele of psychosociale ontwikkeling.

Het kinderdagcentrum

Het kinderdagcentrum (KDC) is voor kinderen van 0 tot 18 jaar. Je kind kan hier terecht, als hij een verstandelijke of meervoudige handicap heeft en niet of moeilijk naar een regulier kinderdagverblijf of naar school kan.

Achterstand in de ontwikkeling

Vanwege de ontwikkelingsfase is vaak sprake van een combinatie met achterstanden in de motorische ontwikkeling of in de spraak- en taalontwikkeling. Je kunt hierbij denken aan kinderen die erg druk en onhandelbaar zijn, maar ook aan kinderen die niet praten en geen contact maken met andere kinderen. Vaak is de oorzaak van de problemen nog onduidelijk. Het medisch kinderdagverblijf kan onderzoeken wat er aan de hand is. En ze bieden specifieke hulp, dat precies past bij de problematiek van je kind.

Gezondheidsproblemen

Als je kind bepaalde problemen heeft, dan verwijst de huisarts, je jeugdverpleegkundige, de jeugdarts of de peuterspeelzaal je kind door naar het Bureau Jeugdzorg. Het Bureau Jeugdzorg bepaalt of een medisch kinderdagverblijf een geschikte plek is voor je kind.

Als ouder word je natuurlijk ook bij de hulpverlening betrokken. Daarom informeert het medisch kinderdagverblijf je zoveel mogelijk over de problematiek van je kind. En vaak geven ze ook thuis hulp en begeleiding.

Kosten

Als je kind opgenomen wordt in een medisch kinderdagverblijf, moet je een eigen bijdrage betalen. De hoogte van deze bijdrage is afhankelijk van de leeftijd van je kind, het soort hulp dat je kind krijgt en het aantal dagdelen dat je kind naar het medisch kinderdagverblijf gaat. Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen regelt deze ouderbijdragen.

Als je kind in het medisch kinderdagverblijf een dagbehandeling krijgt, behoud je het recht op kinderbijslag. Als je kind er woont, kan dit gevolgen hebben voor de kinderbijslag. Het is raadzaam om dit van te voren goed uit te zoeken.

Kinderdagcentrum

Het kinderdagcentrum (KDC) is voor kinderen van 0 tot 18 jaar. Je kind kan hier terecht, als hij een verstandelijke of meervoudige handicap heeft en niet of moeilijk naar een regulier kinderdagverblijf of naar school kan.

Zorg en begeleiding

Op het kinderdagcentrum wordt je kind opgevangen en behandeld. Er is een team van behandelaars, zoals een orthopedagoog, een logopedist en een fysiotherapeut. De behandeling is erop gericht, dat je kind zich verder ontwikkelt. Bijvoorbeeld dat hij leert spelen, leert communiceren, zich beter gaat bewegen en zelfstandig wordt. De kinderen krijgen dus activiteiten aangeboden die goed zijn afgestemd op hun ontwikkeling. Je kind krijgt vaak stimulering en training volgens een bepaald programma.

Thuis

Meestal is er veel overleg met de ouders. Als ouder kun je hulp krijgen van het kinderdagcentrum bij de opvoeding, maar ook voor aanpassingen en hulpmiddelen thuis. Als je kind wel gebruik maakt van de reguliere kinderopvang, kun je bij het kinderdagcentrum terecht voor ondersteuning en hulp met het uitvoeren van het programma.

Gehandicaptenzorg

Kinderdagcentra zijn meestal onderdeel van een instelling voor gehandicaptenzorg. Soms nemen ouders het initiatief om zelf met het persoonsgebonden budget een kinderdagcentrum te starten. Voor een kinderdagcentrum heb je in ieder geval een indicatie nodig van het CIZ.

Naar de peuterspeelzaal

Er is geen onderwijs specifiek voor baby's. Pas als je kind 2 of 3 jaar oud is, kun je hem naar de peuterspeelzaal laten gaan.

De peuterspeelzaal is niet verplicht, maar veel ouders maken hier wel gebruik van als hun kind niet al naar de kinderopvang gaat. Je kunt je daarom het beste gaan oriënteren op een peuterspeelzaal en je kind aanmelden voordat hij 2 jaar wordt.

Wonen en werken

Bij elke leeftijdsfase van je kind dienen er zich veranderingen en nieuwe vragen aan betreffende je woon- en werksituatie. Als je een baby hebt bijvoorbeeld: "Zal ik eerst parttime gaan werken nu mijn verlof afgelopen is?" Steeds zijn er veel mogelijkheden en belangrijke keuzes te maken.

Leven zoals jij dat wilt

Je vind hier de informatie die je nodig hebt om de juiste keuzes te maken. Ook wordt er aandacht besteed aan verhuizen met een baby en wonen met een kind dat een beperking heeft. Voor alle omstandigheden geldt: kies zoveel mogelijk voor een leven zoals jij dat wilt.

Verlof

In Nederland zijn er verschillende vormen van verlof, die je kunt opnemen als je bijvoorbeeld extra tijd nodig hebt voor de zorg van je kind, of als je kind plotseling ziek wordt.

Zwangerschapsverlof en kraamverlof

Na de bevalling heb je recht op 10 weken bevallingsverlof, dit is onderdeel van het zwangerschapsverlof. Je partner krijgt na de bevalling 2 dagen kraamverlof.

Ouderschapsverlof

Als je de zorg hebt voor een kind jonger dan 8 jaar, en je hebt moeite om dit te combineren met je werk, dan kun je ouderschapsverlof opnemen.

Calamiteitenverlof

Calamiteitenverlof is verlof dat je direct kunt opnemen als er plotseling een ernstig probleem is. Bijvoorbeeld wanneer je kind plotseling ziek wordt, en je hem moet verzorgen.

Kortdurend en langdurend verlof

Kortdurend en langdurend verlof kun je opnemen als je kind, partner of ouder ziek is geworden en je de zorg op je neemt. Het gaat hierbij om ziektes die in het algemeen lang duren, zoals ziekenhuisopnames. Langdurend verlof kun je alleen opnemen als het echt gaat om een ernstige, levensbedreigende ziekte.

Bevallingsverlof

Als je zwanger bent, heb je recht op zwangerschapsverlof en aansluitend bevallingsverlof. Ook als je een uitkering ontvangt, heb je recht op dit verlof. Je hoeft dan in die periode niet te solliciteren.

10 Weken bevallingsverlof

Iedere vrouw heeft recht op in totaal 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof. Meestal vanaf 6 weken voor de uitgerekende datum tot en met 10 weken na de bevalling. Natuurlijk weet je niet wanneer je precies zult bevallen. Daarom is er de regel dat je na je bevalling in ieder geval nog 10 weken bevallingsverlof hebt.

Rekenvoorbeeld

  • Stop je 6 weken voor de uitgerekende datum? Dan heb je na de bevalling 10 weken verlof over.
  • Stop je 5 weken voor de uitgerekende datum? Dan heb je na de bevalling 11 weken verlof over.
  • Stop je 4 weken voor de uitgerekende datum? Dan heb je na de bevalling nog 12 weken vrij.
  • Komt je baby later dan de uitgerekende datum? Dan kan je verlof langer duren. Je hebt altijd minstens 10 weken vrij na de bevalling.
  • Komt je baby eerder dan de uitgerekende datum? Dan blijft het verlof in totaal 16 weken.

Het verlof in gedeeltes opnemen

Je mag het bevallingsverlof niet in gedeeltes opnemen. In overleg met je werkgever kun je het bevallingsverlof eventueel wel verlengen met vakantiedagen. Of overleg de mogelijkheden van ouderschapsverlof.

Doorbetaald worden?

Via je werkgever ontvang je een uitkering ter hoogte van je salaris. Deze uitkering bedraagt maximaal €190,32 per dag. Als je salaris hoger is dan dit bedrag, dan kan het zijn dat je tijdens je zwangerschapsverlof en je bevallingsverlof minder geld krijgt.

Weer aan het werk?

Wil je na je zwangerschapsverlof weer werken? Denk dan al vroeg na over kinderopvang. Bespreek ook met je werkgever de mogelijkheid om minder te werken, als je dat graag zou willen. Ga je minimaal 42 dagen na de bevalling alweer aan het werk, dan vervalt je recht op bevallingsverlof.

Kraamverlof

Als je vrouw of vriendin bevalt, krijg je als partner 2 dagen kraamverlof.

Als je kind thuis is geboren moet je dit verlof binnen 4 weken na de geboorte opnemen. Als je baby in het ziekenhuis is geboren moet je het verlof binnen 4 weken na thuiskomst van de baby opnemen. Het is de bedoeling je werkgever zo snel mogelijk te laten weten wanneer je deze 2 dagen kraamverlof wilt opnemen. Je werkgever mag dit niet weigeren. En het loon wordt gewoon doorbetaald.

Ander kort verzuimverlof

Voor de bevalling zelf en de tijd die je nodig hebt om aangifte te doen van de geboorte van je kind, hoef je geen kraamverlof op te nemen. De bevalling en de geboorteaangifte vallen onder de regeling 'ander kort verzuimverlof'. Voor dit verlof gelden dezelfde regels als bij het calamiteitenverlof.

Ouderschapsverlof

Iedere ouder die minstens een jaar voor zijn huidige werkgever werkt, heeft recht op ouderschapsverlof. Je kunt ouderschapsverlof aanvragen als je de zorg hebt voor een kind jonger dan 8 jaar. Je kind moet dan wel bij je in huis wonen.

Na de bevalling

Ouderschapsverlof wordt vaak aangevraagd door mannen die na de bevalling van hun partner meer thuis willen zijn om voor hun vrouw en kind(eren) te kunnen zorgen. Maar ook vrouwen kunnen na hun bevallingsverlof ouderschapsverlof opnemen.

Regeling

Als je samen met je partner de zorg voor je kind hebt, mag je beiden ouderschapsverlof opnemen. Dat kan alleen als je kind nog geen 8 jaar is. Als je meerdere kinderen hebt, mag je per kind eenmaal ouderschapsverlof aanvragen. Het geldt ook als je een kind geadopteerd hebt of voor een pleegkind zorgt.

Termijn

Je mag maximaal 26 keer de wekelijkse arbeidsduur verlof opnemen. Als je bijvoorbeeld een 32-urige werkweek hebt, dan mag je een jaar lang 16 uur per week gaan werken. In overleg met je werkgever mag je afwijken van deze uurverdeling. Je kunt bijvoorbeeld de uren spreiden of minder uren opnemen. Als je het ouderschapsverlof stopzet, dan vervalt je recht op ouderschapsverlof.

Doorbetaald worden?

Of je (gedeeltelijk) wordt doorbetaald, is vastgelegd in je CAO. Overleg daarom altijd eerst met je werkgever wat er met je salaris zal gebeuren. Je bent verplicht om de verandering van inkomen door te geven aan de Belastingdienst, dit kan namelijk gevolgen hebben voor bepaalde toeslagen en heffingskortingen.

Heffingskorting

Je hebt recht op ouderschapsverlofkorting als je een ouderschapsverlofverklaring van je werkgever kunt laten zien.

Calamiteitenverlof

Bij noodgevallen mag je calamiteitenverlof opnemen. Bijvoorbeeld wanneer je zwanger bent en plotseling naar het ziekenhuis moet. Maar ook wanneer je baby ineens ziek wordt, of wanneer thuis de waterleidingen zijn gesprongen.

Op je werk

In principe moet je zo snel mogelijk je werkgever op de hoogte brengen van je verlof en de reden waarom je niet op je werk kan komen. Je werkgever zal ongetwijfeld begrip hebben voor de situatie als er iets ernstigs aan de hand is.

Je werkgever betaalt deze uren door. Je werkgever kan vragen het calamiteitenverlof te compenseren met je vakantiedagen. Je moet daar dan uitdrukkelijk toestemming voor geven. Het recht op calamiteitenverlof zorgt ervoor dat je werk en privé beter kunt combineren.

Kortdurend zorgverlof

Kortdurend zorgverlof kun je opnemen als je je zieke kind, je partner of je ouder moet verzorgen. Bijvoorbeeld wanneer er een operatie gepland staat en je daarna diegene wilt verzorgen.

Regelingen

Je kunt alleen kortdurend zorgverlof opnemen als je de enige persoon bent die op dat moment in staat is om je kind, je partner of je ouder te verzorgen. Voorwaarden zijn dat je kind thuis woont en dat je samenwoont met je partner.

Pleegouders

Het is ook mogelijk om kortdurend zorgverlof op te nemen om voor je zieke pleegkind te kunnen zorgen. Je pleegkind moet dan ook bij je thuis wonen en er moet een pleegcontract zijn.

Hoeveel verlof kun je opnemen?

Het aantal verlofuren dat je mag opnemen is afhankelijk van het aantal uren dat je werkt. Je mag binnen een jaar 2 weken verlof opnemen. Als je bijvoorbeeld 32 uren per week werkt, dan mag je binnen een jaar 64 uren kortdurend zorgverlof opnemen. Je kunt deze uren in 1 keer opnemen, maar je kunt deze uren eventueel ook in gedeeltes opnemen. Overleg dit goed met je werkgever.

Doorbetaald worden?

Je werkgever is verplicht om minstens 70 procent van je salaris door te betalen. Als dat minder is dan het minimumloon, dan betaalt je werkgever je in ieder geval het minimumloon. Je werkgever kan het verlof alleen weigeren als het bedrijf of de organisatie door het verlof in ernstige problemen komt. Als je werkgever en jij er niet in slagen om samen afspraken te maken, kun je de rechter om een uitspraak vragen.

Calamiteitenverlof

Als je kind, partner of ouder onverwacht ziek wordt, is het niet nodig om kortdurend zorgverlof op te nemen. Bij onverwachte gebeurtenissen, kun je calamiteitenverlof opnemen.

Langdurig zorgverlof

Langdurend zorgverlof kun je opnemen als je kind, je partner of je ouder ernstig ziek is geworden en je voor langere tijd de zorg op je neemt. Het moet hierbij gaan om levensbedreigende ziektes.

Aanvragen langdurend zorgverlof

Je moet langdurend zorgverlof minimaal 2 weken van te voren aanvragen bij je werkgever. Je werkgever is verplicht binnen een week te beslissen of hij akkoord gaat met de ingangsdatum. Doet hij dit niet, dan gaat het langdurend zorgverlof in op de datum die je zelf hebt aangegeven in je aanvraag.

Hoeveel verlof kun je opnemen?

Het aantal verlofuren dat je mag opnemen is afhankelijk van het aantal uren dat je werkt. Je mag maximaal de helft van het aantal uren dat je werkt zorgverlof opnemen, voor een periode van 12 weken per jaar.

Als je bijvoorbeeld 32 uren werkt, dan mag je gedurende 12 weken 16 uren per week gaan werken. In overleg met je werkgever mag je deze uren spreiden of in 1 keer opnemen, zolang de periode niet langer duurt dan 18 weken. Het langdurend zorgverlof stopt na verloop van deze periode, of wanneer de persoon (voor wie je het zorgverlof opneemt) overlijdt of niet langer levensbedreigend ziek is.

Doorbetaald worden?

In de meeste gevallen worden de uren dat je langdurend zorgverlof opneemt niet uitbetaald, maar het kan zijn dat er in je CAO andere afspraken staan en dat je de uren toch (gedeeltelijk) uitbetaald krijgt. Overleg dit goed met je werkgever. Een verandering van inkomen moet je doorgeven aan de Belastingdienst, omdat dit gevolgen kan hebben voor toeslagen en kortingen.

Geen langdurend zorgverlof

Als je kind, partner of ouder onverwacht ziek wordt, is het niet nodig om meteen langdurend zorgverlof op te nemen. Bij onverwachte (ernstige) gebeurtenissen, kun je eerst calamiteitenverlof opnemen. En bij minder ernstige of geplande operaties kun je kortdurend zorgverlof opnemen.

Werken

De zorg en opvoeding voor je kind combineren met een drukke baan of studie. Dat is vaak een hele uitdaging!

Het is goed om te weten dat er verschillende regelingen zijn waar je gebruik van kunt maken. Bijvoorbeeld kinderopvang, maar ook ouderschapsverlof. Je kunt in goed overleg met je werkgever vaak een heel eind komen. Denk ook maar eens aan telewerken.

Combineren werk en kinderen

Jonge kinderen hebben veel zorg en aandacht nodig. Als ouder is het daarom soms moeilijk om na het kraamverlof en na het bevallingsverlof weer aan het werk te gaan als je dat graag zou willen.

Borstvoeding

Als je een baby hebt en je wilt graag borstvoeding blijven geven, dan is je werkgever verplicht om jou die mogelijkheid te bieden. Dit betekent dat je een plek krijgt waar je rustig kunt kolven, of dat je vrij krijgt om naar je baby toe te gaan.

Hoge verwachtingen

Sommige moeders verwachten te veel van zichzelf, ze willen niet falen als moeder, als partner en als werkende vrouw. Dit verhoogt vaak de spanningen en de stress zowel thuis als op het werk. Een goede taakverdeling thuis is dus net zo belangrijk als een goede planning op het werk.

Een goede planning

Werk en gezin combineren vraagt om een goede planning. Je moet veel regelen en op elkaar afstemmen, zoals je werktijden, afspraken en vergaderingen, maar ook de kinderopvang en het huishouden. Als er dan iets niet loopt zoals gepland, nemen de spanningen vaak toe.

Fulltime of parttime werken

Als je fulltime gaat werken, zul je minder tijd hebben voor je gezin. Als ouder kun je daarom ook kiezen voor een parttime baan. Je kunt met je werkgever overleggen of het mogelijk is minder uren te gaan werken na je zwangerschapsverlof of kraamverlof. Misschien is het ook mogelijk om meer thuis te werken. Waar je ook voor kiest, bovenal is het natuurlijk belangrijk dat je ook financieel in staat blijft om voor je gezin te zorgen.

Veranderingen in je netto-inkomen?

Als jij of je partner overweegt om minder of juist meer te gaan werken, is het natuurlijk belangrijk wat dat betekent voor jullie netto-inkomen. Ook kan een verandering gevolgen hebben voor de hoogte van bijvoorbeeld je huurtoeslag en zorgtoeslag. Met de webwijzer Werk en Geld bereken je het meteen. Het netto voordeel van weer of meer werken is vaak groter dan verwacht!

Je kunt ook verschillende scenario's naast elkaar uitrekenen. Varieer bijvoorbeeld met het aantal uren van jezelf en je partner om na te gaan wat voor jullie de beste verdeling is: zowel persoonlijk als financieel.

Ouderschapsverlof

Je kunt er ook voor kiezen om ouderschapsverlof op te nemen. Dit is mogelijk als je kinderen hebt onder de 8 jaar. Per kind mag je een jaar ouderschapsverlof opnemen. Je mag dan voor de helft van je normale werkweek gaan werken, maar niet minder dan dat. Het is verstandig om de mogelijkheden goed te overleggen met je werkgever.

Combineren school en kinderen

Als je net een baby hebt en studeert is het soms lastig om je studie te combineren met de zorg voor je kind. Hoe regel je kinderopvang, hoe betaal je je studie en houden ze op school rekening met je situatie?

Studie en zorgen voor een baby

Het combineren van de zorg voor een baby en het afmaken van je studie kan leiden tot studievertraging. Probeer daarom samen met je mentor of je studiebegeleider afspraken te maken over wat er mogelijk is. Scholen kunnen je meestal een programma bieden dat beter past bij je situatie. Het is ook verstandig om goed uit te zoeken welke regelingen en voorzieningen van toepassing zijn, zoals kinderopvang.

Studiefinanciering

Om je studie te kunnen betalen, kun je studiefinanciering aanvragen bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO, voorheen de IB-Groep). Zij hebben aparte regelingen voor studerende ouders, zodat het toch mogelijk is om een studie te volgen. De studiefinanciering is echter niet altijd genoeg om je studie en je levensonderhoud van te betalen. En als je 30 bent geworden, heb je ook geen recht meer op studiefinanciering. Daarom zijn er nog een aantal studiefondsen. En je kunt als studerende ouder ook kinderopvangtoeslag ontvangen als je baby naar de kinderopvang gaat.

Studietips

Om goed te kunnen studeren is het ten eerste belangrijk dat je een rustige studieplek hebt. Wat ook kan helpen is om zelf elke week een plan van aanpak te maken waarin je al je bezigheden organiseert. En vergeet natuurlijk niet de momenten waarop je zelf een uurtje ontspanning neemt.

Afwezigheid en re-integratie

Als je langdurig afwezig bent is het vaak lastig om na verloop van tijd weer aan het werk te gaan. Misschien ben je met verlof, of misschien ben je ziek of heb je een burn-out door bijvoorbeeld te veel stress op het werk.

Verlof

Veel vrouwen vinden het moeilijk om na hun zwangerschapsverlof weer aan het werk te gaan en hun werk te combineren met de zorg voor hun kinderen. Sommige ouders nemen daarom ouderschapsverlof op. Verlof is een vorm van langdurige afwezigheid. Werkgevers mogen verlof niet weigeren.

Re-integratie

Als je ziek bent gemeld, ben je de eerste 2 jaar van je afwezigheid samen met je werkgever verantwoordelijk voor de re-integratie op je werk. Samen bespreek je de mogelijkheden. Je kunt bijvoorbeeld (tijdelijk) parttime gaan werken, maar je kunt ook om een aangepast takenpakket vragen. Of misschien zelfs een geheel andere functie binnen hetzelfde bedrijf, of bij een ander bedrijf. Het uiteindelijke doel van het re-integratie plan is dat je na 2 jaar weer volledig aan het werk bent.

Thuis werken

Door de aanwezigheid van internet en telefoon kun je tegenwoordig makkelijk telewerken. Of je doet thuis productiewerk. Dit zijn beide manieren van 'thuis aan het werk zijn'.

Telewerken

Telewerk is thuiswerk door gebruik te maken van telefoon- en internetverbinding met de buitenwereld. Het gaat om: arbeid op afstand van de werk- of opdrachtgever, met behulp van informatie- en communicatietechnologie (ICT). Er worden 3 soorten telewerk onderscheiden.

  • Telewerk als vervanging voor werk buitenshuis. Op deze manier hoef je niet in de file te staan en kom je alleen af en toe op je werk, bijvoorbeeld voor werkoverleg en voor vergaderingen.
  • Ondernemers die van huis uit online werken.
  • Werknemers die achterstallig werk thuis afmaken.

Productiewerk thuis

Misschien doe je thuis productiewerk, bijvoorbeeld het inpakken van cd-hoesjes, het vullen van enveloppen of het naaien van lampenkappen. Dit wordt ook wel huisnijverheid, huisarbeid of thuisnijverheid genoemd. Het gaat om productiewerkzaamheden die je thuis kunt uitvoeren. Soms door een persoon, maar soms ook door het gehele gezin. Het kan in loondienst of als zelfstandige. Er is meestal geen uurloon, maar een stukloon: een bepaalde vergoeding per afgeleverd product.

Je bent geen thuiswerker als je bij anderen thuis werkt, zoals schilders, schoonmaaksters en oppassers. Als je graag productiewerk thuis zou willen doen, dan kun je het beste naar het UWV Werkbedrijf gaan. Grote bedrijven melden daar al hun vacatures aan.

Voordelen van thuis werken

Als je thuis werkt, kun je je werk makkelijker combineren met de zorg voor je baby. Als je net moeder bent geworden, kun je bijvoorbeeld gemakkelijk borstvoeding blijven geven. Je kunt ook op elk moment even kijken bij je slapende of spelende kind. En daarnaast hoef je natuurlijk geen oppas of kinderopvang te regelen.

Nadelen van thuis werken

Een nadeel kan zijn dat je minder contact met collega's hebt en minder binding met het bedrijf. Ook heb je een goede werkplek nodig. Sommige mensen zijn thuis snel afgeleid. Anderen doen thuis juist meer!

Werkomstandigheden

Werkomstandigheden zijn vaak van invloed op zowel je lichamelijke als je psychische gezondheid. Zeker als je kinderen hebt is het belangrijk om je gezond en fit te voelen, zodat je zowel je werk als de zorg voor je gezin goed aankunt.

Stress

Iedereen heeft wel eens stress voor een deadline en veel werk. Als je te veel stress en spanningen hebt op het werk, dan kun je daaronder lijden. Je kunt hierbij denken aan lichamelijke gevolgen, zoals hoofdpijn en rugklachten.

Veiligheid

Elke werkgever moet de veiligheid van zijn werknemers waarborgen. Hij moet veiligheidsregels opstellen en ervoor zorgen dat al zijn werknemers deze regels naleven.

Schadelijke stoffen en chemicaliën

Als je werkt met schadelijke stoffen is het niet goed dat je hieraan blootgesteld wordt. Werkgevers moeten de gezondheid van hun werknemers zo veel mogelijk beschermen. Het werken met deze stoffen is aan strenge voorschriften en regelgeving gebonden.

De Arbowet

De Arbowet bepaalt wat de rechten en plichten zijn voor zowel werkgever als werknemer op het gebied van arbeidsomstandigheden. Het is belangrijk dat je op de hoogte bent van de rechten en plichten. Je kunt een beroep op de Arbowet doen als je merkt dat je arbeidsomstandigheden niet kloppen met de Arbowet.

Stress op het werk

Als de werkdruk hoog ligt, voel je vaak al snel stress. Zeker als je je drukke baan combineert met een gezinsleven, kan het voorkomen dat je zowel thuis als op je werk stress voelt. Het is belangrijk om hier op tijd wat aan te doen, zodat je geen risico loopt op een burn-out.

Stressbestendig

Niet iedereen kan even goed omgaan met stress. De één maakt zich al snel zorgen terwijl de ander bij wijze van spreken nog fluitend zijn werk doet. Stress wordt meestal veroorzaakt door slechte werkomstandigheden, zoals een te grote werkdruk, een slechte werksfeer en een te grote verantwoordelijkheid. Maar het kan ook worden veroorzaakt door een combinatie van gebeurtenissen, zowel thuis als op je werk.

Wat te doen?

  • Als je merkt dat de stress je te veel wordt, is het verstandig om op tijd met je leidinggevende te gaan praten.
  • Het is waarschijnlijk geen kwestie van onwil, maar een kwestie van de tijd beter indelen, prioriteiten stellen en een duidelijkere taakomschrijving.
  • Behalve werk, is ook ontspanning belangrijk. Neem op tijd pauze en probeer thuis ook te ontspannen door geen werk mee te nemen naar huis.
  • Daarnaast zijn lichaamsbeweging en gezonde voeding vaak ook goed tegen stress.

Wonen

Je woonomgeving is belangrijk. Je baby is nu nog maar klein, maar straks als hij ouder is gaat waarschijnlijk in dezelfde buurt naar school en heeft hij daar ook een hoop vriendjes en vriendinnetjes. Misschien wil je graag verhuizen naar een ander dorp of een andere buurt. Omdat het je daar beter lijkt voor je kind.

Wonen met een beperking

Als je kind geboren is met een beperking, dan kan het goed zijn om het huis aan te passen. Als je kind bijvoorbeeld later in een rolstoel komt, zou het fijn zijn om het huis meer toegankelijk te maken. Ook kun je verhuizen naar een andere woning die al beter aangepast is aan jullie omstandigheden.

Verhuizen met kinderen

Verhuizen heeft voor- en nadelen. Misschien verhuis je naar een groter huis, of naar een mooier dorp of grotere stad. Voor sommige kinderen is het een omslag om de oude vertrouwde omgeving te verlaten. Een verhuizing kan voor sommige baby's daardoor stress met zich meebrengen.

Invloed

Een verhuizing kan invloed hebben op baby's. Sommige baby's zijn bijvoorbeeld gevoelig voor geur, licht en geluiden. Daarnaast kan je kind ook aanvoelen wanneer je stress hebt. Het is daarom beter om rustig te blijven.

Hoe maak je de verhuizing makkelijker?

Een goede voorbereiding maakt de verhuizing makkelijker. Het is praktisch om op het moment van verhuizing je baby bij familie of vrienden te brengen.

Wonen met een beperking

Niet alle kinderen komen gezond ter wereld. Sommige kinderen hebben aangeboren lichamelijke problemen, zoals heupdysplasie of een open ruggetje. Andere kinderen worden geboren met een verstandelijke beperking, zoals het Downsyndroom.

Woningaanpassingen

Als je kind bepaalde gezondheidsproblemen heeft, dan kan het nodig zijn om aanpassingen te doen in je woning. Bijvoorbeeld om het huis veiliger of toegankelijker te maken. Dit kan onder andere door het weghalen van drempels en aanpassingen van het toilet, de badkamer en de keuken.

Wmo

Bij het Wmo-loket van je gemeente kun je terecht voor woningaanpassingen en hulpmiddelen. Meestal worden de aanpassingen betaald vanuit het persoonsgebonden budget (pgb) van je kind.

Medisch kleuterdagverblijf

Het is ook mogelijk dat je kind naar de dagbesteding of naar het medisch kinderdagverblijf gaat. Natuurlijk zijn daar alle aanpassingen en voorzieningen die je kind nodig heeft. Ook zijn er specialisten die hulp bieden dat past bij de specifieke gezondheidsproblemen van je kind.

Geldzaken

“Wat kost een kind eigenlijk en met welke uitgaven krijg ik te maken?” Duidelijk is dat opgroeiende kinderen veel kosten met zich meebrengen. Het is daarom verstandig alle belangrijke kostenposten op een rijtje te zetten. Een goede financiële basis voorkomt geldzorgen.

Toeslagen en tegemoetkomingen

De overheid draagt op verschillende manieren bij aan de opvoeding in de vorm van toeslagen, bijslagen en kortingen. Bijvoorbeeld kinderbijslag, kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget.

Sparen

Wie spaart, die heeft wat! Ook als je voor je kind spaart, dan heb je wat voor later. Bijvoorbeeld voor de aankoop van een fiets, een computer of voor het betalen van autorijlessen en studiekosten.

Sparen voor je kind

Sommige ouders openen na de geboorte van hun kind een spaarrekening. En soms doen ook grootouders dat voor hun kleinkinderen. Je kunt zelf geld storten en het geld beheren op de spaarrekening. Je kunt er bijvoorbeeld voor kiezen om het bedrag dat je ontvangt aan kinderbijslag te sparen. Als de spaarrekening op naam staat van je kind, dan kun je je kind op zijn 18e het eigen beheer over zijn spaargeld geven.

Spaarplan

Bij de bank kun je navragen welke soorten spaarrekeningen er zijn. Hou natuurlijk rekening met je inkomen en hoeveel je zou willen sparen voor je kind. Bedenk van te voren ook of je tussentijds over het geld wilt kunnen beschikken en of dat je maandelijks een vast bedrag wilt sparen. In dat geval ga je voor langere tijd een spaarverplichting aan. De kans is groot dat je in die periode meer gaat verdienen, maar het kan ook zijn dat je juist minder inkomsten hebt.

Vraag van tevoren of je het spaarplan tussentijds kunt aanpassen of beëindigen in het geval van een scheiding, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of overlijden van (één van de) ouders.

Belastingvrij schenken

Het is ook mogelijk om je kind belastingvrij geld te schenken. Dit geld kan natuurlijk op de spaarrekening komen te staan. In 2011 is het toegestaan om je (pleeg)kind jaarlijks €5.030 belastingvrij te schenken. Bedenk wel dat je het spaargeld van je minderjarige kind moet melden bij de Belastingdienst.

Meer informatie over geld sparen en geld schenken vind je op de website van het Nibud.

Verzekeringen

Verzekeringen zijn er in allerlei soorten en maten: reisverzekeringen, glasverzekeringen, verzekeringen voor je huisdier, noem maar op. Of je een bepaalde verzekering wel of niet afsluit, hangt af van je persoonlijke situatie, de risico's die je loopt en het nut van de verzekering. Maar er zijn ook verplichte verzekeringen.

Zorgverzekering

De zorgverzekering is verplicht voor iedere Nederlander vanaf 18 jaar. Als je kinderen hebt, is het verplicht om ze te verzekeren voor ziektekosten en voor aansprakelijkheid bij schade.

De zorgverzekering verzekert je tegen ziektekosten, zoals kosten voor een ziekenhuisopname, huisartsbezoek en medicijngebruik. Je kunt je kinderen tot hun 18e gratis meeverzekeren in je eigen polis. Ook het eigen risico geldt alleen voor verzekerden boven de 18 jaar. De tandartskosten voor kinderen worden tot hun 18e via het basispakket vergoed.

Naast het verplichte basispakket kun je kiezen voor een aanvullende verzekering met een uitgebreidere dekking (bijvoorbeeld voor fysiotherapie of logopedie). De inhoud en premie van zo'n verzekering kan sterk verschillen per verzekeraar. Kinderen jonger dan 18 jaar zijn bij veel verzekeraars gratis meeverzekerd voor de aanvullende verzekering, maar niet bij alle. Het is verstandig om je zorgverzekeraar te vragen naar de mogelijkheden.

Via de Belastingdienst kun je mogelijk een tegemoetkoming in de kosten voor de zorgverzekering krijgen: de zorgtoeslag.

WA-verzekering (wettelijke aansprakelijkheid)

Een WA-verzekering verzekert je voor onbedoelde schade en schuld. Ongelukjes zitten immers in een klein hoekje. Ook kinderen kunnen onbedoeld dingen kapot maken of schade toebrengen. Soms kunnen de kosten om de schade te dekken hoog oplopen en daarom is het verplicht om voor jezelf en je kinderen een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten.

Meer informatie

Het Nibud heeft meer informatie over noodzakelijke verzekeringen.

Toeslagen en tegemoetkomingen

Iedere ouder in Nederland krijgt kinderbijslag voor elk thuiswonend minderjarig kind. Een aanvullend bedrag daarop is het kindgebonden budget. Dat bedrag is afhankelijk van je inkomen en het aantal kinderen dat je hebt.

Kinderbijslag en het kindgebonden budget zijn tegemoetkomingen van de overheid in de kosten die je maakt voor de zorg en opvoeding van je kind.

Toeslagen

Naast kinderbijslag en het kindgebonden budget heb je mogelijk ook recht op toeslagen en kortingen van de Belastingdienst. Bijvoorbeeld zorgtoeslag om je zorgverzekering te kunnen betalen. En kinderopvangtoeslag om de kinderopvang te kunnen betalen. Misschien heb je ook recht op heffingskortingen. Je hoeft dan minder inkomstenbelasting te betalen.

Persoonsgebonden budget

Als je kind een handicap of beperking heeft, dan heb je misschien veel (specialistische) zorg nodig. Dat is erg duur. Je kunt hiervoor een persoonsgebonden budget krijgen. Van dit budget kun je zelf de zorg inkopen die nodig is.

Kinderbijslag

Als je kinderen hebt tot 18 jaar, dan betaalt de overheid mee in de kosten voor de kinderen. Dat doet de overheid in de vorm van kinderbijslag.

Voor wie?

Kinderbijslag krijg je voor je eigen kinderen, maar ook eventueel voor je adoptiekind, je pleegkind, je stiefkind, of een ander kind waar je voor zorgt alsof het je eigen kind is.

Kinderbijslag aanvragen?

Als je aangifte doet van de geboorte van je eerste kind, dan geeft de gemeente dit door aan de Sociale Verzekeringsbank. Enkele weken later ontvang je een brief en een formulier waarmee je kinderbijslag kunt aanvragen. Als je bij de gemeente aangifte doet van de geboorte van je volgende kind, dan hoef je niet opnieuw kinderbijslag aan te vragen.

Hoogte van de kinderbijslag

De hoogte van de kinderbijslag is afhankelijk van de leeftijd en de woonsituatie van je kind. Het is dus niet afhankelijk van je inkomen. Voor elk kind dat je hebt, krijg je kinderbijslag. De zorg voor bijvoorbeeld gehandicapte kinderen is vaak erg duur. Daarom kun je in dat geval meer (of maximaal dubbele) kinderbijslag krijgen om je kind te kunnen onderhouden.

Wanneer ontvang je kinderbijslag?

Kinderbijslag wordt per kwartaal uitgekeerd. Na afloop van ieder kwartaal ontvang je de kinderbijslag. Kinderbijslag begint in het kwartaal na het kwartaal waarin je kind geboren is. Als je kind bijvoorbeeld in mei geboren wordt, dan ontvang je uiterlijk in oktober kinderbijslag.

Als je gescheiden bent, wordt de kinderbijslag uitbetaald aan de ouder bij wie het kind woont.

Meer informatie

Op de website van de Sociale Verzekeringsbank vind je meer informatie over de kinderbijslag.

Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een bedrag dat je krijgt voor de verzorging en opvoeding van je kinderen. Dit bedrag is (anders dan bij de kinderbijslag) afhankelijk van je inkomen en het aantal minderjarige kinderen in het gezin.

Hoeveel bedraagt het kindgebonden budget?

Er zijn bepaalde maximumbedragen vastgesteld voor het kindgebonden budget. Als het verzamelinkomen van jou en je partner lager is dan €28.897 per jaar, heb je recht op het maximum bedrag aan kindgebonden budget. Boven dat inkomen wordt de tegemoetkoming geleidelijk afgebouwd. Hoe snel dit afbouwt, hangt af van het verzamelinkomen en het aantal kinderen dat je hebt. Hoe meer je verdient, hoe minder je krijgt.

Op de website van het Nibud zie je hoeveel kindgebonden budget je maximaal kunt krijgen.

Uitbetaling via de Belastingdienst

In principe ontvang je automatisch kindgebonden budget vanaf de maand na de geboortemaand van je kind. De Belastingdienst keert het kindgebonden budget maandelijks uit. Als je denkt recht te hebben op het kindgebonden budget en je hebt nog niets gehoord van de Belastingdienst Toeslagen, kun je het best zelf even contact opnemen met de Belastingdienst.

Wanneer stopt het kindgebonden budget?

Het kindgebonden budget stopt in de maand dat je (jongste) kind 18 jaar wordt.

Kinderopvangtoeslag

Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang. Een deel van de kosten van kinderopvang wordt zo vergoedt. Zo maakt de overheid het voor ouders financieel mogelijk om werk en zorg te combineren.

Je ontvangt kinderopvangtoeslag als je kind tussen de 0 en 12 jaar is en naar een geregistreerd kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang of gastouder gaat.

Geregistreerde opvang

Je kunt alleen kinderopvangtoeslag krijgen als het kindercentrum, de gastouder of het gastouderbureau geregistreerd staat in het Landelijk Register Kinderopvang.

Je sluit met het kindercentrum of de gastouder een contract af voor het aantal uren dat je afneemt en de prijs die je daarvoor betaalt. Je betaalt maandelijks zelf het kindercentrum of de gastouder de kosten van de kinderopvang. Vervolgens krijg je van de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag uitbetaald.

Uurtarieven en vergoedingen

Bij de berekening van de kinderopvangtoeslag wordt rekening gehouden met het uurtarief van het kindercentrum. Hier zit een maximum aan. Er geldt een maximumtarief per uur waarvoor je nog recht heb op kinderopvangtoeslag.

Maximumtarief

Bij dagopvang in een kindercentrum is dit maximumtarief €6,36 per uur. Als je gebruikt maakt van gastouderopvang is dit €5,09.

Is je kinderdagverblijf of de gastouder duurder dan het maximum uurtarief? Dan moet je het resterende bedrag volledig zelf betalen. Over dat bedrag ontvang je geen kinderopvangtoeslag.

Daarnaast kun je per maand voor elk kind maximaal voor 230 opvanguren kinderopvangtoeslag krijgen.

Eigen bijdrage

Kinderopvangtoeslag kun je aanvragen via de Belastingdienst. Je krijgt niet alle kosten vergoed. Je bent verplicht om ook een eigen ouderbijdrage te betalen. Hoe minder je verdient, hoe meer kinderopvangtoeslag je kunt ontvangen. De ouderbijdrage is afhankelijk van:

  • je inkomen;
  • het uurtarief van de kinderopvang;
  • het aantal kinderen binnen je gezin dat naar de kinderopvang toe gaat;
  • en het aantal uren kinderopvang per kind.

Alleenstaande ouder

Ook als je alleenstaande ouder bent, kun je kinderopvangtoeslag aanvragen. De hoogte van de toeslag is afhankelijk van je inkomen.

Heffingskortingen

Heffingskortingen zijn kortingen op de inkomstenbelasting en op de premie volksverzekeringen.Of je recht hebt op bepaalde heffingskortingen, is afhankelijk van je gezinssituatie en je inkomen.

Heffingskortingen worden verrekend met de belasting die je moet betalen als je de aangifte inkomstenbelasting invult.

Gezinnen met kinderen

Gezinnen met kinderen waarin jij en je partner beiden werken hebben recht op inkomensafhankelijke combinatiekorting. Ben je alleenstaande ouder, dan heb je ook recht op deze combinatiekorting als je werkt. Combinatiekorting kun je ook krijgen als je co-ouder bent samen met je ex-partner of een ander persoon. Je kind hoeft in dat geval niet op je eigen woonadres ingeschreven te staan.

De hoogte van de inkomensafhankelijke combinatiekorting is afhankelijk van het inkomen. Alleen de minstverdienende partner heeft recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Ouderschapsverlofkorting

Als je ouderschapsverlof opneemt om je kind (jonger dan 8 jaar) te verzorgen, heb je mogelijk recht op ouderschapsverlofkorting. Hiervoor moet je een ouderschapsverlofverklaring van je werkgever kunnen laten zien. Je hebt alleen recht op de ouderschapsverlofkorting als het belastbaar loon in dat kalenderjaar lager is dan het belastbaar loon in het jaar ervoor.

Alleenstaande-ouderkorting

Je kunt alleenstaande-ouderkorting aanvragen als je geen fiscale partner hebt, je bent dus alleenstaande ouder. Andere voorwaarden zijn dat je kind ingeschreven staat op je eigen woonadres en dat je minimaal €408 per kwartaal kwijt bent aan de kosten voor je kind.

Als je alleenstaande ouder bent en je verricht betaald werk, heb je naast de alleenstaande ouderkorting recht op aanvullende alleenstaande ouderkorting.

Via de Belastingdienst

Heffingskortingen kun je aanvragen via de Belastingdienst. Bij het invullen van je belastingaangifte kun je de kosten die je maakt opgeven. De Belastingdienst berekent vervolgens op welke heffingskortingen je recht hebt en hoeveel korting je kunt krijgen.

PGB

Het persoonsgebonden budget (pgb) is een bedrag waarmee je zelf zorg of hulp kunt inkopen voor je kind. Dit is bedoeld voor kinderen met een handicap of beperking.

Pgb aanvragen in 2012

Vanaf 1 januari 2012 krijg je niet zomaar meer een pgb voor een kind dat langdurig ziek of gehandicapt is. Het recht op een pgb voor andere hulp of begeleiding is sinds 1 januari 2012 ingeperkt. Je kunt alleen nog een indicatie voor verblijf in een instelling aanvragen.

Een indicatie voor verblijf voor je kind kun je aanvragen bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) in je regio of bij Bureau Jeugdzorg. Bureau Jeugdzorg behandelt de aanvraag als je kind een psychiatrische diagnose heeft. Het CIZ alle overige aanvragen voor kinderen met een handicap of beperking.

Een zorgkantoor van de zorgverzekeraars besluit vervolgens of je de zorg met een pgb mag inkopen. Kan dit niet? Vraag dan via het zorgkantoor voor welke hulp of begeleiding je kind wel in aanmerking komt.

Een pgb voor Wmo-voorzieningen

Via het Wmo-loket van de gemeente kun je een pgb aanvragen voor hulp in de huishouding, woonvoorzieningen en hulpmiddelen. Het gaat hierbij om een voorziening die je kind zelf voor langere tijd gebruikt. Bijvoorbeeld een rolstoel.

Zorg voor zwakbegaafden: IQ-maatregel

Zwakbegaafden (met een IQ tussen 70 en 85) hebben recht op AWBZ-zorg. Deze IQ-norm wordt aangepast. Straks hebben alleen mensen met een IQ onder de 70 recht op AWBZ-zorg. Vanaf 1 januari 2013 moet de nieuwe regeling in werking treden.

Meer informatie

Meer informatie over het pgb vind je op de website van de Rijksoverheid.

Alimentatie

Een scheiding is natuurlijk geen leuke gebeurtenis. Zeker niet als er kinderen bij betrokken zijn. Het is daarom verstandig om goede afspraken te maken over de omgangsregeling en de kinderalimentatie. De rechter neemt hierover uiteindelijk een beslissing.

De rechter

Je bent als ouders allebei verplicht om je kind financieel te ondersteunen tot hij 21 is geworden. Natuurlijk mag je zelf afspraken maken over de alimentatie (in het ouderschapsplan) en deze voorleggen aan de rechter. De rechter bepaalt uiteindelijk welk bedrag er betaald moet worden. Hij houdt hierbij rekening met 3 aspecten: draagkracht, behoefte en vergelijking.

Draagkracht

Allereerst kijkt de rechter naar het inkomen van de ex-partner die alimentatie moet gaan betalen. Hij stelt vast hoeveel de ex-partner verdient en wat zijn bestaansminimum is. Al het inkomen boven dit bestaansminimum is de draagkrachtruimte. Een deel hiervan is beschikbaar voor alimentatie.

Behoefte

Vervolgens kijkt de rechter naar de behoefte van de ex-partner die voor de kinderen zal zorgen en dus alimentatie zal ontvangen. Hij houdt hierbij rekening met het inkomen en ook met de situatie zoals die was voor de scheiding. Verder kijkt de rechter naar bepaalde standaardtabellen, waarin te zien is hoeveel alimentatie er betaald moet worden voor kinderen in een bepaalde leeftijd bij een bepaalde inkomensgrens.

Vergelijking

Tot slot maakt de rechter een vergelijking tussen de draagkracht van de partner die alimentatie moet betalen en de behoefte van de partner die alimentatie ontvangt. Op basis van die vergelijking stelt de rechter de kinderalimentatie vast.

Betalingen

De alimentatiebedragen veranderen jaarlijks. De overheid bepaalt rond november met welk percentage de bedragen het komende jaar moeten worden aangepast.

Als je ex-partner zijn verplichtingen tot betaling van alimentatie niet nakomt, dan kun je de hulp inschakelen van je advocaat of van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (het LBIO).

Partneralimentatie

Na een echtscheiding blijf je verplicht om voor elkaar te zorgen. De onderhoudsplicht vervalt namelijk niet. Als er nog geld over is (na de berekening van de kinderalimentatie), kan de rechter (in overleg met de advocaat of de notaris) een bepaald bedrag aan partneralimentatie vastleggen.

Meer informatie

Meer informatie over kinderalimentatie en partneralimentatie lees je op de website van het Nibud.

Geldzorgen

Soms lijkt het alsof het geld je portemonnee uit vliegt. Waar geef je het aan uit en hoeveel geld heb je maandelijks nodig? Het is belangrijk dat je beginnende geldproblemen snel aanpakt om erger te voorkomen.

Inkomsten en uitgaven

Als je niet precies weet wat je inkomsten en uitgaven zijn, dan kan het gebeuren dat je geld tekort komt. Het is dus goed om te weten hoeveel geld je binnen krijgt en hoeveel geld je kunt uitgeven. Je kunt bijvoorbeeld elke week bijhouden wat je krijgt aan loon, uitkering en kinderbijslag. Met behulp van de website Berekenuwrecht.nl kun je uitrekenen waar je recht op hebt en zie je meteen hoe je dat geld kunt aanvragen

Kasboek

Houd goed bij hoeveel geld je uitgeeft en wat je daarvan koopt, bijvoorbeeld met een kasboek. Op die manier zie je welke uitgaven noodzakelijk zijn en welke niet.

Sparen en besparen

Het is verstandig om te sparen, zodat je geld hebt voor periodes waarin het minder goed gaat. Ook is het goed om te 'besparen'. Wees bijvoorbeeld zuinig met energie, gas en water. Probeer misschien ook minder mobiel te bellen, koop minder (dure) kleding en koop in de supermarkt alleen die dingen die je op je lijstje hebt gezet.

Schulden en geld lenen

Misschien heb je schulden en veel geldzorgen. Het is niet verstandig om met geleend geld schulden af te betalen, of om producten op afbetaling te kopen. Op die manier maak je juist meer schulden. Je kunt met behulp van de website Zelfjeschuldenregelen.nl beginnende schulden zelf oplossen. Wanneer het zelf niet meer lukt om uit de schulden te komen, kun je op zoek gaan naar professionele hulp.

Hulpverlening

Er zijn meerdere professionele organisaties die kunnen helpen bij financiële of juridische problemen. Hulpverlening kost meestal niets. Via de gemeente is meer informatie te vinden over hulpinstanties, zoals een kredietbank, de sociale dienst of maatschappelijk werk.

Je kunt ook voor meer budgettips en hulp bij schulden terecht bij het Nibud.

Maatschappij en samenleving

Opvoeden in de huidige samenleving. Een risico of een uitdaging?

Onze huidige samenleving zit ingewikkeld in elkaar. In ons land wonen bijvoorbeeld veel mensen met verschillende achtergronden en verschillende nationaliteiten. Daardoor krijgen we te maken met verschillen in cultuur, huidskleur of geloof. Aan ons de kunst om zo vreedzaam mogelijk samen te leven. Dat is zeker niet altijd gemakkelijk. Toch is het belangrijk dat we samen een weg vinden zodat èlk kind veilig kan opgroeien.

Bibliotheek

In de bibliotheek staat 'lezen en leren' centraal. Er zijn daarom niet alleen leesboeken, maar ook allerlei informatieve boeken over bijvoorbeeld vogels, treinen en muziek. Je kunt je kind als baby al lid maken van de bibliotheek. Tot 16 jaar is dat gratis.

In de bibliotheek kun je...

  • Boeken lenen.
  • Dvd’s en cd’s lenen.
  • Meedoen aan voorleesmiddagen.
  • Theatervoorstellingen bekijken.

Babyboekjes

Vanaf ongeveer 1 jaar kan je samen met je baby boekjes gaan lezen door samen de plaatjes te bekijken. Bijvoorbeeld boekjes van stof of plastic.Zo stimuleer je je kind om te leren praten. In de meeste bibliotheken kan je boekjes speciaal voor baby's lenen. Ook kan je er cd's lenen met liedjes voor baby's, dat vinden ze heel leuk!

Voor iets oudere kinderen zijn er in de bibliotheek voorleesboeken en luisterboeken. Veel bibliotheken hebben een 'makkelijk lezen plein' (MLP) en een speciale 'ouder-en-kindcollectie'.

Kinderboekenweek

Eens per jaar is het kinderboekenweek. Veel bibliotheken, boekwinkels, basisscholen en kinderboekenschrijvers doen daar aan mee. Er zijn leuke activiteiten, zoals exposities, voorstellingen en workshops. En meestal zijn er voor de kinderboekenweek speciale uitgaven van kinderboeken. Ook wordt er een Gouden Griffel uitgereikt voor het allermooiste kinderboek.

Tips

  • Ga op een vast moment naar de bieb. Bijvoorbeeld elke vrijdagmiddag.
  • Tegenwoordig kun je makkelijk online boeken reserveren en verlengen. Vraag bij je eigen bibliotheek naar de mogelijkheden.
  • Is er bij jou in de buurt geen bibliotheek? Dan rijdt er misschien een boekenbus of bibliobus.

Feestdagen en vieringen

In Nederland kennen we veel feestdagen. Sommige daarvan zijn algemeen erkend. Dit betekent dat de meeste mensen er vrij voor krijgen.

Religieuze feestdagen

De meeste feestdagen komen voort uit religies. Enkele religieuze feestdagen zijn Pasen, het Suikerfeest, Holi en Kerstmis. Andere (niet-religieuze) feestdagen die landelijk gevierd worden, zijn Koninginnedag en Bevrijdingsdag. Soms krijg je voor deze dagen vrij van je werkgever. Schoolgaande kinderen krijgen voor deze feestdagen vrij van school.

Carnaval wordt vooral in het zuiden van Nederland gevierd. Kinderen vinden vooral Koninginnedag leuk vanwege de vrijmarkten en activiteiten op straat. Andere feesten voor kinderen zijn Sinterklaas en Sint Maarten. Met Sint Maarten (11 november) gaan kinderen met hun lampionnen langs de deuren om snoep te vragen.

Feestdagen speciaal voor alle ouders zijn natuurlijk Vaderdag en Moederdag. Vaak maken kinderen op school een leuk cadeau voor hun vader of moeder.

Algemeen erkende feestdagen 2012

  • Nieuwjaarsdag: 1 januari
  • Goede Vrijdag: 6 april
  • Eerste Paasdag: 8 april
  • Tweede Paasdag: 9 april
  • Bevrijdingsdag: 5 mei
  • Hemelvaartsdag: 17 mei
  • Pinksteren: 27 en 28 mei
  • Eerste Kerstdag: 25 december
  • Tweede Kerstdag: 26 december

Nationale feestdagen 2012

  • Koninginnedag: 30 april

Overige feestdagen 2012

  • Carnaval: 19 t/m 21 februari
  • Holi: 8 maart
  • Moederdag: 13 mei
  • Vaderdag: 19 juni
  • Keti Koti: 1 juli
  • Suikerfeest: 19 t/m 22 augustus
  • Divali: 13 november
  • Chanoeka: 9 t/m 16 december

Carnaval

Straten vol uitgedoste mensen, praalwagens, optochten en dweilorkesten. Carnaval is een groot feest dat voornamelijk in Limburg en in Brabant gevierd wordt. Regionaal worden er verschillende vormen van carnaval gevierd.

Wat wordt er gevierd?

Carnaval is een katholiek feest waarvan ze denken dat het lang geleden een heidens midwinterfeest zou zijn geweest. Carnaval vindt plaats op de 3 dagen voor de vastentijd. Tijdens deze 3 dagen wordt er veel gegeten en gedronken. Na Carnaval wordt er 40 dagen gevast tot Eerste Paasdag. Dit staat symbool voor de 40 dagen die Jezus in de woestijn heeft doorgebracht. De meeste carnavalsvierders zullen echter geen 40 dagen vasten. Carnaval is meer een op zichzelf staand feest geworden.

Feestvieren

Tijdens de 3 feestdagen krijgt Prins Carnaval 'de macht' over de stad in handen. Iedere feestvierder verkleedt zich op een originele en leuke manier. Carnavalsverenigingen maken grote praalwagens en rijden in optochten door de straten. Het verkleden en de praalwagens staan vaak in het teken van een bepaald thema of een motto. Meestal zijn er ook speciale kinderoptochten.

Eten en drinken

Carnaval staat in het teken van eten en drinken voor de vastentijd. Dit wordt door de meeste feestvierders vrij letterlijk genomen. Er wordt meestal ook erg veel alcohol gedronken.

Wanneer is het carnaval?

Carnaval vindt niet plaats op een vaste datum. Het is namelijk afhankelijk van wanneer Pasen gevierd wordt. Minimaal 40 dagen voor Pasen wordt Carnaval gevierd. Dat is meestal in februari of begin maart.

Pasen

Pasen is een christelijk feest waarbij de opstanding uit de dood van Jezus wordt gevierd. In de dagen daarvoor (Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag) wordt het lijden, de kruisiging en het sterven van Jezus herdacht.

Wanneer is het Pasen?

Pasen duurt 2 dagen, altijd op een Paaszondag en een Paasmaandag. Pasen vindt plaats op de eerste zondag nadat het volle maan is geweest na de eerste lentedag (21 maart). Het kan dus per jaar verschillen op welke zondag Eerste Paasdag precies valt.

De paashaas en paaseieren

Nu is je baby natuurlijk nog te klein maar als je kind wat ouder is kun je hem met Pasen een chocolade paashaas geven, paaseieren verven en paaseieren verstoppen in de tuin. Jonge kinderen vinden het meestal erg leuk om paaseieren te zoeken. Symbolen van Pasen zoals de paashaas, paaseieren, kuikentjes en de paastak, zijn in feite overblijfselen van eeuwenoude lentefeesten. Dit zijn feesten waarbij het begin van de lente werd gevierd.

Pinksteren en Hemelvaart

In de tijd na Pasen vieren christenen Pinksteren en Hemelvaart. Hemelvaart vindt precies 40 dagen na Pasen plaats. Christenen vieren met Hemelvaart dat Jezus zijn discipelen verlaat en naar de hemel gaat om bij God te kunnen zijn. 10 Dagen na Hemelvaart is het Pinksteren. Met Pinksteren vieren christenen dat de discipelen de Heilige Geest ontvingen waarna zij de wereld rondtrokken om het evangelie te verkondigen.

Suikerfeest

Het Suikerfeest is een islamitisch feest waarmee het einde van de ramadan (vasten) wordt gevierd. Het offerfeest of slachtfeest vindt ruim 2 maanden na de ramadan plaats.

De ramadan

Tijdens de ramadan vasten moslims 1 maand om tot inkeer te komen. Het is een manier om hun ziel te zuiveren, om zelfdiscipline te ontwikkelen en om zich solidair te voelen met de armen. Het is tevens 1 van de 5 zuilen in de Koran, net als de geloofsbelijdenis en de rituele gebeden.

Vasten

Mensen van wie de gezondheid in gevaar komt door niet te eten, hoeven niet mee te doen aan de ramadan. Bijvoorbeeld zieke mensen, jonge kinderen en zwangere vrouwen. Alle anderen vasten overdag en eten alleen voor zonsopgang en na zonsondergang.

Het Suikerfeest

Na de ramadan vieren moslims het Suikerfeest. Dit is een uitbundig feest met veel zoete lekkernijen, zoals Turks Fruit. Moslims vieren het Suikerfeest samen met hun hele familie. Ze geven elkaar cadeaus en het is meestal ook gebruikelijk om de armen iets te geven. 'Zoet eten, zoet praten' is het motto van het feest.

Moslims vieren het Suikerfeest 3 dagen lang. In Nederland kun je bij de meeste werkgevers en scholen hier 1 dag vrij voor vragen.

Wanneer is het Suikerfeest?

Het Suikerfeest is elk jaar op een andere datum. Dat komt omdat moslims de islamitische kalender hebben. Dit is een heel andere kalender dan de kalender die we in Nederland gewend zijn. Die verschillen hebben te maken met de stand van de maan en de zon. Maar behalve de verschillende kalenders, zijn er ook verschillende tradities tussen landen of bevolkingsgroepen. Daardoor is het moeilijk te voorspellen wanneer het Suikerfeest precies is.

Offerfeest

Het is een feest van samen delen en goede daden. Bij dit feest wordt een schaap geslacht en gedeeld met vrienden, familie en armen. Het schaap wordt op een godsdienstige, rituele manier geslacht door een slager. Het offerfeest duurt 3 dagen. Op de eerste dag is gewoonte om naar de moskee te gaan om daar het gebed van het slachtfeest te bidden. De rest van de dagen wordt gevuld met familiebezoek en lekker eten. Als je met iemand ruzie hebt, is het de bedoeling het weer goed te maken.

Sinterklaas

Het Sinterklaasfeest wordt in verschillende delen van Europa gevierd op 5 of op 6 december. In elk land of in elke streek gebeurt dat op een andere manier.

Nicolaas van Myra

Sinterklaas is van oorsprong de bisschop van Myra en leefde in de vierde eeuw na Christus. Hij is de beschermheilige van kinderen, ongehuwde vrouwen, kooplieden en zeelieden.

Het Sinterklaasfeest

Tegenwoordig is bedacht dat Sinterklaas uit Spanje komt met zijn stoomboot. En dat hij met zijn knecht (Zwarte Piet) en zijn schimmel (Amerigo) over de daken loopt om pakjes door schoorstenen te laten vallen. Jonge kinderen geloven meestal nog in Sinterklaas. Oudere kinderen begrijpen dat hij niet echt bestaat.

Intocht van Sinterklaas

De officiële landelijke intocht van de ‘echte Sinterklaas' vindt elk jaar in een andere stad plaats. Sinterklaas komt dan samen met al zijn pieten in de haven aan met pakjesboot 12. Hierna volgt een tocht door de stad. In de meeste steden en dorpen is er ook een jaarlijkse intocht, al dan niet met een boot, maar meestal wel met een witte schimmel en zwarte pieten!

Schoen zetten

Nu is je baby natuurlijk nog te klein. Maar het is de gewoonte dat wat oudere kinderen hun schoen mogen zetten in de aanloop naar pakjesavond. Als ouder kun je zelf aangeven wanneer en hoe vaak je kind dan zijn schoen mag zetten. Je kunt dit samen met je kind doen. Het is gebruikelijk dat kinderen een wortel in hun schoen achterlaten voor het paard van Sinterklaas. En natuurlijk ook een verlanglijstje voor pakjesavond. Vervolgens worden er een paar Sinterklaasliedjes gezongen. 'Sinterklaas' neemt 's nachts het verlanglijstje mee en stopt snoepgoed en misschien een klein cadeautje in de schoen.

Pakjesavond

In Nederland vindt pakjesavond plaats op de avond van 5 december. Tijdens pakjesavond levert 'Zwarte Piet' een jutezak vol cadeautjes af. Je kunt meerdere manieren bedenken om Sinterklaasavond te vieren. Je kunt bijvoorbeeld een spelletje spelen of met een dobbelsteen gooien om te bepalen wie wanneer een cadeautje mag openen. Veel ouders zorgen ervoor dat er ook voor iedereen een chocoladeletter of een gedicht is.

Lootjes trekken

Als je kinderen ouder zijn, kun je ervoor kiezen om ruim voor pakjesavond lootjes te trekken. Iedereen koopt dan voor een afgesproken bedrag een cadeau voor een ander en schrijft eventueel ook een gedicht. Ook dan kun je met pakjesavond een spelletje spelen of dobbelen.

Kerstmis

Met Kerst (25 en 26 december) vieren christenen de geboorte van Jezus. Het verhaal over de geboorte van Jezus staat beschreven in de Bijbel.

Kerstnachtdienst

Op de avond van 24 december (Kerstavond) kun je naar de kerstnachtdienst gaan om het bijbelverhaal aan te horen en de geboorte van Jezus te vieren. De kerstnachtdienst wordt meestal erg druk bezocht.

Kerstversiering

Veel mensen versieren met Kerst hun huis. Je kunt een kerstboom in huis halen, kerststukjes maken, lichtjes en een kerstster ophangen. Wat oudere kinderen vinden het meestal erg leuk om de kerstboom te versieren. Je kunt dit dan samen met je kinderen doen. Wees extra voorzichtig wanneer de kerstballen van glas zijn. Soms maken kinderen op school ook kerstversieringen voor in de kerstboom of voor in huis.

De Kerstman

De Kerstman (Santa Claus) is volgens sommigen afgeleid van Sinterklaas. Anderen denken dat het afgeleid is van de Scandinavische ‘Joulupukki' of ‘Julbocken'. Vooral in Amerika is de Kerstman erg populair geworden. Ook in Nederland neemt zijn populariteit toe.

Oud en nieuw

Op 31 december is het oudejaarsavond. Om precies 00:00 uur viert iedereen de jaarovergang!

Lekker slapen

Baby’s hoeven natuurlijk niet de hele avond op te blijven voor het vuurwerk. Het beste is om je kind gewoon lekker te laten slapen. Bedenk van te voren wat je gaat doen. Misschien blijf je bijvoorbeeld liever thuis, in plaats van dat je naar familie gaat. Dan hoef je ook niet na middernacht nog je kind wakker te maken om naar huis te gaan.

Gelukswensen en goede voornemens

Veel mensen wensen elkaar veel geluk in het nieuwe jaar en bedenken ook goede voornemens. De populairste daarvan zijn afvallen, gezonder leven, meer bewegen, meer tijd doorbrengen met het gezin en stoppen met roken.

Nieuwjaarsdag

Op nieuwjaarsdag is alle drukte voorbij. De meeste mensen hebben een vrije dag, want 1 januari is een algemeen erkende feestdag.

Religie

Religies hebben meestal betrekking op de zin van het leven. Waarom bestaan we en is er een hogere macht die ons gecreëerd heeft? Religies schrijven vaak ook bepaalde levenswetten voor.

Wereldreligies

De grootste religies zijn de islam, het christendom, het hindoeïsme en het boeddhisme. Binnen deze religies zijn er verschillende stromingen, omdat gelovigen op verschillende manieren hun geloof interpreteren en beleven.

Sekte

Een sekte is een afsplitsing van een bestaande religie onder leiding van een charismatisch persoon. De meeste mensen vinden sektes gevaarlijk, omdat sommige sektes een strenge leefwijze voorschrijven waarbij leden hun geld kwijtraken en de contacten met hun familie moeten verbreken.

Atheïsme

Natuurlijk zijn er ook mensen die nergens in geloven en zeggen dat er geen hogere machten bestaan. Zij noemen zichzelf atheïsten. Veel wetenschappers zijn atheïst, omdat zij ervan overtuigd zijn dat de wereld ontstaan is door de oerknal en dat de mensen ontstaan zijn door de evolutie.

Vrijheid van geloofsovertuiging

In Nederland ben je vrij om te geloven wat je wilt. Vrijheid is immers een belangrijke waarde in onze samenleving. Je kunt je kinderen opvoeden vanuit je eigen geloof. Natuurlijk is het niet toegestaan om vanuit je vrijheid van geloofsovertuiging de Nederlandse wet te overtreden.

Spiritualiteit

Spiritualiteit en religie liggen dicht bij elkaar, maar zijn niet helemaal hetzelfde. Je kunt bijvoorbeeld wel zeggen dat iemand die in God gelooft spiritueel is. Maar iemand die spiritueel is, hoeft niet in een God te geloven. Je kunt bijvoorbeeld ook geloven in 'bovennatuurlijke krachten' of in je eigen innerlijke krachten.

Identiteitsbewijzen

In Nederland is iedereen van 14 jaar en ouder verplicht altijd een geldig legitimatiebewijs bij zich te hebben. Dit geldt dus nog niet voor baby's, peuters en jonge kinderen. Identiteitskaarten en paspoorten worden ook wel 'reisdocumenten' genoemd

Identiteitskaart

Een identiteitskaart is een klein en makkelijk kaartje dat in de meeste Europese landen wordt aanvaard als geldig identiteitsbewijs. Kinderen mogen een eigen identiteitskaart hebben. Als je kind nog geen 12 jaar is, moet je als ouder schriftelijk toestemming geven.

Paspoort

Een paspoort is in alle landen geldig. Kinderen mogen een eigen paspoort hebben, maar kunnen ook bijgeschreven worden op het paspoort van een ouder. Dit is alleen mogelijk voor kinderen tot en met 15 jaar.

Toekomst: kinderen eigen reisdocument

Vanaf 26 juni 2012 moeten alle kinderen over een eigen reisdocument beschikken.

Gemeente

Identiteitsbewijzen kun je aanvragen bij je woongemeente. Het is verstandig om van te voren informatie te verzamelen over wat je mee moet nemen, zoals pasfoto’s en (oude) identiteitsbewijzen.

Kosten

Er zijn kosten verbonden aan het aanvragen van identiteitsbewijzen. Deze kosten verschillen per gemeente, maar er zijn wel maximumtarieven.

  • Een Nederlandse identiteitskaart kost maximaal €40,05.
  • Een Nederlands paspoort kost maximaal €48,73.
  • En voor kinderen tot en met 13 jaar kost een identiteitskaart maximaal €30,00.

Vingerafdrukken

Sinds september 2009 worden er vingerafdrukken genomen bij het aanvragen van reisdocumenten. Op deze manier kan er nog moeilijker fraude en misbruik van reisdocumenten gemaakt worden. Bij de gemeente worden 2 vingerafdrukken gemaakt door een elektronische vingeraflezer. Dit is verplicht voor iedereen van 12 jaar en ouder.

Oude identiteitsbewijzen inleveren

Ook al moet je betalen voor een paspoort of een rijbewijs, ze blijven bezit van de Nederlandse Staat. Dit betekent dat je ze weer moet inleveren wanneer ze verlopen zijn. En dit betekent ook dat je aangifte moet doen bij de politie wanneer ze verloren of gestolen zijn. Om je bij de politie te kunnen legitimeren, moet je een afschrift van de Gemeentelijke Basisadministratie meenemen. Deze kun je aanvragen bij de afdeling Burgerzaken.

Peuter

Je peuter krijgt langzaam een eigen willetje. Hij wil alles zelf doen en kan heel boos worden als iets niet lukt of mag! En dan gaat hij schoppen, bijten, gillen of knijpen. Je kind kan nog niet goed zeggen wat hij precies bedoelt.

De grote, wijde wereld in

Voor de meeste ouders is dit een boeiende en intensieve fase die meestal niet onopgemerkt voorbij gaat. Je kind leert lopen en praten, gaat op ontdekkingstocht, verlegt zijn grenzen. Op weg de grote, wijde wereld in.

Alles is spannend voor je peuter. Hij kruipt overal op en onder. Trap op, trap af. Hij begrijpt nog niet dat sommige dingen gevaarlijk kunnen zijn. Soms voel je je net een politieagent. De hele dag roep je dat iets niet mag. Of dat hij ergens van af moet blijven. Dat hoort erbij. Eigenlijk betekent dit, dat hij langzaam zelfstandig wordt. In deze periode leert je kind ook samen spelen en fantaseren. En hij leert om op een potje te plassen en te poepen. Hij wordt groot!

Tips en adviezen

Als ouder kun je in deze periode soms best wat tips, adviezen en ondersteuning gebruiken. Hier lees je alles over de ontwikkeling van je peuter. Blijf je vragen houden? Neem dan contact op met het CJG bij jou in de buurt.

Groei en ontwikkeling

Vrijwel elke ouder vindt het boeiend om te zien hoe zijn of haar kind zich ontwikkelt en opgroeit. De meeste ouders genieten van elke ontwikkelingsfase en de meeste kinderlevens verlopen gelukkig probleemloos.

Groter groeien

Je kind groeit nu niet meer zo snel. In zijn eerste levensjaar groeit hij 25 centimeter. Tussen 1 en 2 jaar 12 centimeter. Tussen 2 en 3 jaar 10 cm. En tussen 3 en 4 jaar groeit hij ongeveer 8 centimeter.

Vanaf 3 jaar kan je peuter last krijgen van 'groeipijnen'. Hij heeft dan pijn in zijn kuiten, armen of scheenbenen. De term 'groeipijn' klopt eigenlijk niet. Want die pijn heeft niks te maken met groeien. We weten eigenlijk niet waar de pijn wel door komt.

Eigen willetje

Het eigen willetje van je peuter wordt steeds sterker. Bij alles roept hij: ‘Zelf doen!’ Hij wordt steeds zelfstandiger. Voor zijn ontwikkeling heeft hij meer ruimte en beweging nodig. Ga daarom samen naar de speeltuin, het bos of het strand.

Vroeghulp

Jonge kinderen ontwikkelen zich soms anders dan gedacht op bijvoorbeeld lichamelijk, psychisch of sociaal gebied. Dit hoeft niet te betekenen dat een kind een ernstig ontwikkelingsprobleem heeft. Maar soms maak je je gewoon zorgen, juist omdat je niet weet wat er precies aan de hand is.

  • Mijn zoon is net 1 en kan nog niet kruipen.
  • Mijn dochter van bijna 5 kan haar potlood niet goed vasthouden.
  • Het lijkt alsof mijn kind mij niet begrijpt.
  • Mijn kind is vaak agressief.
  • Mijn peuter kan zo driftig zijn dat ik me geen raad weet.
  • Mijn kind van 3 jaar speelt niet, maar gooit met speelgoed.
  • Mijn peuter van 3 maakt alleen maar klanken. Het is voor mij onverstaanbaar.

Waar kun je terecht?

Je kunt de problemen bespreken met bijvoorbeeld een verpleegkundige van het consultatiebureau of met de huisarts. Maak je je zorgen, juist omdat je niet weet wat er precies aan de hand is? Dan kun je ook rechtstreeks advies vragen aan een multidisciplinair team.

Het team Integrale Vroeghulp (of soms heet het nog loket Vroeghulp of VTO-vroeghulp) wil graag samen met ouders ervoor zorgen dat kinderen van 0 tot 7 jaar zich zo goed mogelijk ontwikkelen.

Deskundigheid

Verschillende organisaties werken samen om de deskundigen te leveren voor het multidisciplinaire team. Dat zijn bijvoorbeeld de Jeugdgezondheidszorg, MEE, revalidatiecentrum, verstandelijk gehandicaptenzorg, Bureau Jeugdzorg, de schoolbegeleidingsdienst.

Samenwerking met andere organisaties is zeer waardevol. Iedereen brengt zijn of haar eigen deskundigheid mee en er wordt van alle kanten naar de situatie gekeken. In een team zitten meestal jeugdartsen, psychologen, pedagogen, maatschappelijk werkers en soms kinderartsen, revalidatieartsen, jeugdverpleegkundigen, fysiotherapeuten of logopedisten.

Het eerste telefoontje

Het is heel belangrijk om zo vroeg mogelijk problemen op te sporen, zodat er snel passende hulp geboden kan worden.

Je kunt doorverwezen worden door de huisarts, maar je kunt ook zelf bellen voor hulp. Soms is dat voldoende en word je meteen op het juiste spoor gezet. Maar vaak is er meer nodig en zullen verschillende deskundigen proberen te achterhalen wat er aan de hand is met je kind. Natuurlijk wordt er ook goed nagedacht over hoe je kind behandeld kan worden.

Samenwerken met de ouders

Als ouder word je van begin af aan zo veel mogelijk betrokken bij de gesprekken met deskundigen en bij de behandeling van je kind. Samenwerken is het allerbelangrijkste. Als ouder krijg je daarom een vast contactpersoon: de casemanager. Een casemanager maakt alle afspraken voor je en zorgt ervoor dat je goed op de hoogte blijft.

Onafhankelijk en kosteloos

Integrale Vroeghulp is onafhankelijk. Dit betekent dat het belang van je kind voorop staat. Je hebt geen verwijzing nodig van de huisarts of het consultatiebureau, maar dat kan eventueel wel. En de hulp en ondersteuning die je krijgt is kosteloos.

Lichamelijke ontwikkeling

Het is mooi om te zien hoe snel je peuter zich ontwikkelt. Hij ontdekt en leert elke dag iets nieuws. Ook praat hij steeds beter, en hij begrijpt steeds meer. Hij ontdekt dat hij zelf een persoon is.Zijn eigen wil wordt steeds sterker.

Eigen tempo

Kinderen ontwikkelen zich in hun eigen tempo. Je kunt de groei van je kind volgen met behulp van het groeiboekje, dat je bij het consultatiebureau krijgt na de geboorte van je kind. Hierin kun je zelf bijhouden hoe je kind zich op allerlei gebieden ontwikkelt.

Motorische ontwikkeling

De motorische ontwikkeling van kinderen kent verschillende mijlpalen. Kinderen leren achtereenvolgens zitten, kruipen, staan, lopen, rennen, huppelen en fietsen. Je kind leert hoe hij zich steeds beter kan bewegen. Hij weet beter hoe hij zijn lichaam moet gebruiken. Door spelen en bewegen is je kind de hele dag bezig met oefenen. ‘Zelf doen!’ hoort daar ook bij.

Elk kind is anders

Het is goed om je te bedenken dat ieder kind anders is. Het kan zijn dat je kind met bepaalde ontwikkelingen wat later is dan andere kinderen. Dat hoeft niet te betekenen dat er iets mis is. Het ene kind is nu eenmaal wat sneller dan het andere kind.

Groei

Of een kind goed groeit kun je bekijken door zijn lengte in te vullen op een groeicurve. Bij kinderen tot 4 jaar meet de medewerker van het consultatiebureau het gewicht en de lengte van je kind. In de groeicurve die in het groeiboekje van je kind zit, kun je zien volgens welke lijn je kind zich ontwikkelt. In sommige perioden maken kinderen een groeispurt door.

Wat is een groeicurve?

Om de groei van je kind te volgen kun je die vergelijken met de groei van andere kinderen van dezelfde leeftijd. De middelste lijn in een groeicurve geeft aan wat de gemiddelde lengte en het gemiddelde gewicht van kinderen van een bepaalde leeftijd is. De buitenste lijnen geven de lijnen aan waarbinnen het grootste deel van de kinderen zit.

Wat is normaal?

Het is logisch dat bijna geen enkel kind precies de gemiddelde lijn volgt. Belangrijk is de eigen groeilijn van je kind. Vlakt de groeilijn van je kind af of komt er een knik in de lijn, bespreek het dan op het consultatiebureau. Zij zullen je zo nodig naar de huisarts verwijzen. Wijkt een kind fors af van de eigen groeilijn, dan kan er sprake zijn van een groeistoornis.

Hoe lang wordt je kind?

Als je wilt weten hoe lang je kind uiteindelijk wordt, dan kun je dat uitrekenen. De formule geeft geen exacte uitkomst: je kind kan er maximaal 10 centimeter onder of boven zitten.

  • Eindlengte voor een jongen = 44,5 + (0,376 x lengte vader in cm) + (0,411 x lengte moeder in cm).
  • Eindlengte voor een meisje = 47,1 + (0,334 x lengte vader in cm) + (0,364 x lengte moeder in cm).

Gezond gewicht

Een gezond gewicht is belangrijk voor het algehele functioneren van je kind. Dit geldt zowel voor zijn lichamelijke gezondheid, als voor zijn psychische of emotionele gezondheid.

Eten

Alles wat je kind eet heeft invloed op zijn gewicht en gezondheid. Het is daarom vooral belangrijk dat hij gezond eet en niet te veel snoept. Als je kind honger heeft, kun je hem beter een boterham geven dan een frietje. Kijk ook uit met extraatjes. Ze zijn misschien lekker, maar bewaar ze voor speciale momenten. Geef je kind bijvoorbeeld liever tussendoor een appel of een banaan, in plaats van een chocoladereep of ander snoep.

Bewegen

Voor een gezond gewicht, is het belangrijk dat je kind elke dag minstens een uur intensief beweegt. Je kind krijgt beweging door bijvoorbeeld buiten te spelen. Maar je kunt je kind ook (als hij wat ouder wordt) een sport laten beoefenen. Je kunt het beste met je kind overleggen welke sport hij leuk vindt, voordat je hem laat deelnemen.

Body Mass Index

De Body Mass Index (BMI) is een indicator voor een gezond gewicht. Je kind heeft een gezond BMI als de verhouding tussen zijn lengte en gewicht klopt. Voor kinderen en jongeren gelden andere BMI waarden dan voor volwassenen. Dit is voor elke leeftijd anders, omdat je kind nog in de groei is. Je kunt zijn BMI berekenen op de website van het Voedingscentrum.

Ondergewicht

Als je kind ondergewicht heeft, dan kunnen daar verschillende oorzaken voor zijn. Bijvoorbeeld een ernstige ziekte of een serieus eetprobleem. Andere minder serieuze oorzaken maar wel iets om in de gaten te houden zijn bijvoorbeeld niet ontbijten, niets lusten en heel snel groeien.

Gezondheidsrisico's

Als je kind onvoldoende eet, voelt hij zich waarschijnlijk snel moe. Hij heeft weinig energie. Zijn conditie gaat achteruit en zijn weerstand wordt minder. Bij gevaarlijk ondergewicht neemt ook de kans op botbreuken en botontkalking toe. Ondergewicht kan dus erg gevaarlijk zijn voor de gezondheid van je kind.

Eet gezond

Als je kind te weinig weegt of een kleine eter is, dan is het in ieder geval belangrijk om gezond te eten. Het lichaam heeft veel eiwitten, vitamines en mineralen nodig om fit en sterk te blijven. Zorg er daarom voor dat je kind regelmatig eet. Geef tussendoor bijvoorbeeld een extra boterham. Een extraatje mag af en toe ook.

Eetproblemen

Er kunnen soms dingen misgaan als het om eten gaat. Kinderen lusten niet alles en sommige kinderen willen niet eten. Als ouder kun je je behoorlijk zorgen maken als je kind een lastige eter of een kleine eter is.

Overgewicht

Steeds meer kinderen zijn al op steeds jongere leeftijd te dik. Soms zijn er medische oorzaken of is er een erfelijke aanleg. Maar meestal komt het door ongezond eten en te weinig beweging! Te dik zijn gaat niet vanzelf over in de groei. Je kunt je kind nu aanwennen om gezond te eten en veel te bewegen. Dit voorkomt dat je kind dik wordt.

Wat eet je kind?

Zorg voor een goede, gevarieerde voeding met voldoende groenten, fruit en brood helpt je kind om een gezond gewicht te krijgen en te houden. Hij krijgt dan niet snel teveel calorieën binnen. Geef zelf het goede voorbeeld.

Tips voor gezond eten!

  • Zorg voor gezonde maaltijden met veel groente en fruit.
  • Geef je kind niet te vaak snoep, frisdrank, limonade of yoghurtdrank.
  • Geef liever fruit, (vruchten)thee of water.
  • Kies voor minder vette producten, zoals halfvolle of magere melk, 30+ kaas, mager vlees en magere vleeswaren.
  • Geef je kind geen snoep of chips als beloning of als troost.

Bewegen

Springen, rennen, klimmen, stoeien! Al doende krijgt je kind veel lichaamsbeweging. Geef je kind veel kans om actief te zijn. Misschien kun je de auto af en toe laten staan? Je kind vindt het vast leuk om te wandelen of op zijn fietsje te rijden. Je kunt samen naar de speeltuin gaan. Je kunt je kind ook opgeven voor activiteiten voor peuters, zoals peuterdansen, peutergym, peuterzwemmen en de instuif in het buurthuis.

Gevolgen

Waarschijnlijk is je kind nu nog niet dik. Maar als je kind nu ongezond leeft, wordt je kind dikker. Overgewicht is niet goed voor de gezondheid en de ontwikkeling van je kind. De kansen op ziektes als diabetes, hart- en vaatziekten en pijn in de gewrichten nemen toe. Overgewicht kan bij kinderen ook een negatieve invloed hebben op het gevoel van eigenwaarde, sommige kinderen worden gepest.

Gebit

Als je kind een jaar is, heeft hij al heel wat tandjes in zijn mond. Je kunt langs het tandvlees van je kind voelen of je een ribbel of bobbel in het tandvlees voelt. Als je kind ongeveer 2 jaar is, komen als laatste de achterste melkkiezen door.

Wanneer komen de tanden en kiezen?

  • 6 maanden: 2 snijtanden onder
  • 8 maanden: 2 snijtanden boven
  • 9-12 maanden: de tweede snijtanden onder en boven
  • 14-16 maanden: de eerste melkkiezen
  • 18-20 maanden: de hoektanden
  • 24-30 maanden: de tweede melkkiezen

Kan je kind last hebben?

Sommige kinderen hebben last van doorkomende tanden en kiezen. De verschijnselen zijn:

  • meer dan anders huilen;
  • prikkelbaar en aanhankelijk;
  • moeilijk slapen;
  • soms niet eten.

Vaak kwijlen kinderen meer als hun tanden doorkomen, en wrijven ze over hun gezicht. Ook bijten ze graag op speelgoed of bijvoorbeeld een speciale bijtring. En vaak hebben ze wat meer speeksel dan normaal. Heeft je kind koorts of uitslag, dan komt dat niet van doorkomende tanden.

Tanden poetsen

Poets de tanden van je kind met peutertandpasta om te voorkomen dat hij gaatjes krijgt. En neem hem al vroeg mee naar de tandarts.

Beperk het aantal eet- en drinkmomenten op een dag tot maximaal 7. Dat zijn 3 hoofdmaaltijden en niet meer dan 4 keer iets tussendoor. Als je eten en drinken combineert, is dit 1 moment.

Lichaamshaar

Kinderen met een donkere huid hebben vaak vrij veel haar. Ook kinderen met een blanke huid kunnen bij de geboorte soms al veel haar hebben. Het eerste hoofdhaar noemt men ook wel nesthaar. Het wordt meestal dunner na een paar weken of het valt voor het grootste deel uit.

Als je kind een paar maanden oud is, begint zijn haar te groeien. Bijna alle kinderen van een jaar oud hebben haar op hun hoofd. Je hoeft het haar van je kind niet dagelijks te wassen.

Lichamelijke problemen

Soms ontwikkelt een kind zich minder goed ten gevolge van een of meer lichamelijke problemen.

Aandoeningen

Voorbeelden van aandoeningen die te maken hebben met de lichamelijke ontwikkeling zijn een lui oog, een waterhoofd, scoliose, een open rug, een hazenlip of een aangeboren vlek, zoals een wijnvlek. Sommige van deze aandoeningen komen pas vanaf een bepaalde leeftijd aan het licht.

Gevolgen voor de ontwikkeling

Fysieke aandoeningen die zich vroeg openbaren kunnen van invloed zijn op de gehele ontwikkeling van een kind. Een kind dat bijvoorbeeld niet kan kruipen of lopen, zal de wereld om zich heen minder snel ontdekken.

Vroeghulp

Omdat de lichamelijke ontwikkeling zo sterk samenhangt met de algehele ontwikkeling, is het goed om zo vroeg mogelijk hulp in te schakelen als je kind een ontwikkelingsachterstand heeft. Zo help je jezelf, je kind en eventuele broertjes of zusjes om op een goede manier om te gaan met beperkingen. En bied je je kind de kans om zich zo goed mogelijk te ontwikkelen.

Motoriek

Een kind leert kruipen, staan, zitten, lopen, fietsen, skaten, enzovoort. Hierbij gaat het om grote bewegingen met romp, armen en benen. Dit wordt ook wel grote motoriek genoemd. Maar ook leren kinderen fijne bewegingen te maken, bijvoorbeeld een kraaltje vastpakken, knippen en een potlood gebruiken. Het gaat dan om de fijne motoriek.

Eigen tempo

De fijne bewegingen ontwikkelen zich later dan de grote bewegingen. Ieder kind ontwikkelt zich in zijn eigen tempo. Het ene kind loopt bijvoorbeeld snel, het andere kind doet het rustig aan.

Grote motoriek 

De motorische ontwikkeling gaat tussen 1 en 4 jaar met sprongen vooruit. Kinderen krijgen hun lijf steeds meer onder controle. Als je kind 2 jaar is, lijkt het lopen nog een beetje op waggelen. Je kind heeft dan nog moeite om zijn evenwicht te bewaren. Als je kind 3 is, loopt hij al veel beter kan hij misschien ook al rennen, springen en klimmen.

Fijne motoriek

Je kind leert steeds fijnere bewegingen met zijn handen en vingers te maken. Hij kan beter een potlood vasthouden, een bladzijde van een boek omslaan, en kleine dingen doen zoals een kraaltje vastpakken. Tussen 2 en 4 jaar leren kinderen zich aankleden en beginnen ze een beetje te tekenen, te knippen en te plakken. Als je kind ongeveer 3 jaar is, kun je zien of hij links- of rechtshandig wordt.

Oog-handcoördinatie

De samenwerking tussen ogen en handen wordt oog-handcoördinatie genoemd. Om dit goed te kunnen, moet je kind goed kunnen zien en goed kunnen kijken.

Fijne motoriek

Aankleden

Tussen 2 en 4 jaar leren kinderen geleidelijk aan kledingstukken losmaken, een rits openen en een jas lostrekken. Tussen 3 en 4 jaar gaan kinderen knopen losmaken en kleren aantrekken, soms nog verkeerd om. Ze leren de schoenen aan te trekken, maar verwisselen ze vaak nog. Oudere peuters kunnen vaak hun veters lostrekken, maar veters strikken komt pas in de kleuterperiode.

Tekenen

Een tweejarige begint te krabbelen, eerst vooral in het midden van een blad. Daarna gaan peuters lijnen trekken en vervolgens rondjes maken. Peuters bedenken van tevoren niet wat ze willen tekenen of schilderen. Dat begint pas tegen een jaar of 4. Dan begint een kind ook herkenbare figuren te tekenen; meestal een mens met een groot hoofd (de koppoter). Later worden ook een buik/romp en benen getekend. Vanaf 4 jaar gaat een kind ook andere dingen tekenen, zoals bomen en huizen.

Knippen

Tweejarige kinderen leren eerst papier scheuren. Dit doen ze eerst met de hele vuist en het lijkt dan meer op een prop maken. Een aantal maanden later werken de 2 handen samen en maakt het kind beter gebruik van zijn duimen en wijsvingers. Vanaf een jaar of 3 leren kinderen een kinderschaartje vasthouden en geleidelijk, met hulp, een beetje knippen. Rond 4 jaar kunnen kinderen alleen knippen. Dan gaan ze ook kijken wat ze willen knippen en proberen gericht te knippen.

Stimuleren fijne bewegingen: wat kun je doen?

  • Laat je kind zelf dingen doen: zelf eten, knopen dicht doen, rits dichtmaken, de afstandsbediening gebruiken enzovoort. Help zo nodig.
  • Laat je kind helpen bij dagelijkse activiteiten en karweitjes: een banaan in stukjes snijden, snoepjes ronddelen, post openmaken.
  • Geef materialen die de fijne bewegingen stimuleren, zoals potlood, verf, klei, kinderschaar, kralen om te rijgen, enzovoort. Laat zien hoe materialen gebruikt kunnen worden.
  • Samen spelen, knutselen, puzzels maken, kralen rijgen en hamertje tik.

Leren lopen

Tussen de 10 en 18 maanden gaat je kind lopen. Dit doet ieder kind in zijn eigen tempo. Eerst een paar pasjes aan je hand, en daarna los. Je kind is dan nog erg wankel, maar het lopen gaat steeds beter.

Het gaat steeds beter

Tweejarigen leren hun beweging stoppen en beginnen als ze dat willen. Ze leren ook kleine en grote passen maken en kunnen dan beter met hun ouders meelopen. Ook leert je kind steeds beter rennen. Tegen 4 jaar kunnen peuters een beetje hun evenwicht bewaren. Ze leren eerst op hun tenen staan en daarna op hun tenen lopen, maar dat gaat nog een beetje moeilijk. 

Wat kun je als ouder doen?

Je kind heeft ruimte nodig om te lopen. Zorg dat de vloer leeg is, zodat je kind niet kan struikelen. Op een gladde vloer kan je kind misschien beter op sokken met antislip of op zachte leren slofjes lopen. Op vloerbedekking kan je kind het beste op blote voeten lopen. Dan voelt je kind de vloer beter. Schoenen zijn pas nodig zodra je met je kind buiten gaat lopen.

Wat voor schoenen?

Bij het kopen van schoenen voor je kind, zijn een paar dingen belangrijk.

  • De schoenen moeten breed genoeg zijn en soepel.
  • Een hoge schoen ondersteunt de enkel van je kind goed.
  • Een leren schoen ademt beter en zit comfortabeler dan een schoen van kunststof.
  • Laat je kind goed plat op de grond staan. Probeer dan of je vinger tussen de hiel van de schoen en de hiel van je kind kan. Lukt dat nog, dan is het goed.
  • Tweedehands schoenen zijn niet goed voor een kindervoet. Ze zijn naar de voet van het eerste kind gaan staan.

Leren aankleden

Tussen 2 en 4 jaar leren kinderen geleidelijk aan kledingstukken losmaken, een rits openen en een jas lostrekken. Tussen 3 en 4 jaar gaan kinderen knopen losmaken en kleren aantrekken, soms nog verkeerd om. Ze leren de schoenen aan te trekken, maar verwisselen ze vaak nog. Oudere peuters kunnen vaak hun veters lostrekken, maar veters strikken komt pas in de kleuterperiode.

Binnenstebuiten en andersom

Peuters begrijpen soms niet het verschil tussen de binnen- of buitenkant van kleding. Ook een linker en een rechter schoen kan verwarring opleveren. Als je kind dus zijn of haar T-shirt binnenstebuiten heeft aangetrokken en daar trots op is, dan kun jij dat ook zijn!

Stimuleren

Natuurlijk is het goed dat je kind zichzelf kan aankleden. Je hebt dan ’s ochtends minder tijd nodig om je kind te verzorgen. Als je kind nog geen interesse toont in het zelf aankleden, dan kun je dat stimuleren. Je kunt je kind bijvoorbeeld meer laten bepalen welke kleding hij leuk vindt en wat hij graag draagt.

Kledingkeuze

Allereerst is het verstandig om je kind te laten oefenen met ‘makkelijke kleding’. Dus bijvoorbeeld broeken en jurkjes met elastiek en truien met een wijde hals. Liever geen ingewikkelde knoopjes, ritsjes, gespen, sluitingen of touwtjes. Pas als je kind wat ouder is, wordt hij daar handiger in.

Helpen

Natuurlijk mag je je kind wel helpen bij het aankleden. Het gaat erom dat je kind steeds beter leert zichzelf aan te kleden. Maar ook wanneer je kind zichzelf goed kan aankleden, kan het zijn dat hij toch graag door jou geholpen wordt. Hij vindt dat waarschijnlijk fijn en het is misschien ook een manier van aandacht vragen. Je kunt je kind helpen, maar ook prijzen of belonen zodra hij zelf iets aantrekt. En daarnaast kun je ook je kind bijvoorbeeld aan de ontbijttafel juist wat meer aandacht geven.

Controleren

Nadat je kind zichzelf heeft aangekleed, is het goed om toch nog even te controleren of hij zijn hemd of sokken niet is vergeten. Natuurlijk kun je een compliment geven voor alles wat wel goed gegaan is. 

Leren traplopen

Een tweejarige kan een trap opkruipen en begint met hulp rechtop de trap op te lopen. Later gaan kinderen de trap op- en af door zich vast te houden aan de leuning, waarbij het kind nog wel beide voeten op één tree zet. Vervolgens gaat een kind de trap op met iedere voet op één tree, waarbij het kind zich wel nog vasthoudt. Kleuters kunnen een trap oplopen zonder zich vast te houden.

Wat kun je als ouder doen?

Als je kind goed kan lopen, kun je beginnen met het oefenen van het traplopen. Loop achter je kind, als je naar boven loopt. Loop voor je kind, als je naar beneden gaat. Je ziet dan wat je kind doet. Je kind kan ook eerst zittend (tree voor tree) de trap afschuiven.

Waar let je op?

  • Leer je kind om aan de brede kant de trap op en af te gaan.
  • Leer je kind om (zodra hij bij de trapleuning kan) altijd met één hand de trapleuning vast te houden.
  • Zorg dat je kind veilig kan traplopen. Zijn de traptreden glad? Bekleed de trap dan met anti-slipmateriaal. Laat je kind ook niet op sokken of pantoffels met gladde zolen de trap opgaan.
  • Laat geen spullen op de trap slingeren en zorg voor voldoende licht.

Het is belangrijk dat je kind veilig kan traplopen.

Schoenen en veters

Als je schoenen koopt voor je kind, kun je bij de schoenenwinkel de voetjes van je kind laten opmeten. Dan weet je zeker dat je de juiste maat koopt.

Tips voor schoenen!

  • De lengte én de breedte van de voet zijn belangrijk.
  • De voet moet genoeg ruimte hebben in de schoen, zodat zijn tenen goed kunnen bewegen.
  • Koop schoenen met een verstevigde hiel.
  • Die hiel moet goed aansluiten aan de voet. Anders glijdt je kind uit de schoen als hij op zijn tenen staat.
  • De zool moet soepel zijn. Als je de zool buigt, moet de achterkant van de schoen de voorkant raken.
  • De zool moet stroef zijn. Dan glijdt je kind niet uit als hij loopt of rent.
  • Zweten de voeten van je kind? Koop dan leren schoenen en katoenen sokken.
  • Koop je sandalen voor de zomer? Zorg dan dat die goed passen. Anders krijgt je kind snel steentjes in zijn schoen.

Veters strikken

Voor jonge kinderen is het veters strikken een ingewikkelde handeling. Het gaat namelijk niet om één handeling, maar om meerdere. Als je het veters strikken voordoet, kan je kind het dus niet in meteen goed nadoen. Je kunt beter de strikbewegingen één voor één voordoen en oefenen.

Een strik maken

Bij het veters strikken is het beste wanneer je kind op de grond zit en zijn schoen aantrekt. Vervolgens leer je hem stapsgewijs hoe hij zijn veters moet strikken.

  1. Beide veters vastpakken, elk in een hand.
  2. De veters over elkaar heen leggen.
  3. De ene veter onder de andere doorhalen.
  4. En strak trekken: nu is er een platte knoop.
  5. Met de ene veter (meestal aan de linkerkant) een lus maken.
  6. De andere veter om de lus heen slaan.
  7. En daarna eronder door trekken.
  8. Pak met je rechterhand de linker lus
  9. En met je linkerhand de rechter lus.
  10. De lussen aantrekken en de veters zijn gestrikt!

Het veterstrikdiploma

Vaak leren kinderen in de kleuterklas hun veters strikken. En soms krijgen ze dan ook een veterstrikdiploma. Mocht dit niet het geval zijn op de school van je kind, dan kun je hem natuurlijk ook zelf een veterstrikdiploma geven als beloning.

Klimmen en klauteren

Buiten spelen, in de tuin, in het park of op de speelplaats, is goed voor de motorische ontwikkeling van je kind. Een kleuter gaat in bomen klimmen en kan ladders gebruiken. Een schoolkind gaat steeds beter klimmen.

Klimmen en klauteren is een kwestie van durven. Vindt je kind dat moeilijk? Dan kan hij bang of onzeker worden. Steun je kind dan. Ga eens wat vaker naar speeltuinen waar mooie klimtoestellen staan. En moedig hem aan. Maar niet ieder kind vind klimmen leuk. Dan hoeft dit natuurlijk ook niet. Er zijn genoeg andere manieren om te bewegen.

Veiligheid

Veiligheid is belangrijk! Een kleuter kun je beter nog wat in de gaten houden, zodat hij geen gevaarlijke dingen kan uithalen. Maar je kind heeft ook de kans nodig om het uit te proberen. Reageer zelf niet angstig, vaak weten oudere kinderen goed wat ze kunnen.

Leren zwemmen

Kleine kinderen vinden het vaak heerlijk om in het water te zijn. In de meeste zwembaden zijn speciale uren voor ouders met baby’s en peuters. Samen in het water spelen is leuk. Het maakt je kind vrij in het water, het is goed voor de spieren en de ademhaling.

Peuterzwemmen

Voor kinderen tussen 2 en 5 jaar is er vaak peuterzwemmen in kleine groepjes. Verwacht dan niet dat je kind al leert zwemmen. Je kind moet er lichamelijk aan toe zijn. Vanaf 4 of 5 jaar kunnen kinderen op zwemles voor het Zwem-ABC.

Watervrees

Er zijn kinderen die erg bang zijn in het water. Het is beter om niet door te zetten, als je kind het echt niet leuk vindt. Dan wordt de angst van je kind voor water alleen maar groter. Probeer het dan een paar maanden later nog eens.

Voorzichtig

Doe je kind altijd zwemvleugels aan. Verlies je kind geen moment uit het oog, ook niet als je kind zwemvleugeltjes draagt. Voorzichtigheid is ook geboden bij zwembandjes, omdat kinderen daar gemakkelijk uit kunnen schieten of in bekneld kunnen raken. En ook in laag water kan een kind verdrinken.

Wanneer is zwemmen niet mogelijk?

Heeft je kind vaak last van oorontsteking, dan kun je beter niet gaan zwemmen. En als je kind last heeft van zijn luchtwegen, overleg dan eerst met je huisarts of het consultatiebureau.

Leren fietsen

Je kunt je kind eerst op een driewieler laten fietsen, vanaf het moment dat hij heeft leren lopen.

Driewieler

Je kind leert meestal eerst vooruit te komen op een driewieler door zich met de benen af te zetten. Daarna leert je kind om zijn voeten op de trappers te zetten en te trappen. Als je kind ouder wordt, leert hij met zijwieltjes fietsen. En kleuters leren zonder zijwieltjes te fietsen.

Loopfiets

Tegenwoordig zie je veel kinderen op loopfietsen met 2 wielen. Deze loopfietsen zijn heel goed voor de evenwichtsontwikkeling. Een kind dat goed uit de voeten kan met een loopfiets, fietst vaak al heel jong weg op een gewone fiets.

Wat is een geschikte fiets?

De beenlengte van je kind bepaalt hoe groot de fiets moet zijn. De meeste peuters hebben een beenlengte van 43 tot 55 cm. Daar hoort een fiets bij met banden van 16 inch. Je kind moet met zijn voeten op de grond kunnen komen als hij op het zadel zit. Dan kan hij zichzelf opvangen als hij wankelt.

Een helm en een vlaggetje

Het is verstandig een helm voor je kind te kopen, want die kan bij een val ernstig hoofdletsel voorkomen. En je kunt aan de fiets een vlaggetje vastmaken, dat hoog boven het fietsje uitsteekt. Daardoor is je kind in het verkeer beter zichtbaar.

Hoe help je je kind?

Sommige peuters zijn erg enthousiast om te beginnen met fietsen. Het is belangrijk om rustig te beginnen en je kind even te laten wennen aan het wankelen, terwijl je hem vasthoudt. Is je kind erg bang, dan kun je beter niet teveel doorzetten. Dan is je kind er waarschijnlijk nog niet aan toe. Zelf kalm en geduldig blijven is ook een handige tip. Je kind vindt het misschien wel heel spannend om te leren fietsen. Je kunt hem aanmoedigen en hem prijzen bij zijn pogingen.

Andere tips

  • Je kunt je kind vertellen dat hij het beste naar voren kan kijken, omdat hij dan zijn evenwicht beter kan bewaren.
  • In het begin houd je je kind goed vast, terwijl hij aan het fietsen is. Je kunt regelmatig proberen je greep wat losser te maken, totdat je merkt dat vasthouden niet meer nodig is: een prachtig moment voor jou en je kind.
  • Het is verstandig om je kind direct te leren hoe hij moet remmen en stoppen.

Over een poosje zal je kind ook samen met jou gaan deelnemen aan het verkeer. Door met je kind te fietsen en steeds te benoemen wat je zelf doet, leert hij al veel over veiligheid in het verkeer.

Zintuigen

Met je zintuigen kun je waarnemen. Zintuigen zijn bijvoorbeeld het zicht en het gehoor van je kind. Het is belangrijk dat je kind goed kan zien, horen, voelen, ruiken en proeven. Een jong kind leert met behulp van zijn zintuigen.

Spelenderwijs leren

Jonge kinderen leren spelenderwijs, door ervaringen op te doen. Daarbij zijn zintuigen erg belangrijk. Vanaf hun geboorte zien, horen, voelen, ruiken en proeven kinderen dingen. Je kind leert bijvoorbeeld niet zoveel als hij alleen een plaatje van een ananas ziet. Je kind leert veel meer door de ananas te zien, voelen, proeven, ruiken en zelfs horen. En als jij dan verwoordt wat je kind meemaakt, leert je kind woorden en begrippen: "De ananas is geel." Ook probeert je kind van alles uit om te zien wat dat voor gevolg heeft. Als hij op dat knopje drukt gaat het licht aan; na een paar keer weet je kind dat.

Problemen

Om erachter te komen of er misschien iets mis is, kun je een oogtest en een gehoortest laten doen. Het kan zijn dat je kind al vanaf zijn geboorte bepaalde problemen heeft. Bijvoorbeeld een lui oog of kleurenblindheid.

Zien

Wanneer je kind 3 jaar is, wordt er op het consultatiebureau een ogentest gedaan. Je kind wordt onderzocht op gezichtsscherpte. Dit noemen ze ook wel het visusonderzoek.

Signalen

Je kunt ook zelf op een aantal signalen letten die kunnen duiden op oogproblemen bij je kind. Misschien dat je kind klaagt over hoofdpijn, knijpt met zijn ogen, scheel kijkt of moeite heeft met het benoemen van kleuren (voornamelijk bij jongens). Heb je het vermoeden dat je kind een oogprobleem heeft, dan kun je het best langs je huisarts gaan of dit melden aan de arts van het consultatiebureau.

Op de basisschool

Tot ongeveer de leeftijd van 7 jaar wordt je kind op het consultatiebureau of door de schoolarts onderzocht op oogafwijkingen. Na de leeftijd van 7 jaar vindt er geen standaard onderzoek meer plaats om problemen met het zicht op te sporen.

Horen

Het gehoor van je kind is erg belangrijk. Kinderen die niet goed kunnen horen, hebben vaak ook moeite met spreken en met het leren van de taal. Niet goed kunnen horen en praten belemmert je kind in de omgang met andere kinderen.

Voorkom gehoorschade

Het is voor je kind heel onverstandig om naar harde geluiden en harde muziek te luisteren. Het gehoor van je kind went niet aan hard geluid, maar raakt ernstig beschadigd. Probelem gehoorschade te voorkomen. Als je denkt dat je kind gehoorschade of een gehoorprobleem heeft, is het verstandig naar de huisarts te gaan.

Waar let je op?

  • Soms luistert je kind niet omdat hij aan het spelen is. Hij vergeet dan alles om zich heen. Zeg iets tegen je kind, waarvan je zeker weet dat hij het wil horen. Vraag bijvoorbeeld of hij zin heeft in een snoepje.
  • Fluister tegen je kind en let op of hij je hoort.
  • Ga achter je kind staan en zeg iets tegen hem. Kijk of hij erop reageert.
  • Is je kind erg verkouden of heeft hij een oorontsteking? Dan kan hij even wat minder goed horen.
  • Is je kind vaak met zijn gedachten ergens anders? Dan lijkt het vaak alsof hij je niet kan horen. Loop dan naar hem toe en raak hem even aan. Zeg dan pas iets tegen hem.

Oogtest

Wanneer je kind 3 jaar is, wordt er op het consultatiebureau een ogentest gedaan. Je kind wordt onderzocht op gezichtsscherpte. Dit noemen ze ook wel het visusonderzoek.

  • Aan de muur hangt een grote kaart met plaatjes.
  • Je kind zit bij jou op schoot of mag zelf op een afstandje ervan staan.
  • Hij krijgt een bril op die één van zijn ogen afdekt.
  • De arts of verpleegkundige wijst een plaatje aan.
  • Je kind zegt welk plaatje dat is. Of hij wijst het aan op een voorbeeldplaatje.
  • Daarna is het andere oog aan de beurt.
  • Heeft je kind geen zin om mee te doen aan de test? Dat is niet erg. Over een tijdje kan hij weer een ogentest te doen.

Vanaf 4 jaar

Als je kind ongeveer 4 jaar is, krijgt hij weer een ogentest. Die werkt net als de ogentest bij 3 jaar. Maar met andere plaatjes. Het zijn nu rondjes die aan één kant open zijn. Je kind moet aangeven waar het rondje open is.

  • Aan de muur hangt een grote kaart met rondjes.
  • Je kind zit bij jou op schoot of mag zelf op een afstandje ervan staan.
  • Hij krijgt een bril op die één van zijn ogen afdekt.
  • In zijn handen krijgt hij een rondje. Of een voorbeeldkaart met 4 verschillende rondjes.
  • De arts of verpleegkundige wijst een rondje aan.
  • Je kind houdt het rondje in zijn handen net als het rondje op de kaart aan de muur. Of hij wijst het juiste rondje aan op de voorbeeldkaart. Hij mag ook de verschillende richtingen aangeven met zijn eigen hand.
  • Daarna is het andere oog aan de beurt.

Oogonderzoek

Als je kind niet goed kan zien, is er misschien uitgebreid oogonderzoek nodig. Bij een uitgebreid oogonderzoek wordt gekeken naar de oogstand. Dit is de samenwerking tussen de ogen en de gezichtsscherpte van je kind. Het kan zijn dat je kind een druppelonderzoek krijgt. Dit kan een opticien niet doen. De druppeltjes zorgen ervoor dat de pupil verwijd wordt en veroorzaken een wazig beeld. De orthoptist of oogarts onderzoekt of je kind een brilsterkte afwijking heeft. Eventueel kan verder onderzoek nodig zijn.

Visuele oefeningen

Wanneer blijkt dat je kind niet goed kan zien dan kan hij een bril krijgen, contactlenzen of visuele oefeningen. Visuele oefeningen kunnen helpen bij oogafwijkingen die niet of niet volledig door een bril of contactlenzen alleen kunnen worden gecorrigeerd.

Het gezichtsvermogen kan veranderen zonder dat je kind het merkt. Het is daarom verstandig om ieder jaar de ogen van je kind te testen.

Gehoortest

Als je denkt dat je kind gehoorschade heeft of een gehoorprobleem heeft, is het verstandig om bij de jeugdgezondheidszorg of de huisarts een gehoortest te laten doen.

Kno-arts

Mocht de huisarts het nodig vinden, dan kan hij je kind doorverwijzen naar de kno-arts (keel, neus en oren). De kno-arts beschikt over uitgebreide methoden om het gehoor van je kind te testen.

Lui oog

Een lui oog (amblyopie) ontstaat door een slecht gezichtsvermogen van één of beide ogen, doordat het oog zich niet normaal heeft kunnen ontwikkelen in de vroege kinderjaren. Over het algemeen zijn er geen afwijkingen van het oog.

Op de kinderleeftijd komt dit afhankelijk van de leeftijd van het kind bij 2 tot 5 op de 100 kinderen voor. Meestal is slechts één van de ogen lui, maar soms ook beide ogen.

Oorzaken

Er zijn 3 hoofdoorzaken voor het ontstaan van een lui oog:

  1. Scheelzien.
  2. Een groot verschil in scherp zien tussen beide ogen. Bijvoorbeeld het ene oog ziet scherp van dichtbij en veraf. En het andere oog alleen in de verte.
  3. In één of beide ogen kan geen beeld gevormd worden. Bijvoorbeeld omdat het bovenste ooglid over het oog valt of omdat de lens troebel is (staar).

Vroege ontdekking is van groot belang

Het is belangrijk dat een lui oog zo vroeg mogelijk wordt ontdekt en behandeld. Het liefst voordat je kind 7 jaar is. Hoe jonger je kind is, hoe beter meestal het resultaat is. Daarom wordt je kind een aantal keren onderzocht. Als er in jullie familie sprake is van 'luie ogen', is extra aandacht belangrijk.

Consultatiebureau en schoolgezondheidszorg

In Nederland is het onderzoek van de ogen een onderdeel van het PGO (periodiek geneeskundig onderzoek) op het consultatiebureau en bij de schoolgezondheidszorg. In twijfelgevallen wordt je kind doorverwezen naar een oogarts, een orthoptist of een optometrist.

De behandeling

Bij de behandeling wordt je kind gestimuleerd het luie oog te gebruiken. Bijvoorbeeld door met een bril de verschillen tussen beide ogen te verbeteren.

Bij een te groot verschil tussen beide ogen is een bril niet voldoende. Dan wordt het goede oog gedurende een bepaalde periode dagelijks enige tijd afgedekt met een oogpleister. Hoe lang dat duurt, hangt onder andere af van de leeftijd van je kind. Soms moet de oogarts eerst de staar of het hangende ooglid opereren.

Kleurenblind

Kleurenblind betekent dat je kind bepaalde kleuren niet kan zien. Je kind kan bijvoorbeeld geen rode kleuren zien, maar wel blauwe en groene kleuren. Alleen bij totale kleurenblindheid is het zo dat je kind alleen maar zwart, grijs en wit kan zien. Dit komt echter zeer zelden voor.

Is kleurenblindheid erfelijk?

De erfelijkheid van kleurenblindheid is een kwestie van een klein foutje in het DNA dat wordt doorgegeven. Blauwe kleurenblindheid is alleen erfelijk via het chromosoom nummer 7. Rode en groene kleurenblindheid zijn erfelijk via het vrouwelijke geslachtschromosoom X. Hoe jongens en meisjes rode en groene kleurenblindheid erven verschilt daardoor.

Meisjes

Meisjes erven altijd een X-chromosoom van hun moeder en een X-chromosoom van hun vader. Ze zijn daardoor vaak alleen draagster, omdat 1 van de 2 X-chromosomen wel goed is. Tenzij beide ouders kleurenblind zijn en het meisje ook 2 X-chromosomen erft met de afwijking voor kleurenblindheid.

Jongens

Jongens erven altijd het mannelijke Y-chromosoom van hun vader en het vrouwelijke X-chromosoom van hun moeder. Als ze het foutieve X-chromosoom van hun moeder erven, dan is een jongen kleurenblind. Een jongen is nooit alleen drager van kleurenblindheid.

De oogtest

Stel je kind gebruikt tijdens het tekenen vreemde kleuren. Of je kind kan niet goed zeggen welke kleur welke is. Dan kun je het best een test voor kleurenblindheid laten uitvoeren. Je kunt verschillende testen vinden op internet, maar je kunt natuurlijk ook altijd terecht bij de huisarts of bij de opticien.

Omgaan met kleurenblindheid

De meeste kinderen leren goed omgaan met hun kleurenblindheid. Maar in sommige gevallen is het toch wel erg vervelend of zelfs gevaarlijk, bijvoorbeeld wanneer het stoplicht op rood springt. Het is echter niet mogelijk om kleurenblindheid te genezen met medicijnen of met een operatie.

Sociaal-emotionele ontwikkeling

Je kind ontwikkelt zich op 3 belangrijke gebieden: lichamelijk, verstandelijk en sociaal-emotioneel. Deze ontwikkelingen staan natuurlijk niet los van elkaar.

Als je kind bijvoorbeeld meer controle krijgt over zijn lichaam, dan kan hij beter sporten. Dat is de lichamelijke ontwikkeling. Maar hij leert ook de regels die bij die sport horen. Dat is de verstandelijke ontwikkeling. En hij leert omgaan met winnen en verliezen (emotionele ontwikkeling) en met andere sporters om te gaan (sociale ontwikkeling).

Contact met anderen

Je kind wordt steeds zelfstandiger in zijn contacten met anderen. Hij gaat actief op zoek naar contact en heeft er plezier in, dat anderen op hem reageren. Door met elkaar te spelen, leren kinderen met elkaar omgaan en sociale vaardigheden. Je kind wordt ook steeds zelfstandiger door contacten buitenshuis. Zijn zelfvertrouwen groeit!

Invoelingsvermogen

Jonge kinderen zijn nog erg op zichzelf gericht en kunnen zich nog niet zo goed inleven in anderen. Als kinderen ouder worden kunnen ze zich beter verplaatsen in de gevoelens en opvattingen van anderen. Daardoor leren ze ook beter omgaan met afspraken, regels en conflicten.

Gevoelens

Je kind heeft recht op zijn eigen gevoelens. Maar hij moet wel leren, hoe hij met die gevoelens moet omgaan. Dit hoort bij de emotionele ontwikkeling. Weet je kind niet hoe hij met zijn gevoelens om moet gaan? Dan kan zijn gedrag voor problemen zorgen.

Tip

Als ouder ben je een voorbeeld voor je kind voor het leren omgaan met gevoelens. Het is daarom goed om in het bijzijn van je kinderen genegenheid naar elkaar te laten zien. En om te vertellen wat je voelt en wat je denkt dat andere mensen voelen.

Sociale vaardigheden

Een tweejarige kan zich nog niet in een ander verplaatsen. En houdt weinig rekening met anderen. Tweejarigen krijgen meer belangstelling voor leeftijdsgenootjes, maar samenspelen gaat nog niet. Ze spelen naast elkaar en praten nog weinig met elkaar.

Inleven in anderen

Vanaf een jaar of 3 begrijpen kinderen dat andere mensen ook wensen hebben. Ze worden zich meer bewust van de gevoelens van anderen en beginnen zich een beetje in te leven. Een driejarige probeert dan te helpen en te troosten. Inleven is wel nog erg moeilijk, zelfs nog voor kleuters.

Samen spelen

Vanaf 3 jaar worden contacten met volwassenen en kinderen buiten het gezin belangrijker. Kinderen gaan nu samen spelen, al is dat nog moeilijk. Sommige driejarigen beginnen vriendjes te maken, maar het zijn nog geen vaste vriendschappen. Driejarigen kunnen beter rekening houden met anderen en enigszins samenwerken. Kleuters kunnen dat al vrij goed.

Wat kun je als ouder doen?

  • Positief reageren. Als je positief reageert als je kind iets zelf probeert of goed doet, zal je kind vaker dingen zelf proberen, krijgt zelfvertrouwen en leert doorzetten.
  • Je kind zelf laten ontdekken. Als kinderen dingen zelf kunnen uitproberen, ontdekken ze hoe iets in elkaar zit. Je kind krijgt een goed gevoel, wordt actiever en leergierig.
  • Zeggen wat je voelt. Verwoord de gevoelens van je kind en van jezelf. Je kind leert dan gevoelens van zichzelf en anderen kennen en kan zich beter inleven.
  • Geef het goede voorbeeld. Laat zien hoe je kind zich dient te gedragen. En verwoord wat je doet en waarom je dat doet.
  • Stimuleer contact. Door te spelen met andere kinderen (in de buurt) leert je kind omgaan met leeftijdgenootjes. Geef je kind ook op voor de peuterspeelzaal. En ga naar activiteiten, bijvoorbeeld in het buurthuis.

Emotionele ontwikkeling

Als je kind zich emotioneel verder ontwikkelt, leert hij langzamerhand om eigen gevoelens en die van anderen te herkennen. Ga je als ouder goed met je eigen emoties om en met de emoties van andere mensen, dan geef je het goede voorbeeld.

Wat is emotionele ontwikkeling?

Sociale ontwikkeling en emotionele ontwikkeling hangen nauw samen. Kinderen leren om rekening te houden met anderen, zich te houden aan regels, op hun beurt te wachten, te delen, samen te spelen en nog veel meer sociale vaardigheden. Om dat te kunnen, moeten kinderen leren om hun eigen gevoelens en de gevoelens van anderen te zien, te begrijpen en ermee om te gaan.

Zelfkennis en zelfvertrouwen

Andere voorbeelden van een goede emotionele ontwikkeling zijn zelfkennis, een positief zelfbeeld en zelfvertrouwen. Een kind dat zich goed emotioneel ontwikkelt, kent zichzelf goed, heeft zelfvertrouwen en een positief zelfbeeld. Het kind kan zich goed inleven in anderen en kan daardoor goed samenwerken.

Gevoelens leren uiten

Een peuter heeft alle gevoelens die wij ook hebben, maar begrijpt de gevoelens nog niet. Hij kan daar nog niet goed over praten of ze op een andere manier uiten. Peuters moeten leren hoe ze gevoelens op een goede manier kunnen uiten. Dat is nog heel lastig.

Ik en de ander

Je peuter ontwikkelt een eigen identiteit en merkt dat andere mensen ook gedachten en gevoelens hebben. Vanaf een jaar of 3 begint een kind zich een beetje in te leven in andere mensen. Dit alles gaat in kleine stapjes tegelijk.

Hoe kun je helpen?

Als ouder kun je je kind helpen zich emotioneel goed te ontwikkelen. Door betrokken te zijn bij je kind en er voor hem te zijn, leg je een goede basis.

  • Laat je kind merken dat je van hem houdt en reageer positief als je kind wat goed doet.
  • Je kunt het inleven in gevoelens van anderen stimuleren door op gevoelens te wijzen en erover te praten. Bijvoorbeeld: "Kijk je zusje huilt. Ze is verdrietig omdat ze haar knuffel kwijt is."
  • Verwoord ook de gevoelens van je kind: "Je bent verdrietig dat je pop kapot is."
  • Geef zelf het goede voorbeeld. Je kind leert van naar jou te kijken. Vertel daarom ook waarom je iets doet.
  • Ook boekjes voorlezen helpt je kind om gevoelens van anderen te herkennen en erop te reageren.

Identiteit ontwikkelen

Je peuter ontdekt dat hij een persoon is, met gedachten en gevoelens. Het gaat hierbij om de ontwikkeling van zijn identiteit: wie ben ik. Baby’s beseffen nog niet dat er een onderscheid is tussen henzelf en de omgeving.

Dit ben ik

Pas rond 2 jaar weten kinderen als ze in de spiegel kijken: 'Dat ben ik.' Je kind begint steeds beter te beseffen dat hij zelf iemand is. Je kind merkt wat hij zelf kan en is daar trots op. Maar peuters zien zichzelf vaak nog wel als middelpunt van de wereld: alles draait om je kind.

Eigen wil

Je kind ontwikkelt een eigen willetje. Hij wil dat alles op zijn manier gebeurt. ‘Zelf doen’ en ‘nee’ zijn ook veel gebruikte woorden. Maar dat kan niet altijd, waardoor een peuter soms een driftbui krijgt. Dat komt ook doordat peuters nog niet goed kunnen zeggen wat ze willen en hoe ze zich voelen. Dat geeft een gevoel van onmacht.

Ik en de ander

Je peuter gaat merken dat andere mensen ook gedachten en gevoelens hebben. Vanaf een jaar of 3 begint een kind zich een beetje in te leven in andere mensen. Je kind wordt zich meer bewust van de gevoelens van anderen. Ook bijvoorbeeld wanneer anderen verdriet hebben en je kind probeert dan te helpen en te troosten. Maar rekening houden met andere mensen en zich inleven in andere mensen is voor je peuter wel nog erg moeilijk.

Dit alles gaat in kleine stapjes tegelijk. Je kind heeft hierbij jouw steun, voorbeeld en hulp nodig. En je kind heeft liefde en veiligheid nodig.

Positief zelfbeeld, zelfvertrouwen, zelfstandigheid

Liefde en veiligheid zijn voorwaarden voor een goede (sociaal-)emotionele ontwikkeling. Het is belangrijk dat je kind het gevoel krijgt dat hij de moeite waard is. Dat wordt een positief zelfbeeld genoemd.

Verder is het nodig dat je kind op jou kan vertrouwen. Je kind voelt zich dan veilig. Hij weet dat hij bij je terecht kan als er iets is. Je kind durft meer te gaan ontdekken en krijgt ook steeds meer zelfvertrouwen. Een kind met zelfvertrouwen durft nieuwe dingen te proberen. Daardoor leert je kind steeds meer en wordt hij geleidelijk aan wat meer zelfstandig.

Vriendschap

Het is belangrijk dat je kind in contact komt met andere kinderen. Je peuter leert dan steeds beter met andere kinderen omgaan. Zo leert je kind zich geleidelijk aan inleven en rekening houden met andere kinderen. Dat is een voorwaarde om echt vrienden te zijn, maar daarvoor moet je kind nog een paar jaar ouder zijn.

Nog geen echte vriendjes

Leeftijd heeft invloed op hoe een kind vriendschap beleeft. Peuters spelen nog niet echt samen en wisselen vaak van 'vriendje'. Van echte vriendschap, waarbij je samen deelt en elkaar dingen vertelt, is nog geen sprake. Kleuters krijgen al meer voorkeur met wie ze graag willen spelen. In de jaren erna krijgt vriendschap langzamerhand meer inhoud. Tot een jaar of 9 kunnen kinderen zich nog best moeilijk inleven in anderen en echt rekening houden met elkaar. Vanaf deze leeftijd nemen sociale vaardigheden snel toe. Nu kunnen ook 'hartsvriendschappen' ontstaan.

Zelfbeeld

Baby’s beseffen nog niet dat er een onderscheid is tussen henzelf en de omgeving. Pas rond 2 jaar weten kinderen als ze in de spiegel kijken: 'Dat ben ik.' Peuters beginnen steeds beter te beseffen dat ze zelf iemand zijn.

Positief zelfbeeld

Een positief zelfbeeld is voor ieder kind belangrijk. Als je kind van zichzelf denkt dat hij aardig is en de moeite waard, dan geeft hem dit veel zelfvertrouwen. Kinderen leren positief over zichzelf te denken door wat je als ouder tegen hen zegt. Heb je een positieve manier van opvoeden, dan krijgt je kind het gevoel geaccepteerd en gewaardeerd te worden. Je kind ontwikkelt een positief zelfbeeld.

Het gedrag van je kind waarderen

Denkt je kind positief over zichzelf, dan beïnvloedt dit ook zijn gedrag. Hij weet dat je hem waardeert en is daardoor eerder geneigd zich prettig te gedragen. Hij zal je bijvoorbeeld uit zichzelf gaan helpen met een huishoudelijk klusje. Dan is het goed dat je dat benoemt en positief waardeert. Je kind voelt zich dan goed. Dit bevestigen van positief gedrag is onmisbaar voor het opbouwen van een positief zelfbeeld.

Risico's

Ouders zijn voor kinderen heel belangrijk voor de vorming van hun zelfbeeld. Immers, de relatie met je kind is intensief. Je kind hecht veel waarde aan je opmerkingen. Zeker als je ze vaak herhaalt. Kinderen kunnen heel gevoelig zijn voor de opmerkingen van hun ouders. Als je regelmatig negatief reageert op ongewenst gedrag van je kind en weinig positieve opmerkingen maakt, gaat je kind eerder van zichzelf denken dat het niet de moeite waard is. Je kind ontwikkelt dan eerder een negatief zelfbeeld. En dat heeft invloed op hoe je kind zich voelt en zich gedraagt.

Wat kun je zelf doen?

  • Het is goed om je kind regelmatig te vertellen welk gedrag je waardeert.
  • Reageer ook positief als je kind iets probeert wat lastig is, ook al mislukt het. Daardoor gaat je kind het de volgende keer weer proberen en dan lukt het misschien wel.
  • Kijk ook vooral naar wat goed gaat en geef opbouwende kritiek als iets beter kan.
  • Al die kleine positieve opmerkingen slaat je kind op en geven hem een goed gevoel over zichzelf.

Eenkennigheid

De eerste maanden weet een kind nog niet dat iemand nog bestaat als hij hem of haar niet meer ziet . Het kind mist die persoon dan niet. Vanaf ongeveer 6 tot 8 maanden begint je kind te beseffen dat jij blijft bestaan als je weggaat, maar hij weet nog niet goed of je terugkomt en wanneer. Wanneer je weggaat, wordt je kind daardoor angstig en begint te huilen. Dit wordt ‘scheidingsangst’ genoemd.

Eenkennig

In die periode leert je kind ook langzamerhand het onderscheid te zien tussen mensen die hij kent en onbekenden. Je kind voelt zich veilig bij jou. Sommige kinderen worden dan ook een beetje eenkennig. Je kind wil alleen bij jou zijn en reageert angstig op vreemden. Vanaf 1,5 jaar leert een kind de ‘scheiding’ van ouders beter te verdragen. Je kind heeft een duidelijker beeld van jou in zijn geheugen en heeft erop leren vertrouwen dat je weer terug komt.

Wat kun je doen?

Je kunt je kind het best gewoon troosten, als hij bang is of in paniek. Blijf zelf rustig. Het is niet verstandig er zelf te geforceerd mee om te gaan. Als je je kind naar de kinderdagopvang brengt, kun je het best kort en duidelijk afscheid nemen.

Andere tips

  • Als je even uit het zicht bent, blijf dan tegen je kind praten of zing een liedje.
  • Je kunt af en toe kiekeboe spelen met je kind. Zo leert hij dat je er wel bent, ook al ziet hij je niet en dat je terugkomt
  • Het is goed om op een duidelijke manier afscheid te nemen van je kind, een soort vast ritueel te hanteren.

Hechting

Je steunt je kind al vanaf de geboorte door te reageren op zijn of haar behoeften. Je geeft wat je kind nodig heeft: zorg, eten, kleren, een veilig huis. Maar ook liefde, warmte, aandacht en stimulans.

Hoe bevorder je hechting?

Je troost je kind als het huilt en knuffelt je kind. Je kind merkt dat het liefde en steun krijgt. Ook contact met je kind maken, op hem reageren als hij praat of lacht, samen gesprekjes voeren zorgt ervoor dat de band tussen jullie sterker wordt. Je kind hecht zich aan je, krijgt een veilig gevoel en gaat je vertrouwen en ook anderen vertrouwen. Een kind dat zich veilig voelt, durft dingen te ondernemen. Het kind kan immers bij de ouders terecht als er iets is.

Samen praten en uitleggen

Je helpt de wereld begrijpelijk te maken door gesprekjes met je kind te voeren, en waar nodig uitleg te geven. Als je goed kijkt en luistert, weet je wat je kind bezighoudt. Je kunt dan daarbij aansluiten.

Wat kan er fout gaan?

Uit onderzoek blijkt dan 1 op de 3 kinderen te weinig basisvertrouwen heeft. Je ziet dit soms bij kinderen die in de couveuse hebben gelegen. Ook kinderen die verwaarloosd zijn, zijn soms onveilig gehecht. Dit uit zich op verschillende manieren. Onveilige hechting is heel moeilijk te herkennen.

Maak je je zorgen?

Veel peuters klampen zich wel eens vast aan hun ouders of zijn bang dat de ouder niet terugkomt, als hij even weggaat. Dat hoort bij de normale ontwikkeling. Maar bij sommige kinderen is dit gedrag heel dwingend, het kind laat zich helemaal niet sussen en het gedrag gaat niet over. Andere kinderen voelen zich zo onveilig, dat ze weinig initiatieven nemen.

Er kan sprake zijn van een hechtingsprobleem. Maak je je zorgen? Praat er met andere ouders over en met de pedagogische medewerker van de peuterspeelzaal of de kinderopvang. Blijf je je zorgen maken? Zoek dan hulp. Uiteraard kun je ook met je vragen en zorgen terecht bij het Centrum voor Jeugd en Gezin en bij je huisarts.

Zelfvertrouwen

Ieder kind is een persoontje met rechten en voorkeuren. Vanaf 1 jaar wil je kind steeds meer zelf dingen doen en zelf kiezen. Houd rekening met wat je kind wil.

Kijk naar wat goed gaat

Kinderen leren door uit te proberen. Geef je kind de kans om veel te ontdekken, want van ervaringen leert je kind. Maar soms gaat het mis. Ook weet je kind nog niet goed wat wel mag en wat niet mag. Misschien heb je de neiging om vooral te letten op wat fout gaat. Maar kijk ook naar wat je kind goed doet.

Positief reageren

Positief reageren versterkt het zelfvertrouwen van je kind. Je kind voelt zich gewaardeerd en krijgt een positief zelfbeeld. Je kind wordt actiever, durft ook lastige dingen aan te pakken, leert door te zetten en wordt meer zelfstandig. Vaak vind je het heel gewoon dat je kind zijn bord leeg eet, alleen speelt en doet wat je zegt. Door er wel regelmatig iets positiefs over te zeggen, laat je merken dat je je kind ziet. En dat je het positief vindt wat je kind doet: "Je hebt zelf je schoenen al aangetrokken. Goed, zeg." Je kind gaat dit dan de volgende keer weer doen. Je kind leert het meest als hij hoort en merkt wat goed gaat. Als goed gedrag wordt beloond door aandacht en positieve reacties, gaat je kind dat gedrag herhalen.

Hoe doe je dat?

Je kunt op verschillende manieren positief reageren: een knuffel, aai over de bol, een knipoog, iets liefs zeggen, een cadeautje, enzovoort. Het hangt af van de situatie, van je kind en van jezelf wat je op dat moment doet. Je kind moet voelen dat je het meent. Vertel ook wat je goed vindt en waarom je dit goed vindt. Reageer meteen op positief gedrag, niet pas na een tijdje. En beloon ook een poging die niet helemaal gelukt is: "Jij hebt goed geprobeerd om zelf je rits vast te maken."

Peuterpuberteit

Kinderen tussen de 1,5 en 4 jaar oud gaan de wereld ontdekken. Ze merken dat ze een individu zijn (een eigen ik hebben) en gaan hun grenzen uitproberen. Ze willen steeds meer zelf doen.

Nog niet alles lukt natuurlijk, en dat werkt frustratie en angst in de hand. Hun stemming kan gemakkelijk omslaan. En ze kunnen zich nog niet beheersen. Deze fase wordt soms de peuterpuberteit genoemd.

Hoe uit het zich?

Je kind wil zelf zijn jas aantrekken, maar hij krijgt de rits nog niet dicht. Dit frustreert hem enorm. Als je hem wilt helpen, wijst hij dat af. Vaak komen er heftige emoties bij te pas. Driftbuien komen nogal eens voor in deze periode. Een driftbui kan zich uiten in allerlei gedragingen: de adem inhouden, schreeuwen, grommen, zich op de grond werpen.

Wat kun je beter niet doen?

Het is beter om je kind niet te straffen. Het is een negatieve vorm van aandacht. Je kind kan zich de volgende keer weer zo gaan gedragen, want dan krijgt hij aandacht. Zit je kind midden in een driftbui, dan heeft onderhandelen geen zin. Toegeven aan wat hij wil, is ook geen handige oplossing. Je kind krijgt dan in de gaten dat driftig worden loont.

Wat kun je wel doen?

  • Negatief gedrag negeren is eigenlijk het beste wat je kunt doen. Gewoon geen aandacht geven.
  • Soms kun je een driftbui voorkomen door je kind op tijd af te leiden.
  • Voor het zelfvertrouwen en het zelfbeeld van je kind is het heel goed om positief gedrag te belonen. Laat het je kind weten dat je het knap vindt dat hij zijn eigen schoenen aantrekt.
  • Het is slim om je lichaamstaal in overeenstemming te laten zijn met wat je zegt. Vertel je je kind dat iets niet mag, dan zeg je dat niet met een lachend gezicht.
  • Het is beter om je kind niet de kans te geven om 'nee' te zeggen. Laat hem uit 2 dingen kiezen: "Wil je de rode broek of de spijkerbroek aan vandaag?" In plaats van: "Wil je de rode broek aan?"
  • Je kind vindt het prettig om zoveel mogelijk zelf te doen. Je kunt hem die kans geven en hem aanmoedigen. Natuurlijk beloon je hem als het hem gelukt is. Of zelfs als het niet gelukt is, maar hij het wel heeft geprobeerd: "Je hebt geprobeerd op het potje te plassen. Wat een flinke jongen."
  • Duidelijk en consequent zijn is voor je peuter heel belangrijk.
  • Na een driftbui kun je met hem praten over zijn ongewenste gedrag.
  • Je kunt je kind even apart zetten om af te koelen.

Stress

Stress is eigenlijk een vorm van positieve of negatieve spanning. Ook je peuter kan gestrest zijn. Hij kan op verschillende manieren reageren op stress, bijvoorbeeld door:

  • te gaan huilen;
  • zich angstig terug te trekken;
  • heel agressief te zijn.

Drukke thuissituatie?

Ben jij als ouder erg druk? Zijn er meerdere kinderen? Daar kan je peuter stress van krijgen. Kinderen gaan al jong naar kinderdagverblijven, oppasadressen of opvangmoeders. Dat hoeft natuurlijk geen probleem te zijn. Maar je kind moet thuis al die dingen verwerken. Kan hij dat niet? Dan gaat het wel eens mis.

Ook bij bijzondere of moeilijke gebeurtenissen kan je peuter last krijgen van stress. Bijvoorbeeld als opa of oma doodgaat. Of als hij voor het eerst naar de peuterspeelzaal gaat.

Rust

Als je kind stress heeft, dan kan hij niet slapen. Want zijn hoofdje moet veel indrukken van de dag verwerken. Hij heeft tijd nodig om tot rust te komen.

Stress verminderen

  • Geef je kind thuis genoeg aandacht en ruimte. Luister bijvoorbeeld naar zijn verhalen of lees hem gezellig voor.
  • Knuffel je kind veel, want knuffelen is goed tegen stress.
  • Zorg voor een rustige omgeving. Haal te veel en te druk speelgoed weg. Let ook op geluid, licht en temperatuur.

Bang

Jonge kinderen weten nog niet goed wat echt en wat fantasie is. Je kind staat 's nachts bij je bed: ‘Mam, er zit een spook in mijn kamer.’ Zo worden schaduwen op de muur van hun slaapkamer monsters. En dan ontstaat angst om te gaan slapen.

De wereld van het kind

Sommige dingen begrijpt je kind nog niet. Als je zegt: ‘Het huis staat op zijn kop’, dan kan je peuter hier echt van schrikken. Luister naar je kind en neem het gevoel van je kind serieus, je kind is echt bang. Probeer te begrijpen hoe je kind de wereld ziet. Ga bijvoorbeeld samen naar het spook kijken. Als je er een grapje over maakt, dan begrijpt je kind dit waarschijnlijk niet. Je kind blijft dan langer bang dan nodig is. Je kunt je kind voorbereiden op moeilijke situaties, bijvoorbeeld door erover te praten of een boekje voor te lezen.

Angst kan versterkt worden

Angst kan worden versterkt, bijvoorbeeld door enge films, door spookverhalen of bangmakerij door andere kinderen. Maak je kind nooit bang. Soms doen we dit zonder dat we het in de gaten hebben, bijvoorbeeld als je erg schrikt van een spin. Als je zelf angstig reageert, wordt je kind natuurlijk ook bang. Blijf dus rustig. Dreig ook niet met zwarte piet of dat je weggaat als je kind niet lief is.

Rouwverwerking

Er bestaan veel verschillende soorten rouw.

Je kind kan rouwen om het overlijden van een dierbaar persoon, of om een huisdier dat is overleden. Maar ook omdat zijn ouders besloten hebben uit elkaar te gaan. Wanneer er een ingrijpende gebeurtenis plaatsvindt, kan je kind hierom rouwen.

Rouwverwerking is de manier waarop je kind een plek probeert te geven aan een verdrietige gebeurtenis. Per kind verschilt het hoeveel tijd de rouwverwerking in beslag neemt. Je kunt proberen hem hier zo goed mogelijk in te begeleiden.

Rouwverwerking bij scheiden

Ieder kind wil dat papa en mama bij elkaar blijven. Want dat is altijd zo geweest. En dat moet en zal altijd zo blijven.

Soms blijven ouders bij elkaar voor de kinderen. Omdat ze zich schuldig voelen. Maar het is niet zeker dat dit beter is voor je kind. Soms is het beter om uit elkaar te gaan.

Uit elkaar

Gaan jullie uit elkaar? Dat is heel moeilijk voor je peuter. Een scheiding heeft een grote invloed op het leventje van je peuter. Alles verandert. Het vertrouwen van je kind kan geschaad zijn. Je kind kan daar op verschillende manieren reageren. Je kind:

  • wordt bang en onzeker;
  • is boos, wordt lastig of juist heel stil.
  • kan het gevoel hebben te moeten kiezen tussen papa of mama;
  • schaamt zich en trekt zich terug;
  • heeft verdriet, moet veel huilen en wil troost;
  • voelt zich schuldig en denkt dat het door hem komt;
  • plast misschien opeens weer in de broek.

Eerlijk en open

Het is moeilijk om je kind te vertellen dat jullie gaan scheiden. Toch kan je kind dit beter van jullie (samen) horen dan van een ander. Vertel het je kind eerlijk en duidelijk. Probeer altijd eerlijk te zijn over de situatie en je kind geen valse hoop te geven. Hier wordt je kind uiteindelijk alleen maar verdrietiger van. Leg je kind zo nodig ook uit dat de scheiding niet zijn schuld is. Vertel wat er gaat gebeuren. Als je kind een vraag stelt, geef je duidelijk maar juist antwoord.

Duidelijke afspraken

Maak duidelijke afspraken over waar je kind nu gaat wonen en over hoe vaak hij de andere ouder ziet. Dan weet je kind wat hij kan verwachten. Dat is prettig. Bekijk of jij of je partner in de vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. Er verandert al zo veel voor je kind dat het fijn is als de vriendjes en kinderopvang hetzelfde blijven.

Positieve aandacht

Laat zien dat je de gevoelens en reacties van je kind begrijpt. Blijf je kind positieve aandacht geven, door te knuffelen en complimentjes te geven voor dingen die je kind doet. Blijf ook grenzen stellen. Dat is niet streng, maar duidelijk. Want het leven en de opvoeding gaan gewoon door.

Wat kun je beter niet doen?

  • Je kind verwennen. Misschien doe je dit omdat je je schuldig voelt. En je wilt dat je kind je weer lief vindt.
  • Geen regels meer stellen.
  • Slechte dingen zeggen over je partner. Houd je kind buiten de conflicten die de scheiding met zich meebrengt. Is je kind heel boos op één van jullie? Dat kan. Maar stimuleer dat niet. Dat is nooit goed. Je kind moet van jullie allebei kunnen houden.

Hulp zoeken

Een scheiding is heel moeilijk. Zeker als je kinderen hebt. Je kunt steun of hulp zoeken voor het verwerken van de scheiding. En voor het opvoeden van je kind(eren) in de nieuwe situatie.

Die steun of hulp vind je bij familie, vrienden en buren. Of bij je huisarts en het consultatiebureau. Maar eventueel ook bij het Bureau Jeugdzorg, GGNet of RIAGG, Algemeen Maatschappelijk Werk, het Centrum Jeugd en Gezin of bij de Kinder- en Jongerenrechtswinkel.

Rouwverwerking bij overlijden

Het kan zijn dat je kind al op jonge leeftijd te maken krijgt met het overlijden van een dierbaar persoon of een huisdier. Je kind is dan verdrietig en heeft steun nodig. Je wilt natuurlijk dat je kind dit zo goed mogelijk verwerkt en hier zo min mogelijk last van heeft.

Rouw bij kinderen tot 2 jaar

Een kind tot ongeveer 2 jaar weet nog niet wat leven en dood inhoudt. Wel kan je kind voelen dat er iets aan de hand is. Laat het gewone leven zo goed mogelijk doorgaan, hoe moeilijk dat soms ook is. Probeer je kind zoals je normaal gewend bent liefde, aandacht en troost te bieden.

Rouw bij peuters en kleuters

Peuters en kleuters snappen nog niet dat iemand die dood is, voor altijd weg is. Ze hebben, net als volwassenen, verschillende gevoelens die soms heel tegenstrijdig kunnen zijn. Zo kan een kind opgelucht zijn omdat de overledene geen pijn meer heeft. Maar een kind kan ook verschrikkelijk boos worden. Of bang worden dat (vooral na een plotselinge dood) iemand anders dood gaat. Jonge kinderen moeten nog leren hoe ze met gevoelens omgaat.

Kinderen tonen gevoelens indirect

Jonge kinderen tonen gevoelens vaak niet direct, door bijvoorbeeld te huilen, maar via een omweg. Je kunt het meestal aan het gedrag merken dat je kind verdriet heeft. Kinderen worden agressief, baldadig, onhandig of juist heel behulpzaam of willen vaker op schoot zitten. Het gaat moeilijk op de peuterspeelzaal en soms gaan kinderen weer in bed plassen. Vooral bij kleuters zijn gevoelsuitingen soms heftig en dat roept bij het kind zelf angst op. De veerkracht bij de meeste kinderen is gelukkig groot en de rouwsymptomen zijn tijdelijk.

Openheid

Bespreek open en rustig wat er is gebeurd. En waarom iemand is doodgegaan. Als je dat niet doet, kan je kind bang worden en gaat hij misschien zelf dingen verzinnen. Vertel ook dat de gevoelens van je kind bij het rouwproces horen. En dat het verdriet overgaat.

Geef veel ruimte voor vragen van je kind. Misschien vraagt je kind vaak hetzelfde, maar blijf antwoord geven.

  • "Hoe lang blijft opa dood?"
  • "Eten doden hetzelfde als wij?"
  • "Waar gaat oma dan naar toe?"
  • "Wanneer komt opa weer terug?"

Je eigen gevoelens

Praat ook over je eigen gevoelens. Maar geef wel aan dat dit tijdelijk is en dat de ergste pijn over gaat. Je mag je eigen verdriet laten zien en dus ook huilen. Leg je kind uit waarom je huilt. Probeer te vermijden dat je kind het gevoel krijgt dat je de situatie niet aan kunt. Dat is angstig. Kinderen hebben het gevoel nodig dat hun ouders de situatie aan kunnen. Zorg goed voor jezelf en zoek steun bij mensen die je vertrouwt.

Aanwezig bij de uitvaart

Een peuter kan mee naar de uitvaart. Dit helpt kinderen om met verdriet om te gaan. Het helpt ze realiseren dat de naaste echt overleden is en ze ervaren steun en troost. Maar dwing je kind niet als hij echt niet wil. Laat je kind zelf beslissen of hij de overledene wil zien. Wil je kind dat wel? Vertel je kind dan wat hij te zien krijgt.

Zorg voor houvast

Probeer het gewone doen en laten zoveel mogelijk door te laten gaan voor je kind. Hoe moeilijk dat ook is. Het gewone leven biedt houvast. Bij de Stichting Achter de Regenboog kun je meer informatie krijgen over het begeleiden van kinderen bij een rouwproces.

Hulp

Het is niet gemakkelijk om je kind te helpen, als je zelf verdriet hebt. Misschien vind je het moeilijk om er voor je kind te zijn. Je kunt vrienden, familie of een goede buur om hulp vragen. Verder kun je professionele hulp inschakelen. Bij het Centrum voor Jeugd en Gezin weten ze waar je terecht kunt.

Verstandelijke ontwikkeling

Kinderen leren alles om hen heen steeds beter begrijpen en onthouden. En ze leren wat ze moeten doen om iets op te lossen, bijvoorbeeld om pakt iets wat hoog ligt te pakken door op een stoel te klimmen.

Denken

Denken heeft te maken met taal, met begrijpen, met onthouden (geheugen) en met het oplossen van ‘probleempjes’. Hoe meer ervaringen kinderen opdoen, hoe meer ze gaan begrijpen en onthouden.

Waarom kunnen kinderen leren?

Kinderen zijn in staat om te leren, omdat hun geheugen zich ontwikkelt, ze abstracter gaan denken en ze informatie leren indelen. Ook leren kinderen doordat ze mensen om zich heen hebben, die ze dingen zien doen. Ze observeren hen en gaan hen nadoen. Dat leren gebeurt trouwens alleen als volwassenen iets doen of zeggen wat aansluit op het begripsvermogen en de bestaande kennis van het kind op dat moment.

Hoe verloopt het?

Leren is een proces dat te maken heeft met het denkvermogen en met het verwerken van informatie. Kinderen verwerken de informatie die ze krijgen. Dat wil zeggen dat kinderen informatie opslaan, ordenen, verbanden leggen met wat ze al weten en de informatie toepassen in nieuwe situaties.

Voorbeeld

Sam kent het begrip 'vogel' en hij weet al dat vogels vliegen. Nu ziet hij een vliegtuig in de lucht en roept 'vogel'. Zijn vader vertelt hem dat dit een vliegtuig is. Het woord ‘vliegtuig' wordt in de hersenen van Sam opgeslagen bij 'dingen die kunnen vliegen'.  Hij heeft iets geleerd en kan het ook toepassen: de volgende dag ziet hij een vliegtuig en roept 'tietuig'.

Eigen tempo

Alle kinderen maken dezelfde denkontwikkeling door. Ieder kind in een eigen tempo. Aanleg speelt hierbij een rol. Maar ook hoe ouders kinderen in alledaagse situaties in en om het huis uitdagen om na te denken.

Denkontwikkeling

Denken tussen 1 en 2 jaar

Langzamerhand ontdekken kinderen tussen de 1 en 2 jaar steeds meer van de wereld. Een belangrijke stap is dat ze zich een voorstelling in hun hoofd gaan maken van dingen of personen die verdwijnen. Ze kunnen dan bijvoorbeeld het beeld van mama in hun hoofd 'vasthouden' als mama verdwijnt. Als mama even de kamer uit is, raken ze niet in paniek. Ze weten dat mama weer terugkomt. Je kind leert meer begrijpen en het geheugen is zich sterk aan het ontwikkelen.

Denken tussen 2 en 3 jaar

Op deze leeftijd gaan kinderen steeds duidelijker beseffen dat ze zelf dingen kunnen veroorzaken. Ze onthouden ervaringen beter en gebruiken dit dan in andere situaties. Als je kind bijvoorbeeld weet waar de afstandsbediening voor is, weet het dit niet alleen thuis maar ook bij oma. Het is nu ook mogelijk om met je kind te praten over iets dat net gebeurd is, bijvoorbeeld de eendjes voeren.

Het hier en nu

Toch zijn tweejarigen nog vooral gericht op wat er 'hier en nu' is, dus op wat ze daadwerkelijk zien en meemaken. Ze hebben nog weinig beelden in hun hoofd, nog weinig geheugen. En ze kunnen zich ook nog niet inleven in wat andere mensen weten, denken en voor gevoelens hebben. Dat ontstaat tussen 3 en 5 jaar.

Een voorbeeld

Je geeft kinderen een doos met op de bodem een tekening en je vraagt om de tekening te laten zien. Kinderen tussen 1,5 en 2 jaar laten de tekening zo zien dat ze deze zelf ook zien. Deze kinderen hebben nog geen ‘beeld’ van de tekening in hun hoofd. Als ze de tekening niet meer zien is die er niet meer. Rond 3 jaar laten kinderen de doos echter zo zien, dat ze de tekening zelf niet zien. Kinderen hebben nu wel een ‘beeld’ van de tekening in hun hoofd. Ze weten dat de tekening er is, ook al zien ze die niet.

Denken tussen 3 en 4 jaar

Een kind van 2 jaar is nog gericht op wat er op dat moment is: het hier-en-nu. En niet hoe iets zo gekomen is, op het voorafgaande proces. Driejarigen beginnen geleidelijk dat proces in de gaten te krijgen. Ze hebben dan een beter beeld in hun hoofd van wat er is gebeurd en hoe dat gekomen is. Wel lopen fantasie en werkelijkheid nog vaak door elkaar. Je kind begrijpt soms nog niet goed wat echt is en wat niet echt is.

Het eigen gezichtspunt

Een tweejarige denkt vanuit het eigen lichaam: zoals het kind de dingen ziet. Je kind weet nog niet hoe andere mensen dingen zien. Als voorbeeld een bekend experiment. Er zit een pop naast 3 bergen. Jonge kinderen kunnen zich niet verplaatsen in hoe de pop de bergen ziet. Ze vertellen wat ze zelf zien. Kleuters kunnen wel vertellen hoe de pop de bergen ziet.

Begripsvorming

Tussen 2 en 3 jaar beginnen kinderen interesse te tonen in eenvoudige verhaaltjes met duidelijke plaatjes.

Vormen herkennen

Een peuter begint verschillende vormen te herkennen, maar kan ze nog niet benoemen: de ronde vorm, het vierkant, de driehoek. Je kind kan nu eenvoudige puzzeltjes maken en bouwen. In het begin bouwt hij alleen nog maar torens, later legt hij de blokken ook naast elkaar.

Sorteren

Driejarigen krijgen belangstelling voor woorden en getallen. Ze gaan voorwerpen sorteren. Ze leggen bijvoorbeeld alle gele blokken bij elkaar. Sorteren is nodig om te kunnen tellen en om hoeveelheden te vergelijken: meer, minder, evenveel. Kinderen beginnen dan ook kleuren en vormen te benoemen.

Tijdsbesef

Ook het tijdsbesef ontwikkelt zich geleidelijk. Een driejarige merkt het verschil tussen dag en nacht. En kan zich iets voorstellen bij ‘nog een paar nachtjes slapen’. Hierdoor kan je kind ook beter wachten op iets leuks.

Intelligentie

Intelligentie is iets ingewikkelds. Het heeft te maken met de werking van de hersenen: het opmerken van verschillen en overeenkomsten, zich oriënteren, redeneren, plannen maken, problemen oplossen, taal begrijpen en produceren.

Ontwikkeling

De ontwikkeling van intelligentie van je kind hangt af van het samenspel tussen de aangeboren aanleg van je kind en de omgeving waarin je kind opgroeit. Een stimulerende omgeving helpt bijvoorbeeld de intelligentie te ontwikkelen die je kind via zijn genen heeft meegekregen.

Het IQ

Niet elk aspect van intelligentie is bij iedereen even sterk ontwikkeld. De één is beter in het leren van een taal en de ander kan beter redeneren en een probleem oplossen. Via het IQ (intelligentiequotiënt) kun je de maat voor intelligentie uitdrukken. Bij kinderen wordt het IQ uitgedrukt in relatie tot de gemiddelde intelligentie van zijn leeftijdsgroep.

Een gemiddeld IQ ligt tussen de 90 en 110. Een kind met een IQ-score van boven de 130 hoort tot de categorie hoogintelligent en in combinatie met bepaalde andere eigenschappen tot de categorie hoogbegaafd.

Fantasie en werkelijkheid

Jonge kinderen kunnen nog niet zo goed onderscheid maken tussen fantasie en werkelijkheid. Dit loopt nog vaak door elkaar. Als iemand 'tijger' speelt, kan een peuter opeens echt bang worden. De ander is dan een tijger. Je kind onderscheidt niet altijd wat echt is en niet echt is. Alles lijkt nog te kunnen.

Magisch denken

Kinderen vullen wat ze nog niet weten aan met hun eigen fantasie. Dit wordt ook wel 'magisch denken' genoemd. Je kind kan van alles verzinnen en speelt ook de werkelijkheid na: een lepel is een microfoon, de knuffelhond een echte hond. Fantasiespel is een prima manier om nieuwe dingen te onderzoeken en zich in te leven in iemand anders.

Meespelen

Het leukste is om gewoon met je kind mee te spelen. Als hij je een bordje 'macaroni' geeft, dan doe je net alsof je het opeet. Je complimenteert hem met het lekkere eten dat hij gemaakt heeft. Ook kan het goed zijn je kind in zijn spel te observeren. Je kind vindt het vast leuk om een verkleedkist te hebben, waarin je een oude jurk, een jasje, hoeden en petten en sjaals stopt.

Vaak kun je uit de manier van spelen begrijpen wat er in je kind omgaat. Door met hem mee te spelen kun je inzicht krijgen in zijn gedachten.

Fantasie kan angst worden

Omdat kinderen het nog moeilijk vinden om fantasie en werkelijkheid uit elkaar te houden, kunnen ze ook angstig worden. Want heel veel dingen begrijpt hij nog niet. Als je zegt "Het hele huis staat op zijn kop", kan hij daar best van schrikken. Soms duurt het even voordat je begrijpt waarom je kind zo moet huilen. Neem die peuterangsten wel serieus. Grapjes over dingen waar je kind bang voor is, snapt hij meestal niet. En dan blijft hij langer bang.

Verstandelijke beperking

Niet alle kinderen komen gezond ter wereld. Sommige kinderen hebben aangeboren lichamelijke problemen. Andere kinderen worden geboren met een verstandelijke beperking, zoals het Downsyndroom.

Onderzoek

Misschien was het meteen na de geboorte van je kind duidelijk dat er iets mis was. Het kan meteen duidelijk zijn wat dat is, maar het kan ook zijn dat er eerst onderzoek nodig is door een arts of door het consultatiebureau. Soms merk je pas na maanden of jaren dat er iets mis is, bijvoorbeeld wanneer je kind niet gaat praten of wanneer zijn gedrag anders is.

Anders

Omdat je kind een verstandelijke beperking heeft, is hij misschien een beetje anders dan andere kinderen. Hij heeft bijvoorbeeld een spraak- en taalachterstand, hij kan minder goed leren en er is veel zorg en begeleiding nodig. Zijn zorg en opvoeding vraagt misschien veel van je. Dit kan daardoor een behoorlijke belasting zijn voor het gehele gezin.

Thuis

Je kind woont misschien gewoon bij je thuis. Dan kan het zijn dat er aanpassingen of andere hulpmiddelen nodig zijn. De kosten die je maakt, kun je betalen van het persoonsgebonden budget (pgb). Het kan ook zijn dat je kind niet thuis woont, maar bijvoorbeeld naar het medisch kinderdagverblijf of het kinderdagcentrum gaat. Dit kan ook al voor een aantal dagen per week.

Naar school

Als je kind straks oud genoeg is om naar school te gaan, lukt het misschien niet om regulier onderwijs te volgen. Je kunt je kind daarom naar het speciaal onderwijs laten gaan. Hier krijgt hij meer aandacht en kan hij in zijn eigen tempo en op zijn eigen niveau lessen volgen.

Spraak- en taalontwikkeling

De taalontwikkeling bestaat uit het begrijpen (passief taalgebruik) en spreken van taal (actief taalgebruik). Kinderen begrijpen meer woorden dan dat ze spreken.

Peuters zijn talenwonders

Kinderen zijn echte talenwonders. De eerste jaren ontwikkelt hun taal zich razend snel. Een baby praat nog niet, met een vierjarige heb je hele gesprekjes. Rond 1 jaar zeggen de meeste kinderen hun eerste woordje, vaak mama of papa. Vanaf dan leert je kind elke dag nieuwe woorden. Als je kind 2 is gaat hij ook begrippen gebruiken.

Spraak- en taalontwikkeling stimuleren

Jonge kinderen leren taal vooral thuis. Jij hebt daarop veel invloed. Het is erg belangrijk dat je samen praat, samen speelt, voorleest en liedjes zingt.

Leren praten

Als ouder kun je enorm veel doen om je kind te helpen bij het leren praten. Tussen de 1 en 1,5 jaar oud begint je kind met de eerste woordjes. Als hij 4 wordt, kan hij al eenvoudige zinnetjes zeggen.

Door dagelijks met je kind met luisteren en praten bezig te zijn, leert hij niet alleen steeds beter praten, hij leert ook de principes van interactie.

Wat kun je doen bij kinderen tot 3 jaar?

  • Kijken naar de gebaren en lichaamstaal van je kind.
  • Luisteren naar de woorden van je kind, terwijl je hem aankijkt en geduldig wacht tot hij is uitgesproken.
  • Altijd proberen te begrijpen wat je kind bedoelt.
  • Op de goede manier herhalen wat je kind zegt: zegt je kind 'balle', dan zeg je: "Goed zo, een ballon."
  • Het is beter om geen kinderachtige taal te gebruiken, maar de dingen bij de juiste naam te noemen en correcte zinnen te gebruiken. Dat wil zeggen, dat je een hond geen 'woefwoef' noemt.
  • Samen met je kind door een plaatjesboek bladeren en je kind aanmoedigen om te vertellen wat hij ziet. Dit kun je doen door hem vragen te stellen. Probeert hij antwoord te geven, dan prijs je hem en herhaal je wat hij zei. Je kind leert veel van korte gesprekjes.
  • Samen met je kind lezen, het liefst op een vast tijdstip (bijvoorbeeld voor het slapen gaan).
  • Steeds vertellen wat je aan het doen bent en voorwerpen benoemen, bijvoorbeeld: "Ik vouw jouw pyjama op."
  • Je kind de tijd geven om te reageren.
  • Je kind laten spelen met leeftijdgenootjes.

Hoe kun je kinderen tussen 3 en 4 jaar stimuleren?

  • Vaak met je kind over een onderwerp praten, naar hem luisteren en zijn vragen beantwoorden. Je kunt hem ook vragen stellen en om zijn mening vragen.
  • Praten over wat jullie gaan doen.
  • Met je kind in gesprek gaan op vaste momenten, zoals tijdens het eten en naar bed gaan. Je kind laten vertellen wat hij gedaan heeft. Vertel ook wat jij gedaan hebt.
  • Met je kind spelletjes spelen met beurtwisselingen en samen veel rollenspel doen.
  • Een dagelijks ritueel hebben, bijvoorbeeld lezen of een liedje zingen voor het slapen gaan.
  • Regelmatig je kind voorlezen, over het verhaal praten en samen het verhaaltje navertellen.
  • Je kind laten spelen met leeftijdgenootjes.

Taal tussen 1 en 2 jaar

Een baby huilt, maakt geluidjes en later gebaren: dat is al taal. Een kind maakt op deze manier duidelijk wat hij wil. Als ouder reageer je daarop en praat je tegen je kind. Zo leert hij woorden en zinnen begrijpen en later ook spreken.

Eerste woordjes

Rond 1 jaar spreken kinderen het eerste woordje, vaak mama of papa. Al snel spreken kinderen 'eenwoordzinnen': met één woord bedoelt een kind dan een hele zin. 'Ete' betekent meestal "Ik wil eten" of "Ik wil niet eten".

Vanaf 1,5 of 2 jaar gaat je kind zinnen van 2 woorden maken, bijvoorbeeld: "Mama ete." Je kind begrijpt eenvoudige opdrachtjes en zinnetjes. Bijvoorbeeld: "Waar is de auto?" En je kind begint steeds meer eenvoudige woordjes te zeggen.

Taal tussen 2 en 3 jaar

Je kunt al goed met je peuter praten. Peuters gaan steeds duidelijker praten, hun zinnen worden langer en ze gaan begrippen gebruiken.

Woorden en zinnen

Tweejarigen gebruiken tussen de 50 en 600 woorden. Ieder kind heeft een eigen tempo. Tussen 2 en 2,5 jaar gebruikt een kind 'driewoordzinnen'. Hierbij is de volgorde van de woorden van belang. "Eva wil soep" betekent iets anders dan: "Wil Eva soep?"

Je kind gaat meervoud (poes - poezen) gebruiken, verkleinwoordjes (meisje) en voorzetsels (op, in, naar). Ook gaan peuters werkwoorden verbuigen: 'ik wandel' en 'ik wandelde'. Je kind past dus al taalregels toe. Maar misschien nog wel vaak verkeerd: 'ik klimde' in plaats van 'ik klom' en 'koeis' net als 'auto's'.

Begrippen

Je kind leert eerst woorden voor concrete dingen, maar vanaf 2 jaar gaat hij ook begrippen gebruiken. Hierbij gaat het om eigenschappen van dingen, mensen of dieren. Bijvoorbeeld hoe een ding eruit ziet (groot, klein) of hoe het voelt (zacht, hard). Of over gevoelens (lief). Begrippen zijn lastig voor kinderen. Ze hangen vaak met de situatie samen. Een peuter is groter dan een baby. Maar klein in vergelijking met een volwassene.

Taal tussen 3 en 4 jaar

Peuters zijn erg creatief met taal. Ze maken vaak hun eigen woorden: een caravan is een 'autohuis'. Rond 3 jaar maakt een kind zinnen van 3 tot 5 woorden: "Ik wil niet slapen." En hij voert opdrachten uit 2 delen uit, zoals: "Pak je pyjama en trek hem aan."

Steeds duidelijker praten

Als je kind 3 is, begrijpt je kind alledaagse gesprekken en eenvoudige verhalen. Je kind praat duidelijker. Vreemden verstaan ongeveer de helft van wat je kind zegt. De zinsbouw van je kind wordt steeds beter, hij zegt bijvoorbeeld: "Ik heb zin in kersen." En niet: "Ik zin in kersen heb." Je kind gebruikt nu 'wij' en 'jullie' op een goede manier.

Waaromvragen

Je kind wil alles weten. Het aantal waaromvragen neemt sterk toe. Als je antwoord geeft, leert je kind steeds meer begrijpen en hoort hij moeilijke zinnen. Bijvoorbeeld: "Omdat het nu bedtijd is!" In plaats van: "Het is nu bedtijd."

Gesprekjes voeren

Peuters leren iedere maand tientallen woordjes bij. Je kunt hele gesprekjes met elkaar hebben. Kinderen vertellen verhaaltjes met verschillende toonhoogtes. Ze weten nu ook dat als iemand ergens niet bij is geweest, ze moeten vertellen wat er is gebeurd. Ze kunnen dat al een beetje, maar het is nog wel moeilijk. Veel peuters praten in zichzelf of tegen een knuffel. Zo leert een kind zichzelf steeds beter uitdrukken. Een driejarige gaat ook vaak 'voorlezen' aan anderen of een pop.

Schriftelijke taal

Tussen 3 en 4 jaar ontdekken kinderen schriftelijke taal. Ze merken dat in een boek allerlei tekentjes (symbolen) staan. Ze leren dat die tekentjes letters zijn. En dat je kunt lezen wat er staat. Ook leren ze geleidelijk aan begrijpen waarvoor schriftelijk taalgebruik is: een boekje lezen, een boodschappenlijstje maken, een brief schrijven. Dit inzicht is nodig om later op school te leren lezen.

Spraak en taal stimuleren

Je kunt als ouder verschillende dingen doen om de spraak- en taalontwikkeling van je kind te stimuleren. Hieronder staan een aantal van die mogelijkheden beschreven.

Gesprekjes met je kind

Neem de tijd om goed te kijken en luisteren naar je kind. Je merkt dan waar je kind mee bezig is. Daar kun je dan met elkaar over praten. Ook is het goed om op vaste momenten gesprekjes met je kind te hebben. Bijvoorbeeld nadat je kind naar de peuterspeelzaal is geweest.

Goed taalgebruik

Gebruik correcte taal. Maak volledige zinnen en spreek de woorden goed uit. Dus niet: "Heb je au gedaan?"

Veel ervaringen en veel soorten ervaringen

Het is nodig dat je kind veel meemaakt en in verschillende situaties komt. Op een station zijn andere dingen, dus andere woorden, dan thuis. Ook leert je kind verschillende betekenissen van woorden: een bank is om te zitten, maar ook een gebouw om geld te halen.

Ervaringen verwoorden

Wen je aan om te praten bij alles wat jullie doen. Zeg wat je kind ziet, hoort, voelt, ruikt en proeft. Vanaf 3 jaar praat je niet alleen over wat 'hier en nu' gebeurt. Maar ook over wat er gebeurde (verleden), zou kunnen gebeuren (toekomst). Of over fantasie.

Benoemen en begrippen gebruiken

Noem de namen van dingen, mensen en dieren. Zeg bijvoorbeeld: "Kun je me het kopje dat op de tafel staat aangeven?" Zeg liever niet: "Geef me dat."

Gevoelens verwoorden

Als je gevoelens benoemt, leert je kind gevoelens van zichzelf en anderen kennen. En ook zelf gevoelens uitdrukken. Een voorbeeld: "Je vindt het niet leuk dat je nu moet opruimen."

Herhalen en toevoegen

Herhaal de zinnen van je kind, maak ze langer of voeg er informatie aan toe. Dat kun je het best op een vragende, uitnodigende manier doen. Je kind zegt bijvoorbeeld: "Ik toren gemaakt." Dan zeg je: "Heb je een toren gebouwd?" Dan wordt je kind uitgenodigd om verder te praten.

Geef antwoord en stel vragen

Antwoord geven stimuleert het denken en de taal van je kind. Vraag niet alleen: "Wat is dat?" Maar stel vooral vragen waardoor je kind gaat denken en praten. Bijvoorbeeld: "Wat heb je op de speelzaal gebouwd?" Of: "Waarom vind je dat leuker?" Goede vragen sluiten aan bij de interesse en bezigheden van je kind en bevorderen jullie gesprek.

Speel met je kind

Tijdens het samen spelen, praten jullie veel. Vooral spelletjes waarbij jullie doen alsof, zijn heel goed voor de taalontwikkeling. Verder zijn er veel spelletjes waarbij je kind woorden leert en die je kind laat nadenken, zoals lotto en memory.

Contact met anderen

Laat je kind spelen met andere kinderen.

Voorlezen en verhaaltjes vertellen

Dagelijks voorlezen is leuk, gezellig en je kind leert veel. Vooral als je kind actief mee doet. Vertel ook af en toe een verhaaltje, aan de hand van plaatjes, over iets wat je kind heeft meegemaakt of een fantasieverhaal.

Boeken in huis

Zorg voor verschillende soorten boeken: prentenboeken, informatieboeken, boeken met liedjes en rijmpjes, enzovoort. Ook zijn er kindertijdschriften en luisterboeken. Ga regelmatig naar de bibliotheek. Maar zorg ook voor eigen boeken. Je kind hecht zich aan boeken. Zorg dat je kind de boeken makkelijk kan pakken.

Computer en televisie

Digitale voorleesboekjes, ook wel 'levende boeken' genoemd, zijn erg goed voor de taalontwikkeling van je kind. Als je samen kijkt, kun je uitleg geven en er samen over praten. Er zijn ook goede televisieprogramma’s, websites en app's voor peuters.

Liedjes, versjes en rijmpjes

Jonge kinderen zijn geboeid door liedjes en versjes. Als je kind iets ouders wordt, vindt hij woordgrapjes erg leuk en begint hij te rijmen. Veel rijmen met elkaar kost geen tijd, is gezellig en erg goed voor de taal en het denken van je kind. Ook zijn er veel leuke taalspelletjes, zoals 'ik zie, ik zie wat jij niet ziet'.

Kennismaken met schrift

Vanaf 3 jaar beginnen kinderen interesse te krijgen voor schriftelijk taalgebruik. Je kunt een boodschappenlijstje maken, oma een kaartje sturen, wijzen op letters en cijfers nog veel meer.

Tweetalig

Spreken jij en je partner een verschillende taal? Of vind je het belangrijk dat je kind een extra taal leert? Dan kun je je kind tweetalig opvoeden. Dat komt steeds meer voor.

Als je je kind tweetalig opvoedt, is het belangrijk dat je de manier kiest die het best bij het gezin past. Er zijn meerdere mogelijkheden die tot hetzelfde resultaat leiden.

Eén persoon één taal

Bij een meertalige opvoeding is de één-persoon-één-taalstrategie een goede manier om kinderen 2 talen tegelijk te leren. De vuistregel is dan: probeer de talen te scheiden. Is de ene ouder beter in het Nederlands? Dan spreekt die Nederlands, en de ander de moedertaal.

Eén situatie één taal

Je kunt ook per situatie afspreken welke taal er gesproken wordt. Bijvoorbeeld: aan tafel spreken we altijd Nederlands. Dat heet de één-situatie-één-taalstrategie.

Je eigen moedertaal

Als jullie thuis een andere taal beter beheersen dan het Nederlands, is het beter voor de taalontwikkeling van je kind om consequent jullie eigen moedertaal te gebruiken. Praat veel met je kind in je eigen taal, dan leert hij alvast één taal goed spreken. Tegelijkertijd ontwikkelt hij een taalgevoel dat bij het leren van andere talen nodig is.

Nederlands leren

Natuurlijk is het belangrijk dat je kind ook goed Nederlands leert. Daarvoor zijn veel contacten nodig met Nederlanders: op de peuterspeelzaal, misschien bij de buren, bij de kinderopvang of op de voorschool.

Tips

  • Ben je niet Nederlands, maar blijf je wel in Nederland wonen? Leer dan zelf ook Nederlands.
  • Spreek je wel Nederlands, maar niet te taal van je partner? Dan kun je ook overwegen om die taal te leren.
  • Stimuleer de taalontwikkeling van je kind en maak hem enthousiast voor de talen.
  • Breng je kind in contact met leeftijdsgenootjes, kinderen in de buurt, familie en kennissen die de taal spreken.
  • Leen kinderboeken in het Nederlands en in je moedertaal uit de bibliotheek.
  • Er zijn leuke digitale boeken en spelvormen op de computer, waar je kind spelenderwijs beter Nederlands van leert.
  • In het begin kan je kind soms de woorden van verschillende talen in een zin door elkaar husselen, maar dit gaat vanzelf over.
  • Zorg dat het taalaanbod voor de talen die je kind leert gelijk verdeeld is. Probeer zoveel mogelijk verschillende situaties en dus ook woorden en taalervaringen aan te bieden.
  • Eenmaal gekozen om een bepaalde taal aan te leren? Ga hier dan mee door, ook op de lange termijn. Je kind verleert een taal als hij de taal niet meer gebruikt.

Drietalig

Net als bij 2 talen leren, geldt de de één-persoon-één taalstrategie ook voor een drietalige opvoeding. 3 talen tegelijkertijd leren is best veel, maar wel mogelijk.

Waar hou je rekening mee?

Als je kiest voor 3 talen kan het kind er langer over doen om de talen te verwerven. Bij 2 talen bijvoorbeeld gaat de stijgende lijn in de ontwikkeling niet zo snel als bij het leren van 1 taal. Na enkele jaren wordt die achterstand overigens over het algemeen weer ingehaald. Het is dus denkbaar dat het bij 3 talen nog weer langer duurt. Houd daarom rekening met een mogelijk vertraagde taalontwikkeling in de eerste 5 levensjaren.

Vertraagde taalontwikkeling

Een vertraging in de taalontwikkeling is normaal, omdat je kind elk nieuw woord in meerdere varianten moet leren. Bovendien moet hij dan leren welk klankpatroon, woord en grammaticale constructie bij welke taal hoort. Hoe meer talen kinderen 'moeten' leren, hoe lastiger of langduriger dit kan zijn.

De achterstand inhalen

Of je kind eventuele achterstanden in taal weer inhaalt, ligt aan wat je kind 'in huis heeft' aan bijvoorbeeld taalgevoel, intelligentie en een goed gehoor. En ook aan de omgeving. Is die voldoende stimulerend voor de taalontwikkeling?

Activiteiten in een bepaalde taal

Het is mogelijk om een kind drietalig op te voeden. Let er dan wel op dat je kind het Nederlands voldoende beheerst om ook op school goed mee te kunnen komen. Wat goed werkt, is het afspreken van bepaalde tijden waarop je met elkaar 1 van de 3 talen gebruikt. In die periode kun je boeken lezen, films kijken, gesprekken voeren en uitstapjes maken met de gekozen taal als voertaal. Dit kun je per taal afwisselen. Het is belangrijk om bewust tijd te reserveren voor activiteiten in een bepaalde taal, zeker als je kind 3 talen aanleert.

Spraakproblemen

Het is belangrijk om al op jonge leeftijd alert te zijn op de spraak- en taalontwikkeling van je kind. Als hij een taalachterstand opbouwt, geeft hem dat minder goede kansen voor later. Ook als je zelf geen Nederlands spreekt, kan je kind prima Nederlands leren. Meertalig opvoeden hoeft geen probleem te zijn.

Het kan gebeuren dat een kind problemen krijgt met zijn spraak. Je kind stottert bijvoorbeeld. Je hebt ook kinderen die om de een of andere reden niet lijken te willen praten. De reden hierachter is vaak dat ze niet durven praten.

Spraakontwikkeling stimuleren

Je kunt de spraakontwikkeling van je kind stimuleren door spelletjes te doen die de motoriek van zijn mond stimuleren.

  • Een sirene van een brandweerauto nadoen.
  • Klakken met je tong als een paard.
  • Kaarsjes uitblazen.
  • Hagelslag met je tongpunt oplikken.
  • Je lippen aflikken.
  • Je kunt ook blaas- en zuigspelletjes doen als bellenblazen. Zo maak je zijn lippen, tong en gehemelte sterk.
  • Er zijn luisterspelletjes waardoor je kind de klanken beter leert herkennen.

Vind je dat de spraak van je kind zich anders ontwikkelt dan die van zijn vriendjes? Of langzamer? Neem dan contact op met het consultatiebureau of je huisarts. Hoort je kind wel goed? Misschien is het nodig naar een logopedist te gaan. Die kan onderzoeken, of je kind een spraakprobleem heeft.

Niet durven praten

Er zijn kinderen die in sociale situaties hun mond stijf dicht houden. In hun vertrouwde omgeving of met vertrouwde mensen praten ze wel. Dit noemt men wel (selectief) mutisme.

Strikt genomen is dit een angststoornis. Het probleem is dat een stil kind vaak niet opvalt en dat het probleem dus lang onderkend kan blijven.

Wat kun je zelf doen?

Het helpt niet om het kind te dwingen te praten. Het probleem wegwuiven helpt evenmin. Neem je kind serieus. Probeer het probleem bespreekbaar te maken, vraag welke situaties spannend zijn of juist minder spannend.

Als je kind bijvoorbeeld nooit iets durft te vragen in de winkel, kies dan samen een rustige winkel uit en laat je kind bedenken wat hij graag wil hebben. Hij mag het dan zelf kopen. Ga mee de winkel in, maar blijf op de achtergrond. Als je kind echt niet verder durft, mag hij steun vragen bij jou, maar je grijpt niet in. Lukt het niet, dan probeer je het later nog een keer. Net zolang tot het goed gaat.

Professionele hulp

Als ouder kun je niet altijd veel bereiken, omdat je kind juist problemen zal ervaren als jij er niet bij bent. Spel- of gedragstherapie kan helpen. Hierbij leert je kind de angst voor het spreken stapje voor stapje te overwinnen.

Stotteren

Een jong kind blijft tijdens het spreken wel eens in zijn woorden steken, hij hakkelt of herhaalt de woorden vaak. Je kind leert vanzelf beter spreken.

Als dat niet gebeurt, vraag je je misschien af of hij stottert. Als je kind stottert, dan vindt hij het moeilijk om vloeiend te spreken. Bijvoorbeeld als iemand die hem iets vraagt, of als hij oma aan de telefoon heeft.

Wat is stotteren?

Stotteren is niet-vloeiend kunnen spreken. Het gaat daarbij om blokkades, herhalingen en verlengingen van woorden of woorddelen. Op dat moment maakt het middenrif ongecontroleerde bewegingen.

Stotteren kan ook te maken hebben met hoe je kind zich voelt. Misschien heeft hij spreekangst of sociale angst en vermijdt hij liever situaties waarin hij moet spreken. Misschien schaamt hij zich, heeft hij last van stress, zit hij niet lekker in zijn vel of is hij zelfs depressief. Dit zijn de zogenaamde 'verborgen symptomen'. Deze symptomen kunnen misschien later leiden tot leerproblemen.

Praat eens normaal

Andere kinderen snappen misschien niet waarom je kind stottert. Ze lachen hem uit, ze maken zijn zinnen af en zeggen dat hij normaal moet praten. Misschien pesten ze hem er zelfs mee. Stotteren kan daardoor veel invloed hebben op het sociale leven van je kind. Je kind trekt zich misschien liever terug, dan dat hij elke keer de confrontatie weer aangaat.

Wat kun je zelf doen?

Als je kind stottert, probeer hem dan rustig te laten uitpraten en dwing hem niet. Dit vraagt om veel geduld. Stotteren gaat namelijk niet makkelijk over. Daarom kun je het beste hulp zoeken bij een logopedist. De logopedist kiest vervolgens een geschikte therapie.

Therapie

Het verschilt voor elk kind welke therapie het beste bij hem past. Je kunt bijvoorbeeld kiezen tussen groepstherapie en individuele therapie. In groepstherapie heeft je kind contact met andere stotteraars en kunnen ze hun situaties vergelijken. Tijdens individuele therapie kan een logopedist alle aandacht richten op je kind en werkt hij in zijn eigen tempo.

Taalproblemen

Het is belangrijk om al op jonge leeftijd alert te zijn op de spraak- en taalontwikkeling van je kind. Als hij een taalachterstand opbouwt, geeft hem dat minder goede kansen voor later.

Stimuleer taalontwikkeling

Een goede taalontwikkeling vraagt om stimulatie. Van jongs af aan is het verstandig je kind genoeg taal aan te bieden. Dat hoeft geen hogeschoolwerk te zijn. Gewoon praten en voorlezen is prima. Ook als je zelf geen Nederlands spreekt, kan je kind prima Nederlands leren. Tweetalig of drietalig opvoeden hoeft geen probleem te zijn.

Problemen

Soms doe je er alles aan en loopt je kind toch een taalachterstand op. Er kan dan sprake zijn van een probleem. Dat kan gaan om niet goed kunnen lezen (dyslexie) of niet goed kunnen spreken (bijvoorbeeld stotteren).

Taalachterstand

Van jongs af aan leert je kind de taal. Het kan zijn dat de taalontwikkeling van je kind minder goed verloopt. Dit heeft misschien met de aanleg van je kind te maken, maar het kan ook zijn dat je te weinig met je kind praat. Of dat je kind wel goed is in de taal die jij als ouder praat, maar minder goed Nederlands spreekt.

Vaker praten met je kind

Misschien praat je veel met je kind? Of eigenlijk maar weinig? Je kind leert sneller en beter praten als je veel met hem praat. Dat is ook goed voor de band met elkaar. Als je met je kind praat, is het belangrijk dat je goede zinnen maakt en veel woorden en begrippen gebruikt. Ook is het nodig dat je je kind dagelijks voorleest. Misschien kun je samen een leuk boek uitzoeken, bijvoorbeeld in de boekhandel of in de bibliotheek.

Allochtone kinderen

Als jullie uit het buitenland komen, dan heb je waarschijnlijk een andere moedertaal dan het Nederlands. Praat zoveel mogelijk met je kind in de taal die jij het best spreekt. Dan leert je kind deze taal goed. Maar daarnaast is het voor je kind ook belangrijk om goed Nederlands te leren spreken. Nu hij nog klein is, leert hij het Nederlands waarschijnlijk snel. Maar misschien kan je kind ook naar een peuterspeelzaal of een voorschool waar extra aandacht is voor het stimuleren van de Nederlandse taalontwikkeling.

Seksuele ontwikkeling

Tot zijn 18e jaar is je kind bezig zich seksueel te ontwikkelen. Deze ontwikkeling begint al bij de geboorte. Ieder kind ontwikkelt zich in zijn of haar eigen tempo.

Bewustwording

Peuters worden zich bewust van zichzelf en hun lichaam. Ze ontwikkelen hun identiteit en ze leren dat ze een jongetje of een meisje zijn.

Nieuwsgierig

Peuters willen weten wat het verschil is tussen een jongen en een meisje. Ze vinden hun eigen lichaam en dat van een ander reuze interessant. Ze kunnen zomaar hun onderbroek uittrekken als er visite is. Of in het bijzijn van anderen aan hun geslachtsdelen zitten.

Eigen lichaam ontdekken

Je peuter ontdekt langzaam zijn eigen lichaam. Je kind vindt het heerlijk om af en toe in zijn blootje te lopen. Of in een zwembroek in de zomer. Zo voelt hij ook de zon op zijn huid, zand op zijn lichaam en grassprietjes onder zijn blote voeten. En hij kan zich lekkerder bewegen zonder al die kleren aan. Het is belangrijk dat je kind zich goed voelt in zijn eigen lichaam.

Geslachtsontwikkeling

Bij jongetjes ontwikkelen zich de zaadballen (testikels) al tijdens de zwangerschap. Voor de geboorte dalen de zaadballen in de balzak in. Na de geboorte hebben jongens 2 zaadballen in hun balzak.

Indaling van de zaadballen

Soms vindt er geen indaling plaats, of daalt maar 1 zaadbal in. De andere blijft dan achter in de lies of in de buikholte. Dit kan later problemen opleveren met de vruchtbaarheid. De arts op het consultatiebureau controleert de indaling als je met je zoon op het bureau komt. Je kunt daar om meer informatie vragen.

Als de zaadballen nog niet zijn ingedaald voor je zoon 2 is geworden, moet hij in ieder geval geopereerd worden. Meestal worden kinderen al eerder geopereerd. De operatie vindt onder algehele narcose plaats. Het is fijn om je kind te kunnen voorbereiden op de gang van zaken rond de operatie.

Verkleving van de voorhuid

Bij een jongen is de voorhuid van zijn penis meestal verkleefd. Probeer het niet los te maken en maak alleen de plekken schoon waar je bij kunt. Voordat je zoon 7 is, verdwijnt de verkleving over het algemeen vanzelf. Als er door de verkleving klachten ontstaan, is het verstandig dat bij het consultatiebureau of de huisarts te bespreken.

Verkleving van de schaamlippen

Bij een meisje zijn soms de schaamlippen voor een deel aan elkaar verkleefd. Hier kun je beter niets aan doen, het laat vanzelf los.

Jongensbesnijdenis

Aan het einde van de penis zit de eikel. Omdat de eikel erg gevoelig is, zit hier een dun, rekbaar stukje huid omheen: de voorhuid.

De voorhuid

Bij jongens tot ongeveer 5 jaar is het normaal dat de voorhuid nog niet (volledig) teruggetrokken kan worden. Bij de meeste jongens komt de voorhuid vanzelf los. Als dit niet het geval is, kan dit een aantal problemen veroorzaken.

Problemen bij het plassen

Door een vernauwde voorhuid kan je zoon problemen krijgen bij het plassen. Hierdoor kan urine achterblijven tussen de voorhuid en de eikel, wat een ontsteking kan veroorzaken. Je kunt het best contact opnemen met de huisarts of het consultatiebureau, als je zoon:

  • pijn bij het plassen heeft;
  • pijn aan de eikel heeft;
  • of maar kleine hoeveelheden plast.

Mogelijkheden

Wanneer de arts ontdekt dat een vernauwde voorhuid bij je zoon tot problemen leidt, kan hij je kind doorverwijzen naar de uroloog. Deze zal bekijken wat de mogelijkheden zijn. Het zou kunnen dat hij niet direct kiest voor een besnijdenis, maar eerst een crème voorschrijft die de voorhuid soepeler maakt. Als de crème niet het gewenste succes heeft, is een operatie mogelijk.

Operatie

Bij een besnijdenis vanwege medische redenen haalt de arts de voorhuid of een deel van de voorhuid weg. Bij wat oudere jongens wordt de besnijdenis meestal onder algehele verdoving uitgevoerd. Mocht je zoon in aanmerking komen voor een operatie, probeer hem dan voor te bereiden door duidelijk te vertellen wat er gaat gebeuren. Uiteraard zal het ziekenhuis jou en je kind ook uitgebreid voorlichten.

Godsdienstige redenen

Besnijdenis van zowel jongens als meisjes bestond al voor het jodendom, christendom en de islam wereldgodsdiensten waren. Van oorsprong zou het gaan om vruchtbaarheidsrituelen en inwijdingsriten. Het is op veel plaatsen in de wereld gewoon dat iedere jongen besneden wordt. Ouders geven daarvoor godsdienstige redenen op. Ook in Islamitische en Joodse gezinnen in Nederland worden de jongens besneden.

Hygiënische redenen

In Amerika was het gebruikelijk dat het grootste deel van de jongens besneden werd. De reden was dat dit hygiënisch zou zijn. Dat blijkt onjuist. Goed wassen van de penis is hygiënisch genoeg. Het aantal jongens wat nu nog besneden wordt in Amerika is ongeveer 30 procent.

Ervoor kiezen om het niet doen

Besnijdenis van jongens op godsdienstige gronden wordt in Nederland door de organisaties van artsen afgeraden. Het is nergens voor nodig, het is beschadigend en het kan leiden tot ernstige complicaties. Voor veel ouders voor wie jongensbesnijdenis heel belangrijk is, is dit moeilijk te accepteren.

Meisjesbesnijdenis is in Nederland verboden en strafbaar in welke vorm dan ook.

Meisjesbesnijdenis

In Nederland wonen meisjes uit landen waar behalve jongens ook zij besneden kunnen worden. Bijvoorbeeld uit Somalië en Soedan, maar ook uit andere landen en werelddelen. In die landen is het in veel families de gewoonste zaak van de wereld. Besnijdenis bevestigt de maagdelijkheid en vergroot de kansen op een huwelijk.

Vrouwelijke genitale verminking

Meestal gebeurt een meisjesbesnijdenis tussen het 4e en 12e levensjaar, maar eerder of later kan ook. Vaak wordt de clitoris ingesneden of weggesneden. Soms wordt ook (een deel van) de binnenste schaamlippen weggesneden. In het uiterste geval worden de buitenste schaamlippen dichtgenaaid, waarbij slechts een kleine opening vrijgelaten wordt voor urine en menstruatiebloed. De ingreep is zeer pijnlijk en kan tot ernstige complicaties leiden. Meestal oefenen familie en gemeenschap veel druk uit op de ouders om hun dochters te laten besnijden

Verboden!

In Nederland is elke vorm van meisjesbesnijdenis verboden. Het wordt beschouwd als ernstige, onherstelbare vormen van lichamelijk letsel, met grote kans op lichamelijke en psychische klachten. Meisjesbesnijdenis is in Nederland strafbaar als vorm van mishandeling.

Het is ook verboden om een meisje dat in Nederland geboren is in een ander land te laten besnijden. Bijvoorbeeld tijdens een vakantie in het land van herkomst. Consultatiebureaus en de jeugdgezondheidszorg bespreken dit met ouders uit risicogebieden. Als het toch gebeurt, kunnen de ouders een gevangenisstraf krijgen van maximaal 12 jaar. Als een meisje besneden wordt door de ouder zelf, kan de straf met een derde worden verhoogd.

Verklaring tegen meisjesbesnijdenis

Als je niet wilt dat je dochter besneden wordt, kan het lastig zijn dit te vertellen aan je familie. De familie kan daar anders over denken. Er ontstaat een risico als je je familie bezoekt in het land van herkomst, bijvoorbeeld als je daar op vakantie naartoe gaat. Om je familie daar te informeren over de gevolgen van een besnijdenis en over de strafbaarheid, is er een 'verklaring tegen meisjesbesnijdenis' gemaakt. Je kunt deze verklaring krijgen van een jeugdverpleegkundige of jeugdarts als je zelf duidelijk zegt dat je dochter niet besneden mag worden. De verklaring is in 7 talen beschikbaar: Somalisch, Amhaars, Tigrina, Arabisch, Engels, Frans en Nederlands.

Op de website van Focal point meisjesbesnijdenis vind je meer informatie over meisjesbesnijdenis.

Opvoeding en gedrag

Opvoeden gaat bijna vanzelf, als je kinderen krijgt. Wat je kind vooral nodig heeft, is liefde, steun, stimulering en sturing. Zo kan je kind opgroeien tot een zelfstandig, plezierig en sociaal mens. Peuters willen dingen zelf doen, hebben een eigen wil en proberen van alles uit. Daarvan leert je kind. Reageer positief op wat je kind goed kan en goed doet, dan gaat je kind dat gedrag herhalen.

Positief reageren op wat je kind goed doet

De perfecte opvoeder bestaat niet. Maar je kunt wel je best doen om je kind zo goed mogelijk op te voeden! Regels zijn daarbij heel belangrijk. Regels geven je kind duidelijkheid en een veilig gevoel. Daarnaast is het heel belangrijk Dat je aandacht hebt voor wat je kind goed doet. Misschien heb je vooral aandacht voor wat 'fout' gaat? Let er eens op hoe vaak je kind iets goed doet. Geef je kind een complimentjes als hij iest goed doet en vertel erbij wat je goed vindt.

Ongewenst gedrag

Een peuter weet al een beetje wat mag en niet mag, maar vergeet dat vaak. Ook kan je kind de gevoelens nog niet goed uiten door te praten. Je kind wordt dan boos, krijgt een driftbui of gaat slaan en schoppen. Je kunt de kans op ongewenst gedrag verkleinen door bijvoorbeeld te zorgen dat je kind kan spelen en door je kind regels te leren. En als je goed met ongewenst gedrag omgaat, wordt dit gedrag geleidelijk minder.

Opvoedtips en ondersteuning

Opvoeden is niet altijd makkelijk. Als ouder sta je er niet alleen voor. Je kunt met andere ouders praten. Je zult zien dat ze veel herkennen en misschien heb je wel tips voor elkaar. Je kunt ook opvoedingsondersteuning krijgen. En natuurlijk kun je altijd terecht bij het Centrum voor Jeugd en Gezin bij jou in de buurt.

Opvoedtips

Kinderen in de peuterleeftijd zetten grote stappen in hun ontwikkeling.

Je peuter gaat beseffen dat hij een eigen persoon is, hij gaat beter praten, denken en onthouden en zijn geweten gaat zich ontwikkelen. Je peuter moet hiervoor heel veel oefenen, veel dingen kan hij nog net niet. De dagen met je peuter kunnen daardoor druk zijn en conflicten en problemen opleveren waar je misschien wel wat tips bij kunt gebruiken. Steunen, stimuleren en sturen zijn de belangrijkste opvoedingsvaardigheden voor ouders van peuters.

Steunen

Je kind heeft materiële dingen nodig zoals kleren, eten en zorg. Maar ook steun in de vorm van warme aandacht en emotionele veiligheid! Je kunt je peuter op verschillende manieren steunen: door veiligheid te bieden, door zijn gevoelens te erkennen en benoemen en door goed te kijken en luisteren naar je peuter.

Stimuleren

Peuters willen graag dingen zelf doen, ze zijn druk bezig zelfstandiger te worden. Dat vraagt veel geduld en uithoudingsvermogen van jou als ouder. Door je kind te stimuleren kan je je kind en jezelf helpen deze 'eigenwijze' fase door te komen. Stimuleren betekent je peuter prijzen, hem de ruimte geven zelf dingen te proberen en hem de kans geven iets van jou te leren.

Sturen

Peuters hebben sturing nodig, ze moeten leren omgaan met regels en grenzen. Hoe kan je een peuter die soms behoorlijk koppig kan zijn het beste sturen? Dat kan door je peuter duidelijkheid te bieden, heldere regels te stellen en een positieve insteek te kiezen.

Nooit slaan

Geef je kind nooit een klap als je boos bent. Het doet pijn en is schadelijk voor het lichaam, voor het gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen. Slaan is dan ook verboden. Een kind leert er niets van.

Rust, reinheid en regelmaat

In de tijd waarin je oma haar kinderen grootbracht, waren rust, reinheid en regelmaat de pijlers van de opvoeding. En eigenlijk zijn ze tegenwoordig nog steeds belangrijk.

Rust

Dat je kinderen voldoende rust krijgen, is een belangrijke voorwaarde voor gezond opgroeien. Tijdens het slapen groeien kinderen, verwerken ze wat ze overdag geleerd hebben en krijgen ze weer energie voor de volgende dag. Verder is een rustige omgeving goed voor een kind. Dat betekent dat de tv niet de hele dag aanstaat en dat er niet te veel speelgoed ligt. Als je kind weet waar hij zijn speelgoed kan vinden, weet hij ook waar hij het op moet ruimen. Verder is het prettig als het huis niet rommelig is. Je kind rustig benaderen is ook een handige tip. Ook als je kind iets doet wat je boos maakt is het beter rustig te reageren.

Regelmaat

Je kind heeft er baat bij dat hij weet waar hij aan toe is. Het is daarom goed om van te voren te vertellen wat jullie gaan doen. Je kunt je dag indelen volgens een vast patroon, dat geeft je kind houvast. Dat betekent zoveel mogelijk op vaste tijden en volgens een vast patroon opstaan, eten, naar school gaan en gaan slapen. Ook handig is het om het wassen, in bad gaan en douchen volgens vaste gewoonten te laten verlopen. Het geeft je kind vertrouwen en zekerheid als hij weet hoe zijn dag eruitziet. Goede eetgewoonten zijn belangrijk voor je kind.

Reinheid

De leefomgeving van een kind moet schoon zijn, dat bevordert de gezondheid. Je kunt je kind zelf een paar regels leren die te maken hebben met hygiëne. Als je kind verkouden is en moet hoesten of niezen, moet hij zijn hand voor de mond houden. Het is beter dat je kind niet naar iemand toe hoest of niest. Regelmatig handen wassen is ook verstandig, zoals na het buiten spelen en naar het toilet gaan.

Wat doe je zelf aan hygiëne?

  • Voor je kind is het gezonder om in een huis te wonen waar niet gerookt wordt.
  • Heerst er hoofdluis op de peuterspeelzaal van je kind, dan is het slim om het haar van je kind dagelijks te controleren op luizen en neten. Je kunt een luizencape kopen waar je kind zijn jas in kan doen bij de peuterspeelzaal.

Positief opvoeden

Kinderen die positief worden opgevoed, hebben een grote kans om zichzelf te kunnen ontwikkelen tot zelfstandige volwassenen met veel zelfvertrouwen. Als je op een positieve manier met elkaar omgaat, heb je ook over het algemeen meer plezier met elkaar!

Hoe doe je dat?

  • Zorg voor een veilige en stimulerende omgeving voor je kind. Als je kind zich vrij kan bewegen en zich veilig voelt, zal hij veel gaan ontdekken en uitproberen.
  • Laat je kind leren door hem daarin op een positieve manier te ondersteunen. Je kind heeft behoefte aan aandacht en warmte. Daarnaast vindt je kind het prettig om te horen wat hij goed doet en om aangemoedigd te worden nieuwe dingen te leren.
  • Zijn de verwachtingen die je hebt realistisch? Ieder kind ontwikkelt zich op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo. Je kind moet eraan toe zijn om iets nieuws te leren. Als je te veel van je kind vraagt, is de kans groot dat hij zich ongewenst gaat gedragen.
  • Zorg ook goed voor jezelf. De opvoeding van je kind wordt daar ook makkelijker en leuker van. Als ouder en mens heb je je eigen wensen en behoeften. Als je luistert naar je eigen behoeften, kun je makkelijker geduldig en consequent zijn. En kun je ook makkelijker aandacht geven aan je kind op de juiste momenten.

Steunen

Je peuter lijkt soms al zo groot en stoer, maar heeft jouw steun nog heel hard nodig om de wereld te kunnen verkennen. Er zijn verschillende manieren waarop je je kind daarbij kunt steunen.

Bied steun en veiligheid

Jij bent de veilige haven waar hij naar toe kan als het te spannend wordt. Hoe kun je die veilige haven zo goed mogelijk zijn? Dat kan door belangstelling te tonen voor je peuter. Door hem te troosten als hij verdrietig is. En door je peuter voor te bereiden op dingen die gaan gebeuren. Wees voorspelbaar voor je peuter. En wees consequent. Duidelijkheid is veiligheid voor een peuter.

Erken en benoem gevoelens

Doordat peuters zich nog niet goed kunnen uitdrukken, komen hun gevoelens vaak heftig in hun gedrag tot uiting. Het is belangrijk om als ouder onderscheid te maken tussen gevoel en gedrag van je peuter. Keur niet het gevoel af, maar wel ongewenst gedrag. Zeg bijvoorbeeld: "Je mag wel boos zijn, maar niet slaan." Door de gevoelens van je peuter te benoemen en tegelijkertijd agressie niet te accepteren, steun je je peuter en stel je duidelijke grenzen.

Volg je peuter

Je steunt je peuter ook door goed naar hem te kijken en te luisteren. Wat kan hij al? Wat vindt hij leuk? Geef je kind daarbij ook de tijd om duidelijk te maken wat hij bedoelt, want die heeft hij nodig. Door te wachten, kijken en luisteren leer je je peuter kennen en kun je reageren op een manier die bij je peuter past. Geef je kind ook de kans geven zelf initiatieven te nemen. Zo leert je kind dat je hem belangrijk vindt.

Stimuleren

Peuters willen ineens van alles zelf doen. Ze willen zelfstandiger worden. En jij wilt ook dat je kind zelfstandig wordt, dus het is goed je peuter daarin te stimuleren. Dat kan op 3 manieren.

Prijs je peuter

Kinderen leren heel wat in hun peutertijd en het is belangrijk je peuter veel te prijzen voor de goede dingen die hij iedere dag weer doet.

  • Je kunt wat vaker goed zo zeggen, bijvoorbeeld: "Wat goed dat je zo netjes eet!"
  • Je kunt je kind een aai over de bol geven, naar hem glimlachen, een schouderklopje geven of je duim opsteken als beloning.

Als je kind een complimentje krijgt voor iets wat hij goed doet zal hij het vaker gaan doen. En van complimenten groeit het zelfvertrouwen van je kind!

Laat je peuter het zelf doen

Peuters leren het meest door zelf dingen te doen. Daarvan krijgen ze ook zelfvertrouwen. Probeer daarom je peuter veel zelf te laten doen ook al moet je vaak geduld hebben. Jassen en schoenen zijn natuurlijk sneller dicht als je het zelf doet, maar je peuter leert meer als je hem de kans geeft dit zelf te doen. Ze willen dat zelf ook graag. Dat geldt ook voor zelf dingen kiezen:

  • Wat neemt je peuter op brood?
  • Uit welke beker wil hij drinken?
  • Wat wil hij aan?

Als je je kind de ruimte geeft om kleine keuzes te maken, leert hij om te kiezen en voelt hij dat zijn mening er toe doet. Je kunt je peuter het best uit 2 dingen laten kiezen.

Laat je peuter leren

Kinderen leren het meest van hun ouders. Je kunt je peuter ook stimuleren om zelfstandiger te worden door veel te vertellen over het leven van alledag. Leg bijvoorbeeld uit hoe iets werkt of doe dingen voor. Laat je kind ook dingen zelf uitproberen en stoor hem niet teveel daarbij. Veiligheid staat natuurlijk wel voorop. Als je kind gevaar kan lopen, grijp je in.

Sturen

Iedere ouder wil natuurlijk dat zijn kind goed luistert. Een peuter kan dat stapje voor stapje leren. Je kind leert dat vooral door de regels te overtreden. Dat doet hij niet om jou dwars te zitten, maar omdat dat nou eenmaal de manier is waarop hij dat leert.

Je kunt je peuter helpen door te sturen. Sturen doe je door je kind duidelijkheid te bieden, heldere regels te stellen en een positieve insteek te kiezen.

Bied je peuter duidelijkheid

  • Duidelijkheid kun je geven door een vast dagritme te volgen. Dat geeft houvast en vertrouwen.
  • Zorg ook voor regelmaat. Bijvoorbeeld na het spelen altijd opruimen, zorgt ervoor dat je peuter dat zelf ook gaat doen.
  • En rituelen helpen ook. Een vast ritueel bij het naar bed gaan kan je peuter heel goed helpen om de dag af te sluiten en tot rust te komen.
  • Ritme, regelmaat en rituelen helpen jou als ouder om consequent te zijn en bieden je kind steun en veiligheid.

Stel heldere regels

Alle kinderen moeten leren wat wel en niet mag en hebben dus heldere regels en grenzen nodig. Peuters ook.

  • Maak oogcontact als je een regel vertelt aan je kind.
  • Formuleer de regel kort en bondig: "Je mag niet gooien met spullen."
  • Begin met een paar regels, teveel is te moeilijk voor je peuter
  • Peuters leren langzaam. Herhaal de regel dus vaak, houd vol en heb geduld.
  • Pas de regel consequent toe.
  • Geef zelf het goede voorbeeld.

Als een peuter een regel overtreedt, moet dat ook consequenties hebben. Je kunt je peuter helpen door de regel te herhalen. Als dat niet helpt, kan je je kind apart zetten. Soms is niet reageren een optie, bijvoorbeeld als je kind met opzet niet luistert als hij aan tafel moet komen zitten.

Kies een positieve insteek

Peuters moeten veel leren en ze moeten daar ook zin in hebben. Als je veel nadruk legt op dat je kind moet luisteren of als er een machtsstrijd ontstaat, dan heeft je peuter geen zin meer om dingen te leren. Een positieve insteek helpt je kind om te leren luisteren. Hoe doe je dat?

  • Leid je peuter af als hij zeurt. Vestig bijvoorbeeld zijn aandacht op iets anders: "Zie je dat hondje?"
  • Maak een grapje als je kind iets niet wil, zo voorkom je een machtsstrijd met je peuter.
  • Maak er een spelletje van. Bijvoorbeeld als je kind zijn beker niet leeg wil drinken: "Wie heeft het eerst zijn beker leeg?"
  • Zeg wat wel mag. Bijvoorbeeld: "Netjes eten, hoor." In plaats van: "Niet knoeien."
  • Bied keuzes. Bijvoorbeeld: "Nu krijg je weer schone kleren aan. Wil je vandaag het rode of het gele shirt?"

Een positieve insteek kies je natuurlijk niet bij ernstige overtredingen zoals schoppen, slaan en bijten. Dat verbied je en als je peuter niet luistert zet je hem even apart. Soms lijkt het misschien alsof je peuter niets goed meer doet. Dat is natuurlijk niet zo. Je peuter doet de hele dag door ook leuke dingen. Blijf dat stimuleren door je kind te prijzen! Ook dat is een positieve insteek.

Delen

Jonge kinderen kunnen moeilijk delen. Ze zijn erg gehecht aan wat ze hebben. Hun gevoel van 'eigendom' is op die leeftijd erg aanwezig. Je peuter moet dus nog echt leren delen.

Van mij!

Kleine kinderen hebben de neiging spullen te verzamelen. Je hoort je kind vast vaak 'van mij' zeggen. Kinderen bevestigen daarmee voor iedereen dat iets van hen is. Ze houden hun spullen goed in het oog en als iemand eraan komt, zullen ze dat niet toelaten. Delen is op deze leeftijd nog moeilijk.Een peuter kan speelgoed ook zien als onderdeel van zichzelf en dan is het logisch dat hij dat moeilijk afstaat.

Leren delen

Het is niet goed om je kind te dwingen om te delen, hij is daar gewoon nog niet aan toe. Maar je kunt wel alvast het goede voorbeeld geven. Bijvoorbeeld als je iets lekkers hebt gekregen van je werk of als je een cake hebt gebakken. Vertel hardop dat je deelt, dat ieder even veel krijgt.

Samen spelen

Samen spelletjes doen, waarbij je om de beurten iets moet doen, helpt je kind ook leren delen. Als je kind wat ouder wordt, kun je al een beetje uitleggen waarom delen belangrijk is. Wijs erop dat samen spelen ook betekent dat je het speelgoed samen deelt. Het speelgoed blijft van je kind, want het andere kind gaat straks weer naar huis en neemt het niet mee.

Tips

  • Je kunt je oudere peuter vertellen waarom delen belangrijk is. Zonder delen kun je geen vriendjes zijn.
  • Je kunt je oudere peuter die zijn speelgoed niet wil delen, leren hoe hij dit kan oplossen. Bijvoorbeeld: ieder een deel van de Duplo gebruiken of om de beurt ermee spelen. Hierbij is het belangrijk dat je kind begrijpt dat 'niet delen' geen oplossing is.
  • Als je kind het nog te moeilijk vindt om te delen, leg dan voor het bezoek komt zijn lievelingsspeelgoed weg. En maak afspraken met je peuter over waar andere kinderen wel of niet mee mogen spelen.

Niet reageren

Niet reageren op ongewenst van gedrag van je peuter kun je doen als je kind dat gedrag vertoont omdat hij aandacht wil.

Bijvoorbeeld als je peuter zeurt, met opzet niet luistert als hij aan tafel moet komen zitten, of een scene maakt als hij iets moet opruimen. Je kunt er dan voor kiezen niet te reageren.

  • Kijk niet naar je kind, zeg niets, maak geen contact.
  • Ga gewoon verder met je eigen bezigheden.
  • Als je peuter iets anders of iets positiefs doet (bijvoorbeeld toch aan tafel komen) geef je hem weer gewoon aandacht en zeg je niets over wat je kind net niet goed deed.

Ruzie

Vanaf een jaar of 3 jaar peuters samen spelen. Kinderen moeten leren om goed samen te spelen, goed met anderen om te gaan en problemen op te lossen. Soms komt er ruzie. Dat hoort erbij. Je kind leert ervan om met conflicten om te gaan en ze zelf op te lossen. Jij kunt je kind daarbij helpen.

Wat kun je doen?

Als kinderen 3 of 4 jaar zijn, kun je soms vanaf een afstand kijken of de kinderen er zelf uitkomen, maar grijp in als het uit de hand dreigt te lopen. 

  • Voorkom dat kinderen gaan slaan of schoppen.
  • Vertel wat je ziet en wat de gevolgen zijn: "Ik zie dat Ben slaat en dat Joris huilt. Slaan mag niet, dat doet pijn."
  • Als je weet wat er aan de hand is kun je dat vertellen: "Jullie willen allebei alleen met de brandweerauto spelen, maar dat gaat niet." 
  • Kijk hoe je het met de kinderen kunt oplossen, bijvoorbeeld door om de beurt te spelen.

Fijn samen spelen

Het is goed om juist af en toe naar de kinderen toe te gaan, als ze wel leuk met elkaar spelen. En dus niet alleen als ze ruzie hebben. Je kunt ze dan vertellen dat jij het fijn vindt dat ze zo goed samen spelen. Dan geef je ze aandacht voor positief gedrag, in plaats van ze alleen aandacht te geven bij negatief gedrag.

Apart zetten

Soms blijft je kind doorgaan met ongewenst gedrag. De poes aan de staart trekken, iets kapot maken, een driftbui. Je hebt al duidelijk 'nee' gezegd en gezegd wat je kind moet doen. Heeft dat niet geholpen? Vanaf een jaar of 3 kun je je kind even stil laten zitten of apart zetten.

Even laten stilzitten

Blijft je kind doorgaan met het gedrag dat je niet wilt? Dan kun je hem even een minuut op een rustige plek zetten in de ruimte waar je op dat moment bent. Bijvoorbeeld op een stoel of kleedje.

  • Vertel je kind kort en precies wat je doet en waarom. Bijvoorbeeld: "Je moet hier nu zitten, omdat je niet mag slaan. Dat doet pijn."
  • Bij een peuter kun je er het best bij blijven, maar geef je kind in die minuut helemaal geen aandacht. Bijvoorbeeld door de andere kant op te kijken.
  • Blijft hij rustig een minuut zitten, dan mag hij van de stoel opstaan en bespreek je nog even wat je van hem verwacht.
  • Help je kind zijn spel of bezigheid weer op te pakken en prijs je kind als je kind zich weer goed gedraagt.
  • Doet hij niet wat je zegt? Dan kun je het laten stilzitten nog een keer herhalen.
  • Je geeft tijdens de periode van stilzitten geen aandacht aan je kind.

Apart zetten

Soms is het beter je kind even uit te ruimte te halen waar je kind zich ongewenst gedraagt. Bijvoorbeeld als hij erg opstandig is of iemand slaat. Je kind kan dan even tot rust komen. Zorg ervoor dat het een veilige plek is. Maar ook dat de plek rustig is en saai, zodat hij niets te doen heeft. Vaak is 1 of 2 minuten genoeg.

  • Zet je kind apart na een laatste waarschuwing.
  • Leg uit waarom je je kind apart zet.
  • Blijf rustig, ga niet in discussie.
  • Jij bepaalt wanneer je kind weer terug mag komen.

Opvoeden zonder geweld

Kinderen hebben recht op een opvoeding zonder geweld. Dat staat in het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind. Bovendien staat sinds 2007 in de Nederlandse wet dat ouders en verzorgers geen geweld mogen gebruiken tegen kinderen.

Geweld beschadigt een kind

Alle vormen van geweld kunnen een kind beschadigen. Bovendien verliezen kinderen door geweld het vertrouwen in hun ouders. Kinderen worden er angstig, depressief en onzeker door, met gedrags- en psychische problemen tot gevolg. En er bestaat een risico dat het kind zelf ook geweld gaat gebruiken, op straat en thuis.

Fysieke kindermishandeling

Bij lichamelijk of fysiek geweld kun je denken aan een pak slaag met de hand of een voorwerp als een stok of riem, aan schoppen, duwen, door elkaar schudden, knijpen, branden, aan haren trekken. Maar ook de zogenoemde 'pedagogische tik' op de billen is een vorm van fysiek geweld!

Emotionele kindermishandeling

Er is sprake van emotionele kindermishandeling als een kind wordt uitgescholden, gekleineerd, belachelijk gemaakt, bedreigd, opgesloten of vernederd. Ook een kind compleet negeren is mishandeling.

Seksueel geweld

Seksueel geweld zijn aanrakingen, opmerkingen en seksuele handelingen, die een kind niet kan weigeren omdat de volwassene overmacht heeft.

Meld kindermishandeling

Per jaar worden er in Nederland ongeveer 100.000 kinderen mishandeld. Veel kinderen krijgen nooit hulp, omdat niemand aan de bel trekt. Het is belangrijk dat je iets doet. Ook als je twijfelt. Bel dan met het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling: 0900 - 1231230.

Slapen

Goed slapen is gezond voor je kind. Kinderen hebben slaap nodig om zich goed te kunnen ontwikkelen, te groeien en overdag voldoende energie te hebben.

Peuters willen soms niet gaan slapen of komen 's nachts uit bed. Duidelijkheid helpt ook bij het slapen en voorkomen van slaapproblemen. Vaste gewoonten spelen daarin een belangrijke rol.

Duidelijkheid en structuur

  • Je kunt een vaste dagstructuur en een vast dagritme hanteren. Dat wil zeggen vaste momenten voor opstaan, wassen en aankleden, eten en naar bed gaan.
  • Een vast ritueel bij het naar bed brengen is erg handig.
  • Het is goed om duidelijk te zeggen dat het bedtijd is. Je kind moet weten dat je het meent en dat het geen zin heeft om te treuzelen. Dit betekent niet dat je boos zegt dat het bedtijd is. Duidelijk en kordaat zijn is het best.

Slaapt je kind genoeg?

Niet elk kind heeft evenveel slaap nodig. De verschillen tussen kinderen zijn erg groot. Of je kind genoeg slaap krijgt, kun je meestal wel aan je kind zien. Als je kind er overdag vermoeid uitziet of juist erg alert en druk is, kan het zijn dat je kind niet genoeg slaapt. Kinderen tussen 1 en 2 jaar slapen gemiddeld 14 uur per 24 uur. Tussen 2 en 4 jaar slapen kinderen tussen de 10 en 13 uur, met vaak nog een uurtje middagslaap.

Middagslaapje

Sommige kinderen hebben al met 1,5 jaar geen middagslaapje meer nodig. Anderen slapen met 4 jaar af en toe nog 's middags. Op een gegeven moment zie je dat je kind het niet meer nodig heeft: je kind valt haast niet meer in slaap of wil 's middags niet meer naar bed. Je kunt dan misschien terug naar een paar keer per week 's middags slapen. Je kunt je kind dan wel 's avonds eerder in bed stoppen.

Ligt je kind lekker?

Een rustige en veilige omgeving bevordert een goede nachtrust van je kind. Het moet niet te warm of te koud zijn in de slaapkamer. Het licht aan op de gang of een nachtlampje in zijn kamer is prettig voor je kind als hij bang is in het donker. Een knuffel in zijn bed geeft hem houvast. Als het erg licht is in de kamer, kun je misschien een dicht rolgordijn ophangen of een niet doorschijnend overgordijn. Er zijn nog meer tips om je kind beter te laten slapen.

Nachtrust

Houd tijdens het naar bed brengen altijd zoveel mogelijk een vast ritueel voor het slapengaan aan. Rituelen en voorspelbaarheid stellen een kind gerust. Als hij dan eens een moeilijke nachten heeft, kan hij hierop terugvallen.

Overgang naar alleen slapen

Als je kind lange tijd bij je op de kamer heeft geslapen, wil je op een gegeven moment dat hij in zijn eigen kamer gaat slapen. Die overgang kan moeilijk zijn voor je kind, dus is het goed om dit zorgvuldig voor te bereiden.

Vertel eerst wat de bedoeling is. Slaap in het begin eventueel een paar nachtjes samen op het nieuwe kamertje. Als je kind gewend is aan de nieuwe omgeving, kan hij alleen slapen.

Slaapproblemen

Jonge kinderen kunnen het moeilijk vinden om te gaan slapen en niet bij hun ouders te mogen zijn. Ze beginnen te dromen en verwerken zo dingen die overdag gebeurd zijn. Soms worden ze bang en hebben ze behoefte aan troost. Soms willen ze gewoon niet alleen zijn of verzetten ze zich tegen het slapengaan. Andere kinderen worden steevast vroeg wakker.

Aanpak van slaapproblemen

Veel kinderen hebben op enig moment last van slaapproblemen. De aanpak hiervan kost zeker in het begin moeite en een goed begrip van de situatie. Zo kunnen er gezondheidsredenen zijn: een kind dat ziek is of pijn heeft kan niet goed slapen. Als het kind gezond is, kan het zijn dat hij gewend geraakt is aan de aandacht die hij krijgt door te huilen. Als dat zo is, dan is het zaak om geleidelijk een ander ritme op te bouwen en het kind te helpen om zonder hulp van buitenaf tot rust te komen.

Dag- en nachtritme

Kinderen tussen de 2 en 4 jaar slapen gemiddeld 13 uur per 24 uur. Ze zullen vaak nog een middagslaapje nodig hebben. Een vast ritueel bij het naar bed gaan is voor kinderen heel plezierig en voorkomt problemen.

Naar bed

Hanteer een vast dagritme, met vaste momenten voor opstaan, wassen en aankleden, eten en naar bed gaan.

  • Breng je kind iedere avond op dezelfde tijd naar bed.
  • Sluit de avond rustig af. Doe bijvoorbeeld geen wilde of drukke spelletjes meer.
  • Zeg van tevoren dat het bijna bedtijd is.
  • Zeg het duidelijk op het moment dat het bedtijd is. Je kind moet weten dat je het meent en dat het geen zin heeft om te treuzelen.
  • Zegt je kind dat hij niet naar bed wil? Ga er dan niet over discussiëren, je kind kan dan minder 'nee' zeggen. Je kind moet het gevoel hebben, dat 'naar bed gaan' er gewoon bij hoort.

Slaapritueel

Vindt je kind het moeilijk om na een drukke dag rustig te gaan slapen? Help hem met een vaste volgorde van uitkleden, wassen, tanden poetsen, pyjama aantrekken, voorlezen en knuffelen. Hij weet dan dat hij na het verhaaltje en de knuffel moet gaan slapen.

Voorlezen

Bijna alle kinderen vinden het leuk om als onderdeel van het slaapritueel nog even te worden voorgelezen. Kleine kinderen kun je eindeloos hetzelfde boekje voorlezen. Maar houd je wel aan de slaaptijd. En dan moet hij ook echt gaan slapen.

In bed blijven

Na het slaapritueel zeg je welterusten en vertrekt. Negeer alle vragen en gezeur. Zorg dat je kind in bed blijft tot de volgende morgen. Haal je kind niet uit bed. Als er iets is, troost je kind dan in bed. Geef je kind de volgende morgen een compliment, als hij zich aan de afspraken heeft gehouden.

Regels

Voor een peuter zijn regels nog niet vanzelfsprekend. Het is nodig om ook rond slagen gaan je kind enkele regels te leren. Bijvoorbeeld: rustig zijn in de slaapkamer, tot de volgende ochtend in bed blijven. Dit geeft je kind duidelijkheid. Ook het stellen van grenzen is voor je kind belangrijk. Geef je overdag geen duidelijke grenzen aan? Dan gaat je kind 's avonds waarschijnlijk ook moeilijker slapen.

Andere tips

  • Een goed geventileerde slaapkamer, waar de temperatuur niet teveel schommelt, is prettig voor je kind.
  • Een nachtlampje is aan te raden voor kinderen die bang zijn in het donker.

Kinderbed

Ligt je kind in een ledikantje of een bedje met spijlen? Dan bestaat de kans dat hij op een gegeven moment probeert eruit te klimmen.

Het wordt tijd om je kind in een laag kinderbed te laten slapen. Je kunt ook de spijlen uit het bed halen, zodat je kind gemakkelijk zelf uit bed kan komen. Of een matras naast het bed op de grond leggen, zodat je kind zich geen pijn doet als hij toch uit bed klimt. Op een laag kinderbed kun je vaak ook nog een bedhek plaatsen, zodat je kind niet uit bed kan rollen.

Kussen

Verhuist je kind naar een groter bed, dan kan je kind een dun kussen gaan gebruiken, eerder niet.

Klamboe

Wil je een klamboe gebruiken om je kind muggenvrij te laten slapen? Dan kun je het beste de klamboe strak om het bed vastmaken. Zo zorg je ervoor dat je kind er niet bij kan en er niet in verstrikt kan raken.

Dwalen

Kan je kind zelf uit bed komen? Dan ben je misschien bang dat hij door het huis gaat lopen, met het risico dat hij van de trap valt. Je kunt de deurkruk van zijn kamer verticaal monteren, zodat hij die niet kan openen. Kan hij wel zijn kamer uit komen? Dan is het goed om badkamer, wasmachine en trap zo af te sluiten, dat hij er niet bij kan.

Fopspeen en duimen

Sommige kinderen hebben de gewoonte om op hun duim of hun vingers te zuigen. De meeste kinderen houden op met duimen als ze een jaar of 4 zijn.

Duimen

Het is belangrijk dat je kind het duimen afleert. Als je kind nog tanden gaat wisselen, loopt hij het risico dat zijn tanden scheef gaan staan en het gehemelte vervormt. Ook de stand van de onderkaak ten opzichte van de bovenkaak kan veranderen. En je kind krijgt eerder last van verkoudheid en oorproblemen. Omdat hij bij het duimen namelijk meer door zijn mond ademt. Met een speen is dit veel minder.

Duimen afwennen

Praat er met je kind over dat het belangrijk is dat hij het duimen afleert. Waarschijnlijk vindt je kind dit erg moeilijk. Je kind moet daarom zelf ook willen stoppen. Is dat niet het geval, dan kun je beter nog even wachten met afwennen.

  • Probeer het zo positief mogelijk te doen door begrip te tonen voor hoe moeilijk het is en je kind te prijzen voor de vooruitgang die hij maakt.
  • Als je kind zelf met een voorstel komt om te proberen te stoppen met duimen, dan is dat een compliment waard. En probeer zijn plannetje vooral uit.
  • Je kunt hem helpen met afwennen door een pleister op zijn duimen te plakken. Een mooie pleister met een plaatje op de duim maakt het net iets leuker.
  • Ook het geven van stickers voor elke dag dat je kind niet op zijn duim zuigt, doet wonderen.
  • Is het je kind gelukt om overdag het duimen af te wennen? Dan kun je beginnen met 's nachts afwennen. Een sokje of handschoen over de duim kan hierbij helpen.

Fopspeen afwennen

Als je kind inmiddels al wat ouder is maar toch nog graag op een speen sabbelt, dan kun je hem stimuleren ermee te stoppen. Bijvoorbeeld door hem een sticker te geven voor elke dag dat hij zijn fopspeen niet gebruikt. Leg de speen ook steeds vaker buiten zicht en buiten bereik.

Dromen

Je peuter maakt veel mee op een dag. En daar kan je kind over gaan dromen. Vergeleken met volwassenen dromen baby's veel.

De ervaringen van overdag moet je kind in zijn slaap verwerken. Soms wordt je kind wakker van zo’n droom. Als het een enge droom was kan hij ook bang zijn. Dat kan heel naar zijn om te zien.

Tips

  • Probeer je kind in zijn eigen bed te troosten, zonder het licht aan te doen. Het moet duidelijk zijn dat het nacht is en dan slaapt je kind in zijn eigen bed.
  • Laat altijd een nachtlampje aan op de kinderkamer. Met een beetje licht op zijn kamer wordt je kind sneller wakker.
  • Is je kind bang in zijn kamer? Kijk dan eens goed rond waarvan hij bang kan worden. Bewegen er schaduwen van buiten over de muren? Ziet een pop er in het halfdonker misschien eng uit?
  • Ook de wind kan voor enge geluiden zorgen. Bekijk of je iets tegen die enge geluiden kunt doen. Een tochtstrip plaatsen bijvoorbeeld.

Nachtmerries en nachtangsten

Na een nachtmerrie is je kind meestal wakker en kan hij zich herinneren waar die enge droom over ging. Nachtangsten komen voor bij kinderen van 4 tot 7 jaar. Ze komen meestal rond hetzelfde tijdstip terug: een half uur tot 3 uur na het inslapen. Bij nachtangsten zit je kind rechtop met opengesperde ogen en gilt hij van angst.

Wat kun je doen?

Maak je kind niet wakker. Tegen hem praten heeft ook geen zin. Je kunt het best je kind vasthouden totdat hij weer rustig is. Dan gaat hij weer verder slapen. Nachtangsten zijn niet erg. Je kind herinnert zich de volgende morgen niets meer van een akelige droom.

Slecht slapen

Veel kinderen hebben een periode dat ze niet goed slapen. Meestal gaat dat vanzelf weer over. Slaapt je kind slecht? Dan kun je daar veel last van hebben. Het heeft invloed op jullie gezin en zorgt vaak voor stress. Als ouder kun je een aantal dingen doen om je kind beter te laten slapen.

In het eigen bed

Duidelijk moet zijn: het is nacht en dan slaapt je kind in zijn eigen bed. Het kan moeilijk zijn, maar voorkom dat je je kind nog jarenlang elke avond in het eigen bed moet zien te krijgen.

Je kind kruipt bij jou in bed

Kijk wat er hand de is. Is je kind angstig, troost je kind dan even. Breng je kind zo snel mogelijk terug naar zijn eigen bed. Als je kind er weer uitkomt, breng hem dan ook weer meteen terug. Als je kind in je bed kruipt zonder je wakker te maken, breng je het meteen terug zodra je wakker wordt.

Je kind komt steeds uit bed

Blijf rustig en breng je kind terug naar bed. Als je kind weer uit bed komt, zeg je duidelijk dat je wil dat je kind in bed blijft. Doe de deur dicht, eventueel op slot. Negeer alle protesten. Dit kan erg lastig zijn, maar houd vol. Prijs je kind de keren dat hij wel in bed blijft.

Je kind huilt 's nachts

Kijk of er iets aan de hand is. Als je kind geen pijn heeft of niet ziek is, kun je het best je je kind zo weinig mogelijk aandacht geven. Als je kind bang is, troost je je kind in bed. Haal je kind niet uit bed. En ga daarna weer rustig weg.

Slaapproblemen

Wil je peuter niet slapen? Ondanks de tips die hierboven staan beschreven? Als je merkt dat het niet verandert en het begint een probleem voor je te worden, dan kun je contact opnemen met het Centrum voor Jeugd en Gezin of met je huisarts.

Nachtmerries en nachtangsten

Na een nachtmerrie is je kind meestal wakker en kan hij zich herinneren waar die enge droom over ging. Nachtangsten komen voor bij kinderen van 4 tot 7 jaar.

Slaapwandelen

Slaapwandelen is een normaal verschijnsel. Het gebeurt meestal in de eerste uren van de (diepe) slaap. Ook hierbij is je kind niet echt wakker.

  • Maak je kind niet wakker. Anders raakt hij in de war.
  • Zorg dat je kind zich niet bezeert. En dat hij geen gevaarlijke dingen kan doen. Doe dus bijvoorbeeld het traphekje dicht, de voordeur op slot en het slaapkamerraam dicht.

Aanpak van slaapproblemen

Het komt veel voor dat kinderen moeilijk inslapen en weer uit bed komen. Het kost vaak veel doorzettingsvermogen om je kind in bed te laten blijven. Doe geen licht aan en haal je kind niet uit bed. Praat geruststellend of aai wat over zijn bolletje, maar ga niet uitgebreid troosten. Het doel is om je kind en jezelf gerust te stellen.

Je kunt kiezen voor één van de methoden hieronder en die moet je ook enkele weken consequent volhouden.

De zachte methode voor jonge kinderen

Voor jonge kinderen die nog in een ledikantje liggen, kun je de zachte aanpak gebruiken. Je legt je kind in het ledikantje, zegt welterusten en gaat zelf op een bed of matras in zijn kamer liggen en doet of je slaapt. Je verlaat de kamer, als je kind in slaap is gevallen. Je kunt dit de eerste nachten doen. Gaat je kind huilen of schreeuwen? Dan kun je hem beter geen aandacht geven. Deze methode is handig als je kind eerst een tijd in jouw eigen slaapkamer heeft geslapen en nog moet wennen aan het alleen slapen.

Geleidelijk in slaap vallen

Bij de geleidelijke aanpak handel je het gewone slaapritueel af. Maar dit keer vertel je je kind dat je na 5 minuten even komt kijken, als hij rustig in zijn bed blijft. Dit doe je dus ook na 5 minuten. Vervolgens vertel je hem weer rustig dat het tijd is om te gaan slapen en dat je over 8 minuten weer komt kijken. Na ongeveer 1 minuut neem je opnieuw afscheid. Je blijft dus niet op zijn kamer, ook niet als je kind nog huilt. Het kan zijn dat je een aantal keren terug gaat naar je kind, voordat hij in slaap is gevallen. Maak daarom de tijd tussen de bezoekjes aan de slaapkamer van je kind steeds een paar minuten langer. De eerste avonden kan dat lang duren, maar uiteindelijk zal je kind zich erbij neerleggen.

Directe methode

Volgens de directe aanpak handel je een vast slaapritueel met je kind af. Bijvoorbeeld eerst naar het toilet, dan tanden poetsen, welterusten zeggen en naar bed gaan. Als je je kind instopt, maak dan duidelijk dat hij de hele nacht in zijn kamer moet blijven en dat je niet komt als hij roept of huilt. Vertel hem ook dat als hij netjes in zijn kamer is gebleven, hij de volgende ochtend een kleine beloning krijgt. Bijvoorbeeld een stickertje. Dan verlaat je de slaapkamer en negeer je vragen, roepen of huilen van je kind.

Ga niet meer bij je kind kijken, totdat je zeker weet dat hij in slaap is gevallen. Dat moment komt zeker, maar kan de eerste avonden lang duren. En het vraagt veel zelfbeheersing van jou als ouder. De directe aanpak werkt alleen als je gemotiveerd bent om het echt vol te houden. Bij deze methode heb je meestal binnen een week succes.

Consequent zijn

Bedenk van tevoren welke aanpak je aanspreekt. En ook wat je aankunt. Bij beide is het belangrijkste dat je consequent bent en het elke avond op dezelfde manier doet. Belangrijk is ook dat je partner dezelfde aanpak volgt.

Slaaptips

Kinderen hebben voldoende slaap nodig om goed te kunnen groeien en overdag voldoende energie te hebben. Om slaapproblemen te voorkomen, is het handig om je kind al van jongs af aan te laten wennen aan vaste bedrituelen.

Je kind wil niet naar bed

Kijk wat de reden is waarom je kind niet naar bed wil. Hoe je reageert hang af van wat er aan de hand is.

  • Misschien is je kind een beetje bang om te gaan slapen? Laat de slaapkamerdeur op een kier of laat een lampje aan. Dan vindt je kind het minder eng om alleen te zijn.
  • Misschien is je kind nog druk aan het spelen of tv aan het kijken? Door het instellen van een vast ritme, weet je kind beter wanneer het bedtijd is.

Word niet boos als je kind niet naar bed wil. Maar herhaal de regels nog een keer. Een vast slaapritueel geeft je kind duidelijkheid. En als je kind weet dat je nog een verhaaltje voorleest, is het leuker om naar bed te gaan.

Je kind slaapt niet in

  • Probeer de reden te ontdekken waarom je kind niet inslaapt. En zorg (samen) voor een goede oplossing.
  • Kan je kind echt niet inslapen? Ga dan niet bij hem zitten of liggen. Vertel je kind dat hij in bed moet blijven.
  • Wens je kind welterusten en verlaat de slaapkamer.
  • Komt je kind uit zijn bed? Breng hem dan meteen weer terug.
  • Geef je kind de volgende morgen een compliment als hij in bed is gebleven.

Je kind slaapt niet door

  • Het is heel normaal als je kind wakker wordt omdat hij moet plassen, dorst heeft of droomt. Leg hem daarna weer lekker in bed. Meestal slaapt hij weer gewoon verder.
  • Geef je kind de volgende morgen een compliment dat hij weer naar zijn bed is gegaan.
  • Wen je kind niet aan om bij jou in bed verder te slapen.

Voorlezen of praten

Bijna alle kinderen vinden het leuk om als onderdeel van het slaapritueel nog even te worden voorgelezen. Kleine kinderen kun je eindeloos hetzelfde boekje voorlezen. Je kunt er ook voor kiezen om met je oudere peuter de dag nog even door te lopen. Wat voor leuks heeft hij beleefd of was er iets akeligs, waar hij nog even over wil praten? Maar spreek wel een duidelijke slaaptijd af. En wees streng: dan moet hij ook echt gaan slapen als het zo laat is.

Algemene tips

  • Een vaste bedtijd instellen.
  • Een half uur voor bedtijd rustige dingen met je kind doen.
  • Breng je kind naar bed in een gezellige, ontspannen sfeer.
  • Maak ook de slaapkamer gezellig en zorg voor een lekker bed.

Eten

De maaltijden vormen een sociaal gebeuren. Het is gezellig! Maar het is ook een moment dat je als ouder met opvoeden bezig bent. Door het goede voorbeeld te geven, zorg je ervoor dat je kind gezonde eetgewoonten aanleert.

Voorbereiden

Zorg dat alles klaar is voor je kind aan tafel komt. Je kind hoeft dan niet lang te wachten en je kunt je aandacht op je kind richten. Bij een jonge peuter gebruik je een bord en beker die niet kapot gaan.

Knoeien

Bij een peuter hoort knoeien erbij. Zeker bij een peuter van 1 of 2 jaar is het nodig om te zorgen dat je kind kan kliederen en knoeien zonder dat alles vies wordt. Doe bijvoorbeeld een zeiltje onder de kinderstoel.

Met lepel en vork eten

Je peuter leert eten met zijn handjes, later met de lepel en nog later met een vork. Als je te veel verwacht van je kind geeft dat problemen.

Hoe maak je het gezellig?

Een gezellige sfeer aan tafel is belangrijk. Maar het hangt van de leeftijd van je kind af hoe lang je van je kind kunt verwachten om aan tafel te zitten. Ook het temperament van je kind speelt hierbij een rol. Niet ieder kind vindt het gemakkelijk om rustig te blijven zitten. Verder is het belangrijk dat je reële verwachtingen hebt van je kind.

Een oudere peuter kun je al een beetje laten 'helpen'. Bijvoorbeeld door dingen die niet kapot kunnen gaan op tafel te laten leggen. Je kunt dan verwoorden wat je kind doet en bijvoorbeeld samen tellen. Dat is ook nog eens goed voor de taal en het denken van je kind. En samen praten tijdens het eten is natuurlijk ook leuk en vaak ook nog eens erg leerzaam.

Regels

Ook rond de maaltijd is het nodig om regels te stellen. Welke regels dat zijn hangt van de leeftijd van je kind af. Als je kind 1 is, eet hij nog met zijn handjes en kan hij maar kort aan tafel blijven zitten. Een driejarige eet met een lepel en kan misschien al 20 minuten tot een half uur aan tafel zitten. Een paar duidelijke regels, die bij de leeftijd passen, is meestal genoeg. Verwacht niet te veel van je kind en zorg dat de regels haalbaar zijn. Zo bevorder je de sfeer aan tafel. Het is hierbij belangrijk dat je je kind prijst voor de positieve punten die je ziet: "Wat fijn dat je probeert met de lepel te eten."

Wat kun je beter vermijden?

  • Je kunt opwinding en spanning aan tafel proberen te vermijden.
  • Ook kun je beter de tv tijdens het eten uitzetten, dan kan iedereen zich beter concentreren op het eten en op elkaar.
  • Soms heb je zelf je hoofd bij andere dingen als je aan tafel gaat. Het is beter om je dan even te concentreren op het eetmoment. Probeer dat rustig en ontspannen te houden.

Vaste tijden

Het is handig om vaste tijden voor het eten aan te houden. Dat houdt in dat je 3 maaltijden per dag aanbiedt: ontbijt, lunch en avondeten. Het is handig om 's avonds op tijd te eten, anders is je kind misschien te moe. En verder kun je op vaste momenten iets tussendoor geven (maximaal 4 keer per dag). Je kind raakt gewend aan deze vaste momenten en leert om buiten deze tijden niet om eten te vragen.

Lastige eters

Sommige kleine kinderen zijn lastige eters. Ook als je grotere kinderen hebt, kunnen er eetproblemen ontstaan. Het komt steeds vaker voor dat kinderen overgewicht hebben. Maar er zijn ook kinderen met ondergewicht.

Leren eten

Heb je je kind een tijdje met een lepeltje een fruit- of groentehapje of pap gegeven, dan zal hij zelf naar de lepel gaan grijpen. Je kunt nu best eens proberen hem zelf te laten eten.

Met de handen eten

De meeste peuters beginnen met hun handjes te eten als ze 1 jaar oud zijn. Dat is de eerste stap op weg naar zelfstandigheid. Kies eten dat je peuter goed met zijn vingers kan pakken. Zoals stukjes brood, kaas of fruit. Dit kost veel concentratie. Terwijl je peuter oefent, kun jij best geregeld een hap in zijn mond stoppen.

Een lepel

Tussen 1 en 2 jaar kan een peuter leren om zelf met een lepel te eten. Meestal laat een kind merken er klaar voor te zijn door naar de lepel te grijpen. Dat is het moment om te beginnen. Natuurlijk hoef je niet te verwachten dat hij van dat eten al veel naar binnen krijgt. Het is een hele klus voor je kind om iets op de lepel te krijgen, die naar zijn mond te brengen en het eten eraf te happen.

Een vork komt pas later. Het duurt nog een paar jaar voor je kind met mes en vork kan eten.

2 Bordjes

Om te zorgen dat je kind toch wat eten binnen krijgt, maak je gewoon 2 bordjes klaar. Eén ervan geef je je kind. Van het andere bordje geef je hem tussendoor af en toe een hap. Je kind vindt het prachtig om zelf met het eten bezig te zijn. Je kunt hem complimentjes geven als je ziet dat hij het probeert.

Regels

Je kunt van je peuter nog niet verwachten dat hij netjes eet. Kinderen moeten nu eenmaal eerst bepaalde motorische vaardigheden krijgen, voordat ze netjes kunnen eten. Prijs je kind als hij zelf probeert te eten. Tussen de 1,5 en 2 jaar kunnen kinderen al een beetje zelfstandig eten. Vanaf een jaar of 2 kun je je kind enkele eenvoudige regels leren. Reageer positief als je kind zich aan de regels houdt. Het goede voorbeeld geven werkt ook: als je kind ziet hoe jij eet, zal hij het na willen doen.

Tip

Het is verstandig je te realiseren dat het eten een tijdlang een knoeiboel zal zijn. Je kunt ervoor zorgen dat de rommel niet te groot wordt door een plastic tafelkleed te gebruiken, een plastic slab met knoeigoot, eventueel een zeiltje op de vloer en je kunt zelf een keukenschort dragen.

Gezonde eetgewoonten

Je wilt graag dat je kind gezond opgroeit. Als je kind gezond eet, is dat goed voor zijn ontwikkeling. Gezond eten heeft veel te maken met eetgewoonten. Als je je kind leert om regelmatig en gevarieerd te eten, dan heeft hij daar alleen maar voordeel van.

Tips voor gezonde eetgewoonten

  • Vaste tijden aanhouden voor de maaltijden en tussendoortjes is handig. Je kunt het beste het aantal tussendoortjes beperken tot maximaal 4. Zo verklein je voor je kind het risico op overgewicht. En dit is beter voor zijn tanden.
  • Het is gezellig om zoveel mogelijk met het hele gezin tegelijk te eten.
  • Een ontbijt is voor je kind heel belangrijk.
  • 's Ochtends op de peuterspeelzaal is een stuk fruit heel lekker. Het is goed om wat af te wisselen in de soorten fruit die je meegeeft.
  • Trakteren op de peuterspeelzaal is een feest voor je kind. Je hoeft niet op iets eetbaars te trakteren. kleine kinderen vinden een speeltje als traktatie ook erg leuk.
  • Tussen de middag kan je kind weer extra energie krijgen door een volwaardige lunch. Daarin zitten volkorenboterhammen en wat fruit. Een paar kleine tomaatjes, stukjes komkommer, radijsjes of een wortel zijn ook lekker.
  • Voor tussendoor is het beter om je kind niet teveel frisdrank en sap te geven. Die zorgen namelijk voor behoorlijk wat extra calorieën. Ook is het slecht voor het gebit van je kind. Water of (vruchten-)thee is een goed alternatief. Je kunt sap of frisdrank ook aanlengen met water.
  • Fruit, groente of brood vormen een gezond tussendoortje. Zo kun je snoep, chips en andere minder gezonde voedingsmiddelen beter bewaren voor speciale gelegenheden (zoals het weekend).
  • Je kind leert dingen eten doordat jij afwisseling aanbrengt in de soorten voedingsmiddelen. Hij gaat vanzelf wennen aan eten dat hij eerst misschien nog niet zo lekker vindt. Sommige kinderen moeten wel 10 tot 15 keer iets proeven voordat ze gewend zijn aan de nieuwe smaak. Je kunt je kind ook af en toe laten kiezen tussen 2 soorten beleg of 2 soorten groente.

Kinderstoel

Het is heerlijk als je kind eraan toe is om in een kinderstoel te zitten. Hij moet wel goed rechtop kunnen zitten. Eventueel kun je eerst een stoelverkleiner gebruiken en de zijkanten opvullen met kussentjes.

Soorten stoelen

  • En klapstoel is handig als je niet veel ruimte hebt: je kunt een klapstoel namelijk inklappen. Een nadeel is dat je kind er snel uitgroeit.
  • Een hangstoel is een kinderstoel zonder poten die je aan het tafelblad bevestigt.
  • Een meegroeistoel heeft een verstelbare zitting en voetenplank voor als je kind groter wordt. Dan kun je de kinderstoel langer gebruiken. Soms zit er een beugel of een eetblad bij.
  • Een kinderstoel met eetblad dat aan de stoel vastzit, is ook erg handig. Je kunt meestal het blad over je eigen tafel schuiven.
  • Een kubuskinderstoel bestaat uit 2 onderdelen die je ook los kunt gebruiken: een stoel en een tafeltje.
  • Een aanschuifstoel kun je aan tafel schuiven en neemt daardoor minder ruimte in beslag.

Veiligheid

Om te voorkomen dat je kind uit de stoel klimt, kun je hem vastzetten in een gordel. De gordel moet minimaal een heupband en en kruisband hebben, het liefst ook schouderbanden. Kies een stabiele stoel. Zorg ervoor dat het eetblad stevig vast zit, zodat je kind het er niet af kan halen. Kies geen stoel met losse onderdelen, of onderdelen waar je kind zijn vingers tussen kan krijgen.

Tips bij het gebruik

  • Zet je kind altijd vast met een gordel om te voorkomen dat hij in de stoel gaat staan of eruit klimt.
  • Gebruik een stoelverkleiner wanneer de kinderstoel nog wat te groot is. Dit neemt het gevaar weg dat je kind niet stevig zit en wegglijdt.
  • Laat je kind nooit in alleen achter in de stoel, zelfs niet wanneer het in de gordels zit.
  • De stoel kan omvallen als je kind zich afzet tegen de tafel of de muur. Zorg er dus voor dat je kind niet met zijn beentjes bij de tafel of de muur kan komen.
  • Als je een hangstoeltje hebt, let dan op het maximaal toelaatbare gewicht. Je kunt het beste een hangstoeltje midden tussen 2 tafelpoten in vastzetten en bij elk gebruik even controleren of het goed vastzit.

Ontbijten

Ontbijten is goed! Waarom? Als je kind ontbijt, dan:

  • wordt hij niet zo snel dik;
  • komt zijn spijsvertering op gang en krijgt hij belangrijke voedingsstoffen binnen;
  • krijgt hij later op de ochtend geen honger. En dan gaat hij niet snoepen.

Voor je opgroeiende kind is het belangrijk dat hij iets eet voordat hij naar de peuterspeelzaal of naar het kinderdagverblijf gaat. Anders wordt hij onrustig en kan hij zich niet goed concentreren.

Een goed ontbijt bevat

  • Graanproducten, zoals brood besmeerd met margarine uit een kuipje of muesli.
  • Melk en melkproducten (halfvol of mager), kaas (denk ook aan 20+ of 30+)
  • Vleeswaren (wissel vette en magere soorten af).
  • Fruit.

Lastige eters

Als je kind slecht eet, kan dat een probleem zijn. Je kind heeft veel goede bouwstoffen, vitamines en mineralen nodig om fit te blijven en te groeien. Daarom is het in ieder geval verstandig om je kind gezonde voeding te geven.

Minder eetlust

Na 12 tot 18 maanden neemt de snelle groei van je kind af. Daardoor kan hij minder eetlust hebben dan in het eerste jaar het geval was. Totdat je kind (bijna) volwassen is, wisselen periodes van veel en minder eten elkaar geregeld af. Afhankelijk van de ontwikkeling die je kind doormaakt.

Groeit je kind goed?

Als je kind goed groeit en actief is, zit het wel goed. Maak je je toch zorgen, ga dan een keer extra naar het consultatiebureau om je kind te laten meten en wegen.

Chronische Voedselweigering

Wanneer een kind voor langere tijd weigert om te eten, kan dit ernstige gevolgen hebben voor zijn gezondheid. Meestal gebeurt dit in de leeftijd tot 4 jaar. Het komt meer voor bij kinderen met een aangeboren fysieke of verstandelijke beperking. Via sondevoeding en therapie kan een kind zo snel mogelijk geleerd worden om weer normaal te eten.

Eettherapie

Als je kind ernstige voedsel- en eetproblemen heeft, dan kan eettherapie helpen. Je kunt hiervoor het best eerst een afspraak maken met de huisarts. Hij kan je doorverwijzen naar professionele hulpinstanties.

Grote eters

Kinderen zijn steeds vaker te dik. En dat is jammer. Want een kind dat op jonge leeftijd al te dik is, is later vaak ook te dik. Het is goed om je kind al op jonge leeftijd gezonde eetgewoonten aan te leren.

Gezonde eetgewoonten

Gezond eten en genoeg bewegen is erg belangrijk! Dat is de basis voor een gezond gewicht. Leer je kind zo vroeg mogelijk gezonde eetgewoonten aan. Als je zelf het goede voorbeeld geeft, door gevarieerd en niet de hele dag door te eten, zal je kind deze goede gewoonten van je overnemen. Dan heb je de grootste kans dat hij op een gezond gewicht blijft.

Genoeg gegeten?

Het is normaal dat je peuter een wisselende eetlust heeft. Ook voelt je kind zelf heel goed aan wanneer hij genoeg heeft. Genoeg is dan ook echt genoeg. Dwing je kind niet om meer te eten. Want zo kun je het natuurlijke gevoel van honger en verzadiging ('genoeg gehad') verstoren.

Hoe houd je je kind op een gezond gewicht?

  • Geef je kind 2 tot 4 keer per dag iets tussendoor en doe dat op vaste tijden. Zo leert je kind dat hij er op andere momenten niet om hoeft te vragen. Je kind moet wel voldoende trek hebben voor de hoofdmaaltijden.
  • Neem de tijd om dit tussendoortje samen op te eten. Maak het gezellig. Leer je peuter dat hij niet gaat spelen als hij eet. Zo eet hij zijn hapje bewust op.
  • Bewegen is heel belangrijk. Het is gezond en leuk. Ga bijvoorbeeld iedere dag een uurtje naar buiten, lopend naar de winkel of naar een speelplaatsje.Laat je kind lekker rennen, springen, klimmen en fietsen op de driewieler.

Kleine eters

Een peuter heeft een wisselende eetlust. Dat is normaal. Peuters hebben een eigen willetje en kunnen goed 'nee' zeggen! Ook tijdens het eten. Maak je je zorgen omdat je kind weinig eet? Dat is niet nodig als hij:

  • goed groeit;
  • veel speelt;
  • vrolijk en levendig is;
  • regelmatig plast en poept;
  • weinig ziek is.

Maar zorg wel voor gevarieerd eten.

Tips!

Eten is gezellig. Maak er dus geen probleem van, als je kind niet wil eten. Jullie worden dan allebei alleen maar bozer. Hoe hou je het gezellig aan tafel?

  • Schep niet te veel op. Van alles een klein beetje.
  • Eet zelf ook mee: zien eten doet eten!
  • Je kind kan nog niet zo lang aan tafel zitten. Verwacht dat ook niet. Stel van tevoren een tijd in, bijvoorbeeld 15 of 20 minuten.
  • Ga nooit met eten achter je kind aanlopen.
  • Straf je kind niet door geen toetje of geen vlees te geven.
  • Jij bepaalt wat je kind eet en wanneer je kind eet. Je kind bepaalt zelf hoevéél hij opeet.
  • Geef je kind van tevoren niet te veel drinken. Want daar krijgt hij minder honger van.
  • Schrijf eens op wat je kind op een dag eet. Waarschijnlijk is dat meer dan je denkt.
  • Benadruk niet wat hij allemaal nog op moet eten, maar geef hem een compliment over wat hij allemaal al gegeten heeft.
  • Laat je kind op een eerder tijdstip eten als hij aan het eind van de dag 'te moe' is.
  • Maak je je zorgen? Vraag dan advies op het consultatiebureau.

Trakteren

Trakteren is een feest! Bijvoorbeeld als hij jarig is thuis of op de peuterspeelzaal. Je kind wil natuurlijk graag dat iedereen zijn traktatie leuk en lekker vindt. Maar als ouder wil je waarschijnlijk ook graag gezond trakteren.

Gezonde en leuke traktaties

  • Popcorn of gepofte rijst in plastic bekertjes met plaatjes of leuke kleuren.
  • Een mini-rijstwafel met halvarine en gekleurde vruchtenhagel.
  • Een trosje druiven in cellofaan met een mooie strik.
  • Een doosje rozijntjes, mooi verpakt of met een ballon.
  • Stukjes fruit met een parapluutje.
  • Waterijsjes in de zomer.
  • Een feestketting: rijg zoute krakelingen aan een dropveter.
  • Een traktatie hoeft niet altijd eetbaar te zijn. Het kan ook een heel klein cadeautje zijn dat leuk is ingepakt.
  • En als je je kind laat meehelpen met het maken van de traktaties, dan heeft hij er dubbel plezier van!

Diëten en allergieën

Bij het maken van traktaties is het goed om te informeren naar bepaalde diëten, allergieën, intoleranties en religies van andere kinderen. Islamitische kinderen mogen bijvoorbeeld geen boterhamworst, omdat het varkensvlees is.

Voorverpakte traktaties

Misschien ben je van plan om ontzettend creatief aan de slag te gaan met snoepgoed en ander etenswaar. Dat vinden de kinderen het leukst. Op de peuterspeelzaal kun je misschien beter traktaties geven die voorverpakt zijn in zakjes of doosjes. Dat is hygiënisch en bederft minder snel.

Een geboortetraktatie

Als er een broertje of zusje bij is gekomen, dan is het natuurlijk erg leuk om je kind te laten trakteren. Meestal trakteer je dan op beschuit met muisjes, maar er is een leuk alternatief. Hier heb je lange vingers, chocolade en roze of blauwe muisjes voor nodig. Smelt de chocolade. Doop de lange vingers tot de helft in de chocola. Haal ze dan door de muisjes en laat ze drogen (eventueel in de koelkast).

Tien praktische eettips

Als ouder heb je een grote invloed op het eetgedrag en de eetgewoonten van je kind. Je kind eet prima en de sfeer aan tafel is gezellig. Hoe bereik je dat?

1. Het goede voorbeeld

Dit geldt voor tafelmanieren, maar ook voor het eetpatroon. Je kind leert van jouw voorbeeld. Eet daarom zoveel mogelijk samen met je kind en maak het gezellig.

2. De tv eet niet mee

Laat je kind geen tv-kijken. Het leidt hem teveel af. Hou het wel gezellig aan tafel. Bespreek samen met je kind wat jullie eten. Van leuke maaltijdgesprekjes leert je kind goed praten en denken.

3. Een tafel om van te smullen

Peuters knoeien natuurlijk nog veel. Je kunt een plastic zeiltje onder de kinderstoel neerleggen. Leuk eetgerei stimuleert je kind om te eten. Kies eetgerei dat past bij de motoriek van je kind. Je kind leert eerst met de handjes eten, dan met een lepel en dan met een vork.

4. Vaste tijden voor maaltijden

Op vaste tijden eten met alle gezinsleden samen, heeft voordelen. Het is gezellig, je kind leert die momenten te waarderen en eet op regelmatige tijden. Ook leert je kind dat je niet de hele dag door kan eten.

5. Het eten is bijna klaar!

Als je kind 1 jaar is, kun je het beste zorgen dat alles klaar is als je je kind haalt. Een oudere peuter roep je wanneer het eten bijna klaar is. Zo kan hij stoppen met zijn bezigheden en rustig aan tafel komen zitten.

6. Niet te lang aan tafel

Zorg voor een rustige, aangename sfeer. Verwacht niet dat je kind lang aan tafel kan zitten. Ook heeft een peuter moeite om stil te zitten.

7. Prijzen

Leer je kind enkele regels die passen bij zijn leeftijd. Geef je kind een complimentje als je kind iets goed doet. Verwacht niet te veel van je kind. Je peuter moet echt leren om rustig aan tafel te zitten en netjes te eten.

8. Het bordje hoeft niet leeg

Geef je peuter een kleine portie die past bij zijn leeftijd. Eet een kind zijn bord niet leeg, schenk er dan niet te veel aandacht aan en ruim de tafel gewoon af. Wil je kind kort na de maaltijd iets eten omdat hij nog honger heeft, wees dan kordaat en laat hem wachten tot het volgende eetmoment!

9. Niet te veel tussendoortjes

Als je kind veel tussendoortjes krijgt of neemt, is je kind minder gemotiveerd om aan tafel zijn bord leeg te eten.

10. Je kind laten helpen

Vanaf een jaar of 3 of 4 kan je kind misschien al een beetje 'helpen'. Bijvoorbeeld door een pak melk op tafel te zetten. Dit is ook goed voor het zelfvertrouwen en zelfstandigheid van je kind.

Zindelijkheid

Kinderen kunnen pas zindelijk worden als ze eraan toe zijn. Dat is als je kind zelf controle krijgt over plassen en poepen, dat dus kan ophouden en zelf kan reageren op aandrang. Als het zover is, kun je je kind aanmoedigen om op het potje of de wc te gaan.

Op welke leeftijd?

De meeste kinderen beginnen zindelijk te worden als ze tussen 2 en 3 jaar oud zijn. Het duurt dan nog een half jaar tot een jaar voordat je kind ook 's nachts zindelijk is. Meisjes zijn wat eerder zindelijk dan jongens. Er zijn ook kinderen die pas na hun 4e jaar zindelijk worden. Elk kind is weer anders en wordt dus ook anders zindelijk. Sommige kinderen gebruiken eerst een potje, anderen gaan meteen op de wc.

Hoe merk je dat?

  • Je kind heeft steeds vaker een droge luier.
  • Je ziet dat je kind zelf in de gaten heeft dat hij plast of poept.
  • Je kind heeft belangstelling voor wat er uit zijn lichaam komt.
  • Je kind wil de luier uitdoen.

Potje-training

Als je kind eraan toe is om zindelijk te worden, dan kun je het beste beginnen met een potje. Je kind kan er dan zelf op gaan zitten als hij dat wil. Begin niet als je kind ziek is of als er veel te gebeuren staat, zoals de komst van een nieuwe baby of een verhuizing.

Tips voor het potje

Voordat je denkt dat je kind eraan toe is om zindelijk te worden, kun je al een potje aanschaffen. Er zijn potjes te koop in de vorm van een dier of een auto. Dat maakt het potje wat aantrekkelijker.

  • Doe je kind gemakkelijke kleren aan, die je kind zelf kan uittrekken als hij op het potje wil.
  • Zet je kind regelmatig op het potje. Bijvoorbeeld als je merkt dat je kind nodig moet: 's ochtends na het wakker worden, na het eten, voordat je weggaat, als je thuiskomt. Maar niet te lang. Enkele minuten is voldoende.
  • Geef complimentjes. Als je kind bijvoorbeeld tegen je gezegd heeft dat hij naar de wc moet, iets gedaan heeft of het heeft geprobeerd.

Tips voor de wc

Het is verstandig om je kind te laten wennen aan de wc.

  • Je kunt je kind meenemen als je zelf naar het toilet gaat. Of laten zien hoe een broertje of zusje naar de wc gaat. Hij kan dan alvast zien hoe het gaat en hoe hij moet doortrekken.
  • Je kunt een wc-brilverkleiner voor je kind kopen en een opstapje neerzetten, zodat hij er gemakkelijk op kan klimmen.
  • Je kunt je kind in het begin regelmatig op de wc zetten, als je denkt dat hij nodig moet: 's ochtends na het wakker worden, na het eten, voordat je weggaat, als je thuiskomt.

Algemene tips

  • Het is leuk om je kind voor te lezen uit boekjes over zindelijk worden.
  • Het stimuleert je kind als je hem complimentjes geeft, als hij iets goed heeft gedaan. Bijvoorbeeld als hij tegen je gezegd heeft dat hij naar de wc moet.
  • In het begin is het handig om je kind alleen thuis een onderbroek te laten dragen. Als je met je kind op stap gaat, gebruik dan nog een luier.
  • Het kan best zijn dat je kind opeens weer een terugval heeft en in zijn broek gaat plassen. Het is verstandig om dan rustig te blijven en niet boos of ongeduldig te worden. Het gaat vanzelf op een gegeven moment weer beter.

Eerst overdag droog

Tussen 2 en 3 jaar worden de meeste kinderen overdag zindelijk. Sommige kinderen plassen of poepen het liefst op het potje. Andere kinderen gaan het liefst naar de wc.

… en dan ’s nachts!

Meestal wordt je kind pas tussen 3 en 4 jaar ook ’s nachts zindelijk. Maar het kan ook heel goed dat hij al 4 jaar is en nog met een luier slaapt.

Tips

  • Laat je kind voor het slapen gaan nog even proberen om te plassen.
  • Heeft hij 4 of 5 keer per week een droge luier na het slapen? Geef hem dan steeds een kleine beloning. Zo stimuleer je hem om helemaal zindelijk te worden.

Bedplassen

Is je peuter overdag zindelijk? Dan duurt het meestal een paar maanden voordat zijn luier ook 's nachts droog blijft.

Als je kind 4 of 5 keer achter elkaar wakker wordt met een droge luier, dan kun je proberen om de luier weg te laten. Geef hem een kleine beloning als het goed gaat. Zo stimuleer je hem om de volgende nacht ook droog te blijven.

's Nachts zindelijk

De meeste kinderen worden tussen het 3e en 4e jaar 's nachts zindelijk. Sommige kinderen van 5 jaar of ouder worden 's nachts niet wakker van een volle blaas. Ongeveer 15 procent van de kinderen tussen de 5 en 6 jaar plast een of meerdere keren per week in bed.

Geef je kind 's avonds genoeg te drinken. Als zijn blaas leeg is, voelt hij 's nachts niet dat hij moet plassen.

Meer informatie over bedplassen vind je op de website van het Kenniscentrum Bedplassen.

Broekpoepen

De meeste kinderen zijn zindelijk als ze 4 jaar oud zijn. Door je kind potje-training te geven, leer je hem om op de wc te poepen. Toch kan het voorkomen dat je kind nog wel eens in zijn broek poept.

Neemt je kind niet de tijd om naar de wc te gaan? Of negeert hij het gevoel dat hij moet poepen? Dat is niet goed. Vraag je kind daarom regelmatig of hij naar de wc moet.

Obstipatie

Kinderen die in hun broek poepen, hebben vaak last van verstopping (obstipatie). Poepen doet dan zeer, omdat de ontlasting hard en droog is. Je kind gaat dan liever niet naar de wc: hij houdt het op. Of je kind verliest steeds kleine beetjes ontlasting in zijn onderbroek. Meestal komt daarnaast 1 keer per week zo’n enorme hoeveelheid ontlasting dat het moeilijk is weg te spoelen. Vlak voor het poepen heeft je kind buikpijn en minder eetlust.

Strenge zindelijkheidstraining

Het komt ook voor dat kinderen bang zijn om te poepen vanwege een strenge zindelijkheidstraining. Je kind kan bang worden, als het hem niet lukt zijn ontlasting op te houden en hij daardoor een vieze broek krijgt. Maar het komt ook voor dat kinderen juist in hun broek poepen om (negatieve) aandacht te krijgen.

Hoe reageer je?

Belangrijk is om niet kwaad te worden als je kind in de broek poept. Dit helpt meestal niet, je kind wordt er alleen maar bang en meer gespannen van. Je kunt je kind vertellen dat hij naar de wc moet gaan, als hij voelt dat hij moet poepen. Op dat moment zal het ook gemakkelijk gaan. Als je kind dat ervaart, zal zijn angst minder worden.

De Poeppoli

Als je kind al een lange tijd regelmatig in zijn broek poept en de tips helpen niet, dan kan dat erg vervelend zijn. Wacht daarom niet te lang en vraag advies aan je huisarts. Of zoek contact met de Poeppoli in het ziekenhuis bij jou in de buurt.

Als het poepen niet lukt

Verstopping of obstipatie betekent dat je kind niet goed naar de wc kan: de ontlasting komt minder dan 3 keer per week, is hard en je kind kan het alleen kwijt door hard te persen.

Tips tegen obstipatie

  • Je kind genoeg laten drinken: 1,5 liter per dag. In vruchtensappen zitten veel vezels.
  • Je kind goed laten eten: volkoren boterhammen, veel groente en fruit, zodat je kind genoeg vezels binnenkrijgt. Smeer ook halvarine op zijn bruine boterham voor gezonde vetten.
  • Je kind veel laten bewegen.
  • Misschien heeft je kind kleine wondjes bij zijn poepgaatje? Als het pijn doet, smeer er dan wat zalf op.
  • Is je kind bang om zijn poep te laten gaan? Leg hem dan uit dat hij niet bang hoeft te zijn. Probeer er een spelletje van te maken met doortrekken als het lukt.
  • Zet je kind elke dag op 2 of 3 vaste tijden op het potje of de wc. Vertel hem wat de bedoeling is, maar moedig hem niet aan. Zorg er wel voor dat zijn voeten steun hebben en niet los hangen als hij op de wc zit.
  • Geef hem een compliment als hij het geprobeerd heeft.

De Poeppoli

Als je kind al een lange tijd regelmatig in zijn broek poept en de tips helpen niet, dan kan dat erg vervelend zijn. Wacht daarom niet te lang en vraag advies aan je huisarts. Of zoek contact met de Poeppoli in het ziekenhuis bij jou in de buurt.

Spel en sport

Je peuter is de hele dag bezig. Blokken stapelen, schooltje spelen, knutselen, de pop aankleden of met de brandweerauto racen. Kinderen zijn dol op spelen. Alles is spel.

Spelen is leuk en stimuleert alle ontwikkelingsgebieden: taal, denken, sociaal-emotioneel en de motoriek.

Spelen is plezier

Tussen 0 en 6 jaar is spel de belangrijkste bezigheid voor een kind. Kinderen spelen voor hun plezier en niet omdat ze graag iets wil leren. Voor een jong kind is het resultaat niet belangrijk. Als kinderen spelen, zijn ze actief bezig, met heel hun lichaam en tegelijkertijd leren ze een heleboel.

Spelen is leren

Kinderen leren spelenderwijs de wereld om hen heen begrijpen. Je kind doet tijdens spelen nieuwe ervaringen op. Hij merkt bijvoorbeeld dat een bal gaat rollen als je ertegen duwt en een blokje niet. Tijdens spelen wordt er vaak veel gepraat. En spel is de meest geschikte situatie om met andere kinderen om te leren gaan.

Spelmateriaal

Kinderen kunnen met van alles spelen: een stoel is een auto, een deksel het stuur. Voor jonge kinderen is spelen ook helpen bij karweitjes, bijvoorbeeld plantjes water geven. Ook met allerlei (kosteloze) materialen in en rond huis kan je kind veel doen.

Tips

  • Het is verstandig om niet teveel speelgoed tegelijk te hebben staan. Als je een deel van het speelgoed opruimt, kun je regelmatig wat anders tevoorschijn halen. Voor je kind is dat erg leuk.
  • Laat je kind zoveel mogelijk zelf uitproberen. Dan is je kind langer bezig en leert het meest.
  • Het proces van spelen is belangrijker dan het eindresultaat. Een jonge peuter bedenkt vooraf nog niet wat hij wil maken. Voor je kind gaat het om het bezig zijn. Het is niet erg als een knutselwerk niet zo 'mooi' is.
  • De meeste gemeenten hebben een spelotheek. Dan kun je eerst eens uitproberen wat je kind echt leuk vindt.
  • Koop je speelgoed? Dan is het verstandig om op te letten of het veilig is.

Buiten spelen

De meeste kinderen vinden het heerlijk om buiten te spelen. Het is natuurlijk heel gezond om lekker buiten te rennen, te klimmen en te huppelen.

In beweging

Buiten spelen helpt ook om overgewicht te voorkomen en het is goed voor de motorische ontwikkeling van je kind. En van lekker met andere kinderen buiten spelen leert je kind langzamerhand sociale vaardigheden.

Veilig ontdekken

Jonge kinderen weten nog niet wat gevaar is. Het is daarom nodig om in de buurt te zijn en op je kind te letten. Voor kinderen is het heerlijk om de wereld al spelend te ontdekken. Een vertrouwde en begrensde omgeving is de ideale speelplek voor je peuter. Peuters spelen graag met water en zand, rennen en klimmen graag. Bijvoorbeeld in de speeltuin. Oudere peuters kunnen eindeloos op hun driewieler fietsen.

Samen spelen

Samen spelen moeten kinderen echt leren, het gaat meestal niet vanzelf.

Totdat je kind 2 is, speelt hij nog niet echt samen. Je kind speelt naast andere kinderen, waarbij elk kind opgaat in het eigen spel. Ze zitten in dezelfde ruimte, soms met hetzelfde speelgoed, maar elk kind is zelf bezig.

Samen spelen is nog moeilijk

Peuters kunnen nog niet goed delen, op hun beurt wachten bij een spelletje of een ander iets gunnen. Ze hebben nog niet zo door dat anderen ook gevoelens en wensen hebben. Wat ze wel doen is goed naar elkaar kijken en nadoen.

Pas tussen 3 en 4 jaar gaan kinderen echt met elkaar spelen. Ze gebruiken dan hetzelfde speelgoed, houden al een beetje rekening met elkaar en reageren op elkaar. Dat komt omdat je kind gaat merken dat andere kinderen ook wensen en gevoelens hebben.

Samen spelen is goed

Je kind leert:

  • Speelgoed te delen en af en toe even te wachten.
  • Zich in te leven in andere kinderen.
  • Rekening te houden met andere kinderen.
  • Dat het leuk is om vriendjes en vriendinnetjes te hebben.
  • Ruzie op te lossen met woorden. En niet met schoppen en slaan.
  • De taal- en denkontwikkeling wordt bevorderd. Ook is het goed voor de ontwikkeling van humor en fantasie.

Hoe stimuleer je samen spelen?

  • Breng je kind in contact met andere kinderen.
  • Benoem gevoelens. Bijvoorbeeld: "Kijk je vriendinnetje huilt. Ze is verdrietig omdat ze haar knuffel kwijt is." Een kind kan beter omgaan met anderen als hij zich leert inleven in gevoelens van anderen.
  • Prijs je kind als het samen speelt of iets deelt.
  • Vanaf een jaar of 3 kun je je kind de kans geven om eventuele eenvoudige probleempjes zelf op te lossen. Reageer positief als dat lukt. Grijp wel in als er agressie ontstaat.
  • Geef zelf het goede voorbeeld. Laat zien hoe jij met andere mensen omgaat.
  • Je kunt met je kind eenvoudige spelletjes doen met 'beurtwisseling'.
  • Je kunt je kind opgeven voor de peuterspeelzaal. Kinderen leren op de peuterspeelzaal samen te spelen. Ze komen in contact met allerlei verschillende kinderen.

Spelletjes met regels

Vanaf ongeveer 3 jaar is het ook mogelijk om spelletjes met regels te gaan spelen. Het moet wel gaan om korte spelletjes met eenvoudige regels, bijvoorbeeld Memory of Lotto. Je kind leert zich aan de regels houden, op zijn beurt te wachten, rekening te houden met anderen en omgaan met verliezen en winnen.

Speelplekken

Kinderen kunnen vrijwel overal spelen. Niet iedere plek is natuurlijk geschikt voor elke leeftijd. Als ouder ben je verantwoordelijk voor het creëren van een veilige speelomgeving voor je kind in en rond je huis.

In huis

Gewoon in huis spelen is heerlijk voor kinderen. Je kind heeft misschien een speelhoekje, waar hij zijn speelgoed bewaart. Je kind kan dan zelf kiezen en pakken wat hij leuk vindt. Als je kind wat ouder is, vindt hij het ook heel leuk om op zijn eigen kamer te spelen, vooral ook samen met een vriendje of vriendinnetje.

Veiligheid thuis

Een ongelukje zit soms in een klein hoekje. Ook thuis. Let daarom goed op elektriciteitsdraden en stopcontacten. Deuren van glas kunnen ook gevaarlijk zijn voor spelende kinderen. En natuurlijk is het belangrijk dat het speelgoed veilig is en bijvoorbeeld geen scherpe randjes heeft.

Buiten

Veel kinderen vinden het heerlijk om buiten te spelen. Kleine kinderen doe je een groot plezier met een zandbak, waar ze naar hartenlust kunnen scheppen en graven. Kinderen vinden het prettig om te voelen en te woelen met hun vingers in het zand. Als ze wat groter zijn, kunnen kinderen fietsen en voetballen in de tuin of op het pleintje. Natuurlijk is verstoppertje spelen ook altijd leuk. En een schommel doet het meestal ook erg goed.

Spelotheek

Bij een spelotheek kun je voor je kind speelgoed lenen.

Speelgoed

Per spelotheek verschilt het wat voor speelgoed je kunt lenen. Dit kan variëren van speelgoed voor buiten tot bordspelen en muziekinstrumenten. Er is speelgoed voor alle ontwikkelingsgebieden: de taalontwikkeling, de motorische, de verstandelijke en de sociaal-emotionele ontwikkeling.

Vaak wordt een onderscheid gemaakt in speelgoed om te bewegen en te bouwen. Er is speelgoed om expressie en fantasie te bevorderen. Je kunt hierbij denken aan muziekinstrumenten. Verder zijn er gezelschapsspellen, puzzels en lotto's, en zintuiglijk materiaal.

Lid worden

Vaak kun je tegen een kleine vergoeding speelgoed lenen en betaal je een paar euro per jaar om lid te zijn van de spelotheek. Meestal kun je het speelgoed een paar weken lenen maar dit kan per spelotheek natuurlijk verschillen. Het speelgoed dat de spelotheek uitleent, is vaak geschikt voor kinderen in de leeftijd van 0 tot 12 jaar. Ook kan je kind in de meeste spelotheken tijdens de openingsuren met andere kinderen spelen.

Leuke spelletjes

Enkele voorbeelden van leuke spelletjes met peuters!

  • Voor jonge peuters zijn schoot- en kriebelspelletjes leuk, zoals 'damespaard' en 'daar komt een muisje aangelopen'. Begin beneden bij de beentjes te kriebelen. Ga door tot aan het nekje, terwijl je zegt: "Daar komt een muisje aangelopen… helemaal tot in je nekje gekropen!" Je stem begint laag en wordt steeds hoger.
  • Spelletjes met taal: hoedje van papier, fluisterspelletjes en 'ik zie, ik zie wat jij niet ziet'.
  • Spelletjes met muziek: 'Jan Huigen in de ton', 'hoedje van papier' (1, 2, 3, 4 hoedje van hoedje van...), 'hoofd, schouder, knie en teen'. Maar je kunt ook zelf liedjes verzinnen of 'praatzingen'.
  • Geluiden maken met flessen met water. In iedere fles een verschillende hoeveelheid water, zodat ze ook verschillende geluiden maken.
  • Bewegen en dansen op muziek. Je kunt zelf muziekinstrumenten maken, bijvoorbeeld van kartonnetjes, bakjes en buisjes.
  • Spelletjes met het hele lijf. Bijvoorbeeld elkaar nadoen in de spiegel. Van 3 tot 4 jaar: lopen, lopen, stop, huppel, huppel, stop, enzovoort. Samen gym doen: bewegingen voordoen en nadoen. Laat ook je kind bewegingen verzinnen.
  • Bowlen of voetballen met een lichte bal en lege plastic frisdrankflessen.
  • Als het slecht weer is kun je in huis picknicken, een kleine speurtocht maken, een hindernisbaan maken of schaduwen maken.
  • Met mooi weer kun je natuurlijk lekker naar buiten. Je kunt samen met je kind bladeren verzamelen, wandelen, de eendjes voeren, of naar kastanjes, eikels en beukennootjes zoeken. Maar je kunt buiten ook zwemmen, fietsen, van lantaarnpaal naar lantaarnpaal hardlopen of een speurtocht maken.

Leuk speelgoed

Kinderen vinden het leuk om met verschillende materialen te spelen. Hieronder staan een aantal voorbeelden van leuk speelgoed voor peuters van 2 tot 4 jaar.

Bewegingsmateriaal

  • Omgevingsmateriaal: dozen, planken, emmers, stoel, plastic flessen.
  • Uit de speelgoedwinkel: bal, driewieler, vlieger, lage glijbaan.

Zintuiglijk materiaal

  • Omgevingsmateriaal: water en zand, kleurige lapjes, wol, dingen om te proeven, eierdozen, verschillende soorten papier.
  • Uit de speelgoedwinkel: insteekmozaïek, vergrootglas.

Bouw- en constructiemateriaal

  • Omgevingsmateriaal: dozen (groot en klein), wasknijpers, kartonnen kokers, stokken, latten, planken.
  • Uit de speelgoedwinkel: stapelbekers, blokken, bouwsteentjes.

Denken

  • In en om huis: zelfgemaakte puzzels van ansichtkaarten, bij elkaar behorende plaatjes zoeken en plakken, raadspelletjes.
  • Uit de speelgoedwinkel: vormenstoof, puzzels, lotto.

Gezelschapsspellen

  • In en om huis: stoelendans, tikkertje, 'ik zie, ik zie wat jij niet ziet'.
  • Uit de speelgoedwinkel: kleurendomino, memory, kwartet, eenvoudige bordspelen.

Fantasiemateriaal

  • In en om huis: oude kleren, kleden en lappen, lege verpakkingen.
  • Buiten: bladeren, takjes, eikels en kastanjes zoeken.
  • Uit de speelgoedwinkel: knuffels, poppen, thee- en eetservies, auto’s, garage, winkeltje, boerderijdieren, wilde dieren.

Creativiteits- en expressiemateriaal

  • In en om huis: allerlei soorten papier, kurken, melkkartonnen, watten, lapjes, zelfgemaakte klei, verkleedkleren.
  • Uit de speelgoedwinkel: kinderverf, vouwblaadjes, kinderschaar, klei, muziekinstrumenten.

Zand en water

Voor veel kinderen is zand en water het allerleukste speelgoed. Laat je kind daar lekker mee kliederen. Het zand laat je kind steeds weer door de vingers glijden. En het water giet je kind van het ene bekertje in het andere. Dat is goed voor zijn ontwikkeling en voor zijn fantasie.

Speeltips

Peuters spelen het liefst in de nabijheid van een vertrouwd persoon. Naast iemand spelen lukt prima, maar met iemand spelen moet een peuter nog leren.

Koop het liefste speelgoed dat tegen een stootje kan, want kinderen gaan er vaak ruig mee om.

Duwen

Een kind van 1,5 jaar vindt het leuk om tegen voorwerpen te duwen of eraan te trekken. Een wagentje of een poppenbuggy vindt hij erg leuk. Ook begint hij zich steeds meer te interesseren voor muziek. Je kunt hem bijvoorbeeld laten trommelen op een trommel.

Imiteren

Vanaf een jaar of 2 gaat je kind anderen nadoen. Hij doet mee met huishoudelijke klusjes en speelt bijvoorbeeld voor postbode. Een servies, een fornuisje of een veger en blik zijn dan geschikt speelgoed.

Fantasie

Wanneer je kind ongeveer 3 jaar is, speelt fantasie een grote rol in zijn spel. Een paar kartonnen dozen kunnen in zijn beleving veranderen in een huis. Of hij speelt iets na wat hij op de televisie heeft gezien. Een kist met verkleedkleren is voor peuters het einde.

Voorlezen

In welke fase je kind ook zit, het is belangrijk dat je zijn taalontwikkeling blijft stimuleren. Je kunt verhalen voorlezen en samen plaatjes bekijken.

Hoe kun je spelen stimuleren?

  • Geef je kind voldoende plek om te spelen.
  • Trek je kind geschikte kleren aan.
  • Zorg voor speelgoed en knutselmaterialen die passen bij de leeftijd van je kind.
  • Geef niet te veel speelgoed tegelijk. Als je een deel van het speelgoed opruimt, kun je regelmatig wat anders tevoorschijn halen. Voor je kind is dat erg leuk.
  • Breng je kind ook in contact met andere kinderen.
  • Ga regelmatig samen naar het park of de speeltuin, zodat je kind lekker kan rennen en bewegen.
  • En vooral: speel regelmatig samen.

Waar let je op als je samen speelt?

  • Doe met je kind mee, maar laat je kind zo veel mogelijk zelf doen en op zijn eigen manier. Als je kind de wolken geel maakt is dat prima.
  • Geef je kind invloed in het spel. Bijvoorbeeld: "Hier is verf. Wat wil je daarmee schilderen?"
  • Het spelen is belangrijker dan het eindresultaat. Als het knutselwerk van je kind niet helemaal geworden is wat jij of je kind voor ogen had, geeft dat niet.
  • Geef niet té veel. Je kind kan anders niet meer kiezen of gaat van het een naar het ander. Tussen 3 en 4 jaar kan een kind al verschillende materialen aan.
  • Geef af en toe iets nieuws.
  • Vertel wat je doet. Verwoord wat jij en je kind doen, wat er gebeurt en benoem de dingen waarmee jullie spelen.

Zingen

Zingen is leuk en dat vindt je kind ook. Waarom?

  • Je hebt samen leuk contact.
  • Je kind herkent liedjes en versjes aan hun ritme en op een zeker moment ook de woorden.
  • Het is goed voor de spraak- en taalontwikkeling van je kind.
  • Je kunt ook zingen om je kind te troosten of bij het slaapritueel.

Praatzingen en rijmen

Peuters vinden het erg leuk als je zelf liedjes verzint en rijmpjes bedenkt. Een oudere peuter kan dit, met jouw hulp, ook al een beetje zelf. Ook 'praatzingen' valt zeker erg in de smaak bij jonge peuters. Hetgeen je wil zeggen, zing je dan. Net als een operettezanger(es). Het gaat om dagelijkse dingen die je kind op dat moment ziet, doet of gaat doen.

Het is natuurlijk ook leuk als je je kind opneemt als hij zingt. Onder begeleiding van een (zelfgemaakt) muziekinstrument is het nog echter.

Waar haal je muziek?

Er zijn veel cd's en dvd's met muziek voor peuters. Ook wereldmuziek in diverse talen. Je kunt cd's en dvd's natuurlijk kopen, maar je kunt ze ook bij de bibliotheek lenen. En kijk eens op een rommelmarkt of kringloopwinkel. Op internet zijn veel website met leuke muziek. Voor de smartphones en tablets zijn er muziekapps.

Tip

Gaat je kind naar een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal? Vraag dan wat daar de favoriete liedjes zijn. Je kunt die dan thuis ook zingen met je kind. Soms heeft een kindercentrum een boekje met de liedjes of ze staan op hun website.

Sport

Peuters bewegen meestal graag en veel. Geef je kind daartoe veel kans. Verder kun je je kind opgeven voor een activiteit met bewegen. Bewegen kan overgewicht voorkomen en is positief voor de ontwikkeling van kinderen.

Kinderyoga

Wanneer je kind ongeveer 4 jaar is, kan hij meedoen aan kinderyoga. Kinderyoga heeft een positieve invloed op de motorische vaardigheden en de lichaamshouding van je kind.

Zwemmen

Onder begeleiding van een bevoegde zweminstructeur kun je samen met je kind gaan zwemmen. Zwemmen is heel gezond! Je kind raakt vertrouwd met water, hij ontwikkelt spierkracht en blijft fit. Je kunt natuurlijk ook zonder begeleiding samen gaan zwemmen. Probeer de veiligheid van je kind te vergroten door hem tijdens het zwemmen goed in de gaten te houden. Verder is het belangrijk om je peuter zwemvleugels om te doen.

Gymnastiek

Peutergym is voor kinderen van 2 tot en met 4 jaar een leuke manier om in beweging te zijn. Op deze manier leren kinderen om te gaan en te spelen met verschillende materialen, zoals een bal en een hoepel. Peutergym wordt onder professionele begeleiding gegeven en is een goede voorbereiding voor de gymlessen op school.

Andere activiteiten

Misschien is er bij jou wel peuterdans? Of wordt vanuit het buurthuis bewegen voor peuters georganiseerd? Of zijn er activiteiten in de speeltuin? Kijk in je omgeving wat er voor je peuter te doen is.

Media

Media, zoals internet, televisie en telefoon, zijn overal aanwezig. Je kunt je bijna geen leven meer voorstellen zonder deze technieken.

Voor- en nadelen

Er zitten zowel voordelen als nadelen aan media. Je kind kan naar een goed peuterprogramma kijken, spelletjes spelen, zingen, naar muziek kijken én luisteren op de computer, digitale voorleesboeken bekijken, en nog veel meer. Je kind leert hier veel van. Zeker als jij regelmatig met je kind meedoet en met elkaar praat over wat je kind ervaart.

Maar de media hebben ook een keerzijde. Sommige informatie is bijvoorbeeld niet bedoeld voor je kind. Naar welke tv-programma's mag hij kijken? En hoe zit het met computeren?

Tv-kijken

Tv-kijken doen kinderen graag. Er zijn natuurlijk veel leuke peuterprogramma's. Als ouder bepaal je waar je kind naar mag kijken en hoeveel je kind mag tv-kijken.

Tv-programma's

Er zijn veel leuke en leerzame televisieprogramma's voor peuters. Zoals de Tweenies, Sesamstraat, Zandkasteel en Koekeloere. Je peuter kan fantasie en werkelijkheid nog niet goed uit elkaar halen. Je kind denkt dat wat hij ziet op televisie echt is. Ook zijn er programma's die niet geschikt zijn voor jonge kinderen. Kijkwijzer waarschuwt je daarvoor.

Veel tv-kijken

Een goed tv-programma kan de ontwikkeling van kinderen vanaf 2 jaar bevorderen. Amerikaans onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat Sesamstraat de taalontwikkeling en de verstandelijke ontwikkeling stimuleert.

Maar te veel tv-kijken is niet goed. Het is belangrijk dat je kind tijd overhoudt om bijvoorbeeld (buiten) te spelen, te tekenen en te knutselen. Zeker voor jonge kinderen geldt dat ze nog veel moeten leren en dat te veel tv-kijken hun ontwikkeling kan afremmen. De richtlijn voor kinderen tot 4 jaar, is ongeveer een kwartier tot een half uur tv-kijken per dag.

Tips!

  • Laat je kind bij voorkeur alleen op een vaste tijd tv-kijken, zodat de tv geen stoorzender wordt in het gezinsleven.
  • Maak duidelijke regels wanneer en hoe lang je kind tv mag kijken.
  • Kijk samen televisie. Dat is gezellig. Je kunt samen praten over wat jullie zien. En je weet waar je kind naar kijkt.
  • Neem het programma op dat je kind leuk vindt, zodat hij er op een ander moment naar kan kijken.
  • Laat je kind niet zomaar de televisie aanzetten om te kijken wat er is. Als je kind vraagt of de televisie aan mag, vraag dan altijd: "Wat wil je dan zien?"
  • Leer je kind om de televisie uit te doen als het programma is afgelopen.
  • Ga regelmatig samen naar buiten, tekenen of spelen.

Kijkwijzer

Kijkwijzer waarschuwt je wanneer bepaalde films en programma's ongeschikt zijn voor kinderen en jongeren van een bepaalde leeftijd.

Bijvoorbeeld wanneer er geweld, seks, angst, drugs, discriminatie of grof taalgebruik in voorkomt. Bij elke televisieprogramma en op elke dvd staan gegevens van de Kijkwijzer. Aan de pictogrammen zie je:

  • voor welke leeftijd de film of het programma geschikt is;
  • of de inhoud van de film geschikt is voor je kind.

De pictogrammen

  • AL betekent dat het programma geschikt is voor alle leeftijden.
  • 6 betekent dat het programma geschikt is voor kinderen vanaf 6 jaar.
  • 12 betekent dat het programma geschikt is voor kinderen vanaf 12 jaar.
  • 16 betekent dat het programma geschikt is voor jongeren vanaf 16 jaar.
  • Alle overige pictogrammen geven aan of er sprake is van geweld, seks, angst, drugs en alcoholmisbruik, discriminatie of grof taalgebruik.

Let op! Klopt de leeftijd en komen er geen schadelijke beelden in de film voor? Dan kan de film toch nog ongeschikt zijn voor je kind. Misschien is de film te moeilijk of niet interessant voor je kind. Je kunt de film het best eerst zelf bekijken. Zo kun je inschatten of je kind het ook leuk vindt.

Computer

De computer en het internet horen erbij. De meeste mensen hebben een eigen computer. Ook voor je peuter biedt de computer veel mogelijkheden.

Ontwikkeling

Het is belangrijk dat je kind van jongs af aan leert omgaan met de computer. Hij krijgt hier namelijk in groep 1 al mee te maken. Geef je kind de kans om de computer uit te proberen en (veilig) te surfen op het internet. Je zult er van staan te kijken hoe snel je kind leert om met de computer en internet om te gaan.

Computeren

Er zijn goede websites voor jonge kinderen met verhaaltjes, liedjes, spelletjes, kleurplaten, enzovoort. Je kunt af en toe samen met je kind computeren. Bijvoorbeeld door samen een (leerzaam) spelletje te doen of een digitaal prentenboek te bekijken. Je kind leert daar veel van.

Digitale prentenboeken

Digitale prentenboeken bevorderen de taalontwikkeling van kinderen. Vooral als je kind nog weinig Nederlands spreekt of een geringe woordenschat heeft, kan regelmatig kijken naar een 'levend boek' helpen. Kijk wel eerst zelf om te zien of het voorleesboekje past bij de leeftijd van je kind. Samen over het boekje praten is extra goed voor de ontwikkeling van je kind.

Smartphones en tablets

Er komen steeds meer apps voor jonge kinderen. Zelfs voor baby's zijn er apps voor smartphones en tablets. Je kunt de tablet zien als een nieuwe mogelijkheid voor je kind om te ontdekken. Er zijn apps die de ontwikkeling van je kinderen stimuleren. Kijk altijd eerst zelf en laat je adviseren. Vooral uit andere talen vertaalde apps zijn niet altijd even goed.

Te lang computeren

Net als te veel tv-kijken is te lang computeren ook niet goed voor je kind. Andere activiteiten, zoals tekenen en spelen, zijn natuurlijk ook belangrijk. Probeer een gezonde balans te vinden.

Tips

  • Voor peuters is een speciale kindermuis verkrijgbaar.
  • Om een goede keuze te maken uit websites en apps, kun je advies vragen aan andere ouders, de pedagogisch medewerkers van het kinderdagverblijf of de peuterspeelzaal, en de bibliotheek.
  • Er zijn websites waar je advies en informatie kunt vinden over mediaopvoeding.

Vrije tijd en vakantie

Ouders en kinderen hebben tegenwoordig een druk bestaan. Dan is ontspanning erg fijn en natuurlijk ook belangrijk.

Er zijn diverse mogelijkheden van vrijetijdsbesteding. Bijvoorbeeld logeren bij opa en oma of lekker op vakantie gaan. Voor kinderen wordt vaak van alles georganiseerd!

Logeren

De meeste kinderen vinden logeren leuk, bijvoorbeeld logeren bij oma en opa of bij vriendjes en vriendinnetjes. Een peuter krijgt meestal geen heimwee. Als je kind wat ouder wordt, soms wel. Heimwee is een vorm van angst.

Van jongs af aan wennen

Als je kind als baby al af en toe bij een familielid of bekende ging slapen, is je kind al gewend om te gaan logeren. Je kind vindt het dan prettig bij degene met wie hij vertrouwd is, bijvoorbeeld bij opa en oma.

Je kind voorbereiden

Misschien is het de eerste keer dat je kind ergens logeert? Als je kind vaker alleen bij diegene thuis is geweest, zal hij zich snel op zijn gemak voelen. Toch is het verstandig je kind voor te bereiden.

  • Je kind zal misschien vragen stellen. Misschien wil hij weten waarom hij gaat logeren en waarom hij niet bij jou kan blijven. Leg hem rustig alles uit.
  • Blijf vooral zelf rustig en breng het als een leuke gebeurtenis.
  • Vertel je kind natuurlijk ook wanneer je hem weer op komt halen. Houd er rekening mee dat je kind waarschijnlijk nog weinig besef heeft van tijd.

Knuffelbeest

Sommige kinderen zijn erg gehecht aan hun knuffelbeest. Een knuffelbeest werkt kalmerend en biedt troost als je kind heimwee krijgt.

Bellen

Misschien vindt je kind het fijn als je hem nog even belt voordat hij gaat slapen. Maar het kan ook zijn dat hij dit juist niet fijn vindt, omdat hij heimwee krijgt bij het horen van je stem. Als je het zelf moeilijk vindt dat je kind weg is en je kind merkt dit, is het ook niet zo verstandig om te bellen.

Voor het slapen gaan

Het bedritueel van je kind is belangrijk. Ook als hij gaat logeren kun je het best dit bedritueel zo veel mogelijk hetzelfde laten. Bijvoorbeeld eerst de pyjama aan, dan tandjes poetsen en vervolgens nog een verhaaltje voor het slapen gaan.

Op vakantie

De meeste mensen vinden het erg leuk om op vakantie te gaan met het hele gezin. Je kunt samen allerlei leuke activiteiten doen.

Bijvoorbeeld naar de zee, plezier beleven in het pretpark, met een boot varen, kamperen op de Veluwe of samen door een grot lopen. En je vakantie begint al thuis. Je kunt je (oudere) peuter betrekken bij wat jullie gaan doen.

Voor vertrek!

Maar voordat je vertrekt, is er natuurlijk een goede voorbereiding nodig. Wat neem je allemaal mee? Heb je de juiste zonnebrandcrème? Is je paspoort nog geldig? Staan je kinderen op je paspoort bijgeschreven of hebben ze een eigen paspoort? Heb je een goede reisverzekering geregeld? En zijn er misschien inentingen nodig? Natuurlijk heb je ook spullen voor je kind nodig.

Tips voor vertrek

Als je op vakantie gaat, is het verstandig om je goed voor te bereiden. Zeker wanneer je een verre reis of een lange reis gaat maken.

Wat moet je voor vertrek regelen? Wat neem je mee? Zijn de reisdocumenten compleet? En is het nodig om ook een EHBO-setje in te pakken? En vakantiepret samen met je peuter ontstaat al voor je op vakantie bent.

Je kind voorbereiden: pret vooraf

Voor kinderen is op vakantie gaan op een leuke manier spannend. Je kunt je (oudere) peuter al betrekken bij je vakantie. Kijk eens samen op internet of laat folders zien. Praat over waar jullie slapen en wat er te zien is. Welke taal praat men in het land? Hoe klinkt dat? Wat gaan jullie doen? Dergelijke gesprekjes helpen je kind vooruitdenken. Het is goed voor de sfeer en erg leerzaam.

Voor vertrek

Voordat je vertrekt is het verstandig om een lijst te maken met alles wat nog geregeld moet worden. Bijvoorbeeld de inentingen, dat iemand de planten water geeft en voor de post zorgt, dat je de gaskraan dichtdraait, dat je de prullenbak leegt en het vuilnis weg doet.

Inpakken

Voor het inpakken, is het handig om eerst een lijst te maken van wat je mee wilt nemen. Natuurlijk kleding en schoon ondergoed, maar ook verzorgingsproducten, geneesmiddelen en reisdocumenten. Daarnaast is het ook verstandig om je verzekeringspapieren bij de hand te hebben. Maak ook kopieën van je reisdocumenten en andere belangrijke papieren. Als ze gestolen worden of als je ze kwijtraakt, dan kun je dit aantonen.

Voor de kinderen

Het is verstandig om een aparte lijst te maken met wat je mee wilt nemen voor je kind. Het hangt natuurlijk van de leeftijd van je kind af wat je nodig bent. Bijvoorbeeld luiers, spenen, voorleesboeken, speelgoed, zonnebrandcrème, een zonnehoedje en de lievelingsknuffel.

Medische artikelen

Als iemand in je gezin geneesmiddelen gebruikt, is het natuurlijk belangrijk om die niet te vergeten. Vraag ook je huisarts een doktersverklaring in het Engels, zodat je kunt aantonen dat het om geneesmiddelen gaat. Het komt soms voor dat geneesmiddelen in het buitenland aangezien worden voor drugs.

Andere medische artikelen die je nodig zou kunnen hebben, zijn onder andere pijnstillers, neusdruppels, middel tegen diarree, middel tegen reisziekte, een slaapmiddel, zalf tegen insectenbeten en jeuk, pleisters, jodium en een thermometer.

Tips voor onderweg

De meeste gezinnen gaan met de auto op vakantie. Maar ook wanneer je bijvoorbeeld met de trein of met het vliegtuig gaat, kunnen deze tips voor onderweg nuttig zijn.

Tegen de verveling

Kinderen vinden het meestal saai op achterbank. Vooral tijdens een lange reis. Ze vervelen zich snel waardoor ze gaan jengelen en zeuren. Zorg er dus voor dat je kind wat te doen heeft.

  • Bedenk van te voren samen wat je meeneemt, bijvoorbeeld speelgoed, knuffels, voorleesboekjes en muziek.Geef niet alles tegelijk.
  • In de trein kun je heel goed voorlezen. En als je een tablet hebt, komt dat nu goed van pas.
  • Ga je met de trein? Af en toe samen door de trein lopen zorgt voor afwisseling.
  • Er zijn speciale reisspelletjes die geschikt zijn voor onderweg. Maar veel van die spelletjes hebben kleine onderdelen die gevaarlijk zijn voor kinderen onder de 3 of 4 jaar. En sommige spelletjes zijn ook in de trein te doen.
  • Praat met elkaar over wat je ziet onderweg. Samen liedjes zingen en rijmen is ook leuk.

Waarschijnlijk zal je kind slapen onderweg. Zorg dat je kind lekker en veilig kan slapen.

Even uit de auto

Vooral wanneer je een lange reis maakt, kun je beter regelmatig stoppen. Je kunt dan even lopen en een broodje eten. Ook je kind kan zijn energie kwijt, bijvoorbeeld door rond te lopen of misschien zelfs even te voetballen op het gras bij de parkeerplaats.

Eten en drinken

Het is belangrijk om van te voren goed te eten en te drinken. Vooral wanneer je kind snel last heeft van wagenziekte, omdat eten tijdens de rijden misselijkheid kan veroorzaken. Geef je kind daarom onderweg liever licht verteerbaar voedsel, zoals fruit, crackers, soepstengels en plakjes komkommer.

Niet te veel snoepen

Te veel suiker zorgt voor te veel energie. Geef je kind daarom niet te veel snoep tijdens een lange reis.

Reisziekte

Reisziekte is een verzamelnaam voor ziektes, zoals wagenziekte, zeeziekte en luchtziekte.

Door de ongecontroleerde, schokkerige en plotselinge bewegingen raakt het evenwichtsorgaan verstoord en kun je misselijk worden. Dit kan bijvoorbeeld ook gebeuren in pretparken, attractieparken en op de kermis.

Symptomen

Reisziekte komt het meest voor bij jonge kinderen. Je kind wordt bijvoorbeeld misselijk tijdens de autorit. Andere symptomen zijn hoofdpijn, overgeven, moeheid en duizeligheid. Je kind voelt zich over het algemeen niet lekker. Bij lange reizen kan het gebeuren dat je kind went aan het gevoel waardoor de symptomen afnemen.

Reisziekte voorkomen

Om reisziekte te voorkomen, of ervoor te zorgen dat de symptomen minder erg zijn, kun je een aantal voorzorgsmaatregelen nemen.

  • Laat je kind niet te veel te eten en drinken de avond voor vertrek.
  • Laat je kind tijdens de reis met kleine slokjes drinken en licht verteerbaar voedsel eten.
  • Zoek een plaats voor je kind waar zo weinig mogelijk beweging is (op een boot is dat midden op het dek, in het vliegtuig bij de vleugels en in de auto is dat voorin met een goed zicht op de weg).
  • Zorg voor frisse lucht.
  • Vermijd tabaksrook, dieseldampen en autogassen.
  • Het kan helpen om je kind af te leiden met spelletjes en muziek. Een boekje lezen verergert vaak de symptomen.

Behandeling

Wanneer de voorzorgsmaatregelen niet of nauwelijks helpen, kun je overwegen om je kind geneesmiddelen te geven tegen reisziekte. Bij de apotheek of de drogist zijn deze middelen verkrijgbaar. Op de bijsluiter staan eventuele bijwerkingen en welke dosering geschikt is voor je kind.

Activiteiten in de vakantie

Je kind vindt het waarschijnlijk erg leuk om activiteiten te ondernemen en uitstapjes te maken. Tijdens de vakantie heb je daar natuurlijk mooi de tijd voor!

Uitstapjes

Veel kinderen vinden het leuk om naar het bos of op het strand te gaan. De meeste peuters gaan ook graag naar de kinderboerderij of de dierentuin. Verder vinden peuters het meestal erg leuk als jullie gaan picknicken. Met je (oudere) peuter kun je naar een vuurtoren of een kasteel. Ook sommige milieu-educatiecentra zijn geschikt voor peuters en organiseren in de vakanties vaak speciale activiteiten.

Musea

Er zijn enkele musea die ook leuk zijn voor je (oudere) peuter. Musea zijn leuk voor peuters als ze iets kunnen doen, ergens in en uit kunnen, lekker spelen. Verwacht niet dat je kind luistert naar informatie. Je kunt af en toe wat uitleggen als dat aansluit bij waar je kind mee bezig is.

Pretparken

In Nederland zijn er verschillende pretparken. Er zijn grote pretparken met veel attracties voor de oudere kinderen. Maar er zijn ook kleine pretparken gericht op jonge kinderen. Maar voor jonge peuters is een speeltuin vaak al genoeg.

Spelen in de buurt

Alle vriendjes zijn vrij. Je kunt fijn met elkaar spelen in de buurt of bij de speeltuin. Of je gaat fietsen en wandelen. Beweging is natuurlijk zowel goed voor jezelf als voor je kind. En misschien organiseert het buurthuis, de moskee, de kerk of de speeltuinvereniging wel speciale activiteiten voor je (oudere) peuter!

Nog meer tips!

  • Je kunt met je kind een stukje reizen met een vervoermiddel waar je kind (bijna) nooit mee is geweest, zoals de trein, de metro, de tram of bus en de pont. Kinderen onder 4 jaar mogen vaak gratis mee. Ga gewoon een stukje op en neer!
  • Kamperen is vaak een groot succes! Als je een tuin hebt, kun je in je tuin een tentje opzetten of een tentje maken met lakens.
  • Heb je als ouders weinig vakantie? Dan kan je kind bij familie of vrienden logeren. Logeren is vaak erg gezellig!

Verre reizen

Een verre reis, bijvoorbeeld naar China of Afrika, is een hele onderneming en vergt behoorlijk wat voorbereiding. Zeker als je met het hele gezin gaat en als de vakantie ook iets langer gaat duren. Het is verstandig om je kind te betrekken bij de reis en te zorgen dat je kind veel kan spelen.

Je kind voorbereiden: pret vooraf

Voor kinderen is een verre reis spannend en leerzaam. Betrek je kind bij waar jullie naar toe gaan. Kijk eens samen op internet. Praat met je kind over waar jullie slapen en wat er te zien is. Welke taal praat men in het land? Hoe klinkt dat? Wat gaan jullie doen? Dergelijke gesprekjes helpen je (oudere) peuter vooruitdenken. Het is goed voor de sfeer en erg leerzaam.

Ver weg: samen beleven

Houd bij het reizen rekening met wat je kind leuk vindt en dat je kind vaak kan spelen. Praat met je (oudere) peuter over wat je ziet en meemaakt. Ga in op de verwondering en vragen van je kind.

Paspoort en visum

Het is verstandig om ruim van te voren te controleren of je paspoort nog geldig is en of je kind bijgeschreven staat of misschien al een eigen paspoort of identiteitskaart nodig heeft. Nu hebben alleen kinderen vanaf 14 jaar een eigen paspoort of identiteitskaart nodig. Vanaf juni 2012 alle kinderen.

Neem hiervoor contact op met de afdeling burgerzaken van je woongemeente. Behalve een paspoort is het soms ook nodig om een visum te regelen. Ook voor je kind. Een visum regel je bij de ambassade van het land waar je naartoe gaat.

Warm klimaat

Als je naar een warm land gaat, is het belangrijk om goed op je gezondheid te letten en je voor te bereiden op andere temperaturen dan je gewend bent. In landen met een warm klimaat zijn er bijvoorbeeld vaak meer ziektes. Daarom is het belangrijk om jezelf en je kinderen van te voren te laten inenten.

Tijdens de vakantie is het ook verstandig om veel water te drinken tegen uitdroging door de hitte. Je kunt eventueel bij de apotheek of de drogist vochtregulerende middelen kopen voor jezelf en voor je kind. Daarnaast kun je ook beter uit de zon blijven en de schaduw opzoeken.

Vliegen

Als je met het vliegtuig gaat, kunnen de kosten voor verre bestemmingen behoorlijk oplopen. Jonge kinderen tot 12 jaar krijgen vaak korting. Het is raadzaam om van te voren te informeren naar de regels van een vliegmaatschappij wat betreft (hand)bagage, prijzen, de reistijd en een maaltijd aan boord. Als de reis lang duurt, is het verstandig om een (nek)kussen, lievelingsknuffels, speelgoed, voorleesboekjes, kleurplaten of andere spelletjes mee te nemen in het vliegtuig.

In het vakantieland

Eenmaal aangekomen is het wennen aan de nieuwe omgeving en het warme weer. Als jij en je kind last hebben van een jetlag, kun je het best overdag wakker blijven en 's avonds op tijd naar bed gaan. Probeer de eerste 2 dagen niet te veel activiteiten te plannen. Maar ga rustig de omgeving verkennen, lekker wandelen of neem een duik in het zwembad. Ook je peuter heeft waarschijnlijk extra rust nodig.

Ziektes in het buitenland

In veel landen komen ziektes voor die in Nederland niet (meer) voorkomen. Vooral baby's en jonge kinderen zijn vatbaar voor infecties en ziektes.

Besmetting voorkomen

Ondanks dat je zelf en je kind inentingen krijgen, is het van belang om besmetting te voorkomen. Er zijn immers ook veel ziektes waarvoor je niet ingeënt kunt worden. Let daarom vooral goed op persoonlijke hygiëne, maar ook op de hygiëne van voedsel en drinkwater.

  • Eet bijvoorbeeld geen rauw of halfbakken vlees.
  • Geef je kind (in landen waar het kraanwater onveilig is) alleen gekookt water of mineraalwater uit flesjes.
  • En geef geen voedingsmiddelen waarbij kraanwater is gebruikt, zoals fruitsalades en schep- of softijs.
  • Gebruik ook geen ijsblokjes die gemaakt zijn van kraanwater!

Diarree

Als je zelf of als je kind in het buitenland last krijgt van (acute) diarree is het niet verstandig om diarreeremmers te nemen. De bacterie die de darmontsteking veroorzaakt, moet juist via de ontlasting het lichaam verlaten.

  • Je kunt het best veel water blijven drinken en normaal blijven eten.
  • Jonge kinderen kunnen door diarree makkelijk uitdrogen, zeker als het ook nog erg warm is. Daarom is het verstandig ORS (een oplossing van zouten en druivensuiker of zetmeel in water) voor hen mee te nemen op reis.
  • Let ook op een goede hygiëne en eet geen voedsel dat over de datum is.

Malaria

Malaria is een infectieziekte die overgebracht worden door muggen. Er zijn geneesmiddelen die malaria kunnen voorkomen. Niet elk middel is geschikt voor jezelf of voor je kind. Dat hangt af van de leeftijd, hoe lang je op reis gaat en tegen welk type mug je bescherming nodig hebt.

De malariamiddelen die je kunt gebruiken, voorkomen natuurlijk niet dat je gestoken wordt. Daarom is het verstandig om de volgende voorzorgsmaatregelen te nemen voor jezelf en voor je kind.

  • Blijf binnen tijdens de ochtend- en avondschemering.
  • Zorg voor kleding waarmee je de huid zo veel mogelijk bedekt.
  • Plaats horren en klamboes die je hebt behandeld met een insectenwerend middel.
  • Voor zover bekend, is het insectenwerend middel DEET het enige middel dat een sterk afwerende werking heeft tegen muggen en teken. DEET is in meerdere vormen verkrijgbaar.

Aangepaste vakantie

Als je kind een functionele beperking heeft, kan het lastig zijn om een vakantie te boeken. Veel vakantieadressen hebben geen speciale accommodaties. Daarom kan het een behoorlijke zoektocht zijn. Maar mogelijkheden zijn er wel.

Betrouwbaarheid

Als je een vakantie boekt, weet je nooit helemaal zeker waar je terecht komt. Zeker als je een vakantie boekt in het buitenland, kun je slechts afgaan op de informatie die te vinden is op internet of in brochures. Daarom is het verstandig om van te voren zo veel mogelijk informatie te verzamelen en ook te bellen met vakantieadressen. Leg duidelijk je situatie voor en bespreek de mogelijkheden.

De NBAV

De Nederlandse Branchevereniging Aangepaste Vakanties (de NBAV) richt zich op vakanties voor mensen met een functionele beperking. De vereniging houdt scherp de betrouwbaarheid en kwaliteit in de gaten van reisorganisaties en accommodaties. Dit doen zij door middel van herhaaldelijke keuringen. Via hun 'Blauwe Gids' kun je leuke aangepaste vakanties vinden in Nederland of in heel Europa.

Opvallend gedrag

Eén van de lastigste dingen van ouder zijn, is dat je soms geen vat lijkt te krijgen op je kind. Ook al doe je heel erg je best.

Zo kan het zijn dat je in wezen alles goed doet: je biedt een veilige structuur, je steunt, stimuleert en stuurt je kind. Maar toch lijkt het niet te werken. Dan ga je vaak toch aan jezelf twijfelen, je kind merkt dat en reageert erop. Zo kun je in een negatieve spiraal terecht komen, waar de relatie tussen jou en je kind niet beter lijkt te worden.

Elk kind is uniek

Bij opvoeding zijn nu eenmaal altijd tenminste 2 partijen betrokken: de ouder en het kind. Kinderen kunnen ook zo hun problemen hebben, waardoor ze extra lastig op te voeden zijn. Het ene kind steekt nu eenmaal anders in elkaar dan het andere. Sommige kinderen neigen meer tot het vertonen van probleemgedrag dan andere kinderen. Dat maakt ze nog geen mindere mensen: elk kind is uniek en eigen. Maar het is voor jou als ouder wel moeilijker om een kind op te voeden dat probleemgedrag vertoont.

Niet alleen kun je zelf last hebben van het gedrag van je kind, mensen uit de omgeving kunnen ook negatief of betweterig reageren. Dat kan heel vervelend zijn.

Centrum voor Jeugd en Gezin

Er zijn veel soorten lastig gedrag waar ouders in de loop van de opvoeding van hun kind of kinderen mee te maken kunnen krijgen. Sommige problemen stellen hoge eisen aan je ouderschap, je kunt daarom extra steun en hulp te zoeken in je omgeving of bij het Centrum voor Jeugd en Gezin.

Agressief gedrag

Agressief gedrag is menselijk. Maar toch schrik je wanneer je kind schopt, bijt of slaat. Een kind kan agressief gedrag vertonen uit frustratie, boosheid, onmacht of angst. Ook al is je kind nog maar heel jong.

Zelf doen!

Als je kind ouder wordt, zal hij steeds meer alles zelf willen doen. Je kind denkt dat hij het kan, maar als iets niet lukt (of niet mag), is de kans groot dat hij boos en gefrustreerd raakt. Dat kan hij afreageren op zijn speelgoed, maar ook op andere kinderen of op zijn ouders.

Lichamelijke manier van uiten

Jonge kinderen kunnen hun gevoelens nog niet goed beheersen en ze ook nog niet goed op een goede manier uiten, zoals bijvoorbeeld te praten. Ze kunnen hun boosheid wel lichamelijk uiten, bijvoorbeeld door te schoppen, duwen of te slaan. Tot de leeftijd van 3 jaar vertonen de meeste kinderen wel eens agressief gedrag. Hier denk je kind niet bij na. Daarna neem het af, omdat een kind steeds beter kan praten en negatief gedrag afleert.

Wat kun je doen tegen agressief gedrag?

  • Blijf rustig. Als je kind slaat, sla dan niet terug.
  • Stemverheffing of schreeuwen helpt ook niet.
  • Reageer onmiddellijk als een kind een ander pijn doet. Ga er naar toe, maak contact en zeg duidelijk en beslist: "Nee, niet pijn doen."
  • Je kunt je kind beter even apart zetten als straf. Het is belangrijk dat je daarna met je kind over zijn gedrag praat.
  • Vertel je kind op een rustige maar duidelijke toon welk gedrag je niet accepteert en waarom niet, bijvoorbeeld omdat het pijn doet.
  • Vertel hem ook dat je begrijpt dat hij zich boos voelt, maar dat hij niet mag slaan, schoppen of bijten. Op die manier stel je duidelijke regels en grenzen aan het gedrag van je kind.
  • En ten slotte is 'sorry zeggen' natuurlijk ook belangrijk. Verplicht kusjes geven aan het slachtoffer lokt vaak weer een nieuwe uithaal uit. Houd het liever neutraal.
  • En het allerbelangrijkste: geef je kind complimenten elke keer dat je ziet dat hij goed samen speelt.

Jaloers gedrag

De meeste kinderen zijn wel eens jaloers. Het hoort bij de emotionele ontwikkeling.

Een broertje of zusje

Jaloezie komt veel voor bij jonge kinderen die een broertje of zusje krijgen. De meeste (oudere) peuters zijn af en toe jaloers. Dat is normaal. Ze snappen niet goed wat er aan de hand is en hebben er moeite mee dat ze de aandacht die ze normaal krijgen moeten delen.

Wennen aan de nieuwe situatie

Voordat een broertje of zusje wordt geboren, bereid je je kind voor door er over te praten. En je kind erbij te betrekken. Na de geboorte geef je je kind wat extra aandacht. Laat duidelijk merken dat je nog net zoveel van hem houdt als altijd. Betrek je kind bij de bezigheden met de baby. Maak duidelijk hoe belangrijk grote broer of zus is. Misschien kun je af en toe ook samen met je kind wat leuks gaan doen, zonder dat de baby erbij is.

Delen

Kleine kinderen hebben de neiging om spullen te verzamelen. Ze houden hun spullen goed in het oog. En als iemand eraan komt, zullen ze dat niet toelaten. Je kind zegt misschien ook vaak: "Van mij!" Delen is op deze leeftijd nog moeilijk, maar het is wel belangrijk dat je kind het leert.

Druk gedrag

Peuters zijn heel ondernemend. Ze zijn vaak de hele dag bezig. Het ene kind nog meer dan het andere kind.

Oorzaken

Maar misschien vind je je peuter soms te druk? Je kind gaat van het een naar het ander en zit geen minuut stil. Dat kan komen omdat je kind niet iets heeft om mee te spelen, je kind verveelt zich. Of je kind is in een heel onrustige omgeving of is eigenlijk heel moe. Meestal merk je wel wat er aan de hand is en kun je daar iets aan doen. Misschien kun je samen even spelen? Of als je kind moe is, juist even rustig een boekje voorlezen of je kind naar bed brengen.

Voorkomen

Het hangt natuurlijk van de leeftijd van je kind af hoe lang je kind rustig kan spelen. Maar ook van het temperament van je kind. Sommige kinderen hebben meer moeite om rustig bezig te zijn dan andere kinderen. Dat is niet erg, maar houd er wel rekening mee. Geef je kind ruimte en gelegenheid om te spelen en te ontdekken in en rond huis. Zorg voor afwisseling in activiteiten en uitdagende materialen waar je kind veel mee kan doen, zoals bouwstenen of grote dozen om te bouwen. Laat je kind regelmatig buiten spelen, ook als het slecht weer is. Blijf wel bij je kind.

Aandacht

Je hebt misschien de neiging om je kind vooral aandacht te geven op momenten dat je kind erg druk is. Maar geef je kind juist aandacht als je kind rustig is. Dat hoeft niet uitgebreid want dat stoort je kind, maar geef je kind wel een complimentje. Vertel erbij dat je het fijn vindt dat je kind rustig speelt. Je kind weet dan wat je van hem verwacht, voelt zich gezien en zal dit gedrag vaker vertonen. Speel af en toe met je kind of lees een boekje voor. Kijk goed naar je kind, dan zie je wanneer het genoeg is voor je kind.

Ruimte in huis

Sommige kinderen hebben een rustige woonsituatie nodig, met bijvoorbeeld weinig geluid en rommel. Misschien helpt dit ook bij jouw kind? Maar het kan ook zijn dat je kind juist veel uitdaging nodig heeft. Veel kan spelen in de woonkamer en op de slaapkamer.

Duidelijkheid

Je kunt je kind al vanaf een jaar of 2 enkele duidelijke regels gaan leren. Je kind weet dan wat je van hem verwacht. Het moeten dan wel regels zijn die bij de leeftijd van je kind passen. En je kind vergeet regels nog snel. Verwacht ook niet te veel van je kind. 10 Minuten kleuren is voor een peuter al veel.

Meer tips

  • Bied je kind de gelegenheid om een beetje uit te razen.
  • Vooral heel actieve kinderen zijn gebaat bij veel buiten zijn.
  • Rust en regelmaat zijn belangrijk.
  • Neem vaak een moment rust, bijvoorbeeld door met je kind een boekje te lezen.

Te druk?

Er zijn kinderen die al in de peuterperiode duidelijk drukker zijn dan andere kinderen. Zij zijn vaak chaotisch, luisteren helemaal niet en zijn erg onbezonnen. Ook spelen en omgaan met andere kinderen gaat vaak niet leuk. In dat geval kan er sprake zijn van ADHD.

Waaraan herken je ADHD?

Enkele duidelijke symptomen die ADHD onderscheiden van gewoon druk gedrag zijn: wiebelen, niet stil kunnen zitten, rennen en klimmen op momenten dat dat niet gepast is, niet stil kunnen spelen. En als je iets vraagt: terug schreeuwen, teveel praten, hun beurt niet afwachten. Op de peuterspeelzaal of het kinderdagverblijf valt je kind daardoor misschien in negatieve zin op.

Zoek hulp

Lukt het niet om het drukke gedrag van je kind te verminderen? Of vermoed je dat je kind ADHD heeft? Neem dan contact op met een hulpverlener. Je kunt terecht bij je eigen huisarts of bij de jeugdverpleegkundige of jeugdarts van de GGD. Pas op basisschoolleeftijd kan definitief worden vastgesteld of je kind ADHD heeft.

Opvoeden van een kind met ADHD

Een kind met ADHD is veel moeilijker op te voeden, daarom zijn regelmaat en voorspelbaarheid heel belangrijk. Een kind met ADHD heeft veel steun nodig, en mag niet worden veroordeeld alsof hij expres zo druk doet.

Driftbuien

Vanaf 1 jaar gaan kinderen zelf lopen en steeds meer ondernemen. Je kind wil steeds meer zelf doen en bepalen wat er gebeurt. Dat kan niet altijd. Je kind kan driftig worden wanneer iets niet lukt. Dit is een vrij normaal verschijnsel in zijn emotionele ontwikkeling.

Normaal rond 3 jaar

Driftbuien komen vooral voor tussen 2 en 3 jaar en horen bij de zogenaamde 'peuterpubertijd'. Dit is normaal. Vanaf 3 jaar wordt dit geleidelijk aan minder en rond het 5e jaar zijn ze zo goed als verdwenen.

Driftbuien voorkomen

  • Zorg dat je kind niet in situaties terechtkomt waarin je kind steeds 'nee' te horen krijgt. Zet dingen weg. Je hoeft dan niet steeds 'nee' te zeggen.
  • Zorg dat je kind wat te doen heeft.
  • Leer je kind enkele, duidelijke regels. Leg ook uit waarom iets niet mag. Je peuter gaat dit dan begrijpen.
  • Gebruik zoveel mogelijk vaste tijden om te eten. Ook een vast slaapritueel geeft je kind duidelijkheid.
  • Vertel je (oudere) peuter wat je doet en wat er gaat gebeuren. Je kind weet dan wat het kan verwachten.
  • Verwacht je niet te veel van je kind? Hij kan nu bijvoorbeeld nog niet aan tafel blijven zitten.
  • Let op wanneer je kind zich goed gedraagt en geef dan een complimentje. Zeg hierbij tegen je kind wat je kind goed doet.
  • Denk eerst na voor je 'ja' of 'nee' zegt. Blijf dan bij je besluit. Negeer de driftbui die volgt. Als je nu toegeeft, ziet je kind dat als een beloning voor het driftige gedrag.

Het zal niet altijd lukken om een driftbui te voorkomen. Ook heeft het ene kind meer last van driftbuien dan het andere kind. Dit heeft met temperament te maken.

Hoe ga je om met driftbuien?

  • Heeft je kind ongewenst gedrag? Lijkt het of je kind ieder moment een driftbui kan krijgen? Zeg wat je kind moet doen. Stop met waar je mee bezig bent. Vertel je kind welk gedrag moet stoppen, en wat je kind wèl moet doen. Bijvoorbeeld: "Lia, stop nu met schreeuwen. Je kunt het vragen als je iets wilt hebben."
  • Is je kind driftig en staat hij te stampen en te schreeuwen? Bijvoorbeeld in een winkel? Negeer hem dan. Doe alsof je hem niet ziet en hoort. Geef pas aandacht als de bui over is. Geef een complimentje zodra je kind zich goed gedraagt, maar blijf er niet te lang bij stil staan.
  • Probeer het negeren van een driftbui eerst thuis uit. Dat is makkelijker dan in situaties met publiek erbij. Als je weet dat de aanpak werkt, sta je steviger in je schoenen als je peuter in de supermarkt een driftbui krijgt.
  • Je kunt een driftbui alleen negeren als je dit kunt volhouden tot de bui over is.
  • Als je weet dat je dit niet lukt, kun je kiezen voor stil zetten in de ruimte waar je kind op dat moment is of je kind apart zetten op een andere, saaie plek.
  • Ga niet in discussie met je kind.
  • Geef niet toe, want dan beloon je hem voor zijn gedrag en dan gaat hij het vaker doen.
  • Word niet kwaad op je kind en straf je kind niet. Peuters moeten leren om hun gevoelens op een normale manier te uiten.

Zelf rustig blijven

Als je kind een driftbui heeft, is het lastig om zelf rustig te blijven. Vooral bij extreme driftbuien in het openbaar kun je je ongemakkelijk voelen en is de verleiding groot om je kind te sussen: "Pak die snoepjes dan maar."

Als je dat doet, beloon je je kind voor de driftbui en zal hij het vaker doen. Geef hem dus niet zijn zin. Soms vinden mensen je misschien een gemene ouder als je je kind zo laat schreeuwen. Besef dat die mensen niet weten hoe je een kind moet opvoeden.

Bedenk ook dat driftbuien er eigenlijk gewoon bij horen. Alle kinderen doen dit. Je kind begint nu langzaam zelfstandiger te worden.

Weglopen

Peuters zijn impulsief, ze lopen soms zomaar opeens weg. Meestal omdat ze iets zien waar ze naar toe willen. Op straat kan dit door het verkeer gevaarlijk zijn.

Hoe zorg je dat je kind in je buurt blijft?

Als je samen wandelt of buiten bent, is het belangrijk om je peuter aandacht te geven. Praat samen over de dingen die jullie zien. Dit is ook goed voor de ontwikkeling van je kind. Vertel van tevoren wat je gaat doen en wat de regels zijn. Bijvoorbeeld: "We gaan naar de winkel, maar je moet goed bij mij blijven." Tijdens het lopen herhaal je die regels. Prijs je kind als hij zich aan de regels houdt en wijs je kind terecht als hij ze negeert.

Wat als je kind toch wegloopt of wegrent?

Als je kind ervandoor gaat, ga je zo snel mogelijk naar je kind toe. Houd daarna de hand van je kind weer even vast tijdens het wandelen. Werkt dat niet, laat je kind dan een tijdje op de stoep zitten. Leg uit dat dit moet omdat je kind weg was gelopen. Geef 30 seconden geen aandacht aan je kind, maar zorg wel dat je kind blijft zitten. Ga dan naar huis en probeer het bij een volgende wandeling weer. Als het goed gaat, prijs het gedrag van je kind dan. Complimenten doen wonderen.

Jong beginnen

Vooral in het begin (als je voor het eerst met je kind naar buiten gaat) is het belangrijk om deze technieken toe te passen. Het is begrijpelijk dat het niet altijd lukt om consequent te zijn. Maar alles wat je je kind in het begin kunt bijbrengen is meegenomen. Het scheelt je uiteindelijk veel gedoe.

Vakantie

Wanneer je op vakantie bent of in een vreemde omgeving, gebeurt het misschien sneller dat je je kind uit het oog verliest. Maar het kan ook zijn dat je kind de tent, caravan of bungalow niet terug kan vinden. Geef je kind een naamplaatje met daarop de naam van je kind, je mobiele nummer en je vakantieadres. Als je kind 3 of 4 jaar is, kun je je kind leren om naar een politieagent of een medewerker toe te gaan als hij jou kwijt is. Of spreek een vast punt af: een duidelijk herkenbare plek zoals een strandpaal of strandpaviljoen.

Vermist

Het kan gebeuren dat je je kind zelf niet kunt vinden en dat hij ook niet teruggebracht wordt. Als je kind wordt vermist, kun je het best 112 bellen en duidelijk uitleggen wat er precies aan de hand is. Vervolgens zal de politie proberen je kind op te sporen. Meestal wordt hierbij het 'Amber Alert' ingeschakeld.

Concentratieproblemen

Je kind leert steeds meer om langere tijd en geconcentreerd met hetzelfde bezig te zijn.

Voor peuters is het nog lastig om zich op een ding te richten. Maar niet alleen de leeftijd heeft invloed. Ook verschillen kinderen wat betreft temperament. Het ene kind gaat meer van het een naar het ander. Het andere kind doet graag de dingen netjes na elkaar.

Schep rust

Je kunt als ouder je kind helpen om zich langer achtereen te concentreren. Zorg voor een rustige omgeving. Neem ook de tijd voor je kind. Dat vraagt van jezelf een gevoel van 'we hebben alle tijd en aandacht'.

Interesse geeft concentratie

Je kind heeft meer concentratie als hij interesse heeft in wat hij doet. En hij is langer met iets bezig als de activiteit past bij wat hij wil. Laat je kind dan ook regelmatig zelf kiezen. Kijk goed welke initiatieven uit je kind zelf komen en sluit daarbij aan. Het is verder belangrijk dat de activiteit past bij wat je kind kan en dus niet te makkelijk of te moeilijk is.

Leren doorzetten

Je kind moet de komende jaren leren om ergens aan te beginnen en het ook af te maken. Vanaf een jaar of 3 kun je beginnen je kind dit geleidelijk aan te leren. Bijvoorbeeld door je kind af en toe verder te helpen: "Als je dit eerst vastplakt, dan kun je daarna weer verder." Natuurlijk geef je je kind complimenten als je kind doorzet.

Het gaat om de activiteit

Sommige dingen kosten moeite, maar het is des te fijner als je ze bereikt. Je kind mag natuurlijk ook iets proberen en merken dat het toch niet zo leuk is. Ook is het niet erg als iets niet (helemaal) lukt. Het gaat meer om de activiteit en om het proberen, dan om het resultaat. Je kind leert er ook van als iets niet lukt. Bijvoorbeeld dat het papier te dun is en de toren niet blijft staan. De volgende keer probeert je kind het misschien met karton.

Wat als concentreren niet lukt?

Misschien merk je dat je (oudere) peuter bij elke bezigheid niet langer dan enkele minuten de aandacht erbij kan houden. Je hebt het idee dat dit erger is dan bij leeftijdgenoten? Je kunt daarover praten met andere ouders of met de pedagogisch medewerkers van de peuterspeelzaal of het kinderdagverblijf.

Blijf je je zorgen maken? Of wil je meer weten? Neem dan contact op met het Centrum voor Jeugd en Gezin of je huisarts. Er hoeft niets aan de hand te zijn. Maar soms zijn al in de peuterleeftijd signalen van overgevoeligheid voor prikkels te zien (ADHD).

Dwingend gedrag

Je zin doordrammen. Dat is de basis van dwingend gedrag. Sommige kinderen proberen het met een heel lief stemmetje en grote ogen. Andere kinderen proberen op een negatieve manier hun zin door te krijgen, bijvoorbeeld door te schreeuwen.

Huilen en schreeuwen

Je kind kan bijvoorbeeld gaan stampvoeten, huilen en schreeuwen. Je kunt dit gedrag negeren, maar je kunt je kind ook goed aankijken en op strenge toon zeggen dat hij nu moet ophouden en rustig moet worden. Wees consequent en geef je kind niet alsnog zijn zin. Want op die manier leert je kind dat hij door te huilen en te schreeuwen zijn zin krijgt. Hij zal het dus juist vaker doen. Als je kind luistert en zich goed gedraagt, kun je hem een compliment geven. Benoem daarbij wat je kind goed doet.

Hangerig en vervelend

Sommige (oudere) peuters worden hangerig, vervelend of gaan zeuren. Zeker als je kind moe is en geen zin meer heeft, bijvoorbeeld tijdens het winkelen. Het is belangrijk dat je kind weet waar hij aan toe is. Zeg bijvoorbeeld dat je nog naar 1 winkel gaat en daarna naar huis. Op die manier geef je je kind duidelijkheid. Ook kun je je (oudere) peuter al een beetje laten meehelpen, bijvoorbeeld spullen in het winkelwagentje leggen. Duidelijkheid en gezelligheid voorkomen driftbuien.

Schelden en vloeken

Kinderen tussen de 2 en 4 jaar zijn zeer intensief bezig met communiceren en leren praten. Je kind pikt snel allerlei woorden op. Ook als je er iets uitfloept wat eigenlijk niet voor kinderoren bestemd was.

Weet je kind wat hij zegt?

Je peuter begrijpt waarschijnlijk niet wat het woord betekent. Maar hij ziet wel de reacties die hij daarop krijgt. Als mensen gaan lachen of gniffelen, dan is dat positief. Ook als je niet weet hoe je moet reageren, kan dat een grappig effect hebben. Je kind voelt dit goed aan en roept het woord alleen nog maar harder en vaker.

Wat kun je doen?

  • Het is allereerst verstandig om zelf het goede voorbeeld te geven. Gebruik dus geen scheldwoorden, vloekwoorden of andere schuttingtaal.
  • Daarnaast kun je beter niet gaan lachen. Het best is om volledig te negeren wat je kind zegt. Je moet dit negeren dan volhouden.

Opvoedingsondersteuning

Opvoeden is niet altijd even makkelijk. Het is daarom goed dat je steun zoekt, als je problemen tegenkomt.

Hulp nodig?

Praat er over met andere ouders en zoek zo nodig hulp. In Nederland zijn er veel manieren waarop je hulp kunt krijgen bij de opvoeding. Je kunt bijvoorbeeld een cursus opvoedingsondersteuning volgen, maar je kunt ook met je hulpvraag terecht bij het Centrum voor Jeugd en Gezin bij jou in de buurt.

Opvoedspreekuur

Bij Centra voor Jeugd en Gezin kun je terecht met je vragen over opvoeding en ontwikkeling van je kind. Je kunt er informatie vinden en vaak wordt er een opvoedspreekuur georganiseerd. Je kunt je vraag dan stellen aan een pedagoog. Zo nodig spreek je met elkaar enkele adviesgesprekken af.

Oudercursussen

Voor de opvoeding kun je meerdere cursussen volgen, die door verschillende organisaties worden aangeboden. Deze cursussen zijn bijvoorbeeld specifiek gericht voor de opvoeding van peuters, kinderen of jongeren. Ook zijn er programma's waarbij je leert om de ontwikkeling van je kind te stimuleren. En er zijn verschillende vormen van begeleiding thuis. Voor informatie over het aanbod kun je terecht bij het CJG.

Oudertraining

Oudertraining is bijvoorbeeld voor ouders met kinderen die een bepaalde aandoening hebben, zoals ADHD. Tijdens deze training leren de ouders hoe ze hiermee om moeten gaan en wat het beste is voor hun kind. Oudertraining wordt in veel gevallen aangeboden in combinatie met een training voor het kind. Soms kan het zijn dat oudertraining groepsgewijs aangeboden wordt. In dat geval heb je het voordeel dat je je eigen ervaringen kunt delen met andere ouders.

Lotgenotencontact

In alles wat je meemaakt, heb je lotgenoten die hetzelfde hebben doorstaan. Veel ouders hebben de behoefte om met lotgenoten te praten over wat hen is overkomen en hoe anderen hun tegenslagen hebben ervaren. Contact met lotgenoten kan veel steun bieden, maar soms levert het ook goede adviezen van andere ouders op.

Begeleiding thuis

Er zijn verschillende vormen van begeleiding thuis.

Opvoeding

Er komt bijvoorbeeld een hulpverlener bij je thuis die je praktische opvoedtips kan geven als je bepaalde problemen ondervindt bij de opvoeding van je kind. Het gaat hierbij om problemen, zoals ruzie met andere kinderen en leerproblemen.

Beperking

Er is ook ondersteuning voor ouders met kinderen met een bepaalde lichamelijke of een verstandelijke beperking, voor ouders met bijvoorbeeld autisme, ADHD of een niet-aangeboren hersenletsel (NAH).
Voor sommige vormen van steun heb je een indicatie nodig. Het Centrum voor Jeugd en Gezin, MEE of de huisarts kunnen je daar meer over vertellen.

Home-Start

Home-Start is een programma voor opvoedingsondersteuning. Ervaren en getrainde vrijwilligers bieden ondersteuning, praktische hulp en vriendschap aan ouders met ten minste één kind van 6 jaar of jonger. Als gezin geef je zélf aan op welke gebieden je steun nodig hebt: je eigen vragen staan centraal.

Dit kun je van Home-Start verwachten:

  • een steuntje in de rug;
  • hulp bij praktische zaken;
  • ondersteuning bij de opvoeding van kinderen tot 6 jaar;
  • de mogelijkheid om contacten te leggen met andere ouders.

Je kunt Home-Start inschakelen als je bijvoorbeeld graag je eigen zelfvertrouwen wilt vergroten en je sociale relaties wilt versterken. Of als je hulp nodig hebt bij het gebruik maken van verschillende diensten, voorzieningen en regelingen.

Home-Start bij jou in de buurt?

Home-Start is in veel gemeenten in Nederland actief! Op de website van Home-Start vind je en overzicht van alle gemeenten en alle coördinatoren. Meestal word je via het consultatiebureau of via het Centrum voor Jeugd en Gezin verwezen naar Home-Start. Maar je kunt je ook zelf aanmelden bij Home-Start voor een kennismakingsgesprek.

KopOpOuders

KopOpOuders is bedoeld voor ouders met psychische problemen of verslavingsproblemen en hun partners. In Nederland zijn er naar schatting 864.000 ouders met deze persoonlijke problemen. Je bent dus niet de enige!

Het beste voor je kind

Je kind een gelukkige jeugd geven, dat is wat de meeste ouders willen. Maar opvoeden is een hele opgave en valt soms niet mee. Wanneer je bijvoorbeeld veel met jezelf bezig bent door psychische problemen, stress en overspannenheid. Dan kan het moeilijk zijn je kind voldoende aandacht te geven. Toch wil je het beste voor ze.

De cursus

De KopOpOuders groepscursus wordt

  • begeleid door deskundigen in de geestelijke gezondheids- en verslavingszorg;
  • biedt informatie, oefeningen, film, en tips hoe je ondanks alles toch een goede ouder voor je kind kunt zijn;
  • bevordert het psychisch welzijn van je kind en van jezelf.

Instapje

Het doel van Instapje is om de ontwikkeling van kinderen van laagopgeleide ouders te verbeteren. Instapje is voor ouders en hun kind van 1 jaar. Als ouder kun je je hiervoor opgeven. Je leert dan om je kind beter te ondersteunen en stimuleren in zijn ontwikkeling.

Hoe werkt Instapje?

Je kind leert spelenderwijs van jou. Om je daarbij te helpen, komt er een Instapje-medewerkster bij je thuis. De Instapje-medewerkster neemt speelgoed en boekjes mee en een map met spelletjes en liedjes. Samen spelen en zingen jullie met je kind. De Instapje-medewerkster laat hierbij zien hoe je je kind kunt stimuleren. Ze gebruikt daarbij zogenoemde 'vuistregels'. De andere dagen van de week speel je zelf met je kind.

De 4 vuistregels

  1. Steun je kind. Een kind heeft ouders nodig die met hem meedoen en meeleven. Het is dus belangrijk dat je positief reageert op je kind, je kind aanmoedigt dingen te doen en hem te troosten als hij dat nodig heeft. Daardoor voelt je kind zich veilig en wordt hij actiever. Hij krijgt vertrouwen dat hij allerlei dingen zelf kan doen.
  2. Volg je kind. Een kind leert heel veel door zo veel mogelijk zelf te doen. Laat je kind dus (eerst) zelf dingen uitproberen. Ook is het belangrijk dat je goed kijkt en luistert naar je kind en reageert op wat hij nodig heeft.
  3. Bied je kind structuur. Een kind wil heel graag leren hoe alles in elkaar zit. Als ouder kun je de wereld om hem heen een beetje begrijpelijker maken. Daarom is het belangrijk structuur aan te brengen in het dagelijks leven.
  4. Praat met je kind. Over allerlei dingen en uitleggen wat hij nog niet begrijpt, bevordert de ontwikkeling van je kind.

Gezondheid en voeding

De gezondheid van je kind is belangrijk. Een goede gezondheid is immers een voorwaarde voor een prettig leven. Bij gezondheid kun je denken aan gezonde voeding, een goed gewicht, voldoende beweging en een goede nachtrust. Maar ook aan onderzoeken, vaccinaties en medicijnen.

Problemen met de gezondheid

Er zijn veel kwaaltjes en kinderziekten waar je mee te maken kunt krijgen. Bijvoorbeeld eczeem, griep, verkoudheid, wratten en hoofdluis. Het is goed om te weten wat je kunt doen wanneer je kind iets mankeert. Sommige ziekten zijn gevaarlijk, maar lang niet in alle gevallen is het nodig om meteen naar de huisarts te stappen.

Het consultatiebureau

De Jeugdgezondheidszorg (waar het consultatiebureau onder valt) is onderdeel van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Jeugdartsen en jeugdverpleegkundigen die er werken, volgen de groei en de ontwikkeling van kinderen van 0 tot 19 jaar. De zorg die je daar krijgt, is gratis.

Meten, wegen en vaccineren

Het consultatiebureau houdt regelmatig bij hoeveel je kind weegt en hoe hard hij groeit. Dit wordt opgeschreven in het groeiboekje. Ook worden de basisvaccinaties van het Rijksvaccinatieprogramma verzorgd door het consultatiebureau. Als je kind een vaccinatie nodig heeft, dan krijg je hiervoor een oproep. Als je deze oproep niet hebt gekregen, kun je zelf contact opnemen met het consultatiebureau.

Wat als het niet zo goed gaat?

Misschien heb je het idee dat je kind niet goed groeit, dat er iets is mijn zijn ogen of gehoor, of dat je kind te weinig weegt of niets aankomt.

Als je je zorgen maakt over de gezondheid of ontwikkeling van je kind, mag je altijd contact opnemen met het consultatiebureau. Je wordt dan uitgenodigd voor een afspraak en de arts of verpleegkundige zal kijken wat er mogelijk aan de hand is met je kind. Het kan zijn dat het probleem gemakkelijk te behandelen is. Maar het kan ook zijn dat je doorverwezen wordt naar de huisarts of naar een specialist in het ziekenhuis.

Wanneer naar de huisarts?

In principe wordt je bij het consultatiebureau geholpen met alles wat maar met de groei en ontwikkeling van je kind te maken heeft. Maar als je kind bijvoorbeeld een wond heeft, echt ziek is of hoge koorts heeft, kun je beter direct een afspraak maken bij de huisarts.

Vroeghulp

Het kan gebeuren dat er iets aan de hand is met je kind, maar dat niemand precies kan zeggen wat. In dat geval worden er professionals ingeschakeld zoals Integrale Vroeghulp of het Medisch Kinderdagverblijf.

Digitaal dossier JGZ

In het digitaal dossier jeugdgezondheidszorg staan gegevens over de gezondheid en de ontwikkeling van je kind.

Van papier naar digitaal

Vanaf juli 2010 krijgen alle kinderen van 0 tot 19 jaar een digitaal dossier dat hun papieren dossier vervangt. Het digitale dossier wordt aangemaakt bij het eerste contact met de jeugdgezondheidszorg. Baby's krijgen een digitaal dossier in de 2e week na de geboorte bij het bezoek door de verpleegkundige. Vervolgens wordt het dossier gebruikt door het consultatiebureau. En als je kind 4 wordt, wordt het dossier overgedragen aan de schoolarts.

De voordelen van digitaal

Digitale dossiers zijn beter leesbaar dan handgeschreven dossiers. Gegevens kunnen beter en veiliger worden overgedragen. Dat is belangrijk, want kinderen verhuizen, wonen soms op 2 adressen of krijgen een andere arts of verpleegkundige.

Inzage

Het digitaal dossier van je kind is en medisch dossier en wordt alleen gebruikt door zorgverleners zoals artsen en verpleegkundigen die werkzaam zijn in de jeugdgezondheidszorg. Als ouder heb je recht op inzage in het dossier van je kind.

Vaccinaties

Sommige infecties kunnen ernstige gevolgen hebben. Daarom biedt het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) bescherming tegen 12 ernstige infectieziekten.

Hoe effectief zijn vaccinaties?

Vaccinaties zijn zeer effectief. 95 Procent van de kinderen die alle vaccinaties hebben gehad, is beschermd tegen gevaarlijke ziekten. En als een kind toch een bepaalde ziekte krijgt, is het verloop van de ziekte minder ernstig dan bij kinderen die niet gevaccineerd zijn. Doordat kinderen worden gevaccineerd, komen veel gevaarlijke ziekten in Nederland ook nauwelijks meer voor. Maar in het buitenland vaak nog wel.

Hoe lang beschermd?

Voor bijna alle basisvaccinaties geldt dat je kind levenslang beschermd is. De vaccins tegen difterie en tetanus vormen hierop een uitzondering. Deze bieden 10 tot 15 jaar bescherming.

Welke prikken krijgt je kind?

  • Toen je kind 2, 3, 4 en 11 maanden oud was, is, keeg hij de DKTP-prik. Die beschermt tegen difterie, kinkhoest, tetanus en polio. Je kind krijgt ook een inenting tegen HiB (Haemphilus influenzae type b) en een vaccin tegen pneumokokken.
  • Als je kind 14 maanden oud is, krijgt hij een inenting tegen Meningokokken C en de BMR-prik De BMR-prik beschermt tegen de bof, de mazelen en rodehond, en wordt herhaald als je kind 9 jaar is.
  • Als je kind ongeveer 4 jaar is, krijgt hij de DKTP-prik. Die beschermt tegen 4 ernstige ziektes: difterie, kinkhoest, tetanus en polio.

Oproep

Je krijgt vanzelf een oproep van de Entadministratie van het Rijksvaccinatieprogramma. Als dit niet gebeurt, kun je contact opnemen met het consultatiebureau.

Reactie op de prikken

Je kind is niet te jong voor een prik. Het afweersysteem van je kind kan de prikken prima aan. Een infectieziekte geeft veel meer problemen!

Lichamelijke reactie

De plek van de prik kan soms rood, dik of pijnlijk worden. Ook is het niet gek als je kind koorts krijgt, huilerig of hangerig is, niet wil drinken en veel slaapt. Meestal duurt dit 1 of 2 dagen.

Van de BMR-prik (met 14 maanden) kan je kind 5 tot 12 dagen ná de prik last krijgen. Soms krijgt hij lichte huiduitslag.

Naar de huisarts?

Krijgt je kind meer dan 39 graden koorts? Wordt hij slap of suf? Of maak je je om een andere reden zorgen? Bel dan met je huisarts. Dit hoeft geen reactie op de prik te zijn. Misschien is er iets anders mis. Zorg er in ieder geval voor dat je kind genoeg drinkt: bied hem vaak een beetje drinken aan.

Difterie

Difterie wordt veroorzaakt door een bacterie die zich gemakkelijk vermeerdert. De bacterie produceert een gifstof die de weefsels beschadigt. Vooral de bovenste luchtwegen lopen schade op, maar ook het weefsel van het hart en het zenuwstelsel raken aangetast.

Besmettelijk?

Besmetting vindt plaats van mens op mens door hoesten en niezen. Of door contact met opgehoest materiaal of pus van een wond. Ook besmette melk of besmet voedsel kan de ziekte veroorzaken. Iemand kan besmet zijn met de difteriebacterie zonder zelf ziek te zijn. Maar diegene kan anderen dan wel ongemerkt besmetten

Ziekteverschijnselen

  • Keelpijn, hangerigheid en koorts.
  • Slikklachten, misselijkheid en overgeven.
  • Bij keeldifterie: een grijze aanslag op de amandelen en in de keelholte.
  • Soms is de hals sterk opgezwollen. Als dit heel erg is, kan iemand het benauwd krijgen en zelfs stikken.
  • Soms alleen een neusinfectie.

Vaccinatieschema

Difterie kan behandeld worden met difterieantitoxine en antibiotica. Maar dit doet niets tegen al ontstane schade. Daarom is het belangrijk dat je kind ingeënt wordt tegen difterie, zodat hij de ziekte niet krijgt.

Als je kind ongeveer 4 jaar oud is, krijgt hij de DKTP-prik. Deze beschermt ook tegen difterie

Kinkhoest

Kinkhoest wordt veroorzaakt door een bacterie. Besmetting vindt plaats van mens op mens door hoesten en niezen.

Besmettelijk

Kinkhoest is erg besmettelijk, vooral in de eerste periode als de hoestbuien nog niet zijn begonnen. Hoestende patiënten zijn nog 3 tot 4 weken nadat het hoesten is begonnen besmettelijk. Binnen een gezin is de kans dat iemand met kinkhoest de andere (niet-gevaccineerde) gezinsleden besmet heel groot.

Ziekteverschijnselen

  • Hangerigheid, lusteloosheid, hoesten.
  • Kort op elkaar lange en hevige hoestbuien met taai slijm, en een lange, gierende inademing.
  • Benauwdheid, blauw aanlopen en soms overgeven door de hoestbuien.

Er bestaat geen behandeling tegen kinkhoest. Een antibioticakuur kan ervoor zorgen dat de besmettelijke periode korter wordt. Dat is alleen zo als al vroeg met de kuur wordt begonnen. De kuur heeft weinig invloed op de duur en de ernst van de ziekte.

Vaccinatieschema

In het Rijksvaccinatieprogramma wordt een acellulair kinkhoestvaccin gebruikt. Dat is opgenomen in combinatievaccins voor baby's en kleuters.

Als je kind ongeveer 4 jaar oud is, krijgt hij de DKTP-prik. Deze beschermt ook tegen kinkhoest.

Tetanus

Tetanus, ook wel bekend als kaakklem of wondkramp, wordt veroorzaakt door een bacterie. Zodra die bacterie, die bijvoorbeeld in straatvuil zit, in een open wond(je) komt, kan iemand een tetanusinfectie oplopen. Ook door een dierenbeet kan iemand de ziekte krijgen.

Ziekteverschijnselen

De tetanusbacterie maakt gifstoffen die weefsels aantasten. Dat zorgt voor:

  • stijfheid in de buurt van de infectie;
  • steeds erger worden spierkrampen als gevolg van prikkels als harde geluiden, aanrakingen, kou, bewegen;
  • kaakkramp, slikklachten, ademhalingsproblemen;
  • kramp in alle skeletspieren, soms zo erg dat iemand als een hoepel achterover kromtrekt en niet meer kan ademen.

Behandeling

Zonder behandeling is tetanus altijd dodelijk. Bij een goede behandeling ligt de sterfte in Nederland rond de 20 procent. Tetanus kan behandeld worden met tetanus immunoglobine. Een intensive care behandeling is nodig om te herstellen met zo min mogelijk schade aan de vitale functies. Natuurlijk is het belangrijk om je kind te laten vaccineren om te voorkomen dat hij tetanus krijgt.

Vaccinatieschema

Als je kind ongeveer 4 jaar oud is, krijgt hij de DKTP-prik. Deze beschermt ook tegen tetanus.

Als je kind een verwonding heeft, kan er op indicatie nog een tetanusvaccinatie nodig zijn.

Polio

Poliomyelitis of polio is ook bekend als kinderverlamming. Polio wordt veroorzaakt door een poliovirus. Er zijn 3 typen poliovirus. De infectie komt alleen bij mensen voor.

Besmettelijk

Directe besmetting gaat via de ontlasting naar de mond. Maar ook door druppeltjes in de lucht bij bijvoorbeeld hoesten, niezen of schreeuwen kan iemand besmet raken. De besmettelijkheid is waarschijnlijk het grootst kort voor en na het begin van de ziekteverschijnselen. De meeste besmettingen worden veroorzaakt door mensen die zelf niet ziek zijn, maar wel besmet zijn met het virus. In 70 procent van de gevallen merkt iemand niks van een besmetting met het poliovirus.

Ziekteverschijnselen

  • Lichte, griepachtige verschijnselen en/of maag-darmklachten (bij 25 procent van besmette mensen).
  • Verschijnselen van hersenvliesontsteking, nekstijfheid, braken, hoofdpijn, koorts en pijn in de rug en ledematen (bij 4 procent van besmettingen).
  • Verlammingsverschijnselen die heel plotseling ontstaan komen voor bij 1 op de 100 tot 200 poliopatiënten.

Complicaties

In het algemeen geldt, hoe ouder iemand is, hoe groter de kans op complicaties. Ook wordt het risico groter als de keelamandelen verwijderd zijn. Bij 25 tot 40 procent van de mensen die in hun jeugd verlamd raakten door polio, ontstaan opnieuw spierzwakte, pijn, atrofie en vermoeidheid. Dat gebeurt dan 15 tot 40 jaar na de oorspronkelijke acute ziekte. Er bestaat geen specifieke behandeling voor polio. Met bedrust en fysiotherapie kun je complicaties voorkomen.

Vaccinatieschema

  • DKTP-vaccinatie op de leeftijd van 4 jaar. Deze beschermt ook tegen polio.
  • Hervaccinatie om de 15 jaar is nodig voor reizigers.

Bof

Bof wordt veroorzaakt door het bofvirus en is erg besmettelijk. Besmetting vindt plaats van mens op mens door bijvoorbeeld hoesten en niezen. Een patiënt is besmettelijk van 5 dagen voor de ziekteverschijnselen beginnen tot ruim een week daarna.

Gevolgen van de bof

Meestal verloopt bof mild. Iemand kan de ziekte zonder verschijnselen hebben en zo anderen ongemerkt besmetten. Ongeveer 1 op de 3 mensen merkt niks van de ziekte. Maar van de 1000 mensen die besmet zijn met het bofvirus krijgen er 4 tot 10 een hersenvliesontsteking. Dat komt vooral voor bij jonge kinderen, en loopt meestal goed af.

Ziekteverschijnselen

  • Koorts.
  • Opzwellen van één of beide wangen door een ontsteking van de oorspeekselklieren.
  • Soms opzwellen van de speekselklieren in de mond waardoor eten of de mond opendoen pijn doet.

Na ongeveer een week worden de zwellingen minder, na 2 weken zijn ze weg en is de patiënt meestal weer beter.

Vaccinatieschema

Kinderen worden tegen de bof gevaccineerd als ze 14 maanden zijn en als ze 9 jaar zijn. De vaccinatie is onderdeel van het combinatievaccin BMR, dat met één prik beschermt tegen bof, mazelen en rodehond. De BMR-prik wordt onderhuids in de bovenarm gegeven.

De laatste jaren treedt bof weer vaker op vooral in de groep jongvolwassenen. Het RIVM doet onderzoek naar de oorzaak hiervan.

Mazelen

Mazelen worden veroorzaakt door een virus. Besmetting vindt plaats via druppeltjes die met hoesten en niezen worden verspreid. Mazelen zijn zeer besmettelijk: 1 ziek kind besmet minstens 10 anderen. Patiënten zijn het meest besmettelijk van 1 tot 2 dagen vóór de uitslag begint tot ongeveer 4 dagen erna.

Complicaties

Meestal verloopt de ziekte probleemloos. Bij een aantal kinderen kunnen er echter complicaties optreden.

  • 5 tot 10 procent van de patiënten krijgt oorontsteking met soms blijvende doofheid als gevolg.
  • 1 tot 5 procent krijgt een (levensbedreigende) longontsteking.
  • Heel soms (1 op de 1000 keer) leidt mazelen tot een acute hersenontsteking die vaak blijvende hersenschade geeft.
  • 1 tot 2 van de 1000 patiënten sterven.

Ziekteverschijnselen

  • Hoge koorts, hoesten, verkoudheid en rode ogen.
  • Witte vlekjes met een rode stip aan de binnenkant van de wangen.
  • Vlekken op het gezicht, in de nek en de hals.
  • Na verloop van tijd een bijna egaal rode huid.

Er is geen behandeling voor mazelen, behalve bestrijding van koorts en pijn. Antibiotica kan helpen bij het bestrijden van een bijkomende bacteriële infectie.

Vaccinatieschema

Je kind wordt tegen mazelen ingeënt als hij 14 maanden is en als hij 9 jaar is. De vaccinatie is onderdeel van het combinatievaccin BMR, dat met één prik beschermt tegen bof, mazelen en rodehond. De BMR-prik wordt onderhuids in de bovenarm gegeven.

Rodehond

Rodehond wordt veroorzaak door een virus, dat alleen bij mensen voorkomt. Besmetting vindt plaats via druppeltjes in de lucht, bijvoorbeeld bij hoesten en niezen. Wie een rodehond infectie heeft, steekt gemiddeld zeven tot acht andere mensen aan. Een besmette moeder kan via de placenta haar ongeboren kind besmetten.

Ziekteverschijnselen

  • Ongeveer de helft van de besmette personen heeft nergens last van.
  • Vlekkerige, rozerode huiduitslag, beginnend in het gezicht en snel uitbreidend naar bovenlijf, armen en benen.
  • Bij oudere kinderen en volwassenen ook griepachtige verschijnselen en opgezette lymfeklieren achter het oor en in de nek.
  • Gewrichtspijn, vooral bij oudere meisjes en vrouwen.

Vaccinatieschema

Je kind wordt tegen rodehond ingeënt als hij 14 maanden is en als hij 9 jaar is. De vaccinatie is onderdeel van het combinatievaccin BMR, dat behalve tegen rodehond ook tegen bof en mazelen beschermt.

De BMR-prik wordt onderhuids in de bovenarm gegeven. De 2 BMR-prikken samen zorgen voor levenslange bescherming tegen rodehond.

Extra vakantieprik

Als je een verre reis gaat maken, moet je soms tegen bepaalde ziektes ingeënt worden. In veel landen komen namelijk ziektes voor die in Nederland niet (meer) voorkomen. Vooral jonge kinderen zijn vatbaar voor infecties en ziektes.

Welke inentingen zijn nodig?

Bij de GGD, de apotheek of de huisarts is informatie verkrijgbaar welke inentingen nodig zijn voor welke landen. Als je een reis hebt geboekt, is het verstandig om dit minimaal 6 weken voor vertrek bij je huisarts aan te geven. Je huisarts kan dan bepalen welke inentingen je nodig hebt, op basis van je bestemming en de lengte van je vakantie.

Last-minute reizen

Als je een last-minute reis hebt geboekt, dan is er waarschijnlijk te weinig tijd voor inentingen. Neem in dat geval zo snel mogelijk contact op met je huisarts, zodat hij zo snel mogelijk de inentingen kan regelen.

Krijgen kinderen dezelfde inentingen?

Het kan zijn dat je kind dezelfde inentingen krijgt, zoals tegen Hepatitis A. Maar het kan ook zijn dat je kind sommige inentingen juist niet hoeft. Je kind is dan waarschijnlijk al ingeënt tegen bepaalde ziektes, zoals tegen difterie, kinkhoest, tetanus en polio (DKTP).

Als je kind een bepaalde vaccinatie nog niet heeft gehad, dan zou dit vervroegd kunnen worden. Dat geldt bijvoorbeeld voor de inenting tegen bof, mazelen en rodehond. Als je kind deze inenting krijgt tussen 6 en 12 maanden, moet de inenting na 14 maanden herhaald worden.

Het is hoe dan ook raadzaam om met je huisarts te bespreken welke inentingen je kind nodig heeft voor de vakantie. Zeker als je kind nog erg jong is en kwetsbaar voor infecties.

Gezondheid en bewegen

Peuters zijn meestal erg actief en lijken geen moment rust nodig te hebben. Ze bewegen veel vanuit zichzelf. Overal zien ze interessante en leuke dingen waar ze zonder aarzeling op af rennen.

Veiligheid

Een peuter in huis betekent dat je extra moet letten op de veiligheid, zowel binnenshuis als buitenshuis. Je kind is vaak nog niet bewust van de gevaren die er zijn.

Spelen en bewegen

Je kind vindt het natuurlijk erg leuk om te spelen. Dit is een manier om veel te bewegen. Beweging is goed voor zijn lichamelijke, sociale, emotionele en verstandelijke ontwikkeling. Als je kind regelmatig veel beweegt dan bevordert dit zijn weerstand en een goede gezondheid.

Meer bewegen

Je kunt je kind meer laten bewegen door bijvoorbeeld naar de peuterspeelzaal of de kinderdagopvang te lopen. Vooral buiten spelen is erg goed voor je kind. Niet alleen de buitenlucht is gezond, maar je kind beweegt ook veel meer omdat hij de vrijheid en de ruimte heeft. Dus het is beter om lekker naar buiten te gaan, in plaats van binnen tv te kijken. Ook kan peutergym erg leuk zijn.

Overgewicht

Al in de jonge jaren is het belangrijk om veel te bewegen en overgewicht tegen te gaan. Soms worden peuters te gemakkelijk gedragen en gereden, terwijl ze best kunnen lopen. Door je kind meer te laten bewegen, voorkom je dat hij te zwaar wordt. Daarnaast is het natuurlijk ook belangrijk om op zijn voeding te letten.

Voeding

Je kind groeit snel. Goede voeding is belangrijk om gezond groot te worden.

Gezond en gevarieerd

Dat betekent vooral gezond en gevarieerd eten. Af en toe iets tussendoor, maar vooral ook veel brood, groente en fruit. Als een kind veel verschillende dingen eet, krijgt hij genoeg voedingsstoffen binnen. Je kind heeft tot zijn 4e verjaardag alleen elke dag 10 microgram vitamine D extra nodig.

Drinken

Voldoende (water) drinken is ook belangrijk. Voor kinderen van 1 tot 3 jaar is 0,75 liter vocht per dag voldoende. Kinderen vanaf 4 jaar drinken ruim 1 liter vocht per dag. En vanaf een jaar of 9 kan dat ongeveer 1,5 liter zijn. Net iets minder als bij volwassenen.

Water

Water is het best om te drinken. Leer je kind dus al vroeg water drinken en drink zelf ook water. Zo geef je het gezonde voorbeeld. Om het op te leuken kun je het water in een mooie waterkan schenken, bijvoorbeeld met wat schijfjes sinaasappel of citroen.

Bewegen

Leer je kind ook om genoeg te bewegen. Zo houd je je kind op een gezond gewicht. Nu, maar ook later.

Gezonde voeding

Het is heel belangrijk dat je kind gezond en gevarieerd eet en dat hij gezonde eetgewoonten leert. Gezond en gevarieerd eten betekent dat je met name voedingsmiddelen kiest uit de Schijf van Vijf.

Gezonde eetgewoonten

Gezonde eetgewoonten zijn niet alleen goed voor je kind, maar ook voor de rest van je gezin. Het is beter om niet vaker dan 4 keer per dag iets tussendoor te geven, omdat ten eerste het gebit dan minder risico loopt op gaatjes. En ten tweede je kind minder kans heeft om overgewicht te ontwikkelen.

Wat heeft je kind nodig?

Tussen de 1 en 4 jaar heeft je peuter per dag ongeveer nodig:

  • 2-3 sneetjes brood (liefst volkoren of bruin), dun besmeerd met zachte margarine (5 gram per snee)
  • 1-2 aardappelen of 1-2 opscheplepels rijst, macaroni of spaghetti
  • 1-2 opscheplepels groente (50-100 gram)
  • 1-2 porties fruit
  • 2-3 bekertjes melk(producten), liefst halfvol of mager
  • ½ plak kaas
  • ½ plak vleeswaren
  • 50 gram gaar vis, vlees (of vleesvervanger)
  • 15 gram vloeibare margarine, bak- en braadvet of olie voor de warme maaltijd (1 eetlepel)
  • ½ tot 1 liter drinkvocht (bij voorkeur water), inclusief 3 dl melk

7 eetmomenten

Bied je kind maximaal 7 eetmomenten, waarvan 3 hoofdmaaltijden en 4 keer iets tussendoor. Lekker voor tussendoor is bijvoorbeeld fruit, een volkoren koekje, een soepstengel of stukjes komkommer of wortel.

Gezonde vetten

Het is belangrijk dat peuters voldoende onverzadigde vetten binnenkrijgen. Gezonde vetten zijn onmisbaar voor de ontwikkeling van jonge kinderen. Vetten leveren energie, vitamines A, D en E en essentiële vetzuren.

Jonge kinderen krijgen doorgaans iets te weinig goede vetten binnen. Besmeer boterhammen dus met margarine en geef jonge peuters ook een schepje jus of saus. Je hoeft bij kleine kinderen geen halvarine te gebruiken. Zij hebben in verhouding meer vet nodig dan oudere kinderen voor hun ontwikkeling.

Geef niet te veel producten met verzadigd vet (ongezond vet), zoals koek, snoep en chips. Ook in kaas en vleessoorten kan veel ongezond vet zitten.

Meer informatie over gezonde vetten vind je op de website Kiesgezondvet.nl.

3 Maaltijden

Je kind kan vanaf ongeveer zijn eerste verjaardag gewoon met het gezin mee-eten. Als je zelf gewend bent om gezond te eten, leert hij dat gezond eten ook lekker is. Hij zal de gezonde eetgewoonten overnemen. Ook is het belangrijk om je kind veel te laten bewegen. Al deze dingen zorgen ervoor dat hij geen overgewicht krijgt.

Ontbijt

Als je kind 's morgens wakker wordt, is het avondeten van de vorige dag al verteerd. Daarom is het verstandig om een goed ontbijt te geven. Je kind heeft nieuwe energie nodig. Het best is om hem volkoren- of bruin brood te geven, met margarine en beleg. Je kunt er water, thee of melk bij geven. Sommige kinderen eten liever pap, of yoghurt of melk met muesli.

Lunch

Ook nu weer is bruin brood of volkorenbrood een goede keuze. Je kunt wat afwisselen in beleg. Het is ook lekker om een tomaatje, een worteltje, een paar plakjes komkommer of wat fruit bij de lunch te geven. Je kind kan thee of melk bij de lunch drinken. In sommige gezinnen is het een gewoonte om tussen de middag warm te eten.

Warme maaltijd

Kinderen van dezelfde leeftijd zijn niet even lang. En ze zijn ook niet even zwaar. Ook eten ze niet allemaal evenveel. 's Avonds eet je kind misschien niet altijd zijn bord leeg. Het kan zijn dat je te veel hebt opgeschept.

Voor het avondeten kun je rekening houden met de volgende gemiddelden:

  • 1-2 aardappelen of 1-2 opscheplepels rijst, macaroni of spaghetti
  • 1-2 opscheplepels groente (50-100 gram)
  • 50 gram gaar vis, vlees (of vleesvervanger)

Groente en fruit

Geef je kind elke dag groenten en fruit! Want in groenten en fruit zitten vitaminen, mineralen en vezels.

In spruitjes zit bijvoorbeeld veel vitamine C en in spinazie zit veel vitamine B11 (foliumzuur). Elke groente en elk fruit heeft zo zijn eigen bijzondere eigenschappen. Daarom is het goed om je kind ongeveer 2 ons groenten en 2 stuks fruit per dag te laten eten. En het is nog beter als je daar wat variatie in brengt!

Tips

Niet elk kind houdt van groenten en fruit. Er zitten soms behoorlijk lastige eters tussen! Hieronder staan daarom een paar tips hoe je groente en fruit lekkerder kan maken voor je kind.

  • Aardbeien, appels, peren, bananen en tomaten smaken heel goed op brood of op een beschuitje.
  • Of geef je kind rauwkost als tussendoortje: een stukje wortel, snoeptomaatjes, plakjes komkommer of reepjes paprika.
  • Maak je lasagne? Rasp een hele courgette en doe dat door de saus. Daar zie je bijna niks van terug!
  • Er zijn speciale kookboeken voor kinderen. Maar ook websites waar veel leuke recepten op staan.
  • Onthoud dat sommige kinderen wel 10 tot 15 keer iets moeten proeven voordat ze gewend zijn aan de smaak.

Tussendoortjes

De meeste kinderen houden van zoetigheid. Helaas is dat niet altijd gezond. Daarom is het goed om te bedenken wat wel gezond is en wat je je kind geeft.

Tips voor tussendoortjes

  • Geef je kind maximaal 4 keer per dag iets tussendoor. Samen met de maaltijden zijn er dan 7 eetmomenten.
  • Kies voor tussendoortjes een duidelijk moment. Zo wordt het geen gewoonte om op elk moment van de dag iets te eten of te drinken.
  • Gezonde tussendoortjes zijn bijvoorbeeld fruit, een boterham, een rijstwafel, een schaaltje vla of magere yoghurt.
  • Leer je kind om snoep te bewaren tot een vast moment, bijvoorbeeld de theetijd.
  • Frisdrank, vruchtensap en yoghurtdrank bevatten erg veel suiker. Laat je kind daarom wennen aan het drinken van water. Om het op te leuken kun je het water in een mooie waterkan schenken, bijvoorbeeld met wat schijfjes sinaasappel of citroen.

Schijf van Vijf

Om gezond te eten, is de 'Schijf van Vijf' van het Voedingscentrum een handig hulpmiddel. Dit is een combinatie van 5 uitgangspunten en 5 vakken.

De vakken uit de Schijf van Vijf

Elk vak uit de Schijf van Vijf bevat vergelijkbare producten. Kies liefst elke dag producten uit alle vakken en varieer zo veel mogelijk.

  • Groente en fruit.
  • Brood, granen, aardappelen, rijst, pasta en peulvruchten.
  • Zuivel, vlees(waren), vis, ei en vleesvervangers.
  • Vetten en olie.
  • Dranken.

Eet zoveel mogelijk groenten en fruit, voldoende brood, zo weinig mogelijk verzadigd vet en niet teveel zout. Het Voedingscentrum raadt ook aan om 2 keer per week vis te eten, waarvan een keer per week vette vis.

Uitgangspunten

Wil je gezond eten, let dan op de volgende uitgangspunten.

  • Eet gevarieerd.
  • Niet te veel en beweeg.
  • Eet minder verzadigd vet.
  • Eet veel groente, fruit en brood.
  • Eet veilig.

Hoe kies je?

Binnen de groepen vergelijkbare producten kun je kiezen uit 3 categorieën. Het Voedingscentrum heeft hiervoor een keuzetabel. Sommige keuzes zijn minder gezond dan andere. Door vaak uit de categorie 'bij voorkeur' te kiezen, heb je een andere keer de ruimte om iets uit de categorie 'bij uitzondering' te kiezen.

Hoeveel kies je?

Het Voedingscentrum heeft voor verschillende leeftijdscategorieën tabellen gemaakt met de hoeveelheden die worden aanbevolen om per dag te eten.

Extra vitamines

In onze voeding zitten in principe alle vitamines en mineralen die we nodig hebben. Door je kind gevarieerd te laten eten, zal hij van de meeste vitamines voldoende binnenkrijgen.

Vitamine D

Vitamine D zorgt voor de opbouw van de botten.

Kinderen tot 4 jaar hebben het hele jaar door dagelijks 10 microgram vitamine D extra nodig, ongeacht de hoeveelheid vitamine D in hun voeding.

Na 4 jaar kun je je kind het beste 10 microgram extra vitamine D per dag geven, als je kind:

  • niet voldoende buiten komt;
  • of een donkere huidskleur heeft. Als je kind bijvoorbeeld van Marokkaanse, Turkse, Indonesische of Afrikaanse afkomst is.

Je kunt vitamine D gewoon kopen bij de drogist of apotheek.

IJzertekort

IJzer is belangrijk voor het lichaam. Een ijzertekort heeft bloedarmoede tot gevolg. Dit betekent dat zuurstof niet goed door het lichaam getransporteerd wordt naar alle organen.

Waar zit ijzer in?

Om een ijzertekort te voorkomen, kun je zorgen dat je kind voldoende voedingsmiddelen eet waar ijzer in zit.

  • IJzer zit in vlees. Vooral rund- of lamsvlees bevatten veel ijzer.
  • IJzer zit ook in volkorenbrood, volkorenpasta en peulvruchten, zoals bruine bonen en linzen.
  • Geef bij elke maaltijd groenten of fruitsoorten die rijk zijn aan vitamine C, want dan neemt het lichaam ijzer gemakkelijker op.
  • Kies bij voorkeur vleesvervangers die ijzer bevatten, zoals rundvlees en lamsvlees.

Vegetarisch

Wanneer je zelf gewend bent vegetarisch te eten, kun je dat gewoon blijven doen als je kinderen krijgt. Als je je kind maar gezonde voeding geeft en erop let dat hij voldoende ijzer en vitamine B12 binnenkrijgt.

Wat geef je in plaats van vlees?

Je kunt in plaats van vlees allerlei plantaardige producten gebruiken, zoals: ei, tofu, peulvruchten en kant-en-klare vegetarische vleesvervangers of tempé. In deze producten zit ook ijzer. In quorn en kaas zit maar weinig ijzer en ze zijn daarom geen volwaardige vleesvervanger. Er zit bovendien veel verzadigd vet in kaas.

Vitamine B12 haal je alleen uit dierlijke producten. Het is verstandig om je kind voldoende melk en melkproducten te geven, een tekort aan vitamine B12 leidt tot een vorm van bloedarmoede.

Hoe krijgt je kind voldoende ijzer binnen?

Het opnemen van plantaardig ijzer gaat minder gemakkelijk dan ijzer uit dierlijke producten. Vitamine C stimuleert de opname van plantaardig ijzer. Het is daarom verstandig om bij elke maaltijd ook groente of fruit of een beetje sinaasappelsap te geven. Verder komt ijzer ook voor in brood, graanproducten en peulvruchten.

Veganistisch

Als je veganistisch eet, dan laat je alle dierlijke producten weg, dus ook eieren en zuivelproducten.

Belangrijke voedingsstoffen

Het is een lastige keuze of je je kind ook veganistisch wilt laten eten. Je loopt een grote kans dat je kind een tekort aan bepaalde voedingsstoffen krijgt. Het is met name moeilijk om voldoende vitamine B12, ijzer, calcium en vitamine B1 en B2 binnen te krijgen als je de dierlijke producten weglaat.

Vitamine B12

Vitamine B12 komt bijna alleen voor in dierlijke producten. Het zit ook in enkele wieren en in gistextract. De B12 uit wieren kan je lichaam niet opnemen en de B12 uit gistextract levert niet voldoende. Je kunt daarom het beste kiezen voor een vitaminepreparaat met B12.

Calcium en vitamine B1 en B2

Je kind heeft calcium nodig voor sterke botten en een goed gebit. Je kunt het beste je kind veel producten geven waaraan calcium is toegevoegd, zoals: sojamelk, tahoe, mineraalwater en vruchtensap. Aan sojamelk wordt vaak ook vitamine B2 toegevoegd en is in allerlei smaken verkrijgbaar. Vitamine B1 komt behalve in dierlijke producten ook veel voor in brood en graanproducten, aardappelen, groente.

Het is belangrijk om te weten dat je kind de benodigde voedingsstoffen in voldoende mate binnenkrijgt. Een diëtist kan je hierbij helpen.

Overgevoelig voor voedsel

Bij een voedselallergie maakt het afweersysteem van je kind antistoffen aan tegen bepaalde eiwitten in het voedsel. Je kind krijgt een allergische reactie binnen een paar uur nadat hij het voedsel heeft gegeten, waar hij niet tegen kan. In zeldzame gevallen kan een levensbedreigende situatie ontstaan.

Voedselallergenen die de meeste overgevoeligheidsreacties veroorzaken zijn:

  • ei;
  • vis, schaaldieren en weekdieren;
  • noten en pinda's;
  • soja;
  • melk.

Intolerantie

De klachten bij voedselallergie en voedselintolerantie lijken op elkaar. Maar er zijn verschillen:

  • Voedselintolerantie heeft niets met het afweersysteem van je kind te maken.
  • Voorbeelden van stoffen die intolerantie kunnen veroorzaken zijn gluten en lactose.

Voedselallergie

Heeft je kind een voedselallergie? Dan maakt het afweersysteem antistoffen aan tegen eiwitten die in de voeding voorkomen. Deze eiwitten worden ook wel allergenen genoemd. Ze zorgen voor allergische reacties bij je kind.

Onder andere koemelk, ei, pinda's en andere noten bevatten allergenen die soms allergische reacties veroorzaken.

Welke klachten?

Vaak heeft je kind al een tijdje klachten, voordat duidelijk is dat hij last heeft van voedselallergie. De klachten kunnen zeer verschillen, ook van persoon tot persoon. Vaak heeft je kind last van huid-, luchtweg- en maag-darmklachten.

  • De lippen, tong of gehemelte van je kind zijn opgezwollen. Of hij heeft zweertjes in zijn mond.
  • Je kind is misselijk, moet overgeven, eet slecht of helemaal niet, heeft buikpijn, diarree of verstopping.
  • Je kind heeft last van keel-, neus- of oorontstekingen, slikproblemen, slijmvorming, een verstopte neus of loopneus, astma of bronchitis.
  • Op de huid van je kind zie je eczeem, bulten, roodheid of zwellingen.

Herken je (één van) deze klachten? Ga dan naar de huisarts. Die kan uitzoeken wat er aan de hand is of je kind verwijzen naar een kinderarts of huidarts. Ga niet zelf proberen om bepaalde voedingsmiddelen weg te laten.

Lactose-intolerantie

Bij de geboorte heeft elke zuigeling voldoende lactase om de lactose in de moedermelk of de zuigelingenvoeding goed te verteren. Naarmate mensen ouder worden, kan de productie van lactase afnemen.

Lactosemalabsorptie

Als in de darm te weinig lactase wordt aangemaakt, kan het lichaam het onverteerde melksuiker niet opnemen. Dit wordt 'lactosemalabsorptie' genoemd en geeft lang niet altijd klachten. Waarschijnlijk hebben veel mensen een lactase-tekort zonder dat zij hier iets van merken.

Lactose-intolerantie

Als bij mensen met lactosemalabsorptie klachten ontstaan door het eten en drinken van een gewone hoeveelheid melk en melkproducten, is er sprake van lactose-intolerantie.

Lactosebeperkte voeding is meestal voldoende om klachten te voorkomen. Laat nooit zelf voedingsmiddelen weg. Doe dit altijd in goed overleg met een diëtist.

Glutenintolerantie

Gluten is een eiwit dat voorkomt in granen, zoals tarwe, rogge, haver, spelt, kamut en gerst. Gluten zit dus in:

  • brood;
  • pizza;
  • pasta;
  • koekjes;
  • cake;
  • en taart.

Maar ook in soepen, sausen en sommige snoepjes en ijsjes.

Welke reactie geeft het?

Bij kinderen met een glutenintolerantie (ook wel coeliakie genoemd) worden het slijmvlies en de dunne darm beschadigd. Deze werken hierdoor minder goed. Daardoor worden voedingsstoffen niet goed opgenomen.

Behalve darmklachten kan je kind ook andere gezondheidsproblemen krijgen. Bijvoorbeeld:

Naar de huisarts?

Als je denkt dat je kind glutenintolerant is, ga dan langs de huisarts. Die kan een eenvoudig bloedonderzoek doen. Dan weet je of er afweerstoffen tegen gluten in het bloed zitten. Uiteindelijk zal in het ziekenhuis een darmonderzoek (biopsie) zekerheid geven of je kind coeliakie heeft of niet.

Glutenvrij dieet

Je kind groeit er helaas niet overheen en mag daarom levenslang geen voedsel eten dat gluten bevat. De enige oplossing is dus een glutenvrij dieet.

  • Een diëtist kan je helpen om voeding te kiezen die geen gluten bevat.
  • Vertel op school en aan anderen wat je kind wel en niet mag eten en waarom.
  • De Nederlandse Coeliakie Vereniging (NCV) heeft voorlichtingsmateriaal ontwikkeld over glutenintolerantie.

Klachten en verschijnselen

Als je kind ziek is, kan hij waarschijnlijk niet goed uitleggen wat er precies aan de hand is. Hij voelt zich niet lekker. En je kunt dat ook wel aan hem zien.

Welke symptomen?

Het is belangrijk dat je goed let op de klachten en verschijnselen die je kind heeft. En dat je weet wat je het best kunt doen. Bijvoorbeeld als je kind koorts, buikpijn of diarree heeft.

Bloedneus

Het komt natuurlijk wel eens voor dat je kind een bloedneus heeft. De bekendste oorzaak is natuurlijk het neuspeuteren, maar het kan ook zijn dat je kind gevallen is of met een ander kind heeft gestoeid. Als je kind regelmatig bloedneuzen heeft komt het makkelijker terug.

Neuspeuteren

Vrijwel elk kind peutert wel eens in zijn neus. Je kunt je kind daarom leren dat hij zijn neus moet snuiten in een zakdoek. Het liefst voorzichtig, want ook te hard snuiten kan een bloedneus veroorzaken. Als je kind toch een enthousiast neuspeuteraar is, houd dan in de gaten of zijn nagels niet te lang en te scherp zijn.

Infecties en ontstekingen

Ook is het mogelijk dat je kind een wondje, een kleine ontsteking of een te droog neusslijmvlies heeft. In dat geval kan de neus van binnen makkelijk beschadigen en krijgt je kind een bloedneus. Dat kan ook zomaar vanuit het niets gebeuren.

Wat kun je eraan doen?

Een bloedneus moet na enkele minuten vanzelf overgaan. Het beste is om de neus bij de neusvleugels dicht te knijpen. Laat je kind zitten en hou zijn hoofd licht voorover .

Als een bloedneus echt veel langer aanhoudt, of als je kind regelmatig een bloedneus heeft, kun je het best langs de huisarts gaan. Ook wanneer je kind bijvoorbeeld zelf iets in zijn neus heeft gestopt, zoals een knikker of een gummetje. Dat moet er natuurlijk wel even uitgehaald worden.

Buikpijn

Buikpijn is vervelend, je kind kan er echt last van hebben. Soms is het zo erg dat hij niet naar de peuterspeelzaal, kinderopvang of oppas kan.

Wat is er aan de hand?

Misschien denk je dan, dat er iets ergs aan de hand is. Maar meestal is dat niet zo. Je kind kan buikpijn krijgen door spanningen, veranderingen, onrust op de peuterspeelzaal of in het gezin. Praat hier met hem over en probeer die problemen ook op te lossen. Maar het kan ook zijn dat je kind buikpijn heeft door iets wat hij gegeten heeft. Of door een lichamelijke reden.

Waar kun je op letten?

  • Waar zit de pijn? Echte spanningsbuikpijn, bijvoorbeeld door stress, zit vaak rond de navel. Hoe verder de pijn van de navel af zit, hoe groter de kans dat er een lichamelijke reden voor is.
  • Welke klachten heeft je kind precies? Heeft hij ook koorts, diarree, verstopping of bloed of slijm bij zijn poep? Dan zit er waarschijnlijk een lichamelijke reden achter.
  • Wanneer en hoe vaak heeft je kind pijn? Is dat niet vaker dan 1 keer per maand? Dan hoef je je niet meteen zorgen te maken.
  • Kan je kind door de pijn niets (leuks) meer doen? Ga dan naar je huisarts.

Diarree

Diarree is waterige, dunne ontlasting die vaker komt dan je gewend bent. Meestal gaat diarree na 1 of 2 dagen vanzelf over, maar soms duurt het langer. Als je peuter diarree heeft, heeft hij meestal ook last van buikkrampen.

Wat veroorzaakt diarree?

Diarree wordt veroorzaakt door een virus of een bacterie die het lichaam binnenkomt door besmet voedsel of besmet water. Je kunt ook besmet raken door contact met iemand anders die diarree heeft. De virussen of bacteriën veroorzaken een ontsteking van de darmwand. De darmwand kan dan minder vocht opnemen. Daardoor is de ontlasting zo waterig en dun.

Let dus altijd goed op de hygiëne en de houdbaarheidsdata van voedsel. En leer je kind om altijd zijn handen te wassen nadat hij naar de wc is geweest. En natuurlijk ook voordat hij aan tafel gaat.

Voedselintolerantie

Het is ook mogelijk dat je kind diarree krijgt als hij voedsel binnenkrijgt waar hij intolerant voor is, bijvoorbeeld voor gluten.

Meer drinken!

Peuters moeten vaak overgeven als ze diarree hebben. Soms hebben ze ook koorts. Hierdoor verliezen ze daardoor veel vocht. Het is daarom belangrijk om je kind meer (water) te laten drinken om uitdroging te voorkomen.

Niet teveel tegelijk, want dan kan hij daardoor weer overgeven. Elke 5 tot 10 minuten een klein beetje, bijvoorbeeld 1 of 2 slokken of lepeltjes water of thee. Ook als je kind na het drinken weer moet overgeven, houdt hij altijd een beetje vocht binnen. Zodra het overgeven minder wordt, kun je geleidelijk grotere hoeveelheden tegelijk gaan drinken. Dan hoeft je kind ook niet meer zo vaak te drinken.

Voeding

Peuters kunnen ook lange tijd last hebben van diarree zonder dat ze klachten hebben of slecht groeien. Wat betreft voeding kun je peuterdiarree tegengaan met behulp van de 4 V's.

  • Vocht. Geef niet meer dan 1 liter drinkvocht per dag. Meer kunnen de darmen van je kind niet aan.
  • Vruchtensap en vooral appelsap bevatten suikers die de diarree kunnen versterken. Geef dus heel weinig of tijdelijk geen vruchtensap.
  • Vet kan onvoldoende in de voeding zitten. Smeer margarine uit een kuipje op brood en gebruik margarine, bak- en braadproduct of olie voor de warme maaltijd. Kies eventueel tijdelijk voor volle melk(producten).
  • Vezel zorgt voor vermindering van de peuterdiarree. Kies dus voor volkoren broodsoorten en geef ruime hoeveelheden groente en fruit.

Als je kind geen zin heeft in eten is dat niet erg. Hij hoeft pas weer te gaan eten als hij trek krijgt.

Uitdroging tegengaan

Bij hevige diarree kun je een speciaal drankje maken om uitdroging tegen te gaan. Je maakt dit met een speciaal oplospoeder (ORS-poeder) dat bij de apotheek of drogist te koop is. Wees voorzichtig met diarreeremmers.

Harde ontlasting

Is de poep van je kind harder dan normaal? Sommige kinderen poepen 3 keer per dag, andere 3 keer per week. Bij verstopping (obstipatie) lukt het niet goed om te poepen. De poep (ontlasting) blijft te lang in de darm en wordt daardoor hard en droog.

Het is erg vervelend als je kind niet goed kan poepen. Er kunnen verschillende redenen zijn voor verstopping.

Oorzaken

Verstopping kan komen doordat je kind:

  • voeding eet waar te weinig vezels of gezonde vetten in zitten;
  • te weinig drinkt;
  • weinig beweegt;
  • zijn ontbijt overslaat of onregelmatig eet;
  • bang of onzeker is (probeer erachter te komen waar hij bang voor is);
  • last heeft van spanningen of stress;
  • zijn poep ophoudt, bijvoorbeeld omdat hij alleen thuis naar de wc wil;
  • niet de tijd neemt om rustig op het toilet te gaan zitten;
  • te druk of afgeleid is om naar de wc te gaan;
  • het poepen uitstelt omdat het pijn doet.

Het is niet zo dat je kind de ontlasting expres ophoudt of met opzet in zijn broek poept. Er is maar zelden een lichamelijke oorzaak van de obstipatie te vinden.

Wat zijn de klachten?

Obstipatie kan verschillende klachten geven. Je kind poept minder dan 3 keer per week. De poep is dan hard en droog of keutelig. Het poepen kan pijn doen. In de dikke darm kan zich veel ontlasting ophopen. Sommige kinderen krijgen buikpijn of darmkrampen. Soms komt er dan wat dunne poep in het ondergoed die langs de harde poep naar buiten is gelekt. Of er komt in één keer heel veel ontlasting.

Andere consequenties

Door de harde ontlasting ontstaan soms scheurtjes in de anus waardoor het poepen een tijd pijn doet. Een kind met verstopping kan soms ook de plas niet goed ophouden. Hij kan dan blaasontsteking krijgen. Waarom dat gebeurt weten we niet precies. Verstopping kan de ene dag erger zijn dan de andere. Soms is de ontlasting opeens weer een tijdje normaal.

Wat kun je zelf doen?

  • Laat je kind meer drinken.
  • Geef je kind meer eten waar vezels in zitten: fruit, groente en bruin brood.
  • Zorg ervoor dat je kind ontbijt.
  • Laat je kind op een vast moment naar de wc gaan. Hierdoor kan hij aan een ritme wennen.
  • Let op zijn houding als hij op de wc zit. Zet bijvoorbeeld een klein krukje onder zijn voeten.
  • Kinderen moeten minstens een uur per dag intensief bewegen, bijvoorbeeld buiten spelen, fietsen, zwemmen of sporten. Veel kinderen doen dit vanzelf, als ze de ruimte krijgen.
  • Vertel je kind dat hij direct naar het toilet moet gaan als hij voelt dat hij moet poepen.

Wanneer naar de huisarts?

Heeft je kind lange tijd last van verstopping? Ga dan naar je huisarts of neem contact op met het Centrum voor Jeugd en Gezin bij jou in de buurt.

Hik

De hik is iets heel gewoons, maar ook iets wat behoorlijk vervelend kan zijn. Vooral wanneer het lang aanhoudt.

Wat is de hik?

De hik wordt veroorzaakt door een krampachtige samentrekking van het middenrif. Dit is een spier tussen de buik en de longen die je gebruikt bij het ademhalen. Bij het hikken ademt je kind in 1 keer veel lucht in. De lucht stroomt langs de stembanden en dit veroorzaakt het typische hikgeluidje. Meestal duurt de hik niet langer dan 10 tot 20 minuten. Soms duurt het wel veel langer.

Wat veroorzaakt de hik?

Als je kind te snel eet of drinkt, is de kans groot dat hij de hik krijgt. Maar er zijn ook genoeg momenten waarop je kind niet te snel heeft gegeten of gedronken en toch de hik krijgt. In dat geval is het onverklaarbaar. Waarschijnlijk reageert het middenrif nog makkelijk op prikkels bij jonge kinderen.

Wat kun je eraan doen?

Er is geen geneesmiddel om van de hik af te komen. Wel zijn er bepaalde trucjes waarvan men zegt dat die misschien kunnen helpen. Het zijn geen bewezen tactieken en ze lijken soms ook een beetje vreemd. Dus laat je kind maar gewoon eens eentje proberen en wie weet, helpt het!

  • Diep ademhalen en in 1 keer een glas water leegdrinken of in ieder geval 3 grote slokken.
  • Vingers in de oren stopen en een glas water drinken. Hier is wel wat hulp bij vereist!
  • Vingers in de oren stoppen, stevig dichtdrukken en afwachten.
  • Staand voorover buigen en een glas water drinken.
  • De neus dichtknijpen en in 1 keer een glas water leegdrinken.
  • Traag drinken.
  • Op een waterijsje zuigen.
  • Zo lang mogelijk de adem inhouden.
  • Je kind laten schrikken.
  • In- en uitademen in een papieren zak.
  • Ontspannen.
  • Een paar hapjes van een citroen.
  • Een lepeltje suiker op de tong laten smelten.

Hoofdpijn

In verreweg de meeste gevallen is hoofdpijn onschuldig en gaat het vanzelf weer over. Maar hoofdpijn kan ook het gevolg zijn van spanningen, net als buikpijn en soms slecht slapen. Probeer met je kind te bespreken of hem iets dwars zit, en of je daar samen iets aan kunt doen.

Als onduidelijk blijft waar de klachten vandaan komen, kun je (samen met je kind) een pijnkalender bijhouden.

Pijnkalender

Je schrijft 's avonds op de pijnkalender of je kind die dag pijn heeft gehad: geen pijn, een beetje pijn of heel veel pijn. Spreek af dat je kind 'geen pijn' heeft gehad als je beiden vergeet iets in te vullen. Als je de lijst bekijkt, komt er wel eens een patroon naar voren. Je kind heeft bijvoorbeeld hoofdpijn of buikpijn voor een bepaalde activiteit of als hij ergens naartoe moet. Klachten verminderen vaak al tijdens het bijhouden van de kalender.

Maak je je toch ernstige zorgen? Dan kun je beter even langs de huisarts gaan.

Koorts

Heeft je kind koorts? Dat geeft aan dat zijn lichaam op iets reageert. Meestal probeert het lichaam met die hogere temperatuur virussen of bacteriën dood te maken. Het is dus een afweerreactie van het lichaam.

Blijf opletten

Maak je niet meteen zorgen als je kind koorts heeft. Want bij een peuter kan de temperatuur heel snel omhoog gaan. Let goed op zijn gedrag om te zien of er echt iets aan de hand is.

Wat kun je zelf doen?

Drinken is belangrijk! Laat je kind genoeg drinken als hij koorts heeft. Ook als hij dit juist niet wil. Geef hem daarom vaker kleine beetjes. Zo voorkom je dat je kind uitdroogt. En kijk ook of hij niet te warm of te koud is aangekleed.

Let op uitdroging

Heeft je kind hoge koorts en diarree? Dan kan hij nog sneller uitdrogen. Je kunt hem eventueel ORS geven. In ORS zitten speciale stoffen die je kind nodig heeft. Het is een mengsel van suikers en zouten dat je oplost in water. ORS koop je bij de apotheek of drogist.

Naar de huisarts?

Je kunt zelf het best inschatten of je met je kind naar de huisarts moet. Twijfel je? Bel dan altijd met je huisarts! Doe dat in ieder geval als je kind:

  • meer dan 39 graden koorts heeft, overgeeft en diarree heeft;
  • langer dan 72 uur koorts heeft of opnieuw oplopende koorts na een aantal koortsvrije dagen;
  • ernstig ziek is;
  • snel achteruit gaat;
  • suf is;
  • ontroostbaar huilt;
  • tijdens koorts huiduitslag of een veranderde huidskleur krijgt;
  • anders gaat ademhalen, kreunt, periodes van ademstilstand heeft;
  • je kind een verminderde weerstand of andere ziekten heeft.

Koortsstuip

Het kan zijn dat je kind een koortsstuip krijg. Een koortsstuip ziet er vervelend uit. Je kunt er behoorlijk van schrikken. Maar het is meestal niet gevaarlijk.

Koortslip

Een koortslip is het symptoom van een van de herpesvirussen, namelijk 'herpes labialis'. Herpes is een virus waarvan meerdere varianten bestaan. Deze varianten veroorzaken verschillende huidaandoeningen, waaronder een koortslip en gordelroos.

Rode blaasjes

Een koortslip is meestal een rood, vochtig blaasje op de lip of er vlak boven. Een koortslip kan pijnlijk zijn en ook behoorlijk jeuken.

Besmettelijk

Alle varianten van het virus herpes zijn besmettelijk als de klachten zich voordoen. Een koortslip dus ook. Wees daarom extra voorzichtig met het geven van een kus. Vooral aan zwangeren en baby's! Bij hen kunnen er complicaties van de zwangerschap optreden.

Wat kun je doen?

Heb je zelf een koortslip? Zorg er dan voor, dat je je kind niet besmet. Knuffelen en zoenen mag pas weer als je huid helemaal genezen is. Dat geldt dus ook voor je bezoek! De goede manier om het risico van een herpesbesmetting te verkleinen is je handen extra goed wassen voor je je kind oppakt of aanraakt.

Heb je vaak een koortslip? Dan moet je altijd voorzichtig zijn. Ook als je geen blaasjes of korstjes hebt. Want dan zit het virus altijd in je. Je kunt je kind dus altijd besmetten! Bespreek dit met je huisarts of de jeugdgezondheidszorg.

Koortsstuip

Een koortsstuip ziet er vervelend uit. Je kunt er behoorlijk van schrikken. Maar is meestal niet gevaarlijk. Een koortsstuip duurt kort. Een koortsstuip ontstaat vooral als de temperatuur snel aan het stijgen is. Soms heeft een ouder nog niet eens gemerkt dat het kind koorts heeft.

  • De spieren van je kind verkrampen en trekken onregelmatig samen.
  • Je kind reageert niet als je tegen hem praat of tegen zijn wang tikt.
  • Je kind lijkt bewusteloos.

Het gaat vanzelf over

Het schokken kan een paar seconden duren en soms wel een kwartier. Je kind is dan niet aanspreekbaar. De koortsstuip gaat vanzelf over. Tijdens de aanval heeft je kind geen pijn. Daarna komt hij moeilijk bij kennis. Hij is vaak een beetje suf en heeft hoofdpijn. Dat komt omdat zijn hersenen tijdens de aanval zijn uitgeput. Een uur na het begin van de stuip is je kind weer goed aanspreekbaar. Daarna kan hij nog wat huilen en onrustig zijn.

Is een koortsstuip gevaarlijk?

Een koortsstuip komt voor bij circa 4 procent van de kinderen van 6 maanden tot 5 jaar. In sommige families komt het vaker voor. Het is niet te voorkomen. In principe is een koortsstuip onschuldig. Bij een eerste koortsstuip is een ziekenhuisopname meestal niet nodig. Als een kind in dezelfde ziekteperiode weer een stuip krijgt, zal hij meestal wel in het ziekenhuis worden onderzocht.

Een koortsstuip is geen teken van epilepsie. Maar als er epilepsie in de familie voorkomt, of als een kind meerdere of langdurige aanvallen krijgt, of als hij toch al een afwijkende ontwikkeling heeft, is er wel een kans op epilepsie.

Wat doe je bij een koortsstuip?

  • Blijf rustig.
  • Leg je kind op zijn zij of op zijn buik. Met het hoofd omlaag kan hij zich niet verslikken.
  • Controleer ook of je kind niets in zijn mond heeft. Hij moet vrij kunnen ademen.
  • Zorg ervoor dat je kind niet kan vallen. En dat hij zich niet stoot of bezeert.
  • Paracetamol helpt niet.
  • Bel daarna de huisarts.

Als de huisarts langskomt, is de koortsstuip meestal al over. Als dat niet zo is, geeft de huisarts soms een medicijn via de anus om de aanval te stoppen.

Verder onderzoek

Verder onderzoek is alleen nodig als:

  • een kind dat jonger is dan 6 maanden of ouder dan 5 jaar een aanval krijgt
  • het schokken langer dan 15 minuten duurt
  • een kind alleen aan 1 armpje of beentje trekkingen heeft
  • in 1 koortsperiode meerdere aanvallen optreden.

O-benen en X-benen

  • Bij O-benen is de afstand tussen de knieën groter dan de afstand tussen de enkels.
  • Bij X-benen is de afstand tussen de knieën kleiner dan de afstand tussen de enkels.

In de groei

Als je kind begint te staan (rond 1 tot 1,5 jaar) heeft hij heel snel O-benen. Rond het 2e jaar gaat dit over in X-benen. De mate van X-stand neemt dan in enkele jaren toe. En als je kind 5 tot 7 jaar is, neemt de X-stand weer langzaam af. De voetjes knikken wat naar binnen en lijken plat.

Wat kun je doen?

Als je kind geen klachten heeft met lopen, hoeft er niets aan gedaan te worden. Goede schoenen en voldoende beweging kunnen helpen. Aan het einde van de groei zijn de benen dan vrijwel recht geworden. De knieën raken elkaar niet en de enkels raken elkaar ook niet.

Wanneer is de stand van de benen abnormaal?

Als de O- of X-stand van de benen asymmetrisch is, kun je dat door de huisarts laten bekijken. Asymmetrisch betekent dat een been meer O of X heeft dan het andere been. Wanneer O- of X-benen symmetrisch zijn, is het moeilijk aan te geven wanneer deze echt abnormaal zijn. Als je kind klachten heeft in zijn knieën of benen is het verstandig naar de huisarts te gaan.

Oorpijn

Oorpijn is te herkennen aan zeurende, scherpe, stekende of kloppende pijnklachten. Soms komt er etterend of bloederig vocht uit het oor. Je kunt misschien niet zien waar dit vocht vandaan komt, omdat de ontsteking diep in het oor kan liggen. Daarbij kan het ook zijn dat je kind koorts heeft.

Het gaat vanzelf over

Een oorontsteking gaat meestal binnen een paar dagen vanzelf weer over. Misschien is het gehoor nog een paar weken verminderd, maar dit geneest ook vanzelf.

Naar de huisarts?

Het is alleen nodig om naar de huisarts te gaan als:

  • je kind langer dan 3 dagen pijn en koorts heeft;
  • je kind voor de derde keer in een jaar oorpijn heeft;
  • er langer dan& 2 weken vocht uit het oor komt;
  • je kind voortdurend blijft huilen en ontroostbaar is.

Verkoudheid

We zijn allemaal wel eens snipverkouden. Maar het is natuurlijk erg vervelend wanneer je kind zich niet lekker voelt, keelpijn heeft, snotterig is en constant moet niezen en hoesten.

Virusinfectie

Een verkoudheid is een besmettelijke virusinfectie. Er bestaat niet 1 verkoudheidsvirus, er bestaan er maar liefst meer dan 200. Kinderen zijn nog niet immuun voor al deze virussen, daarom worden zij vaker verkouden dan volwassenen die al een betere weerstand hebben opgebouwd tegen alle verschillende virussen.

De symptomen

Een verkoudheid is een infectie van de bovenste luchtwegen samen met een ontsteking van het slijmvlies in de neus en in de keel. De symptomen van een verkoudheid zijn:

  • een loopneus of een verstopte neus;
  • keelpijn, hoesten en niezen;
  • hoofdpijn;
  • spierpijn;
  • verhoging of koorts;
  • en vermoeidheid.

Ook kan een verkoudheid zich via de buis van Eustachius verplaatsen naar het oor, in dat geval kan je kind een oorontsteking krijgen.

Geneesmiddelen

Er bestaan geen geneesmiddelen tegen verkoudheid. Ook antibiotica helpen niet, omdat antibiotica alleen helpen tegen bacteriële infecties en niet tegen virusinfecties. Wel kun je bij de drogist verschillende middeltjes kopen die de symptomen kunnen verminderen, zoals neusdruppels of een neusspray.

Naar de huisarts?

Meestal gaat een verkoudheid binnen 2 weken vanzelf weer over. Het is dus ook niet nodig om meteen naar de huisarts te gaan. Ga wel met je kind naar de huisarts als:

  • een verkoudheid langer dan 2 weken aanhoudt;
  • als er ademhalingsproblemen ontstaan;
  • of wanneer de symptomen verergeren.

Ziekten en aandoeningen

Lichamelijke gezondheid is belangrijk. Zeker voor kleine kinderen van wie de weerstand nog opgebouwd moet worden. Er zijn veel kinderziektes waar je je zorgen over zou kunnen maken. Toch zijn de meeste onschuldig zoals een luchtweginfectie, worminfectie of een huidinfectie. Tegen de meeste gevaarlijke ziektes (zoals difterie en polio) worden kinderen ingeënt.

Weerstand

Kinderen worden ziek omdat ze nog weerstand moeten opbouwen tegen veel ziektes en omdat ze elkaar makkelijk besmetten. Kinderen raken elkaar veel aan tijdens het spelen, houden niet altijd hun hand voor hun mond bij het niezen en wassen ook niet altijd hun handen als ze naar de wc zijn geweest. Daarom is het verstandig om je kind van jongs af aan te leren dat hygiëne belangrijk is.

Allergieën

Kinderen hebben soms een allergie en kunnen daar veel last van hebben. Ze hoesten, ze hebben het benauwd of ze hebben eczeem. Als ouder maak je je misschien veel zorgen.

Wat veroorzaakt een allergie?

Een allergie is een afweerreactie van het afweersysteem op gewone stoffen. Het lichaam wordt blootgesteld aan een bepaalde stof, reageert heftig en maakt te veel antistoffen aan. Hierdoor moet je bijvoorbeeld niezen, krijg je tranige ogen, huiduitslag of jeuk. Je kunt een allergie erven van je familie.

Verschillende typen allergieën

Er zijn veel stoffen die allergieën kunnen veroorzaken, ze zijn ondergebracht in de volgende verdeling.

  • Inhaleringsallergieën: stoffen die je inademt, bijvoorbeeld stuifmeel van grassen en uitwerpselen van huisstofmijt.
  • Voedingsallergieën: stoffen die je eet of drinkt, bijvoorbeeld koemelk, pinda's, noten en garnalen.
  • Contactallergieën: stoffen waarmee je in aanraking komt, bijvoorbeeld nikkel en chemische stoffen.
  • Insectenallergieën: insecten waardoor je gestoken wordt, zoals bijen en wespen.
  • Geneesmiddelenallergieën: geneesmiddelen die je inneemt of inspuit, zoals penicilline.

Allergietest

Als je denkt dat je peuter een bepaalde allergie heeft, dan kun je bij de huidarts terecht voor een allergietest. Als het mogelijk is, zal de huisarts medicatie voorschrijven. Hij kan de allergie waarschijnlijk niet genezen, maar wel de klachten verminderen.

Wat kun je zelf doen?

Natuurlijk is het verstandig om de stoffen waar je kind allergisch voor is zo veel mogelijk te vermijden. Bijvoorbeeld bij een voedselallergie is het belangrijk om hem bepaalde dingen niet te laten eten. Let ook op producten waar bepaalde voedingsstoffen in verwerkt zitten. Je kunt ook de allergie van je kind op de kinderopvang of school melden, zodat ze daar rekening mee kunnen houden.

Anafylaxie

Soms kan een allergische reactie zo ernstig zijn dat het zelfs levensbedreigend is. Er treden bijvoorbeeld zeer grote zwellingen op, je kind voelt zich misselijk, zijn polsslag versnelt en hij raakt in ademnood. Soms raakt je kind zelfs bewusteloos. Een dergelijke reactie wordt ook wel anafylaxie of anafylactische shock genoemd. Het is dan belangrijk om zo snel mogelijk je huisarts of 112 te bellen.

Amandelen

Neus- en keelamandelen zijn onderdeel van het afweersysteem. Ze helpen dat je kind niet ziek wordt.

Ontstoken amandelen

Het kan gebeuren dat de amandelen niet meer in staat zijn om alle bacteriën, virussen en schimmels te weren. Ze raken dan zelf ontstoken. Dit gebeurt bij kinderen vaak al op jonge leeftijd. Afhankelijk van de ernst van de klachten, is het nodig de amandelen te verwijderen. Dat gebeurt op een moment dat de amandelen niet ontstoken zijn.

Neusamandelen verwijderen

In de meeste gevallen worden alleen de neusamandelen verwijderd. De neusamandelen raken door deze infecties verdikt en opgezwollen waardoor je kind lastig kan ademen. Als de neusamandelen verwijderd worden, gaat je kind onder narcose. Dit is een kleine ingreep. En meestal mag je kind enkele uren na de ingreep alweer naar huis.

Keelamandelen verwijderen

Als je kind last heeft van terugkerende keel- en middenoorontstekingen, dan kan de arts ervoor kiezen om ook de keelamandelen te verwijderen. Als de keelamandelen dik en opgezwollen zijn, is het lastig en pijnlijk om te slikken en te praten. Het verwijderen van de keelamandelen gebeurt onder narcose. Het is een dagbehandeling. Dus aan het eind van de dag mag je kind vaak alweer naar huis.

IJsjes eten

Nadat de (keel)amandelen verwijderd zijn, is het raadzaam om je kind veel waterijsjes of ijsklontjes te laten eten. De kou van het ijs verzacht de pijn.

Astma

Astma is een erfelijke, chronische ontsteking aan de luchtwegen waardoor je kind moeite heeft met ademen. Als je kind snel benauwd is, veel hoest en vaak kortademig is, dan is het verstandig om je huisarts te raadplegen.

Wat veroorzaakt astma

Mensen met astma zijn allergisch voor een aantal stoffen, zoals huisstofmijt, pollen, schimmels, huidschilfers, en huisdieren. Maar ze kunnen vaak ook niet tegen 'niet-allergische prikkels', zoals mist, sigarettenrook en parfum.

Als deze stoffen in de luchtwegen terecht komen, dan ontstaat er een irritatie waardoor de luchtwegen te veel slijm produceren. De slijmvliezen zwellen op en de spiertjes om de luchtwegen trekken samen. De doorgang voor de lucht (de luchtpijp) raakt daardoor vernauwd en de lucht in de longen wordt nauwelijks ververst, wat het ademen moeilijker maakt.

Peuterastma

Kinderen kunnen op jonge leeftijd al last krijgen van astma. Dat wordt ook wel peuterastma genoemd. De kans op peuterastma is groter door bijvoorbeeld een rokende moeder, een te vroege geboorte.

Bij een jong kind is het moeilijk om vast te stellen of hij astma heeft. Is je kind jonger dan 4 jaar? Dan geeft testen op astma nog weinig zekerheid. Heeft je kind na 4 jaar nog steeds astmaklachten? Dan is de kans groot dat hij een allergische astma heeft. Zeker als dit in je familie vaker voorkomt.

Hoe kun je klachten voorkomen?

  • Rook nooit binnen of in de auto.
  • Gebruik weinig cosmetica. Want je kind kan ook allergisch zijn voor geuren.
  • Neem geen cavia's, hamsters, honden, katten of andere dieren met haren of veren in huis.
  • Zet geen bloeiende en sterk ruikende planten of droogboeketten in je huis.
  • Houd alles zoveel mogelijk stofvrij. Kies eventueel voor kasten die je kunt afsluiten.
  • Regelmatig stofzuigen, afstoffen en ventileren is belangrijk.
  • Neem geen stoffen wandbekleding. Wanden die glad afgewerkt zijn, zijn het beste.
  • Houd je huis vrij van vocht en tocht. Maar ventileer wel goed.
  • Zorg voor een vloerbedekking die zo weinig mogelijk stof vasthoudt. Zoals linoleum en gladde synthetische vloerbedekking aan één stuk. Ook laminaat en parket zijn goed.
  • Zorg voor meubelen die je kunt afnemen met een nat doekje.
  • Voor gordijnen is katoen of kunstvezel het beste.
  • Koop je speelgoed? Let er dan op, dat je het kunt wassen in de machine. En kijk of de vulling geen allergische reactie kan geven. Vulling van kunstvezel is goed. Koop geen pluche speelgoed.
  • Vermijd plotselinge temperatuurwisselingen. De longen van je kind kunnen hier niet goed tegen.

Welke medicijnen zijn er tegen astma?

Er zijn geen medicijnen die astma kunnen genezen. Er zijn wel verschillende soorten medicijnen en inhalatoren om de klachten van astma te verminderen. Je kunt het beste met je arts bespreken welk medicijn en welke inhalator geschikt is voor je kind. En bedankt ook dat gezonde en gevarieerde voeding belangrijk is. Dit verbetert namelijk de weerstand van je kind.

Blaasontsteking

Een blaasontsteking is natuurlijk vervelend. Je kind heeft een pijnlijk en branderig gevoel bij de plasbuis en tijdens het plassen. En misschien heeft je kind ook steeds het gevoel dat hij moet plassen, terwijl hij eigenlijk niet hoeft.

Wat veroorzaakt een blaasontsteking?

Een blaasontsteking is een bacteriële infectie. Meestal wordt het veroorzaakt door bacteriën uit de darmen. Blaasontsteking wordt dus niet veroorzaakt door kou of natte kleding.

Meisjes

Meisjes kunnen makkelijker een blaasontsteking krijgen dan jongens. Ten eerste omdat hun plasbuis veel korter is en ten tweede omdat de anus dichtbij de plasbuis zit. Bij het afvegen kunnen de bacteriën makkelijk vanuit de anus in de plasbuis komen en vanuit de plasbuis in de blaas. Daarom is het voor meisjes heel belangrijk altijd van voren naar achteren te vegen.

Nierbekkenontsteking

Wanneer een blaasontsteking niet op tijd wordt behandeld, kan er een ontsteking van de nieren ontstaan. Dit kan zelfs leiden tot blijvende nierschade. Omdat dit vrij ernstig is, worden meisjes onder de 4 jaar en jongens onder de 12 jaar die een blaasontsteking hebben meestal meteen doorverwezen naar de kinderarts of de uroloog.

Wat kun je eraan doen?

Als je denkt dat je kind een blaasontsteking heeft, ga dan het liefst dezelfde dag of meteen de volgende ochtend naar de huisarts. Laat je kind 's ochtends in een schoon potje (of 'urinecontainer') plassen. De huisarts kan dan testen of er bepaalde bacteriën in de urine zitten. Als dat zo is, zal hij je peuter verwijzen naar een kinderarts of uroloog.

Bloedarmoede

Als je kind bloedarmoede heeft, dan wordt er te weinig zuurstof naar de spieren en andere organen en weefsels vervoerd, waardoor je kind zich snel moe en uitgeput voelt.

Hoe ontstaat bloedarmoede?

Bloedarmoede bij een peuter kan komen doordat in het bloed te weinig hemoglobine aanwezig is, bijvoorbeeld door een tekort aan ijzer of aan vitamine B12. Hemoglobine is een ijzerhoudend eiwit dat in de rode bloedcellen zit. Het zorgt voor het zuurstoftransport in het lichaam. Maar het kan ook zijn dat het lichaam de rode bloedcellen niet voldoende maakt of te snel afbreekt.

Wat zijn de symptomen van bloedarmoede?

Als je kind bloedarmoede heeft, dan voelt je kind zich snel moe en uitgeput. Je kind voelt zich waarschijnlijk ook snel duizelig. Je kind krijgt een bleke huid en kan last hebben van oorsuizingen, kortademigheid en hartkloppingen.

De behandeling van bloedarmoede

Allereerst is het belangrijk dat de huisarts met een onderzoek aantoont of je kind inderdaad bloedarmoede heeft. De behandeling hangt af van de oorzaak van de bloedarmoede. Maar meestal lukt het om via goede voeding het hemoglobine tekort weer op peil te brengen. IJzer zit vooral in rund- en lamsvlees, volkorenbrood, broccoli en sperziebonen. Vitamine B12 zit alleen in dierlijke producten zoals melk, melkproducten, vlees en vleeswaren, vis en eieren. Soms zal de huisarts ook een medicijn, bijvoorbeeld een ijzerdrankje voorschrijven.

Diabetes

Diabetes is de medische term voor suikerziekte. Mensen met diabetes hebben een te hoog glucosewaarde (suikerwaarde) in hun bloed, omdat ze te weinig insuline aanmaken.

Wat is insuline?

Insuline is een hormoon dat nodig is voor de opname van glucose, bijvoorbeeld in de spieren en in vet. Als het lichaam te weinig of geen insuline aanmaakt, dan blijft er te veel glucose in het bloed zitten. Dit is op den duur slecht voor de organen, de huid en de zenuwen.

Diabetes type 1 en type 2

Er zijn 2 veelvoorkomende vormen van diabetes, namelijk type 1 en type 2. Bij diabetes type 1 maakt het lichaam geen of nauwelijks insuline aan. Bij diabetes type 2 is het lichaam minder gevoelig voor insuline, of maakt het lichaam minder insuline aan. Vaak ontstaat diabetes type 1 al op jonge leeftijd. Diabetes type 2 ontstaat meestal door overgewicht en een ongezonde levensstijl.

De symptomen

De symptomen van diabetes zijn soms moeilijk te herkennen, vooral die van diabetes type 2. Als je kind diabetes heeft, herken je dat aan vermoeidheid, dorst en veel plassen, oogklachten, wondjes die slecht genezen, terugkerende infecties en/of kortademigheid. Een diabetestest van de huisarts kan snel uitwijzen of je kind inderdaad diabetes heeft.

Wat kun je doen als je kind diabetes heeft?

Als je kind diabetes type 1 heeft, dan is er alleen de mogelijkheid dat jij of je kind zelf insuline toedient. Dit kan met een insulinepen of -pomp. Als je kind diabetes type 2 heeft, dan is dit niet nodig. Het lichaam maakt immers wel zelf insuline aan. Daarom is het meestal alleen nodig dat dit meer gestimuleerd wordt, bijvoorbeeld door gezonde voeding, veel lichaamsbeweging en afvallen bij overgewicht. Het is verstandig om dit in goed overleg te doen met je huisarts of kinderarts.

Eczeem

Eczeem is een huidaandoening waar baby's en kinderen vaak last van hebben. Eczeem is een jeukende ontsteking van de huid. De huid van je peuter is dan vaak rood en schilferig. Er kunnen ook blaasjes op komen. Eczeem kan overal zitten, maar je kind kan ook een paar plekken hebben. Meestal komt het voor op het hoofd, de armen, het bovenlichaam en in de knieholtes.

Hoe krijg je eczeem?

  • Door het contact met stoffen waar je allergisch voor bent. Dat heet dan contacteczeem. Je kunt eczeem krijgen van metaalstof, hout, shampoo, verfkleurstoffen, textiel, rubber en sommige planten.
  • Doordat je ermee geboren bent. Dat heet constitutioneel of atopisch eczeem (dauwworm). Meestal begint dit soort eczeem vanaf de leeftijd van 3 maanden. Veel kinderen groeien er overheen voor hun 5e levensjaar, maar andere kinderen houden er last van. Het verschilt per kind hoeveel last hij er van heeft en hoe lang dat zal duren. Bij de meeste kinderen worden de klachten minder als je kind ouder wordt. Als hij ongeveer 12 is, is het meestal verdwenen.
  • Zit er in jouw familie eczeem? Of in de familie van je partner? Dan is de kans groter dat je peuter het ook krijgt.

Wat kun je zelf doen?

Eczeem is een chronische huidaandoening, dat betekent dat je het niet kunt genezen. Als de klachten niet vanzelf overgaan, dan kun je de klachten meestal wel verminderen. Het is verstandig om met je huisarts te overleggen wat de beste optie is om het eczeem van je kind te behandelen. Meestal schrijven huisartsen een zalfje voor.

  • Let erop dat je kind niet aan het eczeem krabt. Anders krabt hij zijn huid misschien open. En dat kan gaan ontsteken. Door te krabben krijgt je kind ook weer meer jeuk.
  • Koop geen spullen waar stoffen in zitten die je kind eczeem geven.

Epilepsie

Epilepsie is chronische aandoening van de hersenen. Epilepsie kan erfelijk zijn, maar kan ook veroorzaakt worden door een beschadiging of een ontsteking van de hersenen. Soms is er een aantoonbare oorzaak maar vaak ook niet.

Symptomen van epilepsie

Epileptische aanvallen duren meestal slechts enkele seconden tot enkele minuten. Een patiënt is zich soms niet eens bewust van een aanval. Het verloop van een aanval kan per persoon verschillen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen 'gegeneraliseerde aanvallen' en 'partiële aanvallen'.

  • Bij gegeneraliseerde aanvallen vinden er abnormale elektrische ontladingen in de gehele hersenen plaats. Je kind kan daardoor zijn bewustzijn verliezen, daardoor in elkaar zakken, en meestal beginnen zijn ledematen te schokken.
  • Bij partiële aanvallen vinden er abnormale elektrische ontladingen plaats in een bepaald gedeelte van de hersenen. Je kind verliest soms zijn bewustzijn en meestal schokt alleen een bepaald lichaamsdeel.

Behandeling

Om de diagnose te stellen maakt de arts in het ziekenhuis een hersenfilmpje (EEG), een CT-scan of een MRI-scan van de hersenen. Als je kind epilepsie heeft, schrijft hij een behandeling met anti-epileptica voor. Er zijn verschillende soorten medicijnen en verschillende combinaties mogelijk. Per persoon verschilt wat helpt, en wat niet helpt.

Wat kun je zelf doen?

Je kunt zelf veel doen voor je kind. Een regelmatig leven en gezonde voeding kan mee helpen om de epilepsie onder controle te houden. Natuurlijk is het ook belangrijk dat je kind zijn medicijnen inneemt volgens het voorschrift. Als de medicijnen bijwerkingen hebben, is het verstandig om je arts te raadplegen.

Gordelroos

Gordelroos (of herpes zoster) is een huiduitslag en kan besmettelijk zijn. Gordelroos komt bij peuters maar zelden voor.

Hoe ontstaat gordelroos?

Wanneer je kind eerder waterpokken heeft gehad, blijft dat virus ongemerkt achter in de huid van je kind. Soms wordt het virus weer actief en veroorzaakt het gordelroos. Het is niet helemaal duidelijk waardoor het virus actief wordt, misschien door een verslechterde weerstand of oververmoeidheid. Je kunt in je leven vaker gordelroos krijgen.

Welke symptomen heeft gordelroos?

Gordelroos verschijnt daar waar het waterpokkenvirus is achtergebleven in de huid. Het komt altijd voor op één lichaamshelft in de vorm van een gordel. Meestal begint het met pijn, jeuk en een tintelend gevoel. Na een paar dagen ontstaan er groepjes met vocht gevulde blaasjes en rode vlekjes op de huid. Dit kan behoorlijk pijn doen en het kan ook zijn dat je kind grieperig of koortsig wordt. Na verloop van tijd drogen de blaasjes in, kun je de korstjes voorzichtig van de huid af wassen en geneest de huid.

Wat kun je doen tegen gordelroos?

In de meeste gevallen gaat gordelroos vanzelf weer over. Er kunnen soms bepaalde complicaties optreden. Als de gordelroos bijvoorbeeld in het gezicht zit, dan kunnen de ogen of de oren aangetast worden. Het is belangrijk om dan langs de huisarts te gaan. Maar ook wanneer de klachten ernstig zijn of wanneer het te pijnlijk is, kun je de huisarts raadplegen.

Gordelroos is besmettelijk

Gordelroos is besmettelijk in de 'acute fase'. Dat wil zeggen, in de fase dat er groepjes met vocht gevulde blaasjes en rode vlekjes op de huid zitten. Je kunt alleen iemand besmetten die nog geen waterpokken heeft gehad. Die persoon kan er waterpokken van krijgen. Als je gordelroos hebt kun je ook het beste uit de buurt blijven van zwangere vrouwen, baby's en zieke mensen. Een besmetting kan bij hen namelijk ernstige complicaties tot gevolg hebben

Griep

Griep is een besmettelijk virus. Vooral de luchtwegen worden door de griep aangetast. De griep duurt meestal 1 tot 2 weken, maar gaat vrijwel altijd vanzelf over. In principe kan iedereen de griep krijgen. Het griepvirus verandert namelijk elk jaar een beetje, waardoor je steeds opnieuw het risico loopt dat je het krijgt.

Symptomen

Als je kind de griep heeft dan heeft hij waarschijnlijk last van hoge koorts, hoofdpijn, keelpijn, niezen, een loopneus, koude rillingen, spierpijn en moeheid. Je kind kan ook weinig eetlust hebben en overgeven.

Griep is besmettelijk

Omdat griep besmettelijk is, is het belangrijk om altijd in een papieren zakdoekje te niezen dat je meteen daarna weggooit. Probeer je kind dit ook te leren. Het is verstandig om na het niezen ook goed je handen te wassen.

Behandelingen

Griep is een virusinfectie en daarom kun je het niet genezen met een antibioticum. In de meeste gevallen gaat griep vanzelf weer over. Als de koorts echter langer dan 5 dagen aanhoudt, is het verstandig om toch de huisarts te raadplegen. Als je kind nog erg jong is en hoge koorts heeft (39 graden of meer), is het verstandig om eerder al naar de huisarts te gaan.

De griepprik

Sommige mensen hebben een verhoogde kans om ziek te worden. Dit zijn meestal oudere mensen en mensen die door een (chronische) aandoening een verminderde weerstand hebben. Ook peuters met bijvoorbeeld astma of een hartafwijkingen horen tot de risicogroep en kunnen een griepprik krijgen. Dit gaat meestal in overleg met de kinderarts. Deze volwassenen en kinderen krijgen een oproep van hun huisarts om een griepprik te halen. De griepprik beschermt alleen tegen de meest voorkomende virussen van dat seizoen. Een jaar later zijn er weer nieuwe griepvirussen en is er dus ook een nieuwe griepprik.

Hazenlip

De officiële naam voor hazenlip is schisis. Het woord schisis betekent 'spleet'. Als je kind een schisis heeft, heeft hij een opening in de bovenlip. Het kan zijn dat de spleet doorloopt tot in de bovenkaak, het gehemelte of in de neus. Ook een spleet alleen in het gehemelte kan voorkomen.

Is dit erfelijk?

In Nederland komt een schisis voor bij 1 of 2 kinderen op de 1000 pasgeborenen. De oorzaak is meestal een combinatie van erfelijkheid en een stoornis in de zwangerschap tussen de 6 en 12 weken.

Problemen bij een hazenlip

Bij een spleet in het gehemelte kunnen er na de geboorte problemen ontstaan met zuigen en slikken. Een schisis kan soms ook gevolgen hebben voor de spraak- en gebitsontwikkeling, of er kan sprake zijn van gehoorproblemen.

Bij kinderen met een gehemeltespleet en/of een te kort aangelegd gehemelte gaat de buis van Eustachius vaak niet goed open omdat de werking van de gehemeltespieren niet voldoende is. Daardoor ontstaat er in het middenoor vochtophoping en zit er minder lucht in het oor. Het trommelvlies kan niet meer goed meetrillen met het geluid en kan geluid dus niet goed doorgeven (geleiden) aan het gehoorzintuig: het kind hoort slecht.

Diagnose en behandeling

De diagnose wordt meestal direct na de geboorte gesteld op basis van de uiterlijke kenmerken. Daarnaast wordt er een lichamelijk onderzoek gedaan om de schisis precies te bepalen. Zo wordt ook onderzocht of er verdere aangeboren afwijkingen in het spel zijn.

Je kind wordt meestal behandeld door verschillende specialisten die samen een team vormen. Zij voeren de correcties uit die nodig zijn. Dit kan chirurgie omvatten, en mogelijk spraaktraining. Vaak moet een kind worden behandeld tot hij is volgroeid en zijn er meerdere operaties nodig.

Hepatitis B

Hepatitis B ofwel geelzucht, is over de hele wereld de meest voorkomende leverziekte. Hepatitis B is een ernstige infectieziekte, die wordt veroorzaakt door het hepatitis B virus. Dit virus dringt de levercellen binnen en veroorzaakt daar een ontsteking. Een baby kan een infectie oplopen tijdens de geboorte.

Besmettelijk

In Nederland draagt 1 op de 200 inwoners (0,5 procent van de bevolking) het hepatitis B virus bij zich. Hepatitis B is erg besmettelijk en wordt vaak ongemerkt overgedragen. Iemand met een chronische infectie kan anderen besmetten zonder dat zelf te weten. Een moeder die het virus bij zich draagt kan haar baby tijdens of na de geboorte besmetten. Handen geven, knuffelen, gezamenlijk gebruik van kopjes en bestek kan zonder risico op infectie. Een gezonde huid zonder wondjes (ook niet in de mond) geeft bescherming genoeg.

Vooral bij jonge kinderen blijft de ziekte vaak onopgemerkt. Zij lopen een grote kans dat ze het virus voor altijd bij zich blijven dragen. De ziekte kan heel acuut komen opzetten, maar vaak gebeurt dat pas na 5 tot 25 (!) jaar. Soms na nog langere tijd.

Vaccinatie

Vanwege de ernst van deze ziekte is de vaccinatie tegen hepatitis B opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Op dit moment krijgen kinderen die een verhoogd risico hebben op hepatitis B de inenting al via het RVP. Dat zijn kinderen met een moeder met een chronische hepatitis B-infectie, kinderen van wie tenminste één ouder afkomstig is uit een land waar hepatitis B vaak voorkomt en kinderen met het Downsyndroom.

Alle kinderen die geboren zijn op of na 1 augustus 2011 zullen de vaccinatie aangeboden krijgen in een combinatieprik met andere vaccinaties.

Herpes

Herpes is een virus waarvan meerdere varianten bestaan. Deze varianten veroorzaken verschillende huidaandoeningen, waaronder een koortslip en gordelroos.

Alle varianten van herpes zijn besmettelijk als de klachten zich voordoen. Meestal zijn dat open, vochtige blaasjes op de huid. De huid is dan rood, of laat rode vlekken zien, en de blaasjes zijn pijnlijk en kunnen behoorlijk jeuken.

Gordelroos

Herpes zoster is de variant die gordelroos veroorzaakt. Alleen mensen die eerder al eens de waterpokken hebben gehad, kunnen later gordelroos krijgen. Je kunt ook vaker gordelroos krijgen.

Een koortslip

Herpes labialis is een koortslip. Meestal wordt de koortslip veroorzaakt door herpes 1. Dat is een veel voorkomend virus. De meeste mensen krijgen zelf geen klachten, maar als je kind er wel gevoelig voor is, dan heeft hij waarschijnlijk zo nu en dan last van een koortslip. Als je zelf een koortslip hebt, geef je kind dan geen zoen!

Soa

Herpes genitalis is een seksueel overdraagbare aandoening. Dit is eenzelfde soort huidaandoening op de geslachtsorganen en in de schaamstreek. Meestal wordt het veroorzaakt door herpes 2, maar soms ook door herpes 1.

Geneesmiddelen

Er zijn geen geneesmiddelen tegen het herpesvirus zelf. Als je kind een bepaalde variant heeft, dan komt hij hier niet meer van af en dan zullen de klachten dus terugkeren. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij een verminderde weerstand. Er zijn wel geneesmiddelen om de klachten van herpes te bestrijden. Hiervoor kun je terecht bij de drogist, de apotheek en de huisarts.

Voorkomen van herpes

Veel kinderen raken besmet met het waterpokkenvirus. Dat is lastig te voorkomen. Andere herpes varianten kun je wel makkelijker voorkomen door besmetting te vermijden. Als je zelf een koortslip hebt, kun je je kind beter geen zoen geven.

Hersenvliesontsteking

Hersenvliesontsteking, of meningitis, wordt meestal veroorzaakt door bacteriën als meningokokkenbacteriën, Pneumokokken en de HiB-bacterie. Ook sommige virussen kunnen hersenvliesontsteking veroorzaken. Je kind krijgt vaccinaties die hersenvliesontsteking moeten voorkomen.

Hersenvliesontsteking is een zeer ernstige aandoening en moet direct behandeld worden. Als je vermoedt dat je kind geïnfecteerd is, is het noodzakelijk om acuut medische hulp in te schakelen.

Symptomen

Je herkent een hersenvliesontsteking meestal aan dat een kind heel ziek is. Je kind heeft koorts en kan daarbij suffig zijn, vaak misselijk, en soms braken. Soms heeft een kind een stijve nek (nekkramp) waarbij hij het hoofd niet naar voren kan buigen

Vlekken

Bij hersenvliesontsteking kunnen ook vlekken (eigenlijk kleine bloeduitstortinkjes) op de huid ontstaan, die niet weggaan als je er op drukt (bijvoorbeeld met een glas).

De vlekken zijn een teken van bloedvergiftiging door de bacteriën. Ze beginnen als kleine speldenknopjes, maar worden geleidelijk groter. Dat gebeurt meestal binnen een paar uur, soms zelfs voordat andere symptomen zichtbaar zijn. Als je kind deze vlekken heeft, is dringend medische hulp nodig.

Diagnose en behandeling

De arts stelt de diagnose door één of meerdere test te doen. Als je kind inderdaad geïnfecteerd is met de schadelijke bacteriën dan zal er een behandeling plaatsvinden met antibiotica. Hoe eerder deze behandeling plaatsvindt, hoe meer kans er is op herstel. Daarom wordt de behandeling vaak al gestart bij een voorlopige diagnose van een hersenvliesontsteking.

Complicaties

Als er te lang gewacht wordt met de behandeling, dan kunnen er ernstige complicaties ontstaan. Mogelijke complicaties van hersenvliesontsteking zijn: doofheid, epileptische aanvallen en uitval van zenuw- of hersenfuncties. Mogelijke complicaties van bloedvergiftiging zijn: bloedingen doordat het bloed niet goed stolt en verminderde bloedtoevoer naar organen en weefsels.

HiB-ziekten

De HiB-ziekte worden veroorzaakt door een bacterie. Deze bacterie is vooral schadelijk voor kinderen jonger dan 5 jaar. De HiB-bacterie kan longontsteking, hersenvliesontsteking en een ontsteking van het strottenklepje veroorzaken.

Infectie

Als je vermoedt dat je kind geïnfecteerd is met de HiB-bacterie en daar ziek van geworden is, dan is het noodzakelijk om dringend medische hulp in te schakelen. Je herkent een infectie bijvoorbeeld aan een neus- en keelontsteking (snotneus), hoge koorts en braken, nekstijfheid, huidbloedingen, coma of epileptische aanval. Specifieke verschijnselen bij baby's: luierpijn (hevig huilen als je de beentjes optilt bij het verschonen), sufheid en soms een te lage lichaamstemperatuur in plaats van koorts.

Vaccinatie tegen HiB

Sinds 1993 worden alle kinderen ingeënt tegen de HiB-bacterie. Baby's krijgen deze vaccinatie in hun tweede, derde, vierde en elfde maand. De vaccinatie biedt langdurige bescherming.

De meeste kinderen hebben geen bijwerkingen van de vaccinatie, misschien alleen een zwelling en pijn op de plek waar de injectie is geweest. Sommige kinderen krijgen iets ernstigere bijwerkingen, zoals koorts en veel huilen. Deze bijverschijnselen verdwijnen meestal binnen 24 uur. Als de koorts hoger is dan 39 graden, dan is het raadzaam om je huisarts hiervan op de hoogte te houden.

Na de vaccinatie

Als ouder kun je het beste direct na de vaccinatie de plek waar geïnjecteerd is masseren , dit vermindert de pijn. Een koud kompres of ijs is niet nodig, dit kan de bijwerkingen zelfs verergeren. Het is verstandig om je kind van te voren goed te laten eten, omdat hij misschien na de injectie niets meer wil eten. Als je kind koorts heeft, dan helpt een lauwwarm bad en extra vocht (water drinken). Je kunt je kind eventueel een paracetamol zetpil geven.

Hiv en aids

Hiv is een schadelijk virus dat het afweersysteem afbreekt. Het lichaam raakt op den duur ernstig verzwakt en is daardoor vatbaar voor allerlei infecties en aandoeningen. Zonder behandeling (het nemen van hiv-remmers) is er een kans dat er aids ontstaat en kan iemand komen te overlijden.

Voor een kind met hiv (en ook voor de ouder) brengt het leven uitdagingen en onzekerheden met zich mee. Er is gebrek aan kennis over hiv in de omgeving, onnodige angst voor overdracht van hiv en er kleeft een stigma aan hiv. Ouders en kinderen krijgen te maken met het verwerken van de diagnose, het wennen aan medicatiegebruik en de vraag aan wie je wel of niet vertelt over hiv. Goede ondersteuning is daarom belangrijk wanneer je kind hiv-positief is.

Hiv-infectie bij kinderen

De kans op overdracht van hiv op een kind tijdens de bevalling is ongeveer 30 procent. Ook als je je kind borstvoeding geeft, is infectie mogelijk. Gelukkig kan een infectie tegenwoordig goed worden voorkomen door het nemen van hiv-remmers tijdens de zwangerschap en afzien van het geven van borstvoeding. De kans op hiv kan hierdoor verkleind worden tot minder dan 1 procent.

Medicatie

Er bestaat geen vaccin tegen hiv en ook geen genezing van hiv. Wel bestaat er een behandeling uit een combinatie van verschillende medicijnen. Deze 'combinatietherapie' zorgt ervoor dat de vermenigvuldiging van het virus wordt onderdrukt en het afweersysteem wordt gestimuleerd. Overleg met de arts van je kind over zijn of haar behandeling.

Jonge kinderen

Baby's die tijdens (of vlak na) de bevalling worden geïnfecteerd met hiv, hebben veel actieve virusdeeltjes in hun lichaam. Daarom worden er vanaf het begin af aan virusremmers toegediend. Een kwart van deze kinderen wordt ziek, voordat ze 1 jaar zijn. Ze zijn dan al in het stadium van aids. Bij de meeste kinderen duurt dit langer, ongeveer driekwart van de kinderen krijgt pas verschijnselen van aids als ze 6 zijn.

Hoofdluis

Hoofdluis verspreidt zich makkelijk, vooral onder kinderen omdat kinderen veel met elkaar spelen en vaak bij elkaar zijn. Hoofdluis kan zich ook verspreiden via jassen, mutsen, autostoelen, knuffelbeesten en borstels. Het maakt in principe niet uit hoe schoon je kind is, elk kind kan hoofdluis krijgen.

Hoofdluis is hardnekkig!

Behalve dat een hoofdluis zich snel verspreidt, kan een hoofdluis zich ook snel voortplanten. Hij legt namelijk ongeveer 250 eitjes (neten) in een maand. Het is daarom belangrijk om snel iets te doen, voordat hoofdluis een hardnekkig probleem wordt en kinderen elkaar blijven besmetten.

Wat kun je zelf doen?

Luis in je haar? Kammen maar! Als je kind hoofdluis heeft, is het advies het haar gedurende 2 weken dagelijks te kammen met een netenkam. Het netenkammetje is de meest vriendelijke methode voor het haar van je kind. Eventueel kan het kammen gecombineerd worden met een antihoofdluismiddel. Verder is het belangrijk om ook jezelf en anderen te controleren.

Tips om hoofdluis te voorkomen en snel te behandelen

  • Controleer regelmatig het haar van je kind en van jezelf.
  • Breng de kinderopvang, de school, clubs en andere ouders op de hoogte.
  • Vroeger werd, als je kind hoofdluis heeft, aangeraden alles op 60 graden te wassen wat je kind in de voorafgaande 48 uur heeft gebruikt, bijvoorbeeld beddengoed, jas, kleding, sjaal, muts, knuffelberen, enzovoort. Dit blijkt niet nodig te zijn. Dagelijks kammen met een netenkam gedurende 2 weken is voldoende.
  • Kammen en borstels ontsmetten, uitkoken of weggooien. Leen ook geen kammen, borstels, mutsen of hoofddoekjes uit.
  • Laat je kind zijn jas in een plastic tas ophangen aan de kapstok op kinderopvang en clubjes. Een luizentent, of een luizencape, helpt eventueel ook.

Hooikoorts

Hooikoorts is een allergie. Als je kind hooikoorts heeft, dan is hij allergisch voor bepaalde soorten stuifmeel van grassen, planten of bomen. De periode waarin er stuifmeel in de lucht hangt loopt van februari tot en met september. Vooral in de lente kan je kind veel last hebben van hooikoorts.

Symptomen

Hooikoorts lijkt eerst op een verkoudheid in de neus. Maar het wordt al snel erger en je kind krijgt dan meestal een branderig gevoel en jeuk in zijn neusholtes. Je kind zal veel gaan niezen en snotteren. Ook de ogen beginnen te jeuken en gaan tranen. In de mond, keel en luchtpijp ontstaat eveneens een branderig, jeukend gevoel. Je kind kan erg gaan hoesten en soms ook kortademig worden. In uitzonderlijke gevallen ontstaat astma.

Geneesmiddelen

Je kunt hooikoorts niet genezen, maar je kunt wel middelen gebruiken tegen de klachten, zoals een neusspray of oogdruppels. Je kunt het beste met je huisarts overleggen welk middel geschikt is voor de klachten van je kind.

Wat kun je zelf doen?

Als het weer droog is, dan hangt er veel stuifmeel in de lucht. Je kind kan dan dus beter zo veel mogelijk binnen blijven. Na een flinke regenbui is de concentratie stuifmeel het laagst. Dat is een goed moment om lekker naar buiten te gaan. Daarnaast hoef je in de zomer niet alle deuren en ramen dicht te houden, je kunt eventueel ook speciale horren plaatsen. En natuurlijk helpt het om wat vaker dan normaal te stofzuigen.

Huidvlekken

Veel kinderen worden geboren met kleine of grotere vlekken op de huid. Het gaat hierbij om onschuldige huidaandoeningen, die meestal vanzelf weer verdwijnen.

Donkerrode vlekken (wijnvlek)

Donkerder vlekken ontstaan als de haarvaatjes niet alleen verwijd zijn, maar ook misvormd. Men noemt deze vlekken wijnvlekken. Ze kunnen overal op het lichaam voorkomen. Wijnvlekken zijn onschuldig, maar blijvend. Als de vlekken in het gezicht zitten of erg groot zijn, kan dat psychisch belastend zijn. Lasertherapie op latere leeftijd kan goed helpen. In heel zeldzame gevallen wijst een wijnvlek op een aangeboren aandoening (het Sturge-Webersyndroom).

Bruine of grijze platte vlek op onderrug of stuitje (mongolenvlek)

Een mongolenvlek is een blauwige pigmentvlek, die meestal op het stuitje of net boven de billen zit. Zo'n vlek lijkt wat op een bloeduitstorting. Hij is geheel onschuldig en komt meestal voor bij kinderen van Aziatische of Afrikaanse afkomst. Meestal verdwijnt een mongolenvlek tussen het 3e en 5e jaar.

Bij groeiende of bloedende vlekken

In enkele gevallen zwellen de roze of rode vlekken op en groeien. Ze kunnen dan ook opengaan en hevig bloeden. Als de vlekken rond de ogen zitten, kunnen ze het gezichtsvermogen belemmeren. Dan kan het nodig zijn om ze te laten behandelen. Maak je je zorgen, raadpleeg dan je huisarts.

Krentenbaard

Impetigo of krentenbaard is een oppervlakkige infectie van de huid, veroorzaakt door bacteriën. Het vocht uit de blaasjes is besmettelijk. De infectie zit meestal in het gezicht rond de neus of mond, vandaar de naam krentenbaard, maar kan zich ook op andere plaatsen voordoen.

Impetigo is een onschuldige, besmettelijke huidinfectie, die meestal voorkomt bij kinderen onder de 9 jaar. Maar die ook bij oudere kinderen en volwassenen kan voorkomen.

Wat zijn de symptomen?

Op de huid rondom de neus en de mond ontstaan rode vlekjes en blaasjes met pus, vandaar de naam ‘krentenbaard'. Soms ontstaan er ook blaasjes bij de keel. Het jeukt behoorlijk en het kan ook pijnlijk zijn.

Wat veroorzaakt krentenbaard?

Krentenbaard wordt veroorzaakt door een bacterie. Deze bacterie is besmettelijk als hij vrij komt uit de blaasjes met pus. Bijvoorbeeld wanneer je kind ze open krabt of wanneer de blaasjes uit zichzelf open geknapt zijn. Maar ook bij het hoesten en niezen kan de bacterie vrijkomen.

Besmettelijk

Jonge kinderen lopen het risico besmet te raken. Vooral als de huid al een beetje beschadigd is, bijvoorbeeld door eczeem, een schaafwondje of een insectenbeet. Een goede hygiëne kan besmetting voorkomen, bijvoorbeeld door altijd in een zakdoekje niezen en goed je handen wassen. Thuisblijven helpt echter niet om krentenbaard te voorkomen. Iemand is namelijk al besmettelijk voordat er klachten zijn ontstaan. Je kind kan ook meerdere keren besmet raken en krentenbaard krijgen.

Zijn er geneesmiddelen voor?

Krentenbaard gaat niet makkelijk vanzelf over. Het is ten eerste belangrijk dat je kind zo weinig mogelijk aan de blaasjes krabt. Dat is natuurlijk moeilijk, omdat het erg jeukt. Een koud kompres kan helpen. Het is raadzaam om daarom een antibioticazalfje te halen bij de huisarts. Als de klachten groter zijn, dan kan de huisarts ook een antibioticakuur voorschrijven.

Wat kun je zelf doen?

De volgende hygiënische maatregelen kunnen helpen verergering en uitbreiding van de krentenbaard tegen te gaan en besmetting van anderen te voorkomen:

  • Probeer aanraken of krabben van de wondjes te voorkomen.
  • Zorg dat je kind regelmatig de handen wast met gewone zeep.
  • Houd de nagels schoon en kort.
  • Was je kind één keer per dag met zeep.
  • Laat je kind een eigen handdoek gebruiken en neem elke dag een nieuwe handdoek.
  • Leer je kind de hand voor de neus en mond te houden bij hoesten en niezen. Het is het beste om daarna de handen te wassen. Een papieren zakdoekje gebruiken en deze na eenmalig gebruik weggooien, is nog beter
  • Zorg dat mensen in de omgeving van uw kind regelmatig de handen wassen (informeer de klas of het kinderdagverblijf)
  • Eventueel kunt u de dingen die uw kind vaak aanraakt (speelgoed, deuren, trapleuning) één keer per dag schoonmaken.

Kinderdagopvang en impetigo

Je kind is al besmettelijk voordat de verschijnselen van krentenbaard optreden. Andere kinderen kunnen al besmet zijn. Thuishouden van je kind met krentenbaard helpt niet om verspreiding te voorkomen. Informeer wel de leiding omdat het om een besmettelijke aandoening gaat. De leiding kan dan andere ouders informeren, zodat iedereen alert kan zijn op verschijnselen van krentenbaard bij hun kind.

Meningokokken

Meningokokken zijn bacteriën die nekkramp of hersenvliesontsteking kunnen veroorzaken. Er zijn 13 types meningokokkenbacteriën, niet alle types zijn schadelijk en sommige komen gewoon voor in de neus- en keelholtes van iedereen.

Meningokokken types A, B, C, W135 en Y

De types A, B, C, W135 en Y zijn schadelijk en kunnen hersenvliesontsteking veroorzaken. De meeste types meningokokken zijn gevoelig voor antibiotica en kunnen makkelijk behandeld worden. Er zijn nog geen grootschalige vaccinatieprogramma's ontwikkeld om te voorkomen dat kinderen geïnfecteerd raken. Alleen tegen type A en C zijn vaccins. Type B komt het meest voor in Europa, maar daar is nog geen vaccin tegen ontwikkeld. Type W135 en type Y zijn vrij zeldzaam. Als je kind 14 maanden is, wordt hij ingeënt tegen meningokokken C.

Verspreiding

Meningokokkenbacteriën leven het liefst op warme, vochtige plaatsen. Omdat de bacterie niet lang kan overleven buiten het lichaam, kan hij zich alleen verspreiden via nauw menselijk contact. Bijvoorbeeld in warme huizen.

Hersenvliesontsteking

Bij sommige mensen die een schadelijke meningokokkenbacterie hebben opgelopen, vermenigvuldigt de bacterie zich snel en wint de bacterie het van het afweersysteem. Het gevolg is dan een hersenvliesontsteking. Hersenvliesontsteking of nekkramp is een zeer ernstige aandoening. Het is daarom belangrijk om dringend medische hulp te zoeken als je vermoedt dat je kind geïnfecteerd is met de meningokokkenbacterie.

Je herkent een infectie aan:

  • een stijve nek waarbij de kin niet meer de borst kan raken
  • misselijkheid en braken;
  • sufheid;
  • en vlekken op de huid die niet weggaan als je er op drukt (bijvoorbeeld met een glas).

Oorontsteking

Een aantal kinderen is erg vatbaar voor verkoudheid en oorontsteking. Een oorontsteking is natuurlijk pijnlijk en vervelend.

Oorzaken

Een oorontsteking begint vaak met een gewone verkoudheid. Via de buis van Eustachius kan de ontsteking zich uitbreiden naar het oor. Oorpijn wordt vervolgens veroorzaakt doordat het ontstekingsvocht een pijnlijke druk geeft op het trommelvlies. Soms ontstaat daardoor een klein scheurtje in het trommelvlies waardoor het vocht naar buiten komt. Dit scheurtje geneest vanzelf weer.

Het kan ook zijn dat je kind niet verkouden is, maar dat de buis van Eustachius langere tijd niet goed functioneert. In dat geval kunnen er trommelvliesbuisjes geplaatst worden.

Wattenstaafjes

Als je vaak de oren van je kind schoonmaakt met wattenstaafjes, verdwijnt het beschermende oorsmeer en kan de huid in de gehoorgang makkelijk ontsteken. Daarom is het aan te raden met voor kinderen speciale wattenstaafjes in de gehoorgang te komen, zodat je de gehoorgang zo min mogelijk kunt beschadigen. Andere oorzaken waardoor de huid in de gehoorgang kan ontsteken zijn vocht (zwemmen), oorpeuteren en cosmetische producten zoals shampoo en haarspray.

Oorpijn

Oorpijn is te herkennen aan zeurende, scherpe, stekende of kloppende pijnklachten in of rond het oor. Soms komt er etterend of bloederig vocht uit het oor. Je kunt misschien niet zien waar dit vocht vandaan komt, omdat de ontsteking diep in het oor kan liggen. Daarbij kan het ook zijn dat je kind koorts heeft.

Uitstralende pijn

Soms ligt de oorzaak van oorpijn buiten het oor. Er is dan sprake van 'uitstralende pijn', bijvoorbeeld pijn veroorzaakt door een aandoening aan het gebit, aan de amandelen, in de mond of in de keel of de nek.

Genezing

Een oorontsteking gaat meestal binnen een paar dagen vanzelf weer over. Misschien is het gehoor nog een paar weken verminderd, maar dit geneest ook vanzelf.

Naar de huisarts?

Het is alleen nodig om in de volgende situaties naar de huisarts te gaan:

  • Als je kind jonger is dan 2 jaar.
  • Als je kind langer dan 3 dagen pijn en koorts heeft.
  • Als je kind voor de 3e keer in een jaar oorpijn heeft.
  • Als er langer dan 2 weken vocht uit het oor komt.
  • Als je kind voortdurend blijft huilen en ontroostbaar is.

Open rug

Een open ruggetje, in het Latijn 'spina bifida', ontstaat in de eerste maanden van de zwangerschap doordat de ruggenwervels en spieren niet rondom het ruggenmerg sluiten. Dit probleem manifesteert zich meestal ter hoogte van de lendenwervels. Als deze aandoening in de familie voorkomt, is de kans dat je kind een open ruggetje krijgt groter.

Hoe vaak komt het voor?

Gemiddeld worden er in Nederland per jaar 120 kinderen met een open ruggetje geboren. Er zijn verschillende vormen van spina bifida, die in ernst variëren. Spina bifida occulta is de minst ernstige. Spina bifida aperta is de ernstigste vorm van een open ruggetje.

De ernst verschilt

Vaak zal iemand met een minder ernstige vorm een gewoon leven kunnen leiden. Met de ernstiger vormen ligt dat anders. Daarbij kan je kind klompvoeten en problemen met de blaas krijgen. Het dagelijks leven zal hierop moeten worden aangepast. Bij nog ernstiger vormen van spina bifida aperta kan verlamming optreden. Ook verstandelijke beperkingen en gevoelloosheid komen voor. Veel kinderen met een open ruggetje worden geboren met een waterhoofd; in dat geval wordt er een drain aangebracht om het vocht te laten weglopen.

Diagnose

De lichtere vormen van een open ruggetje worden soms pas op latere leeftijd ontdekt. In dat geval groeit er huid over de niet goed gesloten plek, met soms een plukje haar, een kuiltje of een verkleuring. Röntgenfoto's geven dan duidelijkheid. Ernstiger vormen zijn wel meteen te zien. In dat geval zal het kind meestal binnen enkele dagen geopereerd worden.

Pseudo-kroep

Pseudo-kroep is een infectie van de stembanden, de luchtpijp en de grote luchtwegen die meestal wordt veroorzaakt door een virus. In de meeste gevallen is je kind eerst verkouden voordat hij pseudo-kroep krijgt.

De eerste aanval

Wanneer je kind pseudo-kroep heeft, kun je hier vooral bij de eerste aanval erg van schrikken. De eerste aanval vindt bijna altijd 's avonds of 's nachts plaats, terwijl hij overdag geen klachten had. Je kind wordt huilend wakker, is niet ziek en heeft meestal geen verhoging, maar is wel erg benauwd. Het inademen gaat moeilijk en 'gierend'.

Ademhalen gaat moeilijk

De infectie veroorzaakt een zwelling van het slijmvlies in de bovenste luchtwegen. Hierdoor gaat je kind vreemd hoesten (een soort 'blaf-hoest') en klinkt je kind ook erg hees. Ook wordt het ademhalen moeilijker, vooral wanneer je kind zich opwindt en huilt. Daarom is het belangrijk om je kind rustig te houden en voorzichtig rechtop te laten zitten.

Behandeling

Pseudo-kroep duurt meestal 2 tot 3 dagen. Een aanval gaat vrij snel vanzelf over. Vooral 's nachts kan het heviger zijn dan overdag. In principe is er geen medicatie nodig, maar de huisarts kan pseudo-kroep behandelen met medicijnen die geïnhaleerd moeten worden.

Epiglottitis

Pseudo-kroep mag niet verward worden met epiglottitis. Epiglottitis wordt meestal veroorzaakt door een HiB-bacterie en is een ontsteking van het klepje dat de luchtpijp afsluit bij het slikken. Dit kun je herkennen wanneer je kind hoge koorts heeft, pijn in de keel, kwijlt, moeite heeft met slikken en de nek niet voorover kan buigen zonder blafhoest. In dit geval moet je direct een arts waarschuwen, want epiglottitis kan fataal zijn als het niet onmiddellijk wordt behandeld.

RS-virus (RSV)

Het RS-virus (of RSV) is een erge vorm van verkoudheid. Het komt veel voor bij jonge kinderen. Het komt door een infectie aan de luchtwegen. Jonge kinderen kunnen er erg ziek van worden.

Symptomen

  • De neus van je kind is verstopt met taai snot.
  • Je kind moet soms hoesten, soms met overgeven.
  • Je kind is soms benauwd.
  • Je kind krijgt soms koorts.

Behandeling

Antibiotica hebben geen zin. Dit gaat om een virus en niet om een bacterie. De infectie geneest vanzelf. Als je kind het RS-virus heeft gehad, dan kan hij het nog een keer krijgen. Na de infectie kunnen kinderen nog een paar weken blijven hoesten en kortademig zijn.

Soms moet een kind naar het ziekenhuis. Als het kind erg benauwd is bijvoorbeeld. Jonge kinderen met extra risico's hebben een grotere kans dat ze naar het ziekenhuis moeten. Denk aan kinderen die te vroeg geboren zijn, die hart- of longafwijkingen hebben of kinderen met een slecht werkend afweersysteem.

Wat kun je doen?

Je kunt je kind niet goed beschermen tegen het RS-virus. Je kunt wel iets doen:

  • Zorg dat je goed schoon bent. Was bijvoorbeeld je handen met zeep voordat je je kind aanraakt.
  • Rook niet in de buurt van je kind.
  • Maak je je zorgen? Neem dan contact op met je huisarts.

Roodvonk

Roodvonk wordt veroorzaakt door een bacterie.

  • Het begint vaak met keelpijn en koorts.
  • Eerst wordt de tong wit en na een paar dagen rood en dik.
  • Na 3 dagen wordt de huid roze en ontstaan er ruwe, rode puntjes op de borst.

Deze huiduitslag breidt zich geleidelijk uit over het hele lichaam. Als je vermoedt dat je kind roodvonk heeft, is het verstandig om de huisarts te raadplegen.

Scoliose

Scoliose is een 'zijdelingse verkromming' van de ruggengraat (de wervelkolom). Als je kind dit heeft, dan groeit zijn rug krom. Soms kan daardoor bovenaan de rug een bolling of een bochel ontstaan. De scoliose kan structureel (echt) zijn of niet structureel op basis van een houdingsafwijking of een beenlengteverschil.

Groeien

Sommige kinderen worden geboren met scoliose en andere kinderen krijgen het later pas. Wanneer je kind ongeveer 10 jaar is en flink begint te groeien, kan zijn rug scheef gaan groeien. De oorzaak hiervan kan zijn dat er iets niet goed is met het bot of met de zenuwen en de spieren. Maar helaas is de oorzaak vaak onduidelijk.

Scoliose herkennen

Als je denkt dat je kind scoliose heeft, dan kun je letten op de volgende kenmerken:

  • de schouder aan de ene kant is hoger dan die aan de andere kant;
  • als je kind voorover buigt, is er aan één kant van de rug een bolling te zien;
  • het ene been is korter dan het andere been;
  • je kind houdt zijn hoofd vaak schuin, in plaats van rechtop;
  • de heupen zijn scheef.

Behandeling

Natuurlijk is het belangrijk dat de wervelkolom niet verder krom groeit. Dus hoe eerder scoliose ontdekt en behandeld wordt, hoe beter. Meestal wordt scoliose ontdekt door de jeugdarts of jeugdverpleegkundige. De jeugdarts kan je kind vervolgens doorverwijzen naar de huisarts of naar een orthopeed.

De orthopeed

Een orthopeed is gespecialiseerd in botten, gewrichten, spieren en pezen. Hij kan op een röntgenfoto precies zien hoe erg de kromming is. Op basis daarvan stelt hij een behandelplan vast. Het kan bijvoorbeeld zijn dat je kind oefentherapie krijgt en/of dat hij een korset of brace moet dragen. In het uiterste geval (bij ernstige scheefgroei) kan de wervelkolom operatief rechtgezet worden.

Trommelvliesbuisjes

Als je kind oorklachten heeft en niet goed kan horen, is het natuurlijk verstandig om de huisarts te raadplegen. Bij jonge kinderen komt het namelijk soms voor dat de buis van Eustachius nog niet goed werkt. Als een kind ouder wordt, wordt de functie de buis van Eustachius meestal steeds beter. Tot die tijd worden er soms trommelvliesbuisjes geplaatst.

De buis van Eustachius

De buis van Eustachius zorgt voor een normale luchtdruk in het oor. Als de buis van Eustachius niet goed werkt, dan komt er weinig lucht in het oor. Hierdoor ontstaat een te lage luchtdruk. Dit is pijnlijk, het oor loopt vol met vocht en je kind kan meestal niet goed horen. Door een klein buisje in het trommelvlies te plaatsen, kan er toch lucht in het oor komen en blijft de luchtdruk op peil.

Het trommelvlies

Het trommelvlies is een dun, maar erg sterk, vliesje dat geluidstrillingen doorgeeft aan het gehoor. Als de buis van Eustachius niet goed werkt, dan werkt het trommelvlies ook niet goed meer. Je kind krijgt dan gehoorproblemen. Kinderen kunnen door hun gehoorproblemen minder goed de lessen op school volgen en omdat ze zichzelf niet kunnen horen meer gaan schreeuwen. Ook kunnen er blijvende trommelvlies- en oorbeschadigingen optreden. Daarom is het belangrijk om trommelvliesbuisjes te plaatsen.

Het trommelvliesbuisje

De arts maakt een klein sneetje in het trommelvlies om daar het trommelvliesbuisje in te plaatsen. Het trommelvliesbuisje is slechts anderhalve millimeter groot. Hierdoor raken het trommelvlies en het gehoor niet beschadigd. Het is een kleine, maar effectieve ingreep die plaatsvindt op de polikliniek. In de meeste gevallen verdwijnen de klachten direct na het plaatsen van het trommelvliesbuisje.

Hoe bescherm je de oren van je kind?

Het is in principe niet erg wanneer je kind water (bijvoorbeeld onder de douche) in zijn oor krijgt. Het water kan niet door het buisje heen gaan. Als je kind gaat zwemmen, dan is het wel verstandig om je kind oordopjes in te laten doen, zodat het vieze zwembadwater geen infecties kan geven.

Vijfde ziekte

De vijfde ziekte is een virusinfectie die tot een typische, vlekkerige huiduitslag leidt in het gezicht en op het bovenlichaam. Het is een licht besmettelijke ziekte, maar verder niet schadelijk. De ziekte gaat ook vanzelf over.

Symptomen

  • Eerst krijgt je kind lichtrode vlekken op zijn wangen.
  • Daarna krijgt hij vlekken op zijn armen en benen.
  • Daarna krijgt hij vlekken op zijn buik en rug.
  • Na ongeveer 3 dagen krijgt hij koorts. Die is meestal niet zo hoog.
  • Soms kunnen de vlekjes een tijdje terugkomen, bijvoorbeeld door warmte.

Waterpokken

Waterpokken worden veroorzaakt door een herpes virus. Het is een besmettelijk virus, maar bijna nooit schadelijk. Bijna elk kind krijgt dan ook de waterpokken. Het ziet eruit als rode vlekjes met blaasjes op de huid.

Symptomen

  • Je kind krijgt lichte koorts. Hij voelt zich niet lekker en is een beetje hangerig.
  • Dan krijgt hij rode vlekken en bultjes.
  • Op de bultjes ontstaan blaasjes, die heel erg jeuken.
  • Zolang er vocht in de blaasjes zit, is je kind besmettelijk voor andere kinderen.
  • Na ongeveer 3 dagen drogen de blaasjes in. Het worden dan korstjes.
  • De ziekte is voorbij als de korstjes eraf gevallen zijn.

Wat kun je doen?

Waterpokken gaan vanzelf over. Eventueel kun je bij de apotheek een zalfje halen tegen de jeuk. Vaak helpt een koud kompres ook. Je moet contact met de huisarts opnemen als je kind bijvoorbeeld door een verminderde weerstand een extra risico heeft.

Worminfecties

Er zijn verschillende soorten wormen waar mensen last van kunnen krijgen, zoals spoelwormen, lintwormen en aarsmaden. Spoelwormen en lintwormen komen zelden voor. Aarsmaden komen het meest voor. Er zijn nog andere soorten wormen, maar die zijn heel erg zeldzaam.

Aarsmaden

Aarsmaden zijn kleine, witte wormpjes. Als je kind aarsmaden heeft, dan kun je deze wormpjes zien in de ontlasting. De aarsmaden leven in de darmen en zijn verder onschadelijk.

Kinderen kunnen aarsmaden krijgen, doordat ze de eitjes inslikken. Bijvoorbeeld door rauwe groente of vlees te eten, of door buiten in de tuin of in de zandbak te spelen. De eitjes zijn zo klein, dat je ze niet kunt zien.

Jeuk!

's Nachts komen de wormpjes via de anus van je kind naar buiten om eitjes te leggen. Dat kan behoorlijk jeuken. Als je kind krabt, kan de huid rond de anus gaan ontsteken. Ook komen de eitjes dan aan de handen van je kind. Als je kind vervolgens zijn vingers of duim weer in zijn mond steekt, kan hij zichzelf telkens opnieuw besmetten.

Spoelwormen en lintwormen

Lintwormen komen zelden voor. Spoelwormen komen meestal voor in de darmen van honden en katten. Besmetting gaat vaak ongemerkt door het inslikken van de eitjes. De eitjes zitten in hondenpoep, niet afgedekte zandbakken en soms op rauwe, ongewassen groente. Eitjes van de lintworm zitten in rauw vlees zoals filet americain, rauw gehakt en niet goed doorbakken biefstuk.

Als je kind spoelwormen heeft, dan vind je iets grotere, crèmekleurige wormen in zijn ontlasting. Witte stukjes lintworm kun je ook in de ontlasting zien.

Worminfecties voorkomen en genezen

Een goede hygiëne is belangrijk. Als je onderstaande tips volgt, verdwijnen de aarswormen vanzelf, omdat je kind dan geen eitjes meer binnen krijgt.

  • Handen wassen nadat je naar de wc bent geweest, na het buitenspelen en voor het eten.
  • Elke dag een schone handdoek ophangen in het toilet.
  • Gebruik een nagelborsteltje.
  • Knip de nagels van je kind kort af.
  • Leg uit dat je kind niet aan zijn anus mag krabben. Als hij dat toch doet, moet hij meteen zijn handen wassen.
  • Gebruik dagelijks aparte washandjes voor het onderlichaam en voor het bovenlichaam van je kind.
  • Laat je kind elke dag schoon ondergoed aantrekken.
  • Maak regelmatig de wc-bril, de spoelknop, deurknoppen en speelgoed schoon.
  • Was groenten goed en zorg dat het vlees goed doorbakken is.
  • Heeft je hond spoelwormen? Koop dan een kuur in de dierenwinkel.

Naar de huisarts?

Als je kind ondanks de hygiënetips de aarswormen niet kwijt raakt, dan kunt u overleggen met uw huisarts wat u het best kunt doen. Als je kind spoelwormen of lintwormen heeft, kun je beter meteen even naar de huisarts gaan. En als het mogelijk is, doe dan een worm in een potje en neem die mee.

Wratten

Wratten zijn kleine, ruwe knobbeltjes die vooral op de handen en voeten voorkomen. Maar ze kunnen ook ergens anders op het lichaam voorkomen. Wratten komen bij kinderen vaak voor.

Besmettelijk

Wratten zijn besmettelijk en worden veroorzaakt door een virus. Als dit virus in contact komt met de huid van je kind, kan hij een wrat krijgen. Het wrattenvirus komt overal voor, maar voelt zich vooral thuis in een vochtige omgeving. Bijvoorbeeld in zwembaden en sportzalen loopt je kind een hoog risico om wratten te krijgen.

Waterwratten

Waterwratten zijn minder bekend dan gewone wratten. Ze zien er ook iets anders uit, ze zijn namelijk iets kleiner, gladder en witter met een klein kratertje in het midden. Aan waterwratten hoef je niets te doen, ze geven vrijwel nooit klachten en gaan ook vanzelf weer weg.

Wat kun je zelf doen tegen wratten?

  • Het is verstandig om je kind altijd slippers, sportschoenen of gymschoenen te laten dragen.
  • Als je kind wratten heeft, dan kan je kind er beter niet aan krabben en peuteren, anders komen er juist meer.
  • Als je kind een wrat op zijn vinger of duim heeft, kan hij daar beter niet aan zuigen.
  • Gewone wratten verdwijnen wel eens als je ze iedere dag aanstipt met wratteninctuur. Dit is te koop bij de drogist of de apotheek.
  • Bij waterwratten mag je geen wratteninctuur gebruiken. Het irriteert juist en het helpt niet.
  • Waterwratten kun je alleen insmeren met een vette crème om de irritatie te verminderen.

Naar de huisarts?

In principe hoeven waterwratten niet behandeld te worden, tenzij ze ernstig ontstoken raken. Ze verdwijnen meestal vanzelf binnen 2 jaar. Een enkele keer blijven ze jarenlang zitten. Als je de wratten wel wilt behandelen, kun je een afspraak maken bij de huisarts.

Ziekte van Lyme

Teken kunnen de ziekte van Lyme overbrengen. De kans daarop is groter als je een teek niet goed verwijdert.

Controleer je kind op teken nadat hij in het bos, tuin of duin is geweest. De kleine, zwarte beestjes bijten zich vast in de huid. Teken moeten op de juiste manier worden verwijderd. Bij de apotheek is een speciale tekenverwijderset met duidelijke instructies te koop.

Symptomen

Wanneer er om de beet een rode plek ontstaat die steeds groter wordt en niet na 1 of 2 weken verdwijnt, dan kan het zijn dat je kind de ziekte van Lyme heeft opgelopen. Soms ontstaat er echter geen rode plek, maar krijgt je kind wel bepaalde klachten zoals vermoeidheid, koorts en hoofdpijn.

Naar de huisarts?

Wees na een tekenbeet extra alert op de gezondheid van je kind. Ga even langs de huisarts als je vermoedt dat je kind een infectie heeft of als je de teek niet goed verwijderd hebt. Wanneer de ziekte van Lyme op tijd ontdekt wordt, is deze vaak goed te behandelen met antibiotica.

Ziekte van Pfeiffer

De ziekte van Pfeiffer is een ziekte die veroorzaakt wordt door een besmettelijk virus. De meeste mensen worden echter niet ziek omdat ze genoeg antistoffen hebben. Sommige mensen zijn zelfs drager van dit virus, zonder dit te weten.

Besmettelijk

De ziekte van Pfeiffer is besmettelijk via speeksel. Vooral jongeren lopen het risico om ziek te worden, omdat ze elkaar meestal besmetten door te zoenen. Het wordt daarom ook wel de 'kusziekte' genoemd. Maar je kunt elkaar ook besmetten door uit dezelfde beker of uit hetzelfde glas te drinken. Besmetting kan niet door te niezen of te hoesten, omdat het virus niet kan overleven in de lucht. Als bestek, bekers en glazen zijn afgewassen, is er ook geen besmettingsgevaar meer.

Symptomen

Als je kind de ziekte van Pfeiffer heeft dan krijgt je kind eerst last van keelpijn, koorts en opgezette klieren. De symptomen houden echter veel langer aan dan bij een normale keelontsteking of verkoudheid. Meestal zijn er ook kleine bloeduitstortingen te zien boven in het gehemelte in de mond. Het meest bekende symptoom is dat mensen met de ziekte van Pfeiffer erg moe kunnen zijn. En daarnaast kan je kind hoofdpijn krijgen en misselijk worden, veel transpireren en hoesten.

Geneesmiddelen

Er is geen medicijn tegen de ziekte van Pfeiffer. Meestal gaat het vanzelf over, maar het is niet te voorspellen hoe lang dat zal duren. Je kunt je kind het beste voldoende laten rusten en een paracetamol geven tegen de hoofdpijn en de koorts.

Zwemmerseczeem

Zwemmerseczeem is een besmettelijke schimmelinfectie die je makkelijk oploopt in zwembaden en bij gemeenschappelijke douches.

Een schimmelinfectie

Zwemmerseczeem is eigenlijk geen eczeemsoort. Eczeem is een chronische huidaandoening en dus geen besmettelijke schimmelinfectie. Zwemmerseczeem lijkt alleen op eczeem, want als je kind zwemmerseczeem heeft dan is de huid tussen de tenen en op de voeten rood en schilferig. De huid jeukt ook.

Hoe voorkom je dat je kind zwemmerseczeem krijgt?

Zwemmerseczeem is besmettelijk. De schimmel verspreidt zich gemakkelijk op warme en vochtige plaatsen, dus bijvoorbeeld bij zwembaden, douches en natte vloeren. Het heet dan misschien wel zwemmerseczeem, maar je kind kan het natuurlijk ook oplopen in de gemeenschappelijke douche op de sportschool. Je kunt besmetting voorkomen door je kind slippers te laten dragen en door altijd goed zijn voeten af te drogen na het douchen of zwemmen.

Wat kun je doen tegen zwemmerseczeem?

Zwemmerseczeem is goed te behandelen met een schimmeldodend middel. Je kunt daarvoor terecht bij de apotheek of de drogist. Als je kind ernstige infecties heeft, dan kun je natuurlijk ook terecht bij de huisarts.

Psychische gezondheid

De psychische gezondheid van je kind is natuurlijk net zo belangrijk als zijn lichamelijke gezondheid. Deze gaan samen en beïnvloeden elkaar.

Gevoelens

Als je kind ouder wordt, ontwikkelt hij zich op sociaal en emotioneel vlak. Het is belangrijk om te weten hoe je kind zich voelt. Bij jonge kinderen zie je dat meestal aan het gedrag.

Aandoeningen

Psychische problemen kunnen voortkomen uit aandoeningen, zoals autisme, PDD-NOS en ADHD. Deze aandoeningen verschillen in ernst.

Hulp

Als je vermoedt dat je kind worstelt met psychische problemen, kun je het beste tijdig hulp zoeken. Bijvoorbeeld via de huisarts of het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) in de buurt.

ADD, HD en ADHD

ADD, HD en ADHD zijn stoornissen waarbij concentratieproblematiek voorkomt, maar ze verschillen in de manier waarop de concentratieproblematiek zich uit.

ADD

ADD (Attention Deficit Disorder) is een stoornis waarbij je kind grote moeite heeft met het onderscheiden van belangrijke en onbelangrijke informatie. Tijdens het informatieverwerkingsproces wordt eigenlijk alle informatie als even belangrijk ervaren. Het verwerken van elk stukje informatie vraagt alle aandacht. Hierdoor lijkt je kind erg traag.

Symptomen van ADD

Als je kind ADD heeft, dan is hij vaak snel afgeleid door geluiden en dingen die om hem heen gebeuren. Je kind heeft meestal moeite met plannen en organiseren. Hij concentreert zich te veel op de details, waardoor hij zijn taak niet afkrijgt, slordige fouten maakt en deadlines niet haalt. Hij volgt instructies niet of niet nauwkeurig op. En ten slotte verliest of vergeet hij vaak belangrijke spullen, zoals zijn huissleutel of fietssleutel.

HD

HD (Hyperactivity Disorder) is het andere uiterste van ADD. Het is het type stoornis met alleen hyperactiviteit en impulsiviteit. Kenmerken zijn rusteloosheid, moeite hebben met wachten, alles tegelijkertijd willen ondernemen, gehaast zijn, anderen onderbreken tijdens een gesprek, oncontroleerbare woede-, angst- of huiluitbarstingen.

ADHD

ADHD (attention deficit hyperactivity disorder) is een combinatie van ADD en HD. Het is dus een concentratiestoornis met betrekking tot het verwerken van informatie in combinatie met hyperactiviteit. Als je kind ADHD heeft, vindt hij het moeilijk om zich te concentreren en is hij erg onrustig. Kenmerken van ADHD zijn dat de gedragingen buitensporig zijn, langdurig zijn (vanaf de kindertijd), en in alle situaties voorkomen.

Diagnose en behandeling

ADHD wordt meestal pas vastgesteld op de basisschool, maar de symptomen kunnen al eerder aanwezig zijn. ADHD moet worden vastgesteld door een kinder- en jeugdpsychiater. De diagnose geeft ook meer recht op hulp bij de opvoeding.

Diagnose en behandeling ADHD

ADHD wordt meestal pas vastgesteld op de basisschool, maar de symptomen kunnen al eerder aanwezig zijn. ADHD moet worden vastgesteld door een kinder- en jeugdpsychiater. De diagnose geeft ook meer recht op hulp bij de opvoeding.

Wat kun je zelf doen?

Een kind met ADHD opvoeden vraagt een hele duidelijke, voorspelbare manier van opvoeden. Schema's, eenvoudige huisregels en duidelijke instructies zijn heel belangrijk. Ook je kind voorbereiden op nieuwe gebeurtenissen geeft hem meer rust. Beloon je kind als hij of zij zijn best heeft gedaan. Ook praten met leerkrachten op school en brandjes blussen als je kind 'weer eens iets fout gedaan heeft' horen erbij. Dit maakt het leven van een ouder met en kind met ADHD soms wel moeilijk. Contact met mede-ouders die ook een kind met ADHD hebben kan helpen. Of kijk eens op de website van oudervereniging Balans.

Medicatie

De behandeling van ADD en ADHD gebeurt meestal met 'psychostimulantia', de bekendste daarvan is Ritalin. De medicijnen genezen niet, maar verminderen de klachten wel. De kinderarts of -psychiater stelt meestal de beste dosering vast. Ook de huisarts kun je vragen naar de regelmaat van inname en eventuele bijwerkingen van de medicijnen. Het is verstandig om de behandeling niet bij medicatie alleen te laten: psychotherapeutische ondersteuning en opvoedcursussen of ondersteuning zijn zeker aan te bevelen.

Medicijnen zoals Ritalin vallen onder de opiumwet. Houd hier rekening mee als je bijvoorbeeld op vakantie gaat en neem daarom een doktersverklaring in het Engels mee, voor je kind.

Autisme en ASS

Autisme is een stoornis die men vroeger wel aanzag voor een verstandelijke handicap. Dit is echter niet geheel juist. Autisme op zich staat los van intelligentie. Autistische kinderen kunnen een vrij normale of zelfs hoge intelligentie hebben, al komt autisme ook vaak in combinatie met een laag IQ voor. Mengvormen van problemen komen ook voor. Geen enkel kind is hetzelfde.

Autisme (ASS)

Klassiek autisme of ASS (Autisme Spectrum Stoornis) kan vaak al voor het derde levensjaar ontdekt worden. Het is te herkennen aan het feit dat een kind weinig contact maakt of communiceert, zowel verbaal als non-verbaal. De kinderen zijn niet op de buitenwereld gericht en houden zich bezig met hun eigen interesses. Bekende gebaren zijn het wapperen met de handen en repeterende bewegingen maken (zoals met het hoofdje ergens tegenaan bonken).

Hoe ernstig is het?

In heel lichte mate zijn autistische trekjes in ieder mens wel te herkennen. Om de juiste diagnose te stellen en vooral ook de ernst van de aandoening te bepalen, is onderzoek door een kinder- en jeugdpsychiater nodig. Andere problemen (zoals doofheid of slecht kunnen zien) moeten ook uitgesloten worden, om een helder beeld van de stoornis te kunnen vormen.

Mijn kind heeft autisme

Op dit moment lijkt het erop dat autisme en vergelijkbare aandoeningen niet te genezen zijn. De meningen over het ontstaan van autisme lopen erg uiteen, de opvattingen over het behandelen eveneens. Het staat vast dat geen kind gelijk is en dat elk kind in staat is zijn eigen manieren te vinden om zichzelf te ontwikkelen.

Heeft jouw kind wat mijn kind heeft?

Veel kinderen worden tegenwoordig wel als 'licht PDD-NOS' of 'licht autistisch' gediagnosticeerd. Toch ligt er een vrij duidelijke grens op het moment dat de stoornis de overhand neemt en het erop lijkt dat je kind nooit voor zichzelf zal kunnen opkomen en ook niet goed voor zichzelf zal kunnen zorgen.

Opvoeden is de basis

Hoe ernstig de stoornis van je kind ook is, de basis voor een goed leven is aandacht, liefde, veel structuur en in dit geval ook professionele begeleiding. Het is de kunst een evenwicht te vinden tussen bescherming en uitdaging. Ook een autistisch kind heeft de behoefte zich te ontwikkelen.

Professionele begeleiding en een netwerk

De begeleiding van een autistisch kind kan gemakkelijk een fulltime baan worden voor ouders en verzorgers. Hoewel het in de praktijk niet altijd eenvoudig te realiseren is, is het aan te bevelen om ook anderen bij de begeleiding te betrekken, zodat je kind niet alleen op jou als ouder leunt.

PDD NOS en Asperger

ASS staat voor Autisme Spectrum Stoornis, hieronder vallen 5 ontwikkelingsstoornissen, waaronder autisme, stoornis van Asperger, PDD-NOS, stoornis van Rett en desintegratiestoornis. De meest bekende en veelvoorkomende stoornissen zijn autisme, Asperger en PDD-NOS.

Autisme

Autisme is te herkennen aan het feit dat iemand weinig contact maakt of communiceert, zowel verbaal als non-verbaal. Als je kind autistisch is, dan is hij niet op de buitenwereld gericht en houdt hij zich alleen bezig met zijn eigen interesses.

PDD-NOS

PDD-NOS (Pervasive Developmental Disorder - Not Otherwise Specified) is een contactstoornis. PDD-NOS komt in lichtere en zwaardere vormen voor. Als je kind PDD-NOS heeft, dan hecht hij vaak veel waarde aan vaste gewoonten en gebruiken. Hij wil graag duidelijkheid en vastigheid, wat het volwassen leven niet altijd kan bieden.

Asperger

Kinderen en jongeren met het syndroom van Asperger spreken vaak opvallend volwassen, terwijl ze de emotionele inhoud en impact van wat ze zeggen niet goed kunnen inschatten. De verstandelijke ontwikkeling gaat niet gelijk op met de emotionele ontwikkeling. Als je kind Asperger heeft, dan heeft hij meestal moeite om op een normale wijze contact te maken met anderen. Dit kan op latere leeftijd lijden tot depressies.

Therapie

Psychische aandoeningen zijn niet te genezen, maar wel te behandelen. Therapie kan helpen bij het verminderen van de symptomen en het verbeteren van de communicatieve vaardigheden en het gedrag.

Meer informatie vind je op de website van oudervereniging Balans.

Medicijnen

Medicijnen zijn er om te gebruiken als je ziek bent en er is geen andere oplossing om pijn te verlichten of de koorts of infectie te bestrijden. Dit geldt voor volwassen net zoals voor kinderen.

Regulier

Soms twijfelen ouders of en in welke dosering, ze hun kind zelf een regulier medicijn zullen geven (zoals paracetamol). Die twijfel is terecht: kinderen zijn kleiner, lichter en reageren meestal heftiger op medicijnen dan volwassenen. Doseringen moeten dus aangepast worden.

Huismiddeltjes

Bij eenvoudige klachten als een verstopte neus of een zere keel zullen veel ouders de voorkeur geven aan huismiddeltjes en niet meteen met neus- of oogdruppels van de apotheek beginnen. Ook homeopathische middelen zijn bij ouders erg in trek, omdat deze middelen minder agressief lijken te werken.

Voorgeschreven medicatie

Als kinderen ernstig ziek zijn en zwaardere medicijnen slikken, dan is het belangrijk om extra op te letten op de invloed van de medicijnen op je kind. Sommige medicijnen hebben zelfs een verslavende werking en zijn de effecten op de lange termijn niet bekend. Als je hier bezorgd over bent, overleg dan met degene die het medicijn voorschrijft. Bijvoorbeeld de huisarts of de specialist.

Soorten medicijnen

Kleinere dosering voor kinderen

Veel reguliere medicijnen hebben een kindervariant, zo zijn er bijvoorbeeld paracetamol zetpillen voor jonge kinderen en speciale kinderhoestsiropen. Verder geldt: lees altijd goed de bijsluiter bij het medicijn en controleer hoe hoog de dosering bij je kind mag zijn. Neem bij twijfel contact op met de apotheek.

Kruiden en homeopathische middelen

Veel homeopathische middelen kun je zonder problemen aan je kind geven, eventueel in een aangepaste dosering. Controleer wel altijd eerst de bijsluiter, want geneeskrachtige kruiden zijn niet altijd onschuldig. Sint Janskruid, valeriaan, vochtafdrijvende kruiden of laxerende kruidenmengsels waarvan je de samenstelling niet weet, kun je beter niet zomaar aan je kind geven.

Huismiddeltjes

Sommige kwaaltjes hoef je niet meteen te bestrijden met geneesmiddelen. En halve doorgesneden ui naast het bed bij verkoudheid, een paar lepeltjes honing voor een zere keel kunnen ook helpen. Net als wat extra aandacht.

Gevaarlijke medicijnen

Kinderen mogen sommige medicijnen die volwassenen gebruiken niet hebben. Slaap- of kalmeringsmiddelen mag je niet aan je kind geven, en zo zijn er veel pillen waar kinderen ziek van kunnen worden en die je dus goed hoog buiten bereik of achter slot en grendel moet bewaren voor de veiligheid.

Chronisch medicijngebruik

Als je kind vaak of chronisch ziek is en veel medicijnen gebruikt, dan is het begrijpelijk dat je meer wilt weten over de bijwerkingen en eventuele alternatieven.

Werking van medicijnen

Vroeger dacht men dat je medicijnen voor kinderen in principe net zo zou kunnen voorschrijven als bij volwassenen, alleen dan in veel lagere dosering. De werkelijkheid is veel complexer. Van veel medicijnen is eigenlijk niet goed bekend, wat het effect van het middel exact zal zijn bij je kind. Blijf daarom zelf kritisch kijken.

Kinderdosering niet altijd bekend

Er is een lijst met medicijnen waarbij de juiste kinderdosering onderzocht is. Niet van alle geneesmiddelen die er zijn, is dit onderzocht. Je arts zal de voorkeur geven aan middelen waarvan de kinderdosering eenduidig bekend is. Soms is dit niet mogelijk en zal dus nog beter bekeken moeten worden welke dosering goed is.

Medicijngebruik volgens voorschrift

Het is belangrijk dat je je kind de medicijnen volgens voorschrift geeft. Dat wil zeggen: in de juiste dosering, op het juiste moment en de behandeling afmaken. Voor kinderen onder 5 jaar zijn drankjes geschikter dan pillen. Wanneer je kind naar school gaat, kan het ritme van medicijnen innemen een probleem zijn. Je kunt hiervoor het beste afspraken maken met de leerkracht of, als je kind oud genoeg is, met je kind zelf.

Bijwerkingen

Bij volwassenen leidt gebruik van geneesmiddelen soms tot bijwerkingen. Ook kinderen kunnen bijwerkingen krijgen, maar ze ervaren soms bij vergelijkbare medicatie andere effecten dan volwassenen. Wanneer je kind last heeft van bijwerkingen, kun je dit bespreken met de arts of apotheker. En samen de dosering bijstellen of een ander middel proberen. Bij zeer ernstige bijwerkingen, zoals plotseling suf of verward worden, kun je het best direct je huisarts bellen.

Medicijnverslaving en gewenning

Er zijn medicijnen die een licht verslavende werking kunnen hebben. In lichte mate is dat al het geval met lipbalsem. Als je je lippen hiermee vaak invet, dan stoppen je lippen geleidelijk met het aanmaken van een beschermlaagje. Je bent in dit geval enigszins afhankelijk geworden van lipbalsem.

Neusdruppels en Ventolin

Er zijn geneesmiddelen die hetzelfde effect kunnen hebben. Neusdruppels die de slijmvliezen doen slinken bijvoorbeeld. Als je dat middel veel gebruikt dan gaan de slijmvliezen juist chronisch dichtzitten. Iets soortgelijks geldt voor luchtwegverwijders zoals Ventolin. Hoe meer je gebruikt, hoe meer je nodig hebt. Daarom is het niet verstandig om dergelijke middelen al te vlug te gebruiken en zeker niet uit voorzorg.

Medicatie bij ADHD en Autisme

Bij kinderen met ADHD, autisme of aanverwante stoornissen, worden nogal eens zware medicijnen voorgeschreven. Ook bij deze medicijnen is volgens velen sprake van een verslavende werking. Middelen in de volgende categorieën staan in ieder geval algemeen bekend als verslavend: angstremmers, kalmeringsmiddelen, opiaten, slaapmiddelen en antidepressiva.

Voorzichtigheid geboden

Hoewel veel middelen ook wel een positieve werking kunnen hebben op het gedrag van kinderen (rustiger, minder druk), maken veel ouders zich zorgen over de gevolgen van medicatie en het ontbreken van duidelijke effectstudies.

Genotmiddelen

Als je geniet van een glaasje wijn of een sigaret op een bankje in het park, kunnen mensen daar moeilijk bezwaar tegen maken. Maar het gebruik van genotmiddelen in het bijzijn van kinderen roept meer weerstand op.

(Mee)roken

Rook niet in een ruimte (dus ook een auto) waar kinderen komen. Dit levert directe schade op voor hun gezondheid.

Met mate

Voor andere middelen geldt voor je eigen gezondheid natuurlijk dat je maat moet houden. Een ouder die te veel drinkt of bijvoorbeeld slaapmedicatie of drugs gebruikt, is op deze momenten niet in staat om de nodige verantwoordelijkheid voor zijn kind te dragen en geeft een verkeerd voorbeeld.

Test jezelf

Als je vermoedt dat je misschien teveel drinkt, kun je de drinktest van het Trimbos-instituut invullen.

Drank

Drank is niet bedoeld voor kinderen. Toch kan het gebeuren dat een kind een slokje alcohol binnenkrijgt. Natuurlijk is dit niet de bedoeling. Ook van een kleine hoeveelheid alcohol kan je kind ziek worden. Houd je glas en je kind daarom in de gaten!

Wat als je kind toch gedronken heeft?

Als je kind een flinke slok sterke drank heeft gehad, houd hem dan goed in de gaten en breng hem niet naar bed. Bel direct de huisarts of de alarmdienst. De informatie die zij nodig hebben is:

  • de leeftijd en het gewicht van je kind;
  • hoeveel hij heeft gedronken;
  • en van welke drank (alcoholpercentage).

Meeroken

In tabaksrook zitten giftige stoffen. De meest bekende hiervan zijn nicotine, koolmonoxide en teer, maar er zitten ook stoffen in die worden gebruikt in verfafbijtmiddel en rattengif.

Je kunt je voorstellen dat de giftige stoffen in sigarettenrook erg slecht zijn voor je gezondheid. Niet alleen voor je eigen gezondheid, maar ook voor de gezondheid van je kind als je in zijn bijzijn rookt.

Meeroken is schadelijk

Doordat een sigaret smeult komt er rook vrij. De rook die je kind inademt is zelfs nog schadelijker dan de rook die de roker zelf inademt. Op een sigaret zit namelijk meestal nog een filter. De rook van sigaretten blijft in huis hangen en slaat neer op bijvoorbeeld meubels en gordijnen. Kinderen ademen deze rook in door hun mond en door hun neus. Zo komt de rook in hun lichaam.

Als je rookt waar je kind bij is, heeft je kind meer kans op oorontsteking, verkoudheid en luchtweginfecties en benauwdheid. Het kan ook zijn dat de longen zich minder goed ontwikkelen.

Hoe bescherm je je kind tegen meeroken?

  • Rook niet in je eigen huis. En laat je bezoek ook niet binnen roken. Rook altijd buiten.
  • Spreek met de oppas duidelijk af dat hij of zij bij jou thuis en bij jouw kind niet rookt.
  • Ga je langs bij vrienden die roken? Vraag dan van tevoren of ze niet willen roken waar je kind bij is.
  • Houd ook de auto rookvrij. De auto is maar een kleine ruimte. Je hebt dus snel veel schadelijke stoffen. En een raampje openzetten is niet voldoende.
  • Roken onder de afzuigkap haalt maar een deel van de rook weg. Met roken onder de afzuigkap bescherm je je kind dus ook niet voldoende.

Op de website van Stivoro vind je meer informatie en tips.

Ziekenhuisopname

Als je kind in het ziekenhuis moet worden opgenomen, is het belangrijk dat je hem goed voorbereidt.

Door hem te vertellen wat er gaat gebeuren en wat hij zal ervaren, zal hij beter weten wat er gaat gebeuren en zich niet verraden voelen. Hem voorbereiden op het ziekenhuis betekent niet dat je hem geruststelt en doet alsof de ziekenhuisopname niets voorstelt. Door je verhaal zal hij zich misschien op het moment van opname zelfs meer opgewonden voelen. Ook angst kun je met je voorbereiding niet voorkomen.

Hoe vertel je over het ziekenhuis?

Hoe jonger je kind is, hoe moeilijker het is om hem goed voor te bereiden. Je kunt bij jonge kinderen hulpmiddelen gebruiken, zoals een schoenendoos en een pop, doktersspulletjes, een mondkapje. Spelenderwijs vertel je dan hoe het in het ziekenhuis toegaat. Uiteraard is het handig om dat van te voren aan het ziekenhuispersoneel te vragen.

Wat vertel je?

Je kunt vertellen wat er met je kind gaat gebeuren, waarbij je aansluit op de leeftijd en het begripsvermogen van je kind. Het is verstandig om uit te leggen wat je kind gaat voelen, hoe het zich zal voelen. Moet je kind geopereerd worden? Dan vertel je over het mondkapje of de prik die je kind krijgt. Krijgt je kind een behandeling, waar pijn bij komt kijken? Dan is het beter dat wel te vertellen. En natuurlijk vertel je ook dat die pijn weer overgaat.

Wanneer?

Zodra je weet dat je kind wordt opgenomen, kun je al beginnen met de voorbereiding. Het is goed om er regelmatig even over te praten. Je hoeft het hele verhaal niet in een keer te vertellen. Belangrijk is dat je kind weet dat hij ook weer thuiskomt. En dat jij er misschien niet steeds bij zult zijn. Kun je niet overal bij aanwezig zijn? Dan kun je het best vertellen dat je weer terugkomt.

Kindgericht ziekenhuis

Om je ervan te verzekeren dat het ziekenhuis waar je kind wordt opgenomen kindgericht werkt, kun je van te voren nagaan of:

  • je bij je kind mag zijn als hij onder narcose wordt gebracht;
  • of je op de uitslaapkamer mag zijn als je kind wakker wordt;
  • of je in de kamer van jen kind mag overnachten.

Meer informatie vind je op de website van Stichting Kind en Ziekenhuis.

Verzorging en veiligheid

Kinderen zijn enthousiast en willen niets liever dan de wereld om hen heen ontdekken en verkennen. Want wat is er mooier dan je territorium uitbreiden en je grenzen verleggen? Dat begint al heel jong en gaat nog tot lang na de puberteit door. Als ouder geniet je hier doorgaans met volle teugen van, anderzijds brengt deze levenslust soms ook zorgen met zich mee.

Verzorging

In ieder gezin zijn weer andere gewoontes voor het verzorgen van jezelf. Kinderen leren van jongs af aan hoe je je moet wassen en afdrogen. Als vader of moeder geef je het voorbeeld, en help je je kind zichzelf te verzorgen. De verzorging van je peuter kost soms veel tijd. Zeker als hij boos of driftig is. Dan moet je veel geduld hebben. Maar de dagelijkse verzorging kan ook leuk en gezellig zijn. Geniet er dan ook van!

Lichaamsverzorging

Je handen wassen na bezoek aan het toilet, of regelmatig een douche nemen. Dat zijn dingen die je kind meekrijgt doordat je het voordoet en vertelt hoe het moet. Het ene kind is daar wat sneller mee dan het andere.

Naar het toilet

Zodra je kind zindelijk wordt, kun je hem leren hoe je naar het toilet gaat. Dat je als meisje je onderlijf afveegt na het plassen. En dat je dat van voor naar achteren doet. Billen vegen is ook zoiets. Je vertelt dat je dat doet met een paar lagen papier en dat je doorgaat met vegen totdat het papier schoon blijft na het vegen. Natuurlijk leer je je kind ook dat het na afloop zijn handen wast. Je kind zal dat niet allemaal meteen onthouden.

Handen wassen

Verder is het ook een goede regel om je kind zijn handen te laten wassen voor het eten. Helpt je kind mee in de keuken, dan leer je hem ook eerst zijn handen te wassen.

Wassen en douchen

Sommige mensen laten hun kinderen dagelijks douchen of in bad gaan. Dat is niet altijd echt nodig. Het kan zelfs niet prettig zijn voor kinderen met een gevoelige huid. Het is goed om je kind te leren zich dagelijks te wassen. Je kunt vertellen welke lichaamsdelen ze in elk geval elke dag moeten wassen: gezicht, handen, oksels, schaamstreek, billen en voeten. Bij jongens is het belangrijk dat ze leren hun voorhuid even terug te trekken om de penis goed schoon te wassen onder de douche. Regelmatig schoon ondergoed aantrekken is ook een gewoonte die je je kinderen kunt bijbrengen.

Luiers

Kleine kinderen hebben een intensieve verzorging nodig. Je stopt je kind lekker in bad, je wast zijn haartjes en je verzorgt zijn huid. Ook bij het verschonen van de luier is het belangrijk om de kwetsbare huid van de billetjes goed te verzorgen.

Poepluiers

Als je kind geplast heeft, is het verschonen van een luier meestal niet zo moeilijk. Anders is het als je kind gepoept heeft. Het verschonen van een meisje gaat anders dan het verschonen van een jongen.

  • Bij een meisje kunnen de schaamlippen helemaal vol zitten met poep. Je kunt ze dan het beste schoonmaken met veel lauw water. Doe dat heel voorzichtig, maar wel grondig.
  • Bij een jongen gaat het verschonen van een poepluier wat makkelijker. Wees wel voorzichtig met de voorhuid van zijn piemel, die kun je niet naar achteren trekken.

Luieruitslag

Na het verschonen is het belangrijk om de tere huid van de billetjes goed te verzorgen. Om luieruitslag te genezen, kun je het beste de huid tweemaal per dag insmeren met zinkzalf of een andere zalf die daarvoor bedoeld is.

Wasbaar en milieuvriendelijk

Er zijn verschillende soorten luiers verkrijgbaar. De voordelen van wasbare luiers zijn dat ze goedkoop en milieuvriendelijk zijn. Ook worden kinderen eerder zindelijk. Het nadeel van katoenen luiers is dat je ze moet uitwassen. Dit kost natuurlijk ook water en energie.

Wegwerpluiers

Het voordeel van wegwerpluiers is vooral dat ze gemakkelijk zijn. Je kunt ze meteen weggooien en je hoeft ze dus ook niet uit te wassen. De nadelen van wegwerpluiers zijn dat ze duur en milieuonvriendelijk zijn. Sommige gemeenten zamelen wegwerpluiers daarom apart in.

Hygiëne

Er zijn 2 soorten hygiëne.

Algemene hygiëne

Onder algemene hygiëne verstaan we het schoonhouden van je omgeving. Bijvoorbeeld het huishouden doen: (af)wassen, stofzuigen, dweilen en schoonmaken. Maar hygiëne is bijvoorbeeld ook het wassen van groente en fruit, voordat je het eet.

Een goede hygiëne is belangrijk! Met een goede hygiëne blijft je kind beter gezond.

Tips

  • Leer je kind dat hij zijn handen wast na het plassen of poepen en voor het eten. Want ziektekiemen verspreiden zich ook via je handen.
  • Plak altijd een waterafstotende pleister op open wondjes.
  • Leer je kind om niet in de richting van een ander te niezen. Om zijn hand voor zijn mond te houden als hij hoest of niest. En zijn handen te wassen na het hoesten, niezen of neus afvegen. Want door hoesten en niezen verspreiden ziektekiemen zich in de lucht. Zo kun je dus iemand anders ziek maken.
  • Houd je huis schoon. Zo komen er minder stofdeeltjes en minder ziektekiemen in de lucht. Daarvoor is een schoonmaakschema misschien handig.

Een gezond gebit

Een goede verzorging van het gebit van je kind is heel belangrijk. Je kunt niet vroeg genoeg beginnen je kind te leren dat veel zoetigheid slecht is voor het gebit. En dat goed poetsen het risico op gaatjes vermindert.

Poetsen

Tandenpoetsen is belangrijk vanaf het eerste tandje! Je kunt het best vanaf het doorkomen van het eerste tandje deze al dagelijks poetsen.

  • Je poetst de tanden van je kind (na zijn 2e verjaardag) 2 keer per dag 2 minuten met fluoride tandpasta speciaal voor peuters.
  • Om je kind alvast aan de tandenborstel te laten wennen, kun je je kind zelf eerst laten poetsen zonder tandpasta. Daarna doe jij het na met tandpasta.
  • Een handige houding hiervoor is achter je kind gaan staan en zijn hoofd licht achterover te houden, zodat je gemakkelijk kunt poetsen.
  • Het is leuk om er een spelletje van te maken, bijvoorbeeld 'laat mij je tanden eens tellen' (Ivoren kruis).

Gaatjes

Zuigflescariës komt voor bij jonge kinderen. Dat betekent dat ze gaatjes in hun tanden krijgen, doordat ze bijvoorbeeld regelmatig een zuigflesje met een zoete drank krijgen. Probeer je kind uit een beker te laten drinken.Voor een gezond gebit is het het beste om vanaf 9 maanden te stoppen met het laten drinken uit een zuigfles. Het is beter om je kind melk, thee of water te drinken te geven. Geef nooit een flesje met melk of appelsap mee naar bed.

Zoet en zuur

Het glazuur vormt de beschermende laag op je tanden. Veel voeding bevat zoetigheid, dat in zuur wordt omgezet onder invloed van bacteriën. Zuur is schadelijk voor het glazuur van de tanden en kiezen.

  • Hoe vaker per dag je kind iets zuurs of zoets eet, hoe minder het speeksel de kans krijgt het gebit te beschermen.
  • Geef je kind niet vaker dan 7 keer per dag iets te eten of te drinken.
  • Laat je kind niet op jonge leeftijd al wennen aan zoete drankjes en vruchtensappen.
  • Vruchtensappen en zoete dranken kunnen het best tijdens de maaltijden worden gegeven. Hierdoor voorkom je een extra zuuraanval op het gebit.
  • Water is onschadelijk voor het gebit en zorgt voor bescherming van het glazuur.

Tandartscontrole

In principe kun je het beste 2 keer per jaar naar de tandarts gaan. Daarbij is het belangrijk dat je kind zich op zijn gemak voelt. Ben je zelf bang voor de controle van de tandarts? Dan is het beter om dat niet te laten merken aan je kinderen. Je wilt die angst immers niet op hen overbrengen.

Als je kind pijn heeft, bijvoorbeeld kiespijn, dan hoef je niet te wachten tot het controlemoment, maar kun je meteen een afspraak maken.

Tips voor het tandenpoetsen

  • Zorg ervoor dat het tandenpoetsen er automatisch bij gaat horen. Door hier meteen mee te beginnen bij het eerste tandje went je baby al aan dit ritueel.
  • Maak het tandenpoetsen leuk door bv. een liedje te zingen waardoor je kind leert wanneer het begin en eind is van het poetsen.
  • Poets altijd eerst zelf en laat je kind als het iets ouder is nog zelf napoetsen.
  • Houdt een vaste volgorde aan: onderkaak binnenkant buitenkant bovenop de kiezen en daarna de bovenkaak binnenkant, buitenkant en bovenop de kiezen (de 3 B’s).
  • Duw niet te hard op de borstel, er wordt vaak te hard gepoetst bij kinderen, dit is niet nodig

Gehoorbescherming

Het gehoor van je kind is erg belangrijk. Kinderen die niet goed kunnen horen, hebben vaak ook moeite met spreken en met het leren van taal. Niet goed kunnen horen en praten belemmert je kind in de omgang met andere kinderen.

Voorkom gehoorschade

Het is voor je kind heel onverstandig om naar harde geluiden en harde muziek te luisteren. Het gehoor van je kind went niet aan hard geluid, maar raakt ernstig beschadigd. Daardoor kan je kind steeds minder goed horen en die gehoorschade is blijvend.

Tips

  • Probeer je kind van jongs af aan te leren dat hij muziek niet te hard moet zetten, omdat dit niet goed is voor zijn oren.
  • Ook is het beter om je kind niet mee te nemen naar bijvoorbeeld festivals of evenementen waar harde muziek wordt gedraaid. Het geluidsniveau (bij een popconcert) ligt al gauw op 100 decibel, wat vergelijkbaar is met wanneer je naast een vliegtuig staat dat de motoren laat warm lopen.
  • Koop geen speelgoed met harde geluiden. Houd er rekening mee dat kleine kinderen snel geneigd zijn om speelgoed waar geluid uit komt (bijvoorbeeld in de vorm van een telefoon) tegen hun oor te houden.

Een hoortest

Als je kind een gehoorprobleem heeft, is het verstandig naar de huisarts te gaan. De huisarts kan in de oren kijken en je kind verwijzen naar een audiologisch centrum of naar de kno-arts. Dit is afhankelijk van het probleem waar de huisarts aan denkt. Beiden beschikken over uitgebreide methoden om het gehoor van je kind te testen.

Veilig met voedsel

Een kind kan zich tijdens het eten weleens verslikken. Meestal loopt het met een sisser af en komt hij met de schrik vrij. Maar ongelukken zijn vaak te voorkomen.

Snoepjes

Het is niet verstandig om een jong kind kleine snoepjes te geven. Hij kan zich hier gemakkelijk in verslikken en het kan zelf zijn luchtpijp blokkeren. Als je hem toch een snoepje wilt geven, doe dat dan als hij rustig zit en niet druk aan het spelen is. Dat verkleint de kans dat hij zich verslikt.

Verslikken

Als je kind nog niet helemaal gewend is aan vast voedsel, kan hij zich daarin verslikken. Zorg daarom dat het eten goed geprakt is en geef je kind de tijd om aan vast voedsel te wennen. Je kunt naast hem blijven zitten, tot hij het eten op heeft. Het is belangrijk dat je kind tijdens het eten rustig zit. Dit voorkomt dat er door bewegen van je kind iets in zijn keel schiet en hij zich verslikt.

Verstikking

Je kunt een EHBO-cursus volgen, waar je leert hoe je bij een ongeval met kinderen het beste kunt handelen. Maar als je denkt dat je kind ergens in stikt, en je kunt niets doen of je weet niet wat je moet doen: bel dan direct 112.

Heet water

Wees ook voorzichtig met heet water of andere hete dranken in de buurt van je kind. Drink bijvoorbeeld geen hete thee terwijl je kind bij je op schoot zit. Zet de theepot altijd buiten handbereik van je kind, of gebruik een thermoskan.

Veilig met hete dranken

Kinderen hebben een dunne huid. Ongelukken met hete vloeistoffen kunnen bij kinderen ernstige brandwonden veroorzaken.

Aan tafel

  • Kinderen van 2 jaar en ouder kun je uitleggen dat soep heet is. Jongere kinderen begrijpen dit nog niet.
  • Probeer hete vloeistoffen zoals soep of jus op een plek op de tafel te zetten waar je kind er niet bij kan.
  • In plaats van een tafelkleed kun je beter placemats gebruiken. Een tafelkleed is voor een kind namelijk erg verleidelijk om aan te trekken, met alle gevolgen van dien.
  • Let extra goed op in de keuken als je aan het koken bent. Zorg ervoor dat de stelen van de pannen niet uitsteken! En als je loopt met hete pannen, dat je nergens over struikelt en zo per ongeluk de inhoud over je kind morst.

Koffie en thee

  • Hete thee of koffie kun je het best op een plek zetten waar je kind er niet bij kan.
  • Een tafelkleed kan ook hierbij gevaarlijk zijn. Je kind kan eraan trekken en zo een kop of pot hete drank over zich heen krijgen.
  • Drink geen hete thee of koffie met je kind op schoot of op de arm! Kinderen kunnen immers onverwachte bewegingen maken.
  • Thee of koffie kun je het best in een goed afsluitbare thermoskan gieten. Een thermoskan wordt aan de buitenkant niet heet en is voor je kind minder gemakkelijk te openen.

Veiligheid in en om het huis

Je wilt het liefste dat je kind overal kan gaan en staan, zonder dat je je zorgen hoeft te maken. Toch is het verstandig je kind goed in de gaten te houden. Dit hoeft helemaal niet te betekenen dat je hem van alles moet verbieden of overal tegen moet beschermen.

Zelf op de grond gaan liggen

Je ziet wat gevaarlijk kan zijn voor een rondkruipend of lopend kind, als jezelf eens op de grond gaat liggen of zitten. Dan zie je hoe makkelijk ze bij een stopcontact kunnen komen, dat er ongeschikt speelgoed onder de bank ligt, dat een afhangend tafelkleed heel leuk lijkt om je aan op te trekken. Kinderen van 0 tot 4 jaar overkomen relatief veel ongelukken. Ze zijn enthousiast en zien geen gevaren. Houd daarom altijd toezicht op je kind.

Ruimte

Kinderen hebben ruimte nodig om zich te ontwikkelen. Ze spelen en leren van hun fouten. Het is helemaal niet erg als je kind eens valt. Dit hoort er nu eenmaal bij. Maar het is natuurlijk niet de bedoeling dat je kind er blijvende schade aan overhoudt.

Bewust zijn van gevaar

Je kunt je kind niet overal tegen beschermen en je wilt je kind ook niet van alles verbieden. Vaak kom je al een heel eind door je kind bepaalde gevaren te laten inzien. Waarschuw hem voor de gevaren van hete thee of het te dicht bij het trapgat spelen. Maar zorg ook dat je zelf de gevaren goed inziet.

Tips

  • Neem maatregelen om te voorkomen dat je kind onverwacht uit het raam, van een trap of door glas kan vallen. Of dat je kind zijn vingertjes kan afklemmen tussen de deur, of zich kan verwonden aan scherpe hoeken van het meubilair. Voor de scherpe hoeken van de tafel en van deuren zijn beschermers te koop.
  • Beveilig stopcontacten met speciale plugjes of afdekplaatjes als een kind er makkelijk bij kan.
  • Let er op dat er bijvoorbeeld geen klimmogelijkheden op het balkon of bij het open raam staan, zoals een vuilnisbak, plantenbakken, stoelen of een tafel.

Veilig in bed

Er zijn veel mogelijkheden om je kind veilig en lekker te laten slapen.

Bed

Als je kind uit het kinderledikant is gegroeid (ongeveer 2,5 jaar oud of 90 cm lang), kun je eventueel eerst een peuter- of juniorbed aanschaffen. Maar je kunt ook direct overstappen naar een groot bed. Een hoogslaper of het bovenste bed van een stapelbed zijn niet geschikt voor kinderen jonger dan 6 jaar.

Bedhekje

Een bedhekje voorkomt dat jonge kinderen uit bed vallen. Het hekje wordt los onder het matras doorgeschoven en door het gewicht van het kind op zijn plaats gehouden. Deze bedhekjes zijn niet geschikt voor hoogslapers en stapelbedden! Voor hoogslapers en stapelbedden geldt dat er altijd een stevig hekje in de constructie van het bed moet zijn opgenomen.

Wil je geen bedhekje aanschaffen? Zorg dan voor een zachte ondergrond naast het bed, zoals een matras, voor het geval je kind toch uit bed valt.

Bedinrichting

Zodra je kind 2 jaar is geworden, is het gevaar voor wiegendood geweken. Nu mag je kind slapen onder een dekbed en (als hij dat wil) met een kussen.

Meer informatie over veiligheid in bed, kun je vinden op de website van VeiligheidNL.

In de badkamer

Je kunt verschillende maatregelen nemen om de veiligheid in de badkamer voor je kind te vergroten.

  • Zorg voor een medicijnkastje met een veilige sluiting. Medicijnen, vitamines en cosmetica zien er voor je kind erg 'lekker' uit.
  • Plak antislipmateriaal in de douche en het bad.
  • Gebruik een thermostaatkraan. Dan heb je altijd een veilige watertemperatuur. Pas wel op, want vaak is een deel van deze kraan toch heet.
  • Laat nooit een bad gevuld met water staan, laat het bad direct leeglopen na gebruik.
  • Denk ook aan de veiligheid in bad! Laat je kind niet alleen als hij in bad zit.

In de keuken

Ben je aan het koken of aan het afwassen? Dan is het gevaarlijk voor je kind in de keuken. Als hij leert lopen, is het belangrijk dat je goed let op de veiligheid in de keuken. Leer je kind van jongs af aan dat hij niet overal aan mag komen. Of dat hij niet ongevraagd in de keuken mag komen.

Tips!

  • Plaats een pannenrekje rond het gasfornuis.
  • Zet de stelen van de pannen naar achteren als je kookt.
  • Zet geen stoelen of andere opstapmogelijkheden in de keuken die je kind kan gebruiken om bij het fornuis of de hete kraan te komen.
  • Zet apparaten die heet kunnen worden achter op het aanrecht (denk aan een tosti-ijzer of frituurpan), zodat je kind er niet bij kan en het kan omtrekken.
  • Maak de snoeren van de apparaten, bijvoorbeeld van het koffiezetapparaat en waterkoker, zo kort mogelijk en leg ze achter op het aanrecht
  • Leeg de waterkoker na gebruik.
  • Zet eventueel een hekje voor de keuken, zodat je kind er helemaal niet in kan.
  • Houd lucifers en gasaanstekers buiten het bereik van je kind.
  • Laat je kind nooit alleen met een emmer hete sop of een beker hete koffie of thee.
  • Berg schoonmaakmiddelen hoog en veilig op. Dus niet in het kastje onder de gootsteen.
  • Zet eventueel kindersloten op kastjes en laden.
  • Berg plastic tassen goed op.
  • Zit je oven laag? Dan kun je een ovenruitbeschermer voor het raampje zetten. Dan kan je kind zich niet branden.
  • Heb je een kattenbak in de keuken? Let er dan op dat je kind daar niet aan komt. Kattenbakkorrels zijn giftig.

In de woonkamer

Als je kind gaat lopen, kan hij overal komen. Natuurlijk is het goed dat je hem de ruimte geeft. Maar let daarbij wel extra goed op de veiligheid.

  • Zet kasten en wandmeubelen stevig vast aan de muur. Als je kind in een kast klimt om iets te pakken, dan kan hij die hele kast over zich heen krijgen.
  • Berg gevaarlijke producten zo op, dat je kind er niet bij kan. Bijvoorbeeld medicijnen, giftige planten, alcohol, cosmetica en tabak.
  • Houd glazen vazen, asbakken, sigaretten, alcohol en pinda’s buiten bereik van je kind. Het is nog steeds erg belangrijk dat je in huis niet rookt, dit is erg slecht voor de gezondheid van je kind.
  • Laat je kind nooit rennen met een lolly, ijsstokje of iets anders scherps in zijn mond. Als hij valt, kan hij zich flink bezeren.
  • Laat je peuter nooit alleen met een huisdier. Hoe lief het dier ook is!
  • Drink geen hete thee of koffie met je peuter op schoot.
  • Een fopspeen moet stevig zijn, met gaatjes waardoor je peuter kan ademen. Er bestaan speciale spenenbandjes waarmee je de speen kunt vastmaken aan zijn kleren.
  • Dek je verwarming af. Zet losse kacheltjes en haarden op een veilige plek.
  • Beveilig alle stopcontacten die lager zitten dan 1,50 meter met speciale plugjes of afdekplaatjes.
  • Plak scherpe hoeken en randen af met beschermhoekjes.
  • Sluit de traphekjes boven en onder aan de trap altijd. Vergeet de zoldertrap of keldertrap niet.

Tips voor ramen en deuren

  • Plaats kindveilige sluitingen op ramen, balkondeuren en tuindeuren.
  • Zorg dat je kind niet over de rand van het balkon kan klimmen. Denk aan opstapjes, stoelen en plantenpotten.
  • Zet geen krukjes, dozen of vuilnisbakken in de buurt van een raam. Je kind kan daar op klimmen.
  • Dek deurspleten af met speciale beveiligers. Zo voorkom je dat je kind zijn vingers pijn doet.

Meer tips en informatie kun je vinden op de website van VeiligheidNL.

Loden waterleidingen

Loden waterleidingen in huis zijn gevaarlijk, omdat er looddeeltjes in het drinkwater kunnen komen.

Bij kleine kinderen kan een teveel aan lood leiden tot bloedarmoede, schade aan het zenuwstelsel, aangeboren afwijkingen en nierschade. Ook kan het leiden tot leerproblemen en gedragsproblemen. Het is dus heel belangrijk om te weten of er in het huis loden waterleidingen aanwezig zijn.

Oude huizen

Sinds 1960 worden er geen loden waterleidingen meer gebruikt in de bouw. Ook zijn ze in de meeste huizen vervangen. Toch zullen er soms in oude huizen nog loden waterleidingen voorkomen. Voornamelijk in huizen die voor 1945 zijn gebouwd.

Wat kun je doen?

Als je in een oud huis woont, kun je het beste eerst zelf controleren of er loden waterleidingen zijn. Je herkent ze aan hun grijze kleur. Vermoed je dat er loden waterleidingen zijn of weet je het niet zeker? Dan kun je voorlopig beter geen kraanwater drinken. Drink het liefst bronwater uit flessen. En gebruik dat ook voor kunstvoeding (flesvoeding)!

Wat als je koopt of huurt?

Als je een koophuis hebt, dan kun je een erkend installateur (een loodgieter) natuurlijk meteen de opdracht geven de loden waterleidingen te vervangen. Als je een huurhuis hebt, dan is de huiseigenaar of woningcorporatie verantwoordelijk voor het vervangen van de loden waterleidingen.

Trappen en traphekjes

Als je kind kan lopen, gaat er een nieuwe wereld voor hem open. Maar een peuter is nog niet goed in staat om gevaar in te schatten, omdat hij druk bezig is met ontdekken. Hij klimt de trap op, zonder zich van gevaar bewust te zijn.

Voorkomen

Je kunt je kind uitleggen dat een trap gevaarlijk kan zijn. En het blijft natuurlijk belangrijk om hem goed in de gaten te houden. Een traphekje maakt de trap voor peuters onbereikbaar, zodat ze er niet af kunnen vallen of op kunnen klimmen. Het is het best om boven en onder aan de trap een traphekje te plaatsen. Belangrijk is om het hekje ook altijd te sluiten!

Opgeruimd

Opgeruimd staat niet alleen netjes, maar is ook veiliger voor je kind. Een opgeruimde trap is het veiligst, omdat je kind dan niet kan struikelen over speelgoed of andere spullen. Je kunt je kind leren hoe hij veilig kan traplopen.

Gevallen

Ondanks alle maatregelen die je hebt genomen, kan je kind toch van de trap vallen. Een val van de trap is één van de meest ernstige ongevallen. Het zijn met name kinderen van 1 en 2 jaar oud die de meeste risico's lopen. Kijk eerst of je kind gewond is. Als het allemaal meevalt, dan zijn een kusje en een pleister misschien al genoeg. Bij ernstigere verwondingen is het raadzaam langs de huisarts te gaan.

Leren traplopen

Als je kind goed kan lopen, kun je beginnen met het oefenen van het traplopen. Loop achter je kind, als je naar boven loopt. Loop voor je kind, als je naar beneden gaat. Je ziet dan wat je kind doet. Je kind kan ook eerst zittend (tree voor tree) de trap afschuiven.

Leer je kind om (zodra hij bij de trapleuning kan) altijd met één hand de trapleuning vast te houden.

Elektriciteit

Kleinere kinderen begrijpen nog niet dat uit stopcontacten elektriciteit komt en dat elektriciteitssnoeren gevaarlijk kunnen zijn. Je kunt daarom alvast maatregelen nemen die de kans op ongelukken verkleinen.

Veilige maatregelen

Je kunt kindveilige wandcontactdozen (laten) plaatsen of bestaande stopcontacten beveiligen met een afdekplaatje. Het is het best om elektriciteitssnoeren zoveel mogelijk weg te werken, bijvoorbeeld achter een plint. Wanneer je bijvoorbeeld gaat verhuizen naar een nieuwbouwhuis, kun je zelf bepalen waar je stopcontacten laat plaatsen.

Wat te doen als je kind een schok krijgt?

  • Eerst de stroom uitschakelen door de stekker uit het stopcontact te trekken of door de hoofdschakelaar om te draaien.
  • Als je kind bewusteloos is en niet meer ademt, meteen 112 bellen en mond-op-mondbeademing (laten) geven.
  • Als je kind niet bewusteloos is geraakt, ga dan toch even naar de huisarts.

Glas

Glazen deuren, ramen, glazen tafels en drinkglazen. Als je alles bij elkaar optelt, heb je best veel glas in en om het huis.

Voorkomen

Er zijn verschillende mogelijkheden om ongelukken met glas te beperken.

  • Op ramen en deuren kun je bijvoorbeeld stickers plakken zodat het glas zichtbaarder is.
  • Daarnaast is het mogelijk om speciaal glas te laten zetten dat sterker is en dus minder snel breekt.
  • Ook kun je er een speciale folie op plakken, dat het glas bij elkaar houdt als het breekt.

Inrichting

Uiteraard kun je bij de inrichting van je huis rekening houden met waar je glazen voorwerpen neerzet.

  • Vazen kun je misschien beter wat hoger zetten.
  • Ook kun je bijvoorbeeld de draairichting van een glazen deur veranderen, wat de kans op ongelukken kan verkleinen.

Drinken

Jongere kinderen kun je uit een plastic beker laten drinken. Dikker glas kan ook een oplossing zijn als je kind zijn glas vaak laat vallen. Omdat plastic en dikker glas minder snel breekt, loopt je kind minder kans op snijwonden.

Verwonding

Ondanks al je maatregelen kan je kind toch een ongelukje krijgen. Bij kleine schaaf- en snijwonden kan een pleister plakken al voldoende zijn. Raadpleeg bij ernstige verwondingen altijd je huisarts.

Speelgoed

In Nederland moet speelgoed aan hoge veiligheidseisen voldoen. Dit kun je herkennen aan de zogenaamde CE-markering op het speelgoed. Maar dit biedt geen garantie dat speelgoed altijd volkomen veilig is. Je kunt zelf ook letten op een aantal veiligheidskenmerken.

Bijvoorbeeld dat het speelgoed:

  • geen scherpe uitsteeksels heeft;
  • geen onderdelen bevat die kleiner zijn dan 3,5 centimeter;
  • van stevig en goed materiaal gemaakt is, hout dat niet splintert, plastic dat niet breekt.;
  • niet afgeeft als je kind erop sabbelt;
  • geen touwtjes of koordjes bevat die langer zijn dan 22 cm;
  • geen harde geluiden maakt, dit kan gehoorschade veroorzaken als ze het speelgoed te dicht bij hun oor houden.

Fantasie

Als je kind tussen de 3 en 6 jaar is, gaat zijn fantasie werken en wordt hij behendiger. Dan zijn bijvoorbeeld puzzels, constructiespeelgoed en dokterspulletjes geschikt speelgoed. Voor kinderen boven de 5 jaar kun je ook een fiets kopen, knikkers en tekenspullen.

Scherpe voorwerpen

Kinderen tussen de 3 en 6 jaar kun je beter niet met scherpe voorwerpen laten spelen. Voor kinderen onder de 5 jaar kunnen knikkers ook gevaarlijk zijn.

Buiten spelen

Kinderen spelen over het algemeen graag buiten. Een zandschepje of een bal zijn dan heel geschikt.

Ongelukje

Er zijn genoeg zaken waar je op kunt letten bij het kopen van veilig speelgoed. Toch kan het gebeuren dat je kind iets inslikt, iets in zijn oor stopt of zich ergens aan snijdt. Bij kleine schaaf- en snijwonden kan een pleister plakken al voldoende zijn. Vertrouw je het niet, twijfel dan niet om naar je huisarts te gaan.

Tuintrampoline

Trampolinespringen is leuk, maar niet zonder gevaar.

De trampoline ingraven

Het grootste gevaar tijdens het trampolinespringen is vallen en ervan afvallen. Om de valhoogte, en daarmee de kans op ernstig letsel, te verkleinen kan de trampoline ingegraven worden. Er zijn speciale inbouwkits op de markt om dit op een goede en veilige manier te doen.

Een veiligheidsnet plaatsen

Een veiligheidsnet rond de trampoline verkleint ook de kans dat je kind ervan afvalt.

Niet samen springen

De meeste ongelukken gebeuren doordat kinderen samen op de trampoline springen. Zorg dat kinderen na elkaar springen en niet tegelijk.

Nog meer tips

  • Zorg voor voldoende vrije ruimte rondom en boven de trampoline.
  • Zorg dat er niets onder de trampoline ligt.
  • Zorg voor een zachte ondergrond rondom de trampoline, bijvoorbeeld los zand of gras.
  • Zorg ervoor dat de trampoline op een vlakke ondergrond staat.
  • Laat springers geen salto's maken.

Veilig buiten spelen

Zandbak

Spelen in de zandbak is voor je kind een leuke bezigheid. Het is daarnaast ook goed voor zijn ontwikkeling. Het is begrijpelijk dat je als ouder misschien bang bent voor verstikking in het zand en ziekten die je kind kan oplopen. Als je kind in de zandbak speelt, houd dan altijd een oogje in het zeil. En probeer er goed op te letten dat je kind zichzelf niet ingraaft.

Afdekken

Kinderen stoppen van alles in hun mond. Dit kan dus ook een hap zand zijn. Om te voorkomen dat je kind ziek wordt van bijvoorbeeld vogelpoep in het zand, kun je de zandbak na gebruik afdekken. Ook regelmatig het zand verversen, kan ziekten voorkomen.

Zwembadje

Als het mooi weer is, wil je kind misschien in een zwembadje spelen. Houd je kind altijd goed in de gaten, want hij kan al in een klein laagje water verdrinken.

Speeltuin

Je kind vindt het waarschijnlijk erg leuk om in de speeltuin te spelen en op de speeltoestellen te klimmen. Het is misschien verstandig eens een rondje door de speeltuin te lopen om te kijken of dit een veilige plek voor je kind is. Veel ongelukken gebeuren doordat kinderen van het klimrek vallen. Je kunt er dus op letten of er een zachte en onbeschadigde ondergrond onder het klimrek ligt. Je kunt mankementen in de speeltuin melden bij de beheerder.

Op straat

Vroeger kon het misschien nog, maar tegenwoordig met al die auto's op straat is het best gevaarlijk voor je kind om op straat te spelen. Je wilt je kind natuurlijk niet ontzeggen om buiten te spelen, daarom kun je hem uitleggen dat hij niet plotseling de straat op mag rennen. Daarnaast kun je je kind laten spelen op de daarvoor aangelegde speelvelden of speeltuinen.

Met vreemden mee

Kinderen kunnen gevaarlijke situaties nog niet goed inschatten, en zijn goed van vertrouwen. Ze begrijpen nog niet dat er mensen zijn die het misschien niet goed met ze voor hebben.

Aandacht

Je kind kan gevoelig zijn voor aandacht van andere mensen. Aandacht werkt vleiend en een kind kan zich er zelfverzekerd door voelen. Maar een kind begrijpt nog niet dat niet iedereen te vertrouwen is.

Regels

Je kunt met je kind een aantal regels afspreken.

  • Vraag of je kind je altijd wil vertellen waar hij naartoe gaat.
  • Ook als je zelf even weggaat en je kind blijft alleen thuis, laat dan weten waar je bent.
  • Je kind hoeft de deur niet voor vreemden open te doen als hij alleen thuis is.
  • Leer je kind dat hij gerust 'nee' tegen een volwassene mag zeggen en dat hij zich door niemand moet laten overhalen om dingen te doen die hij niet wil.
  • Leg je kind uit dat hij niet met vreemden moet meegaan, ook niet als diegene snoep aanbiedt of hem op een andere manier probeert mee te lokken.

Water

Wanneer je je kind laat spelen met of in water dan doe je er verstandig aan dicht bij hem in de buurt te blijven.

Bad

Je kunt verschillende maatregelen nemen om je kind veilig te laten baden, zoals bijvoorbeeld het instellen van de juiste temperatuur.

Zwemmen

Je kunt al vroeg beginnen met je kind te laten wennen aan water. Er zijn bijvoorbeeld speciale baby en peuter zwemuren.

Verdrinken

Jonge kinderen kunnen al in een laagje van 5 centimeter water verdrinken, het is daarom raadzaam op goed op je kind te letten.

Veilig in bad

Je kunt een aantal maatregelen nemen om het baden van je kind nog veiliger en leuker te maken.

Opletten

Hou je kind tijdens het baden altijd goed in de gaten! Zorg dat je je kind steeds kunt zien. Laat hem nooit alleen, al is het maar voor even. Loop ook niet naar de kamer ernaast. Je kind kan namelijk al in een paar centimeter water verdrinken. Zorg dat je alles wat je nodig hebt, binnen handbereik klaar hebt staan.

Ook als een ouder broertje of zusje oplet, is je peuter niet veilig.

Hulpmiddelen

  • Je kunt een antislipmatje aanschaffen. Dit matje voorkomt dat je kind in bad uitglijdt.
  • Als je kind zit, kan hij tegen de kraan aan stoten en zich bezeren. Hiervoor zijn zogenaamde kraanbeschermers te koop, die je over de kraan kunt schuiven.

Temperatuur

Bij een temperatuur tussen de 36 en 38 graden kan je kind veilig en lekker badderen. Je kunt het best eerst het bad vullen met koud water en daarna warm water toevoegen. Meng het water met de hand zodat het overal dezelfde temperatuur heeft. Voor alle zekerheid nog even checken met je elleboog of met een badthermometer. Dit kan brandwonden voorkomen.

Thermostaatkraan

Als je kind al kan lopen, zorg dan dat hij nooit bij de hete kraan kan komen. Neem daarom liever een thermostaatkraan!

Zwemmen

Je kunt je kind al vroeg laten wennen aan water, voordat hij op zwemles gaat.

Watergewenning

In de meeste zwembaden worden zogenaamde baby- en peuterzwemlessen gegeven. Je kind raakt zo niet alleen vertrouwd met water, maar zijn spieren worden ook soepel en hij bouwt een goede conditie op.

Oren en luchtwegen

Wanneer je kind last heeft van een oorontsteking kun je beter niet met hem gaan zwemmen. Ook als hij last heeft van zijn luchtwegen is het beter om eerst advies te vragen aan je huisarts of consultatiebureau. In een zwembad hangen chloordampen, waar je kind last van kan krijgen.

Stapje verder

Het is belangrijk dat je kind het zwemmen leuk vindt. Als hij er geen plezier in heeft, zal hij angstig worden. Het is belangrijk hem stapje voor stapje aan het water te laten wennen.

Hulpmiddelen

Er zijn verschillende hulpmiddelen om je kind veilig te laten zwemmen. Zo kun je bijvoorbeeld zwemvleugels aanschaffen. Ga je met je kind varen op een boot, zorg dan voor een goed passend reddingsvest. Maar welk hulpmiddel je ook gebruikt, houd altijd een oogje in het zeil.

Verdrinkingsgevaar

Kinderen spelen graag met water, vooral bij warm weer. Maar ze snappen nog niet dat water ook gevaarlijk kan zijn.

Opletten

Kleine kinderen kunnen al verdrinken in een laagje water van 5 centimeter diep. Probeer dus altijd goed op te letten, ook al speelt je kind alleen maar met een emmer water. Dit lijkt op het eerste gezicht onschuldig, maar ook hierbij kunnen ongelukken gebeuren.

Open water

Zwemmen in open water, is heel anders dan zwemmen in het zwembad. In de zee en in rivieren kan de stroming heel verraderlijk zijn. Probeer het gebruik van opblaasbaar speelgoed, zoals een zwemband of zwemvleugels, zoveel mogelijk te vermijden. Hiermee kan een kind door de stroming en de wind snel afdrijven.

Zwin

Je kunt samen met je kind in een zogenaamd zwin baden. Een zwin is een stukje ondergelopen strand dat niet in verbinding staat met de zee. Het is hier ondiep en vaak wat warmer dan in de zee zelf. Je kind kan in een zwin een stuk veiliger spelen dan in de zee. Maar houd ook hier je kind goed in de gaten.

Hulpmiddelen

Er zijn hulpmiddelen die de kans op verdrinking verkleinen, zoals zwemvleugels. Let er wel op dat het goed past en gebruik deze hulpmiddelen niet in open water met stroming. Wanneer je met je kind gaat varen, is het verstandig dat je hem een goed passend reddingsvest aantrekt.

Let op! Gebruik een zwemhulpmiddel nooit in combinatie met een wegwerpluier. Een luier houdt lucht vast. Hierdoor kunnen de billen boven water komen en raakt het hoofd in het water. Laat je kind zonder luier in het water of gebruik een speciale zwemluier.

Zomer

Eindelijk is het zomer en gaat de zon lekker schijnen! Misschien blijf je gewoon in Nederland of misschien ga je lekker op vakantie samen met je kind.

Maar wat je ook doet, het is hoe dan ook verstandig om je voor te bereiden op warm weer. Wat te doen om te voorkomen dat je kind verbrandt in de zon en wat te doen tegen de zomerhitte?

In de zon

De huid van je kind is zo teer, dat het zich maar 5 tot 10 minuten kan beschermen tegen de zon. De kans op verbranding is dus heel groot.

Schaduw

Het is het best om je kind zoveel mogelijk uit de zon te houden. Dit lukt niet altijd, maar probeer in ieder geval de zon te vermijden tussen 11.00 uur en 15.00 uur. Gebruik bijvoorbeeld een parasol of een zonnescherm.

Zonnebrandcrème

Een zonnebrandcrème met een hoge beschermingsfactor (minimaal factor 30) speciaal voor kinderen is erg belangrijk voor de bescherming van de huid. Er zijn crèmes die je maar één keer hoeft aan te brengen. Neem het zekere voor het onzekere en smeer je kind het liefst elk uur in. Ook in de schaduw kun je verbranden, dus gebruik ook in de schaduw een zonnebrandcrème.

Kleding en zonnehoedje

In de schaduw heeft je kind ook bescherming nodig. Trek hem luchtige kleding aan, bijvoorbeeld een dun T-shirt. Smeer zijn onbedekte armpjes en hals goed in met zonnebrandcrème. Het is ook belangrijk dat het hoofd van je kind goed beschermd is. Gebruik daarvoor een petje of een zonnehoedje.

Drinken

Je kind heeft veel behoefte aan vocht, zeker als het warm is. Genoeg drinken helpt hem zijn warmte kwijt te raken. En het voorkomt natuurlijk uitdroging. Je kind zal het ook lekker vinden om een keertje extra te baden.

Ogen

Ogen zijn ook heel gevoelig voor uv-straling. Er zijn speciale kinderzonnebrillen te koop. Wanneer je besluit een bril te kopen, let dan wel of op de glazen daadwerkelijk de schadelijke straling tegenhouden.

Verbrand

Mocht je kind toch ondanks alle voorzorgsmaatregelen toch verbrand zijn, smeer hem dan in met een verzorgende aftersun. Raadpleeg bij ernstige verbranding je huisarts.

Zomerhitte

Nederland een koud kikkerlandje? Vaak wel, maar niet altijd.

In de zomer kan het ook in Nederland tropisch warm worden. Maar of je nou in Nederland bent, of je gaat op reis naar het buitenland, in de zomer is het belangrijk om rekening te houden met de zomerhitte en met de gezondheid van je kind.

Zonnesteek

Onbeschermd en te lang in de zon spelen, is gevaarlijk. Je kind kan zich verbranden, maar hij kan ook een zonnesteek oplopen. Dit betekent dat de hersenen van je kind als het ware 'oververhit' raken. Als je denkt dat je kind een zonnesteek heeft, zet je kind dan op een koele plaats en spoel zijn gezicht en polsen met koud water. Als het niet snel beter gaat, ga dan naar de huisarts.

Water drinken!

Het is belangrijk dat je kind voldoende water drinkt, ongeveer 1 liter per dag. Misschien lukt dat niet altijd even goed. Natuurlijk kun je je kind ook water geven aangelengd met siroop. Of water met ijsblokjes en citroen. Veel kinderen drinken graag vruchtensap en slappe thee. Koolzuurhoudende dranken zoals cola kun je beter niet geven. Maar af en toe een waterijsje mag best. Ben je op vakantie in een ander land? Let dan goed op de hygiëne van het water.

Uitdrogingsverschijnselen

Als je denkt dat je kind uitdroogt, neem dan direct contact op met de huisarts. Uitdroging herken je aan één of meerdere van de volgende verschijnselen:

  • onregelmatig plassen en minder plassen;
  • donkergele urine;
  • droge lippen en een droge mond;
  • nauwelijks tranen bij het huilen;
  • sufheid;
  • diepliggende ogen;
  • de huid is stug en als je een huidplooi pakt, veert die niet meteen terug.

Inspanning vermijden

De meeste kinderen zijn natuurlijk graag buiten met het mooie weer. Toch is het tijdens de warmste uren van de dag (van 12.00 tot 16.00 uur), beter om een 'rustige activiteit' in te plannen en in de schaduw te gaan zitten.

Koel blijven

Om koel te blijven, kan je kind een pet of hoed dragen, een zonnebril opzetten en lichte kleding dragen. Wit stoot hitte af en donkere kleuren nemen juist hitte op.

Douchen

Het is misschien erg verleidelijk, maar een koude douche is niet verstandig. Sterke temperatuurwisselingen bevorderen de uitdroging. Als je kind graag wil douchen, is een lauwe douche beter.

Een koel huis

Thuis kun je het beste zo min mogelijk de zon binnenlaten. Hou dus de gordijnen dicht en laat ook de ramen gesloten als de zon er op schijnt. 's Avonds en 's nachts mag er natuurlijk wel een raampje open.

Lichte maaltijden

Laat je kind meerdere lichte maaltijden per dag eten, zoals salade, worteltjes, stukjes komkommer en soep. Dit is makkelijk verteerbaar. Let bij verse producten wel goed op de hygiëne en de houdbaarheid.

Dieren

In de meeste gevallen zorgen dieren voor veel plezier. Maar je kind kan gekrabd worden door de kat of door een vervelend insect gebeten worden.

Insecten

Een insectenbeet is nooit leuk, maar een kind schrikt er vaak extra van. De meeste insectenbeten zijn heel goed te behandelen. Is je kind allergisch voor een bepaald insect, of is hij gebeten door een teek, dan is het raadzaam de huisarts te raadplegen.

Huisdieren

Ook al kent je kind de hond al heel lang, een huisdier kan altijd onverwacht reageren waarbij het je kind bijt of krabt. Daarbij kan je kind mogelijk een ernstige infectie oplopen. Let op dat je kind niet aan vlooienbanden likt of kattenbakkorrels opeet. Dat kan vergiftigingen veroorzaken.

Huisdieren

Over het algemeen hebben huisdieren een positieve invloed op de ontwikkeling van kinderen. Maar huisdieren kunnen ook gevaarlijke situaties met zich meebrengen.

Bijten en krabben

Honden, katten en andere huisdieren kunnen uit enthousiasme of angst je kind bijten of krabben. Een beet of krabwond kan een infectie veroorzaken. Spoel de plek het liefst meteen uit met zeep en water. Raadpleeg bij ernstige beet- en krabwonden de huisarts.

Vlooienbanden en kattenbakkorrels

Een vlooienband maar ook kattenbakkorrels zijn giftig. Probeer deze producten dus zo ver mogelijk bij je kind vandaan te houden. Heeft je kind bijvoorbeeld gelikt aan de vlooienband van je hond of kat, dan is het verstandig om als eerste je kind zijn mond te laten spoelen met water. Volg dan het advies van de Gifwijzer op en raadpleeg een arts.

Voorkomen

  • Probeer je kind te leren dat hij niet zomaar vreemde dieren kan aaien.
  • Je kunt je kind ook uitleggen dat hij dieren niet mag plagen of boos mag maken.
  • En dat hij een dier dat eet of slaapt het beste met rust kan laten. Vooral honden zijn erg territoriaal en kunnen agressief reageren als ze tijdens het eten of slapen gestoord worden.
  • Probeer jonge kinderen niet alleen te laten met een hond of kat.

Teken

Een teek is een klein bruinzwart insect dat vaak in een bosrijke omgeving, maar ook tussen hoog gras en struiken voorkomt. Teken voeden zich met bloed dat ze door middel van een beet opzuigen. Teken kunnen ook ziekten met zich meedragen en die door een beet op mensen overbrengen.

Controleren

Het is verstandig de kleding, de huidplooien en het hoofd van je kind regelmatig op teken te controleren. Wanneer je kind veel speelt in hoog gras en struiken, dan kun je er voor zorgen dat je zijn kleding bij zijn broek instopt. Blote lichaamsdelen kun je insmeren met een insectenwerend middel.

Verwijderen

Een teek laat de huid pas los als hij zich helemaal volgezogen heeft met bloed. Als je een teek bij je kind ontdekt, kun je deze het best direct verwijderen. Gebruik hiervoor een tekentang. Controleer of alle delen van de teek uit de huid verwijderd zijn. Dit doe je door de teek te bekijken: een zuigmond met aan weerszijde 2 tastdelen moeten aanwezig zijn.

Niet doen!

Verwijder een teek liever niet met alcohol, olie, jodium of andere middelen. De teek kan hiervan schrikken en zijn maaginhoud in de huid spuiten, wat een infectie kan veroorzaken. Teken kunnen namelijk de ziekte van Lyme overbrengen.

Schoonmaken

Het is verstandig om na het verwijderen van de teek de huid rondom de beet schoon te maken met bijvoorbeeld alcohol. Als je vermoedt dat de teek niet helemaal is verwijderd, kun je het best dezelfde dag nog met je kind langs je huisarts gaan.

Insecten

Een insectenbeet is meestal onschuldig. Als je kind allergisch is, kunnen de gevolgen wel ernstig zijn.

Gestoken

Een insectenbeet is vaak te herkennen aan een rode, jeukende plek op de huid. Soms is de plek gezwollen of pijnlijk. Ook kan je kind aangeven dat hij duizelig of misselijk is.

Behandeling

  • In eerste instantie kun je er voor zorgen dat je kind niet aan de beet krabt. Dit kan namelijk een ontsteking veroorzaken.
  • Probeer bij bijvoorbeeld een wespensteek de angel er zijdelings met je nagel uit te vegen. Gebruik liever geen pincet. Hierdoor kan de angel halverwege afbreken.
  • Tegen de pijn of de jeuk kan een verkoelend middel verlichting brengen.

Menthol

Menthol is zo sterk, dat je kind kan het er benauwd door kan krijgen. Bovendien irriteert het erg als je kind het per ongeluk in z'n ogen wrijft.

Voorkomen is beter dan genezen

Je kunt een aantal maatregelen nemen die de kans verkleinen dat je kind wordt gestoken.

  • Probeer je kind uit te leggen dat hij beter niet kan zwaaien of slaan naar wespen en bijen.
  • Bij mooi weer is het verstandig je kind uit een glas met een rietje te laten drinken.
  • In het gras kruipen veel insecten rond, dus je kunt je kind beter niet op blote voeten laten lopen.
  • Voordat je kind gaat slapen, kun je zijn kamer inspecteren op insecten.

Allergie

Krijgt je kind het na de beet benauwd? Of krijgt hij uitslag of zwellingen op een andere plek dan op de plek van de beet? Aarzel dan niet en bel direct je huisarts. Ook als je kind in zijn mond is gestoken, is het verstandig direct de huisarts te raadplegen. De keel of tong kan dan namelijk opzwellen, wat benauwdheid of zelfs verstikking kan veroorzaken. Als een allergisch kind na een beet niet behandeld wordt, kan het in shock raken.

Veilig in het verkeer

Je wilt je kind in elke levensfase zo veilig mogelijk vervoeren of laten deelnemen aan het verkeer.

Je kunt zelf een aantal maatregelen nemen die de kans op ongelukken in het verkeer verkleinen. Bijvoorbeeld tijdens het wandelen, maar ook op de fiets en in de auto.

Wandelen

Als je wilt gaan wandelen, zijn er verschillende mogelijkheden afhankelijk van de leeftijd van je kind en waar je wilt gaan wandelen. Er zijn ook een aantal veiligheidstips voor als je je kind mee naar buiten neemt.

Een wandelwagen of buggy

Je kunt je kind meenemen in een wandelwagen of buggy. Let wat betreft de veiligheid op de volgende zaken.

  • Zet je kind het liefst vast met een gordel of tuigje, zodat hij er niet per ongeluk uit glijdt.
  • Let tijdens het wandelen goed op dat zijn handjes niet buiten de wagen hangen, zodat hij nergens met zijn vingers tussen kan komen.
  • Als je stilstaat, is het verstandig de wagen altijd op de rem te zetten.
  • Als je een tas hebt, kun je die beter in een mandje of netje onder de wagen leggen, want als je hem aan de duwbeugel hangt, kan de kinderwagen omvallen door het gewicht.

Rugdrager

Een rugdrager kun je gebruiken als je kind al goed rechtop kan zitten. De rugdrager is geschikt voor kinderen tot ongeveer 4 jaar. Controleer de drager voor elk gebruik op slijtage en kijk of de sluitingen nog goed werken. Probeer rekening te houden met vooroverbuigen en achterover buigen. Ga liever niet met een rugdrager sporten, fietsen of huishoudelijk werk doen. Dit kan gevaarlijke situaties voor je kind opleveren.

Zelf lopen

Als je kind zelf kan lopen, kun je in het begin beter niet te lange wandelingen maken. Kinderen hebben korte benen en zijn dus sneller moe. Kinderen zijn nieuwsgierig en zijn zich niet altijd bewust van het verkeer. Probeer je kind dus altijd goed in de gaten te houden, zodat hij niet wegloopt.

Op de fiets

Kinderen die wat ouder zijn kunnen nog steeds in een voor- of achterzitje mee op de fiets. Er zijn wel een aantal dingen waar je rekening mee kunt houden. Schaf een goede, veilige fiets aan die geschikt is voor een fietszitje.

Voorzitje

Een voorzitje kun je gebruiken vanaf het moment dat je kind goed kan zitten tot een leeftijd van ongeveer 3 jaar. Let er bij de aanschaf van het fietszitje op dat het aan de Europese veiligheidsnorm voldoet. Het kan even wennen zijn om met een fietszitje te fietsen. Het is verstandig om van tevoren te oefenen door iets zwaars op het zitje te leggen en daarmee te fietsen.

Achterzitje

Een achterzitje is geschikt voor kinderen tot en met ongeveer 5 jaar die zelf goed kunnen zitten.
Ook een achterzitje moet aan de Europese veiligheidsnorm voldoen. Een achterzitje wordt op de bagagedrager vastgemaakt. Om te voorkomen dat je kind met zijn vingers tussen de veren van het zadel komt, kun je een zadelveerbeschermer kopen.

Voetjes tussen de spaken

Een voetje tussen de spaken komt regelmatig voor en kan ernstige verwondingen opleveren. Om te voorkomen dat dit gebeurt, kun je de spaken goed afschermen.

  • Goede spaakafscherming is een hardplastic scherm dat tussen het voetensteuntje en het wiel wordt bevestigd. Een jasbeschermer is geen voetbeschermer.
  • Probeer het zitje met het kind, kijk of de voetjes niet ergens tussen de spaken kunnen komen. Bedenk dat kinderen snel groeien: plaats de spaakafscherming op de groei en controleer deze regelmatig.
  • Een kinderzitje met voetriempjes is niet voldoende, de riempjes beschermen niet in alle gevallen tegen spaakbeknelling.

Opletten

Bij zowel een voor- als een achterzitje is het verstandig erop te letten dat je kind nergens met zijn handen en voeten tussen kan komen. Daarnaast is het belangrijk dat je kind goed vastzit. Probeer je fiets niet op de standaard te zetten als je kind nog in het zitje zit. Het is risico is groot dat de fiets door het gewicht omvalt.

In de auto

Wanneer je je kind in de auto wilt vervoeren, is het het veiligst om hem in een autostoeltje te plaatsen.

Veiligheidseisen

Koop altijd een stoeltje dat aan de Europese veiligheidseisen voldoet. Dit is te herkennen aan een oranje ECE-keurmerk: ECE 44/03 of 44/04. In de vorm van een label of een sticker.

Als je een tweedehands stoeltje aanschaft, controleer dan of dit niet beschadigd is of betrokken is geweest bij een aanrijding. Zo'n stoeltje is dan niet meer veilig.

Kinderautostoel plaatsen

  • Je zet het kinderautostoeltje met de autogordel of ISOFIX vast en je kind met de 5-puntsgordel van het kinderstoeltje.
  • Deze stoeltjes hebben vaak meerdere standen en worden meestal met de rijrichting mee geplaatst.
  • Is je auto voorzien van een passagiersairbag, zet je kind dan niet in een autozitje op de voorstoel. Tenzij de airbag is uitgeschakeld.

Nooit op schoot

Vervoer een kind in de auto nooit op schoot. Je kunt hem onmogelijk vasthouden bij een botsing! Het is het veiligst om een kind te vervoeren op de achterbank in een goedgekeurd autostoeltje.

Nooit alleen laten

Het is niet aan te raden je kind alleen in de auto te laten. Kinderen raken snel oververhit dus laat je kind nooit alleen in de auto wanneer deze in de zon staat. Het heeft geen nut een raampje open te zetten in een auto die stilstaat in de zon. Dit helpt namelijk niet tegen het stijgen van de temperatuur in de auto.

Regels

  • Kinderen kleiner dan 1,35 meter moeten zowel voorin als achterin in een goedgekeurd kinderzitje (baby-autostoeltje, kinderautostoeltje of zittingverhoger) worden vervoerd.
  • Kinderen groter dan 1,35 meter moeten een gordel dragen.

Specifieke regels

  • Voor incidenteel vervoer van kinderen van iemand anders (ouder dan 3 jaar) is een kinderzitje niet verplicht.
  • In auto's voorzien van gordels moeten kinderen ouder dan 3 jaar, als ze met iemand anders meerijden, achterin zitten én de gordel om.
  • Het is verboden het diagonale deel van een 3-puntsgordel achter het lichaam langs te leiden. Dat is onveilig. Loopt de gordel over de hals in plaats van over de schouder, dan is een goedgekeurde zittingverhoger de oplossing.
  • Op het consultatiebureau kun je vragen naar de 'Veiligheidskaart' met meer informatie over het vervoer van je kind.
  • De wettelijke regels kun je ook uitgebreid bekijken op de website van de Rijksoverheid.

Gevaarlijke stoffen

Je hebt waarschijnlijk een hoop dingen in huis waarvan je zelf misschien niet weet dat ze giftig zijn. Dit kunnen schoonmaakmiddelen zijn, maar ook bepaalde planten of geneesmiddelen.

Ontdekkingsfase

Jonge kinderen zitten in een fase waarin ze alles willen ontdekken. Dit doen ze niet alleen door dingen vast te pakken, maar ook door ze in hun mond te stoppen. Ze weten nog niet wat wel en niet eetbaar is. Ze kunnen dus iets in hun mond stoppen dat giftig is. Voor kinderen is dat extra gevaarlijk, omdat ze gevoeliger voor giftige stoffen zijn dan volwassenen.

Planten

Misschien heb je een giftige plant in de woonkamer staan, zoals een aronskelk. Ook in je tuin kunnen giftige planten of struiken groeien, die je kind beter niet kan eten of zelfs beter niet kan aanraken.

Geneesmiddelen

Veel vergiftigingen van kinderen worden veroorzaakt door geneesmiddelen. Sommige pijnstillers hebben vrolijke kleurtjes, waardoor kinderen denken dat het snoepjes zijn. Ook bepaalde kruidenpreparaten kunnen een vergiftiging veroorzaken. Als je vermoedt dat je kind geneesmiddelen heeft binnengekregen, raadpleeg dan direct je huisarts. En bewaar medicijnen op een plaats waar je kind niet bij kan.

Giftige stoffen

De symptomen van een vergiftiging kunnen heel verschillend zijn, afhankelijk van wat je kind heeft binnengekregen. Soms krijgt je kind blaren op de lippen of heeft hij plotseling last van hevige pijn in bijvoorbeeld de buikstreek.

Opbergen

Berg medicijnen en schoonmaakmiddelen het liefst op in kastjes waar je kind niet bij kan of je kan speciale kastbeveiliging aanschaffen. Ook is het verstandig verpakkingen met een kindveilige sluiting te kopen.

Bij vergiftiging

Als je het vermoeden hebt dat je kind schoonmaakmiddel, geneesmiddelen, verfoplosmiddel, tabak of alcohol heeft binnengekregen, ga dan altijd naar de huisarts en neem (als het kan) de verpakking van de giftige stof mee. Is je kind niet meer bij bewustzijn, aarzel dan niet en bel direct 112. Probeer eventuele tabaksresten of medicijnen uit de mond van je kind te halen.

Gifwijzer

Als je weet wat je kind heeft gegeten, kun je de Gifwijzer raadplegen. Die vertelt je wat je moet doen bij welke soort vergiftiging. De Gifwijzer is bij elke apotheek verkrijgbaar en ook via het internet te bestellen.

Giftige planten

Kleine kinderen worden aangetrokken door kleuren en willen vaak alles in hun mond stoppen. De kans bestaat dus dat je kind een kleurrijk besje plukt en opeet van een plant uit de tuin of in huis.

Aanraken van een plant

Soms is zelfs het aanraken van een giftige plant gevaarlijk. De huid van je kind is dun, waardoor gif er soms doorheen kan dringen. Ook kan je kind huidirritaties krijgen wanneer hij bijvoorbeeld een brandnetel of berenklauw aanraakt.

Risicogroep

Kinderen zijn gevoeliger voor vergiftiging dan volwassenen. Omdat ze nog klein zijn, is een kleine hoeveelheid gif voor hen schadelijker dan voor een volwassene.

Binnen

Het is het veiligst om geen giftige planten in huis te hebben. Heb je toch planten in huis die giftig zijn, dan kun je deze voor de veiligheid van je kind het beste op een hoge plaats zetten.

Buiten

Fel gekleurde bessen zijn erg aantrekkelijk voor kinderen. Om te voorkomen dat je kind ze opeet, kun je al vroeg proberen uit te leggen dat dit niet mag. Ook kun je je kind leren welk deel van een plant giftig is, maar heel jonge kinderen begrijpen dit nog niet.

Je kunt rekening houden met de beplanting in je tuin. Er zijn genoeg planten, struiken en bloemen te koop die niet giftig zijn. Heb je wel giftige planten in je tuin en wil je deze liever niet verwijderen, dan kun je ze afschermen met een hekje.

Bij vergiftiging

Als je het vermoeden hebt dat je kind een giftige plant heeft opgegeten of aangeraakt, aarzel dan niet en bel direct je huisarts. Probeer eventuele plantenresten uit de mond van je kind te halen. Als je weet wat je kind heeft gegeten, kun je de Gifwijzer raadplegen. Die vertelt je wat je moet doen bij welke soort vergiftiging. De Gifwijzer is bij elke apotheek en ook op internet verkrijgbaar.

Vuur en verbrandingsgevaar

Het kan een keer gebeuren dat je kind zich brandt aan een hete kachel of vuurkorf in de tuin. Meestal loopt dit goed af, en komt hij met de schrik vrij. Toch wil je als ouder voorkomen dat je kind zich brandt, want brandwonden kunnen ernstige gevolgen hebben.

Vuur

Vuurwerk, een open haard in je huis of een vuurkorf in de tuin kunnen voor jonge kinderen gevaarlijk zijn. Je kunt een aantal maatregelen nemen om te voorkomen dat je kind zich bezeert aan vuur. Ook kun je verschillende maatregelen nemen om het risico op brand te beperken.

Eten en drinken

Je kind kan zich ook branden aan heet eten of drinken. Oudere kinderen kun je op dit gevaar wijzen, maar voor kinderen onder twee jaar moet je zelf beschermende maatregelen treffen. Zorg bijvoorbeeld dat je geen hete thee of koffie op de rand van een tafel zet, waar kinderen er makkelijk bij kunnen.

Verbranding

Het kan gebeuren dat je kind brandwonden oploopt. In dat geval is het belangrijk om de wond direct te koelen met lauw, zacht stromend water. Waarschuw bij ernstige verwondingen direct je huisarts.

Strijkijzer

Een strijkijzer is niet alleen heet, maar ook zwaar. Als het bijvoorbeeld op het hoofd van je kind valt, kan een strijkijzer naast brandwonden ook andere ernstige verwondingen veroorzaken.

Opletten

Je kunt je kind beter niet laten spelen in de kamer waar je aan het strijken bent. In een onbewaakt ogenblik kan je kind aan het snoer van het strijkijzer trekken of tijdens het spelen tegen de strijkplank aanlopen.

Opruimen

Probeer het strijkijzer na het strijken te laten afkoelen en op een veilige plek op te bergen. Laat het liever niet op de strijkplank liggen. Als je kind tegen de strijkplank aan loopt kan het strijkijzer immers naar beneden vallen.

Verwarming

Je kind kan zich lelijk verbranden en bezeren aan de verwarming en verwarmingsbuizen. Je kunt een aantal maatregelen nemen om dit risico te verkleinen.

Afschermen

Om je kind tegen de hitte van de radiator te beschermen, kun je hem afschermen met zogenaamde radiatorbekleding. Dit is bij de meeste doe-het-zelfzaken te koop. Je kind kan zich ook bezeren aan scherpe randen van de verwarming. Je kunt hiervoor speciale beschermhoekjes voor verwarmingen kopen. Je kunt er ook voor kiezen een ombouw om de radiator te plaatsen.

Temperatuur ketel instellen

Je kunt de temperatuur van de ketel lager instellen. Hierdoor worden de radiatoren minder heet, waardoor je kind zich er minder snel aan zal branden.

Plaats

In een nieuwbouwhuis kun je de plek van de verwarming zelf bepalen, of zelfs een heel ander verwarmingssysteem kiezen. Daarbij kun je rekening houden met de veiligheid van je kind. Zo zijn bijvoorbeeld vloerverwarming of heteluchtverwarming kindvriendelijker dan radiatoren of kachels.

Vuur

Kinderen vinden vuur vaak interessant en spannend. Een peuter kun je nog niet goed uitleggen waarom vuur gevaarlijk kan zijn, dus kun je zelf maatregelen nemen om hem te beschermen. Oudere kinderen kun je wel op het gevaar van vuur wijzen.

Kaarsen

Houd kaarsen liever bij jonge kinderen uit de buurt, om brandwonden te voorkomen. Je kunt ze bijvoorbeeld op een hoge plek zetten, zodat je kind er minder goed bij kan. Ook lucifers of aanstekers kunnen gevaarlijk zijn voor kinderen. Je kunt ze het best op een veilige plek opbergen.

Open haard

Eén vonkje uit de open haard is genoeg om makkelijk brandbare kleding vlam te laten vatten. Je kunt het best je kind weghouden bij de open haard door de open haard af te schermen met een openhaardhekje. Dit is veiliger dan een vonkenscherm, omdat een openhaardhekje verankerd is aan de muur en niet kan omvallen.

Fakkels en vuurkorven

Het is niet verstandig je kind dicht bij fakkels of vuurkorven te laten spelen. Net als bij een open haard, kan één vonk al brandwonden veroorzaken. Probeer dus speelgoed en andere obstakels bij fakkels en vuurkorven vandaan te houden. Oudere kinderen vinden het soms spannend om brandbare vloeistoffen in vuurkorven te gooien. Probeer je kind uit te leggen dat dit een steekvlam kan veroorzaken en dat hij daardoor brandwonden kan oplopen.

Warmte kookbron

Je kind kan zich gemakkelijk verbranden aan het fornuis, de oven of een barbecue. Je kunt met een aantal dingen rekening houden, zodat je kind zich minder snel brandt.

Fornuis

  • Je kunt alleen de achterste pitten of kookplaten van het fornuis gebruiken, zodat je kind zich minder snel brandt aan een hete pan of vlam.
  • Het is nog veiliger om te zorgen dat de handvatten en stelen van de pan niet over de rand van het fornuis uitsteken.
  • Na het koken blijven kookplaten altijd nog even warm. Pannen die nog op de kookplaten staan, blijven dus ook langer warm. Vergeet daarom niet na het koken de pannen van de kookplaat af te halen.

Fornuisrekje

Er bestaan zogenaamde fornuisrekjes die je voor het fornuis kunt plaatsen, zodat je kind niet met zijn vingers bij een pan of vlam kan komen. Als je van plan bent een nieuw fornuis aan te schaffen, dan kun je er één kopen met knoppen die voor kinderen moeilijker bereikbaar zijn.

Frituurpan

Je moet er niet aan denken dat je kind heet vet over zich heen krijgt. Houd de frituurpan bij het frituren zo ver mogelijk bij je kind uit de buurt. Je kunt ook voor een inbouwmodel kiezen. Een ingebouwde frituurpan kan niet omvallen.

Oven

Een oven kan aan de buitenkant erg heet worden, vooral een wat ouder model. Het is daarom het beste om je kind uit de keuken te houden als er iets in de oven staat. Als je een nieuwe oven wilt kopen, kun je er eentje kopen waarvan de buitenkant niet heet wordt. Een inbouwoven kun je eventueel wat hoger laten plaatsen, zodat je kind er minder goed bij kan.

Barbecue

Vuur heeft op kinderen een enorme aantrekkingskracht. Als je gaat barbecueën, dan kun je je kind eerst op de gevaren wijzen. Daarnaast is het verstandig om obstakels en speelgoed rond de barbecue op te ruimen. Zo voorkom je dat je kind ergens over struikelt en zich aan de barbecue verbrandt.

Brand

Een brand kan heel snel ontstaan en zich snel verspreiden. Het is verstandig een aantal dingen in huis te hebben, die je kunnen waarschuwen voor brand of die helpen een brand te bestrijden.

Buiten bereik

Je kunt zaken als lucifers en aanstekers het best buiten het bereik van je kind houden. Ook al lijkt het nog zo spannend en leuk, probeer je kind van jongs af aan uit te leggen dat spelen met vuur gevaarlijk is.

Brandwonden

Het kan gebeuren dat je kind zich brandt aan vuur of een kaars. Maar het gebeurt vaker dat een kind zich brandt aan hete voorwerpen of heet water. Brandwonden hebben verschillende gradaties. Het is erg belangrijk dat je een brandwond direct behandeld.

Rookmelders

Je kunt een aantal dingen aanschaffen die brand in huis kunnen voorkomen of helpen bestrijden. Eén van de belangrijkste daarvan is een rookmelder. Rookmelders alarmeren je al bij de minste hoeveelheid rook. Dit kan een hoop narigheid voorkomen, zeker als je slaapt. Sommige rookmelders (met CO-sensoren) waarschuwen ook voor koolmonoxide. Dit is een zeer giftig gas.

Rookmelders kun je het best ophangen in een ruimte met deuren. Meestal zijn dit gangen of overlopen.

Blusdeken

Een blusdeken is geschikt om over kleine brandjes te gooien en om personen in te wikkelen die in brand staan. Onder een blusdeken krijgt vuur geen zuurstof meer, waardoor het zal doven. Een blusdeken kun je bij een doe-het-zelfzaak of een bouwmarkt kopen.

Brandblusser

Een brandblusser is geschikt om kleine brandjes te blussen. Je kunt kiezen voor een poederblusser of een schuimblusser. Het is handig om van tevoren te lezen hoe je een brandblusser gebruikt. Ook een brandblusser is te koop bij een doe-het-zelfzaak of een bouwmarkt.

Vluchtplan

Kinderen hebben de neiging om zich te verstoppen bij een brand. Daarom kan het heel verstandig zijn een plan te maken voor als er brand uitbreekt in je huis. Betrek je kind hier ook bij, zodat hij weet wat hij wel en niet moet doen. Je kunt bijvoorbeeld vluchtroutes vastleggen in een zogenaamd vluchtplan.

Eerste hulp

Veel ongelukken met je kind gebeuren thuis. Dit kan variëren van een schaafwondje tot een derdegraads verbranding. Het is daarom verstandig dat je weet wat je moet doen als je kind of zijn vriendjes thuis iets overkomt.

Cursussen

Als je wilt weten hoe je moet handelen als je kind iets overkomt, kun je een EHBO-cursus volgen die speciaal op kinderen is gericht. Deze cursussen worden in bijna elke woonplaats gegeven door de EHBO-vereniging.

Wonden

Een kleine schaafwond is vaak te behandelen door hem goed schoon te maken en te ontsmetten. Maar het kan natuurlijk ook gebeuren dat je kind een diepere wond heeft, die misschien gehecht moet worden. Ga dan in ieder geval naar je huisarts.

Verbranding

Een brandwond kan variëren van een rode plek tot een verkoolde huid. Het is het belangrijkst dat de wond meteen wordt gekoeld.

Verdrinking

Je kind kan al verdrinken in een klein laagje water. Probeer je kind dus altijd goed in de gaten te houden wanneer hij bij of in het water speelt. Is je kind kopje onder gegaan en heeft hij water binnen gekregen, laat hem dan onderzoeken door je huisarts, ook al lijkt hij in orde.

Kneuzingen en botbreuken

Bij kneuzingen en verstuikingen kun je de wond allereerst goed koelen met stromend water of een zak ijsblokjes. Heeft je kind een botbreuk opgelopen, probeer dit lichaamsdeel dan zo min mogelijk te bewegen en ga direct met je kind naar je huisarts of het ziekenhuis.

Verstikking

Je kind kan zich ernstig verslikken of zelfs stikken. Bel bij vermoedens van verstikking altijd direct 112 en probeer je kind zo mogelijk te reanimeren.

Cursus EHBO

Ook al houd je je kind nog zo goed in de gaten, een ongeluk zit in een klein hoekje.

Eerste hulp

Bij een ongeluk wil je natuurlijk zo goed mogelijk handelen. Je kunt voor verschillende soorten letsel een EHBO-cursus volgen. Deze worden gegeven door de EHBO-vereniging. In elke woonplaats is er wel eentje te vinden. Er bestaat ook een speciale cursus voor eerste hulp aan kinderen.

Kneuzingen en breuken

Bij een val van bijvoorbeeld de trap kan je kind een kneuzing, verstuiking of zelfs een botbreuk oplopen.

Kneuzing

Een kneuzing (aan bijvoorbeeld de enkel) kun je herkennen aan

  • een zwelling (die ook later kan optreden);
  • pijn;
  • mogelijk bloeduitstortingen.

Een bloeduitstorting is een blauwe verkleuring van de huid. Een kneuzing kun je het beste verzorgen door allereerst te koelen met bijvoorbeeld een zak ijsklontjes. Je kunt ook koelen met water uit de kraan. Probeer het gekneusde lichaamsdeel altijd te ondersteunen.

Verstuiking

Een verstuiking is een overbelasting van de gewrichtsbanden. Je kunt een verstuiking hetzelfde verzorgen als een kneuzing.

Breuken

Als je kind een lichaamsdeel gebroken heeft, kun je dit op verschillende manieren herkennen.

  • De stand van het gebroken lichaamsdeel kan abnormaal zijn en er kunnen botdelen uit de huid steken.
  • Een botbreuk gaat vaak gepaard met veel pijn en een zwelling.
  • Soms is er weinig te zien, maar kan je kind niet meer op zijn been staan van de pijn.

Probeer het gebroken lichaamsdeel van je kind zo min mogelijk te bewegen. Ga vervolgens naar je huisarts of naar het ziekenhuis.

Niet alleen

Laat je kind niet alleen en zorg dat hij warm blijft. De pijn en bijvoorbeeld de kou kunnen ervoor zorgen dat je kind flauwvalt of in een shock raakt.

Cursus

Om goed te kunnen handelen bij een kneuzing, verstuiking of botbreuk, kun je een speciale cursus eerste hulp voor kinderen volgen. Deze cursus wordt gegeven door de EHBO-vereniging.

Wonden

Kinderen lopen al gauw een schaafwond of een snijwond op. Daarom is het belangrijk dat je weet hoe je dit soort wonden moet behandelen.

Schaafwond

Heeft je kind een oppervlakkige schaafwond, dan is het belangrijk dat je deze eerst goed schoonmaakt, om de kans op infectie te verkleinen. Je kunt de wond eerst met lauw water reiniging en daarna ontsmetten met betadine-jodium. Dat is jodium met een bruinrode kleur. Dat mag alleen als je kind niet overgevoelig is voor jodium. Laat de wond drogen aan de lucht. Een pleister is niet nodig.

Diepe snijwond

Glas kan diepe snijwonden veroorzaken. Kijk eerst of er geen pezen en spieren beschadigd zijn. Dit kun je controleren door je kind het betreffende lichaamsdeel te laten bewegen. Als dit niet goed lukt of de wond groter dan 2 centimeter is, is het raadzaam de wond te laten behandelen door je huisarts.

Huisarts

Voordat je naar je huisarts gaat, kun je het bloeden van de wond stelpen door de wond dicht te drukken met een gaasje. Leg hierna een (snel)verband aan. De huisarts zal bepalen of de wond gehecht moet worden of niet. Ook als je kind een bijtwond heeft, is het verstandig direct naar je huisarts te gaan. Zo kun je het risico op een infectie beperken.

Cursus

Om goed te kunnen handelen bij verschillende verwondingen, kun je ervoor kiezen om een speciale cursus eerste hulp aan kinderen te volgen. Deze cursus wordt gegeven door de EHBO-vereniging.

Verdrinking

Kleine kinderen kunnen al in een laagje van 5 centimeter water verdrinken. Zonder dat je het merkt.

Let op je kind

Kinderen die verdrinken, zakken onder water zonder te huilen of te spartelen. De meeste ongelukken gebeuren bij vijvers of vaarten vlak bij huis. Het is raadzaam je kind permanent in de gaten te houden als hij in de buurt van water speelt.

Direct eruit

Als je ontdekt dat je kind in het water ligt en misschien verdrinkt, haal hem dan direct uit het water. Als je kind in dieper water ligt, zoals een vaart, dan is het belangrijk dat je zelf goed kan zwemmen.

Deken

Is je kind eenmaal uit het water en bij bewustzijn, wikkel hem dan in een deken. Ga daarna met hem langs de huisarts, ook al is hij alleen kopje onder geweest.

Bewusteloos

Bel 112 als je kind bewusteloos is. Of vraag iemand om 112 te bellen. Je kind moet gereanimeerd worden. Reanimeren betekent beademen en krachtig drukken op de borstkas. Lukt de beademing niet goed, kijk dan in de mond of er iets in de weg zit. Maak de mond schoon. Leg je kind op de zij als je niet kunt reanimeren en er is ook niemand in de buurt die dat kan. Vocht kan dan makkelijk uit de mond lopen.

Cursus

Om goed te kunnen handelen bij een eventuele verdrinking van je kind, kun je ervoor kiezen een EHBO-cursus te volgen. Deze cursus wordt gegeven door de EHBO-vereniging.

Verstikking

Een kleine verslikking is niet zo erg. Als je kind nog kan hoesten en ademen en als er geen voorwerp vastzit in zijn keel, gaat een verslikking vanzelf over. Probeer het hoesten te blijven stimuleren totdat je kind weer normaal kan ademen.

Ernstig verslikken

Het kan zijn dat je kind niet kan hoesten en ademen. Dan zit er waarschijnlijk iets in de keel vast, wat de luchtwegen blokkeert. Dat kan levensbedreigend zijn. Bel direct 112 en laat je kind ondertussen vooroverbuigen. Geef vervolgens stoten met de hiel van de hand tussen de schouderbladen van je kind, terwijl je met je andere hand de borstkas van je kind ondersteunt. Schud je kind liever niet heen en weer!

Reanimeren

Als je kind niet meer reageert, reanimeer hem zo mogelijk dan meteen. Kun je dit niet zelf, probeer er dan iemand bij te halen die dit wel kan.

Cursus

Leren hoe je je kind of iemand anders moet reanimeren, kan levens reden. Om goed te kunnen handelen bij een ernstige verslikking of verstikking van je kind, kun je ervoor kiezen een speciale cursus eerste hulp voor kinderen te volgen. Deze cursus wordt gegeven door de EHBO-vereniging.

Verbranding

Ook al let je nog zo goed op, je kind kan hete thee of heet water over zich heen krijgen. Het is dan belangrijk dat je weet wat je moet doen. Brandwonden hebben namelijk verschillende gradaties.

Lauw, zacht stromend water

In alle gevallen geldt dat je de verbrande plek minstens 10 minuten onder lauw, zacht stromend water houdt. Zorg dat de kraan niet hard aan staat. Een harde straal kan extra pijn doen op de brandwond.

Eerstegraads brandwonden

Eerstegraads brandwonden herken je aan een rode huid die licht gezwollen is en pijnlijk is. De wond moet je direct koelen met stromend lauw warm water. Het is het beste om dit in ieder geval 10 minuten vol te houden. Dek de wond daarna steriel af, bij voorkeur met metallineverband.

Tweedegraads brandwonden

Tweedegraads brandwonden kun je herkennen aan een rode huid die licht gezwollen is en blaren heeft. Koel een tweedegraads brandwond ook direct met stromend lauw warm water en houd dat in ieder geval 10 minuten vol. Dek de wond daarna steriel af, bij voorkeur met metallineverband.

Derdegraads brandwonden

Derdegraads brandwonden zijn het ernstigst. Je herkent een derdegraads brandwond aan een grauwwitte of verkoolde huid. Als er kledingstukken aan de brandwond kleven, probeer deze dan niet te verwijderen, maar houd ze nat. Koel ook deze brandwond met stromend lauw warm water. Dek de brandwond steriel af. Als je kind een derdegraads brandwond heeft, moet je altijd de huisarts raadplegen.

Wat doe je niet?

  • Houd alleen de brandwond onder de kraan en bijvoorbeeld niet zijn hele arm. Anders krijgt je kind het te koud. Houd voor de zekerheid een deken bij de hand.
  • Trek je kind nooit zijn kleertjes uit. Je kunt zijn huid dan nog meer beschadigen.
  • Trek wel de luier meteen uit! Want die houdt hete vloeistoffen juist vast.
  • Laat de blaren heel. Als je ze kapot prikt, vergroot dat de kans op infectie.
  • Smeer nooit zelf iets op een brandwond. Dan heb je kans op een infectie.

Huisarts

Is de huid van je kind voor een groot deel rood? Of heeft je kind blaren of een kapotte huid? Bel dan meteen je huisarts. Maar ook als je twijfelt over de mate van verbranding, neem dan ook gerust contact op met je huisarts. Probeer je kind dan zittend te vervoeren. Dek de brandwond af met een schone, droge, loszittende doek of een steriel gaasje. Geef je kind geen eten of drinken als je naar het ziekenhuis gaat.

Om in het vervolg goed te kunnen handelen bij brandwonden, kun je een EHBO-cursus volgen.

Vergiftiging

Ook al berg je de schoonmaakmiddelen goed op, heb je geen giftige planten in huis of in de tuin, dan nog kan het gebeuren dat je kind iets eet of drinkt dat giftig is.

De symptomen

De symptomen van een vergiftiging kunnen heel verschillend zijn, afhankelijk van wat je kind heeft binnengekregen. Soms krijgt je kind blaren op de lippen of heeft plotseling last van hevige pijn in bijvoorbeeld de buikstreek.

Gifwijzer

Als je weet wat je kind heeft binnengekregen, kun je dit opzoeken op de Gifwijzer. De Gifwijzer kun je bij elke apotheek kopen en is zeker belangrijk om in huis te hebben zodat je weet wat je als eerste moet doen bij vergiftiging.

Bijtend gif

Wanneer je weet dat je kind bijtend gif (bijvoorbeeld gootsteenontstopper of ammonia) heeft binnengekregen, mag je hem niet laten overgeven. De reden is dat het bijtende gif dan voor de tweede keer langs zijn slokdarm komt en nog meer schade aanricht.

Het is beter om eerst de mond van je kind te spoelen met water. Laat hem daarna een halve tot een heel glas water drinken. Ga daarna altijd met je kind naar de huisarts en neem als het kan, de verpakking mee van de giftige stof. Is je kind niet meer bij bewustzijn, bel dan direct 112.

Niet-bijtend gif

Wanneer je zeker weet dat je kind niet-bijtend gif (bijvoorbeeld een wc-blokje of muizengif) heeft binnengekregen, laat hem dan juist wel overgeven. Dit voorkomt dat er nog meer van de giftige stof wordt opgenomen in zijn lichaam. Lukt het niet om hem zelf te laten overgeven? Dan kun je proberen je vingers achter in zijn keel te bewegen.

Laat je kind niet drinken, hierdoor wordt de giftige stof verdund en sneller in het lichaam opgenomen. Ga altijd naar de huisarts en neem als het kan, de verpakking mee van de giftige stof. Is je kind niet meer bij bewustzijn, bel dan direct 112.

De huid

Je kind kan ook vergiftiging via de huid oplopen. Wanneer dit gebeurt moet je het desbetreffende lichaamsdeel direct onder stromend lauwwarm water houden. Breng je kind daarna zo snel mogelijk naar de huisarts.

Inademen

Door het inademen van giftige dampen kan je kind vergiftigd worden. Als je het vermoeden hebt dat je kind een giftige stof heeft ingeademd, zorg dan eerst voor frisse lucht. Ga daarna naar met je kind naar de huisarts. Is je kind niet meer bij bewustzijn probeer hem dan te beademen. Kun je dit niet, bel dan onmiddellijk 112.

Relaties

De meeste kinderen groeien op in een gezin. Vroeger bestond het gezin meestal uit een vader en moeder met broertjes en/of zusjes. Maar tegenwoordig kennen we ook gezinnen met bijvoorbeeld gescheiden ouders, alleenstaande ouders, pleegouders en homoseksuele ouders.

Waardevolle basis

Hoe je gezin ook is samengesteld: het blijft een belangrijke thuishaven voor je kind. Dé plek waar hij moet kunnen rekenen op veiligheid, liefdevolle aandacht, zorg en respect. Hier leert je kind met relaties om te gaan en legt hij de basis voor zijn verdere leven.

Advies en informatie

Op de volgende pagina's vind je informatie over gezinssamenstelling, scheiding, overlijden en samenlevingsvormen. Natuurlijk kun je voor meer informatie en ondersteuning altijd terecht bij het Centrum voor Jeugd en Gezin bij jou in de buurt.

Gezinssituatie

Volgens de overheid is een gezin een leefverband van één of meer volwassenen die verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en de opvoeding van één of meer kinderen.

Volgens deze definitie zijn er veel verschillende gezinssamenstellingen mogelijk. Bijvoorbeeld gezinnen met een vader en een moeder, maar ook gezinnen met 2 vaders, of 2 moeders. Daarnaast zijn er ook nog adoptieouders, pleegouders, stiefouders, jonge ouders, co-ouders en alleenstaande ouders.

Bijzondere gezinssituatie

Behalve gezinssamenstellingen zijn er ook situaties die maken dat je een bijzondere gezinssituatie hebt. Bijvoorbeeld een groot gezin, een samengesteld gezin, een multicultureel gezin, en een multiprobleemgezin. Ook als je als ouder een verstandelijke beperking hebt of een psychische aandoening, kun je spreken van een bijzondere gezinssituatie.

Wat de gezinssamenstelling of de gezinssituatie ook is, het belangrijkste is dat je samen gelukkig bent en goed voor elkaar zorgt.

Alleenstaande ouders

Als je er als ouder alleen voor staat, is het misschien niet makkelijk om voor je kind(eren) te zorgen. Zeker als je een scheiding hebt doorgemaakt, of als je je partner hebt verloren. Maar het kan natuurlijk ook zijn dat alleenstaand ouderschap een bewuste keuze was.

Werk en inkomen

Alleen je kind opvoeden kan lastig zijn als je de zorg voor je kind moet combineren met je werk of je studie. Als je geen werk hebt, kom je misschien in de bijstand terecht. Je moet dan leven van een bestaansminimum. Daarom is het bijna altijd beter om een goede opleiding te volgen en een leuke baan te zoeken.

Ontheffing arbeidsplicht

Je kunt ontheffing van de arbeidsplicht krijgen om voor je kind te zorgen. Maar als je kind jonger is dan 5, heb je wel scholingsplicht. Je kunt overigens maar eenmalig voor maximaal 6 jaar ontheffing van arbeidsverplichting aanvragen. Ook al krijg je er meer kinderen bij in de tijd voordat je kind 5 wordt.

Kinderalimentatie

Als je gescheiden bent en je kind bij jou woont, dan zul je ook alimentatie ontvangen van je ex-partner. Op die manier deel je in de kosten voor de zorg van je kind.

Alleenstaande ouderkorting

Als alleenstaande ouder heb je onder voorwaarden recht op alleenstaande ouderkorting. Deze korting op de inkomstenbelasting kun je krijgen als je je kind in belangrijke mate zelf onderhoudt en geen partner hebt.

Een nieuwe partner

Misschien ben je op zoek naar een nieuwe partner, of heb je inmiddels een nieuwe partner. Dit heeft natuurlijk gevolgen voor je gezin. Je nieuwe partner wordt dan niet ineens wettelijk stiefouder, maar krijgt in de praktijk vaak wel de rol van stiefouder van je kind. De situatie zal zeker veranderen als je nieuwe partner ook kinderen heeft. Als je bij elkaar intrekt, ontstaat er een samengesteld gezin.

Co-ouders

Co-ouderschap is een manier waarop je samen de zorg voor je kind(eren) voortzet, bijvoorbeeld na een scheiding.

Gezamenlijk gezag

Een scheiding heeft juridisch gezien in principe geen gevolgen voor de relatie met de kinderen. Beide ouders behouden hun ouderlijk gezag na de scheiding. Beide ouders blijven dus ook onderhoudsplichtig aan hun kind, tot het kind 21 jaar is geworden.

Onderhoudsplicht

Als je kiest voor het co-ouderschap, vul je samen de onderhoudsplicht in. Co-ouders delen zo veel mogelijk de zorg en opvoeding van hun kinderen. Je bent vanaf het moment van de scheiding wettelijk gezien allebei een alleenstaande ouder, maar als je kiest voor een co-ouderschap blijf je samen voor je kind zorgen.

Samen afspraken maken

Bij scheidingen die niet goed verlopen en waarbij de partners veel ruzie hebben, is het meestal onmogelijk om een goede relatie te behouden en samen zorg te dragen voor de kinderen. Het co-ouderschap vereist een stabiele basis. Het is belangrijk dat je met elkaar kunt praten, dat je dicht bij elkaar woont, dat je goede afspraken maakt en dat je het belang van je kinderen voorop stelt. Deze afspraken kun je eventueel op papier laten vastleggen bij de notaris.

Ouderschapsplan

Sinds maart 2009 moeten alle ouders met minderjarige kinderen die een scheiding aanvragen ook een ouderschapsplan indienen. In het ouderschapsplan moeten in ieder geval afspraken staan over de zorgverdeling en omgangsafspraken, over informatie-uitwisseling tussen de ouders en over de kinderalimentatie.

Meerouderschap

Meerouderschap is een vorm van co-ouderschap en houdt in dat je als het ware een kind deelt met een ander stel of een ander persoon. Als co-ouders draag je samen de zorg voor het kind. Dit wordt bijvoorbeeld veel gedaan door homoseksuele stellen.

Multiculturele gezinnen

Als je je kind opvoedt vanuit 2 culturen, probeer je beide culturen te combineren. Je verdiept je in de cultuur van je partner en natuurlijk andersom ook. Toch blijft je eigen cultuur misschien het meest vertrouwd.

2 Culturen

Verschil zit soms al in de kleinste dingen. Bijvoorbeeld wat je je kind te eten geeft, wat je doet als je kind huilt en hoe laat je je kind naar bed brengt. Je partner kan vanuit zijn eigen cultuur daar een andere mening over hebben. Daarom is het belangrijk dat je goed overlegt hoe je je kind opvoedt en waarom je dat op die manier wilt doen.

Behalve binnen je eigen gezin, heb je ook te maken met de cultuur van je ouders en van je schoonouders. Zij zullen misschien minder begrip voor je hebben als je iets doet op je eigen manier of op de manier van je partner.

2 Religies

Als je binnen je gezin te maken hebt met 2 verschillende religies, dan is het belangrijk om elkaars geloof te respecteren en om je daar in te verdiepen. Natuurlijk hoef je je niet tot het geloof van je partner te bekeren. Het is wel raadzaam om goede afspraken te maken over je kind en met welk geloof hij eventueel opgevoed wordt.

2 Talen

Misschien spreken jij en je partner een verschillende moedertaal. Je kunt er dan voor kiezen om je kind tweetalig op te voeden. Op die manier zal je kind goed in staat zijn om te communiceren met de familie aan beide kanten. Als je je kind Nederlands-Engels opvoedt, zou je je kind later ook naar een tweetalige school kunnen laten gaan.

Homoseksuele ouders

Onze samenleving is vooral gericht op heteroseksuele ouders. Dat komt het meeste voor en wordt door de meeste mensen als 'normaal' beschouwd. De biologische ouder wordt vaak als de echte ouder gezien. Maar ook adoptieouders, pleegouders, stiefouders en homoseksuele en lesbische ouders zijn echte ouders!

In elk gezin gaat het erom dat je de zorg en opvoeding van je kinderen voorop stelt. Ook al gaat het om een bijzondere gezinssituatie.

Kinderen en hun omgeving

Jonge kinderen ervaren de situatie dat ze 2 vaders of 2 moeders hebben meestal als normaal. Ze zijn niet anders gewend. Maar als je kind ouder wordt, kan hij vragen gaan stellen of krijgt hij misschien vragen van nieuwsgierige vriendjes en vriendinnetjes. Sommige pubers zijn misschien bang dat ze door de groep uitgelachen, buitengesloten, of gepest zullen worden. Meestal zijn er geen problemen

Openheid en uitleg

Het is beter dat je je niet afsluit voor je omgeving, maar dat je open bent en ook bereid bent om uitleg te geven. Als je bijvoorbeeld straks op de basisschool merkt dat vriendjes en vriendinnetjes van je kind vragen beginnen te stellen, kun je aan de meester of juf van je kind voorstellen om in de klas uitleg over jullie gezinssituatie te geven.

Grote gezinnen

Vroeger kwamen grote gezinnen meer voor dan nu. Er waren soms zelfs ouders die meer dan 10 kinderen hadden. Sindsdien is er een hoop veranderd en noemen we een gezin met 4 kinderen al 'groot'.

Tweelingen

Misschien wilde je altijd al graag een groot gezin hebben. Dat kan. Maar het kan ook zijn dat je het van te voren niet had gedacht dat je een groot gezin zou hebben. Als je een bijvoorbeeld een tweeling krijgt, breidt je gezin meteen al aardig uit. Vooral als het je2e of 3e zwangerschap is.

Een groot gezin is gezellig

Een groot gezin is gezellig en leuk, maar ook vol en druk. Als ouder is het misschien lastig om je aandacht en zorg te verdelen over al je kinderen. Dat vergt een hoop van jezelf. Vooral omdat je ook je werk en het huishouden met de zorg voor je kinderen moet combineren. Dat is misschien druk, maar niet onmogelijk. Je kunt bijvoorbeeld elk kind als ze wat ouder worden zijn eigen huishoudelijke klusjes geven.

Kinderen kosten geld

Een groot gezin kost veel. Het meeste geld gaat op aan huisvesting en voeding. De rest vooral aan kleding, ontspanning, gezondheid en onderwijs. Hoe groter je gezin, hoe belangrijker het is dat je je kinderen financieel kunt ondersteunen.

Samengestelde gezinnen

Als je een relatie met elkaar aangaat en je neemt allebei kinderen mee uit een vorige relatie, dan heb je een samengesteld gezin. Deze gezinnen zijn vaak groot, en dat brengt natuurlijk een behoorlijke organisatie met zich mee.

Familie

De kinderen hebben ineens meer familie dan voorheen. Er zal waarschijnlijk ook een omgangsregeling zijn voor de kinderen met je eigen ex en ook met de ex van je partner. Dit kan soms een beetje ingewikkeld worden. Een goede omgang met de ex-partners, is natuurlijk belangrijk voor de zorg en de opvoeding van de kinderen.

Ouderlijk gezag

Je bent niet automatisch de wettelijke ouder van de kinderen van je partner. Ook niet als je trouwt. Je kunt alleen het ouderlijk gezag krijgen over de kinderen van je partner, als je kiest voor stiefouderadoptie. Zowel de kinderen, als je partner en de ex van je partner moeten het hier allemaal mee eens zijn.

Als je getrouwd bent met je nieuwe partner (of een geregistreerd partnerschap aangaat) en jullie krijgen samen een kind, dan hebben jullie wel meteen gezamenlijk gezag over je kind. Is dat niet zo dan moet je partner het kind eerst erkennen. Daarna kan het gezamenlijk gezag via de rechtbank worden geregistreerd in het gezagsregister.

Juridisch vastleggen

Als je een relatie met elkaar aangaat, waarbij ook kinderen zijn betrokken, is het verstandig om een duidelijke vorm van samenleven te kiezen. Zeker als je ook eigendommen deelt, zoals een woning. Als je met elkaar trouwt, is het verstandig om ook na te denken over de huwelijkse voorwaarden. Misschien wil je een testament opmaken, zodat je stiefkinderen ook iets van je kunnen erven.

Stiefouders

Als je een relatie aangaat met iemand die kinderen meeneemt uit een vorige relatie, dan krijg je in de praktijk meestal de rol van stiefouder als jullie relatie steeds meer een serieuze vorm krijgt. Je zult dan ook meer betrokken raken bij de kinderen van je partner.

Acceptatie

Misschien vinden de kinderen het moeilijk om jou te accepteren als stiefouder. Het is niet zo dat je de plaats in neemt van hun vader of moeder. Je hebt in feite ook weinig zeggenschap over de kinderen van je partner. Natuurlijk kun je wel je best doen om je partner te helpen bij de zorg en opvoeding van zijn kinderen. Het is belangrijk dat je dit soort kwesties met elkaar bespreekt. Ook wanneer je merkt dat de kinderen moeite hebben om jou als stiefouder te accepteren. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat de kinderen zich tegen je keren.

Familie

In je relatie heb je meestal ook te maken met de ex van je partner. De kinderen hebben het volste recht om hun ouders te zien en ook met hun familie om te gaan. Het kan soms lastig zijn om een goede band te onderhouden met de ex-partner en de familie. Toch is het in veel situaties belangrijk voor de kinderen.

Als er geen contact meer is met de ex van je partner, of als deze is overleden, dan kun je overwegen om je stiefkinderen te adopteren.

Stiefouderadoptie

In principe zijn je stiefkinderen niet je echte kinderen. Je hebt niet het ouderlijk gezag over hen, ook niet als je met je partner trouwt. Als je wel het ouderlijk gezag over je stiefkinderen wilt krijgen, dan is er de mogelijkheid tot adoptie van je stiefkind. Dit heet stiefouderadoptie. De rechter zal daarbij altijd rekening houden met de mening van het kind. Vanaf 12 jaar is de instemming van het kind nodig voor de stiefouderadoptie. Ook de ex van je partner moet met de stiefouderadoptie instemmen.

Jonge ouders

Het kan gebeuren dat je al op jonge leeftijd moeder of vader wordt. Misschien was dit een bewuste keuze. Maar het kan ook zijn dat het (nog) niet de bedoeling was.

Werk en studie

Het is lastig om het ouderschap te combineren met je werk of studie. Zeker wanneer je er alleen voor staat, is het lastig om goed voor je kind te zorgen. In Nederland zijn veel instellingen die je kunnen informeren en helpen bij de zorg en opvoeding van je kind. De FIOM heeft een website speciaal voor tienermoeders en tienervaders ontwikkeld.

Zelfstandig wonen

Als je nog met je kind bij je ouders woont, kun je via de woningstichting waarschijnlijk urgentie aanvragen. Je krijgt dan voorrang op alle andere woningzoekers. Via de Belastingdienst Toeslagen kun je vervolgens huurtoeslag aanvragen.

Samenwonen of trouwen?

Misschien sta je er niet alleen voor, maar zorg je samen met je vriend of vriendin voor jullie kind. Dan is het goed om ook eens na te denken over de verschillende juridische samenlevingsvormen die er zijn. Je kunt bijvoorbeeld gaan samenwonen en een samenlevingscontract opstellen. En je kunt eventueel ook trouwen (ook als minderjarige). Denk hier van te voren goed over na en maak geen overhaaste beslissingen, omdat anderen dat van je verwachten. Trouwen kan later ook nog wel.

Adoptieouders

Als je zelf geen kinderen kunt krijgen en je wilt toch graag je kinderwens in vervulling laten gaan, is adoptie een mogelijkheid om dat te doen. Op die manier kun je een kind, dat waarschijnlijk uit een kansarme situatie komt, een beter leven geven.

Sinds 1 januari 2009 kunnen stellen van gelijk geslacht (man en man of vrouw en vrouw) onder voorwaarden ook een kind adopteren.

Adoptie

Veel kinderen worden geadopteerd als ze baby zijn en passen zich meestal makkelijk aan hun nieuwe situatie aan. Buitenlandse adoptiekinderen die iets ouder zijn moeten vaak erg wennen aan hun nieuwe situatie. Vooral als ze in hun nog korte verleden al aardig wat hebben meegemaakt, zoals verwaarlozing en verzwakking door honger en armoede. Na de adoptie kan een kind daardoor problemen vertonen.

Ondersteuning

Ouders worden van te voren ingelicht over de emotionele ontwikkeling van hun adoptiekind. De voorgeschiedenis van een kind kan immers veel invloed hebben. Het is belangrijk dat het kind een goede relatie vormt met zijn adoptieouders. Als je merkt dat er iets niet goed zit en dat je kind problemen vertoont, is het verstandig om steun of hulp in te schakelen.

Probleemgedrag

Als er problemen ontstaan uiten die zich meestal in het gedrag van je kind. Je kind wil bijvoorbeeld niet aangeraakt worden, of is juist heel erg aanhalig. Het kan ook zijn dat je kind niet goed leert, niet goed overweg kan met klasgenootjes en misschien zelfs agressie toont. Als je kind ouder wordt, kunnen deze problemen groter worden.Voor steun of hulp hierbij kan je altijd naar het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) gaan. Het kan ook prettig zijn om contact te hebben met ouders in dezelfde situatie. Er zijn verenigingen voor adoptieouders.

Discriminatie

Een probleem van een andere aard is discriminatie. Als je een kind uit het buitenland hebt geadopteerd, dan kan het gebeuren dat klasgenootjes hem gaan pesten vanwege zijn huidskleur en afkomst.

Pleegouders

Pleegouders zijn mensen die voor korte of langere tijd een kind in huis opnemen dat niet thuis kan wonen.

Bureau Jeugdzorg

Voordat een kind bij pleegouders wordt geplaatst, moet de kinderrechter een uithuisplaatsing uitspreken, meestal op verzoek van Bureau Jeugdzorg. Op basis van gesprekken en onderzoek wordt bepaald of het kind in een pleeggezin komt en voor hoe lang. Daarna wordt er een geschikt gezin uitgezocht en zal de kennismaking plaatsvinden.

Pleegzorg in Nederland

Via de stichting Pleegzorg Nederland kun je veel te weten komen over het pleegouderschap en de zorg voor pleegkinderen. Elke regio heeft zijn eigen pleegzorginstelling die regelt dat pleegkinderen geplaatst worden bij pleegouders. Je kunt je bij hen opgeven als je pleegouder zou willen worden.

Introductieprogramma

Bij de pleegzorginstelling volg je eerst een introductieprogramma. Aan de hand daarvan weet je of je inderdaad pleegouder wilt worden en kan de instelling voor pleegzorg inschatten of je daarvoor geschikt bent. Wil je pleegouder worden en zijn er geen bezwaren, dan kom je in het bestand van beschikbare pleegouders. Je kunt dan kiezen voor bepaalde vormen van pleegzorg, namelijk kortdurende, deeltijd- en langdurige pleegzorg.

Kortdurende pleegzorg

Soms gaat het maar om een korte periode waarin pleegzorg nodig is. Die periode is genoeg om ervoor te zorgen dat de problemen thuis worden opgelost. Het doel van deze vorm is dat het kind weer terug naar huis gaat. Deze vormen van pleegzorg heten crisispleegzorg, pleegzorg ter overbrugging of pleegzorg ter observatie.

Deeltijdpleegzorg

Sommige kinderen wonen thuis, maar gaan ook regelmatig naar hun pleegouders. Bijvoorbeeld in de weekenden en in de vakanties. Dit heet vakantiepleegzorg, weekendpleegzorg en ondersteunende pleegzorg.

Langdurige pleegzorg

Wanneer het kind niet zo makkelijk naar huis kan, vanwege grote problemen thuis, dan kan het zijn dat het kind voor langere tijd bij zijn pleegouders verblijft. Dit kan in principe duren totdat het kind 18 is geworden. Maar het kan ook nog langer duren dan dat.

Ouders met een verstandelijke beperking

Als je als ouder een verstandelijke beperking hebt, vind je het misschien moeilijk om je kind goed op te voeden. Er zijn verschillende vormen van begeleiding om je te helpen. Als je veel steun krijgt van je ouders en familie, heb je waarschijnlijk minder professionele begeleiding nodig.

Professionele begeleiding

Professionele begeleiding bestaat vaak uit gezinsondersteuning en begeleiding bij zelfstandig wonen. Eventueel kan er ook pedagogische gezinsbegeleiding zijn. Dat is begeleiding bij het opvoeden. De begeleiding is altijd op maat, naar de behoefte van jou als ouder en je gezinssituatie.

Opvoeding van de kinderen

Als je een verstandelijke beperking hebt, word je zo veel mogelijk ondersteund bij de opvoeding van je kind. Dit gebeurt meestal thuis. De begeleider besteedt aandacht aan de ontwikkeling van je kind, maar ook aan hoe het met jou gaat. Als je kind ook een verstandelijke beperking heeft, dan zal daar ook aandacht voor zijn.

Woonbegeleiding

Misschien wil je graag een eigen huis hebben en zelf je huishouden runnen. Dat kan geregeld worden met woonbegeleiding. De begeleiding helpt je bij het plannen en organiseren van dagelijkse zaken. Bijvoorbeeld met het betalen van de huur en het contact met de buren.

Psychische en verslavingsproblemen

Je wilt als ouder het beste voor je kind. Maar als je als ouder psychische of verslavingsproblemen hebt, valt opvoeden soms niet mee.

Het is bekend dat kinderen van ouders met psychische of verslavingsproblemen zelf vaak problemen krijgen zoals gedragsproblemen en psychische problemen. Het goede nieuws is dat je daar als ouder iets aan kunt doen!

KopOpOuders

Als je zelf, of je partner, last hebt van psychische of verslavingsproblemen kan je een online opvoedcursus volgen van KopOpOuders. Daar kan je ook informatie en advies krijgen en met andere ouders praten op het forum. Natuurlijk kan je ook in de plaats waar je woont steun zoeken bij het CJG of een instelling voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Sommige instellingen bieden lokaal een opvoedcursus voor ouders met psychische of verslavingsproblemen.

Lotgenotengroepen voor kinderen

Je kind kan ook naar een eigen KOPP of KVO groep. KOPP staat voor kinderen van ouders met psychische problemen en KVO voor kinderen van ouders met verslavingsproblemen. Tijdens deze bijeenkomsten ontmoeten kinderen elkaar en kunnen ze hun ervaringen delen. Zo leren ze de situatie beter te begrijpen en daarnaast wordt er natuurlijk ook aandacht besteed aan het oplossen van de problemen die ontstaan zijn door de situatie thuis.

Multiprobleemgezinnen

Ieder gezin heeft wel eens problemen. Maar het is ook mogelijk dat je wel heel veel problemen hebt, dan heb je waarschijnlijk veel hulp nodig om er uit te komen.

Veel problemen

Je kunt op veel gebieden problemen hebben: te weinig geld, een slecht huis, het opvoeden van je kinderen gaat lastig, vaak ruzie met je partner, je voelt je somber. Het kan je veel te veel worden. Als je verschillende problemen tegelijk hebt, en al lang, kom je er alleen niet uit.

Waar kun je terecht?

Zorg voor steun in je omgeving. Maar als je veel problemen hebt is dat niet genoeg. Neem contact op met het Centrum voor Jeugd en Gezin, je huisarts of het maatschappelijk werk.

Welke hulp?

Je hebt meer nodig dan alleen een hulpverlener die met je praat. Je hebt mensen nodig die je praktische steun geven en helpen om je problemen op te lossen. Bijvoorbeeld iemand die je helpt met het aanvragen van bijzondere bijstand, schuldsanering, een beter huis. En iemand die je thuis helpt bij het opvoeden. Het hangt er natuurlijk van af van wat jij aan hulp nodig hebt.

Beter samenwerken

Er is veel hulp mogelijk en er zijn veel instanties die hulp bieden. Dat is goed, maar ook vaak lastig. Soms werken hulpverleners niet goed samen. Het is dan heel fijn als je een hulpverlener hebt, bijvoorbeeld een gezinscoach, die zorgt dat de hulpverleners beter samenwerken.

Een broertje of zusje

Als er een baby op komst is, is het verstandig om je peuter bij de zwangerschap te betrekken en hem goed voor te bereiden op de komst van zijn nieuwe broertje of zusje. Niet elk kind zal immers enthousiast reageren als hij merkt dat de aandacht van zijn ouders naar de nieuwe baby uitgaat.

Wanneer vertel je het?

Vertel je kind niet te vroeg dat je zwanger bent. Hoe jonger je kind, hoe langer je er eigenlijk mee kunt wachten. Wacht in ieder geval tot je al 3 maanden in verwachting bent. De eerste 3 maanden is de periode waarin het risico op een miskraam het grootst is. Als je inmiddels een paar maanden zwanger bent, dan is het definitief dat de nieuwe baby komt. Na verloop van tijd merkt je kind misschien dat je buik groeit. Vertel je kind wat er gebeurt, ook al ziet of merkt je kind het misschien niet.

Hoe betrek je je kind bij de komst van de nieuwe baby?

Elk kind reageert anders op de komst van een nieuwe baby.

  • Laat je kind geleidelijk wennen aan het idee dat hij een broertje of een zusje krijgt.
  • Je kunt hem bijvoorbeeld meenemen naar de verloskundige, je buik laten voelen en de echo laten zien.
  • Je kunt ook samen de kinderkamer gaan inrichten. Bijvoorbeeld bij het uitzoeken van behang, een kastje en babykleding.

Hoe kan dat, een baby in mama's buik?

Wanneer je kind nog jong is, is hij misschien heel nieuwsgierig hoe de baby in je buik komt en wanneer de baby eruit komt.

  • Het is belangrijk om open te praten over hoe het kindje in je buik komt.
  • Natuurlijk is het belangrijk om je kind te vertellen over de groei van de baby en wanneer de baby geboren gaat worden.
  • Een leuke tip is bijvoorbeeld om een voorleesboekje te kopen over een nieuw broertje of zusje.

Minder aandacht en tijd

Soms is je oudste kind boos op je. Jij hebt nu minder aandacht en tijd voor hem. Doe daarom af en toe iets met je oudste kind alleen. Zo weet hij dat je hem ook nog steeds heel belangrijk vindt. Laat je oudste kind ook gewoon naar het kinderdagverblijf of de peuterspeelzaal gaan. Dat is vertrouwd en prettig voor je kind. En jij hebt wat meer tijd voor jezelf en de baby.

Samenlevingsvormen

Wanneer je in een relatie echt voor elkaar kiest kun je trouwen, een samenlevingscontract of een geregistreerd partnerschap met elkaar aangaan. Tussen deze vormen van verbintenissen zijn een aantal duidelijke verschillen aanwezig met betrekking tot de rechten en plichten die je naar elkaar hebt en bij het krijgen van kinderen.

Rechten en plichten

Een samenlevingscontract kent minder rechten en plichten dan een huwelijk en een geregistreerd partnerschap. Daarom moeten er goede afspraken gemaakt worden over het samenleven. Een huwelijk kent natuurlijk de meeste rechten en plichten. Er is bijvoorbeeld een onderhoudsplicht en vaak ook gemeenschap van goederen.

Kinderen

Bij kinderen is altijd van belang dat er 'familierechtelijke betrekkingen' bestaan. Als er tussen ouders en kind familierechtelijke betrekkingen bestaan, dan heeft dat gevolgen voor onder andere de achternaam van het kind, het gezag, het omgangsrecht, de nationaliteit en het erfrecht.

Zijn een man en een vrouw gehuwd en wordt er in dit huwelijk een kind geboren? Dan zijn zij automatisch de ouders van dit kind. Dit is niet automatisch zo bij ouders die een geregistreerd partnerschap hebben of van gelijk geslacht zijn. En dat is ook niet automatisch zo bij een samenlevingscontract.

Samenlevingscontract

Door te gaan samenwonen regel je nog niet meteen de bekostiging van je gezamenlijke huishouden. In een samenlevingscontract kan dit, en nog veel meer, officieel vastgelegd worden.

Andere manieren om je gezamenlijke huishouden officieel vast te leggen zijn trouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan.

Wonen

Over het samenwonen kun je in een samenlevingscontract duidelijke afspraken maken. Bijvoorbeeld over het samen huren van een woning. Wanneer je samen een woning koopt, maak dan goede afspraken over de financiering van het huis en wat er gebeurt bij een eventuele scheiding.

Geldzaken

Het voeren van een gezamenlijke huishouding brengt veel kosten met zich mee. In een samenlevingscontract wordt beschreven waaruit deze kosten precies bestaan en hoeveel kosten ieder voor zijn eigen rekening neemt. Hierbij wordt er rekening gehouden met het netto-inkomen van jezelf en het netto-inkomen van je partner.

Kinderen

Wanneer jullie een kind krijgen, dan heeft de moeder automatisch een familierechtelijke betrekking tot haar kind. In een relatie tussen een vrouw en een man moet de vader zijn kind erkennen bij de notaris of bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Daarna moet hij officieel nog het ouderlijk gezag aanvragen bij de rechter. Voor beide procedures heeft hij altijd de toestemming nodig van de moeder van het kind.

2 vaders of 2 moeders?

Als een lesbisch stel een kind krijgt en de partner van de moeder wil het kind adopteren, kan zij een adoptieverzoek indienen bij de rechtbank. Als een homopaar een kind uit het buitenland heeft geadopteerd, kan de partner van de adoptieouder het kind na een jaar ook adopteren als zij het kind in dat jaar samen hebben verzorgd en opgevoed.

Scheiding en overlijden

Het samenlevingscontract eindigt als de relatie wordt beëindigd of als één van jullie overlijdt. Het is verstandig om van te voren een testament te maken, zodat je van elkaar erft. Ook is verstandig in het samenlevingscontract afspraken te maken over hoe de relatie beëindigd wordt. En wat vervolgens beide partners toekomt. Ook al hoop je natuurlijk dat dit niet zal gebeuren.

Trouwen

Voor veel mensen is hun trouwdag de mooiste dag van hun leven. Want als je gaat trouwen met de persoon van wie je houdt, is dat natuurlijk een feestje waard!

Andere manieren om je gezamenlijke huishouden officieel vast te leggen zijn een samenlevingscontract of een geregistreerd partnerschap aangaan.

Formaliteiten

Nadat jullie samen hebben besloten om te gaan trouwen, doe je hiervan aangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Als jullie willen trouwen op huwelijkse voorwaarden, is het van belang om van te voren contact op te nemen met de notaris. Als je dit niet doet, trouwen jullie in gemeenschap van goederen. Dit betekent dat alle schulden of eigendommen gedeeld worden.

Na het huwelijk zijn jullie officieel voor de wet: man en vrouw, man en man, of vrouw en vrouw. Dit betekent dat je naar elkaar een aantal rechten en plichten hebt. Hieronder vallen bijvoorbeeld het erfrecht, het successierecht en de onderhoudsplicht.

Kinderen

Als jullie als man en vrouw getrouwd zijn en een kind krijgen, dan ben je allebei automatisch de wettelijke ouders van het kind. Bij alle andere vormen van samenleven, ben je dat niet en moet de vader officieel het kind erkennen. Vervolgens moet hij het ouderlijk gezag aanvragen bij de rechter.

2 vaders of 2 moeders?

Als een lesbisch stel een kind krijgt en de partner van de moeder wil het kind adopteren, dan kan zij een adoptieverzoek indienen bij de rechtbank. Als een homopaar een kind uit het buitenland heeft geadopteerd, kan de partner van de adoptieouder het kind ook adopteren als zij het kind in dat jaar samen hebben verzorgd en opgevoed.

De familierechtelijke band met je kind

Als je als man en vrouw getrouwd bent en kinderen krijgt, zijn jullie de wettelijke ouders van het kind. Je hebt het ouderlijk gezag. Dat betekent dat je onder andere onderhoudsplicht hebt naar jullie kind, en dat er een erfrechtelijke band is.

Geregistreerd partnerschap

Het geregistreerd partnerschap lijkt in veel opzichten op het huwelijk. De voorwaarden voor het aangaan van een huwelijk en een geregistreerd partnerschap zijn gelijk aan elkaar. Net als de rechten en plichten van beide partners. Er zijn wel verschillen in de manier waarop de verbintenis tot stand komt of eventueel wordt beëindigd. En er zijn ook grote verschillen in de familierechtelijke relatie tot de kinderen.

Een andere manier dan om je gezamenlijke huishouden officieel vast te leggen is door een samenlevingscontract aan te gaan met elkaar.

Formaliteiten

Het geregistreerd partnerschap komt niet tot stand met het jawoord, maar met een verklaring. Hier moeten 2 tot 4 meerderjarige getuigen bij aanwezig zijn. Mochten jullie ooit in de toekomst nog overwegen te gaan trouwen, dan kan dit alleen door 'omzetting'. Dit betekent dat jullie in de woongemeente moeten trouwen. Er zijn ook geen getuigen bij het huwelijk aanwezig en je geeft dan ook niet formeel het jawoord.

Beëindiging van het partnerschap

Wanneer het geregistreerd partnerschap wordt beëindigd, kan dit alleen buiten de rechter om gaan als jullie het eens zijn over de beëindiging ervan en geen minderjarige kinderen hebben. In alle overige gevallen moet het geregistreerd partnerschap beëindigd worden door de rechter.

Kinderen

Wanneer jullie een kind krijgen, dan heeft de biologische moeder automatisch een familierechtelijke betrekking tot het kind. In een relatie tussen een man een een vrouw kan de vader alleen een familierechtelijke betrekking krijgen als hij het kind officieel erkent.

2 vaders of 2 moeders?

Ook bij geregistreerde partnerschappen en huwelijken tussen 2 partners van hetzelfde geslacht geldt dat alleen de biologische ouder automatisch een familierechtelijke betrekking heeft tot het kind.

Als een lesbisch stel een kind krijgt en de partner van de moeder wil het kind adopteren, kan zij een adoptieverzoek indienen bij de rechtbank. Als een homopaar een kind uit het buitenland heeft geadopteerd, kan de partner van de adoptieouder het kind ook adopteren als zij het kind in dat jaar samen hebben verzorgd en opgevoed.

Scheiding

Als je een echtscheiding aanvraagt, dan beëindig je je huwelijk.

Beëindiging van een huwelijk

Een scheidingsprocedure loopt bijna altijd via de rechtbank. Als je het samen met je partner eens bent over de gevolgen van een scheiding en de verdeling van de bezittingen, kun je samen 1 advocaat nemen. In andere gevallen neem je je eigen advocaat en kun je ook een mediator inschakelen.

De kinderen

Als je samen minderjarige kinderen hebt, maakt dat het moeilijker om uit elkaar te gaan (ook al was je niet getrouwd). Zowel op emotioneel vlak als op het gebied van regelingen en afspraken. Het is belangrijk om goed met elkaar te overleggen bij wie de kinderen gaan wonen en hoe je de financiële situatie regelt. Hieronder vallen de omgangsregeling, alimentatie en co-ouderschap. Uiteindelijk neemt de rechter een beslissing over deze regelingen.

Na de scheiding

Niet alleen de periode voor de scheiding is moeilijk. Ook de eerste tijd erna kan voor iedereen in het gezin lastig zijn. Wat kan je doen voor je peuter?

  • Vertel je kind wat er gaat gebeuren. De reden van de scheiding is niet zo belangrijk. Ook is het goed om er vaker dan 1 keer over te vertellen.
  • Wat als je kind niet laat merken wat hij ervan vindt? Geef je kind de tijd. Blijf wel aan hem vertellen wat er gaat gebeuren. En met hem knuffelen. Ook als hij daar niet op reageert.
  • Wat als je te verdrietig of te druk bent? Zorg ervoor dat je naast de dagelijkse verzorging een paar keer per dag alle aandacht hebt voor je peuter. Een paar korte momenten van echte aandacht zijn belangrijk.
  • Wat als je er zelf niet uitkomt? Zoek steun of hulp voor het verwerken van de scheiding. En voor het opvoeden van je kind(eren) in de nieuwe situatie.

Scheidingsprocedure

Een echtscheiding loopt vrijwel altijd via de rechtbank. Als je een geregistreerd partnerschap met elkaar hebt dan loopt een scheiding alleen via de rechtbank als je het niet eens bent over de scheiding en als je samen minderjarige kinderen hebt.

Het verzoekschrift

Om een scheiding aan te vragen, dien je via je advocaat een verzoekschrift in bij de rechtbank van je woonplaats. In dit verzoekschrift neem je een ouderschapsplan op. In het ouderschapsplan moeten in ieder geval afspraken staan over de zorgverdeling en omgangsafspraken, over informatie-uitwisseling tussen de ouders en over de kinderalimentatie. Naast het verzoekschrift kun je ook nevenvoorzieningen aanvragen. Dit zijn beslissingen van de rechter omtrent de omgangsregeling (en het ouderschapsplan), de alimentatie en de boedelverdeling.

Eenzijdig verzoek

Je kunt het verzoekschrift samen indienen. Als dat niet lukt, of niet mogelijk is, kun je alleen een verzoekschrift indienen, dit heet het eenzijdig verzoek. Je partner kan hiertegen bezwaar maken door een verweerschrift in te dienen.

Het verweerschrift

Het verweerschrift moet binnen 6 weken na het verzoekschrift ingediend worden door de advocaat van je partner. Je partner kan op 2 manieren verweer maken. Namelijk door te ontkennen dat er een 'duurzame ontwrichting' is van het huwelijk. Of door voorwaarden te stellen aan de scheiding. De echtscheiding wordt dan niet officieel uitgesproken, voordat de zaken goed geregeld zijn omtrent bijvoorbeeld het veilig stellen van het nabestaandenpensioen.

Scheiding van tafel en bed

Een scheiding van tafel en bed betekent dat je voor de wet nog wel met elkaar getrouwd bent, maar feitelijk niet meer samenleeft omdat dit niet meer gaat. Sommige mensen doen dit vanuit hun geloof of vanwege bepaalde financiële voordelen. Ook het gezamenlijk ouderlijk gezag over de kinderen blijft in stand.

Omgangsregeling

Na de scheiding blijf je beide verantwoordelijk voor de zorg en de opvoeding van je kind. Je behoudt namelijk allebei het ouderlijk gezag. Als ouders ben je daarom wettelijk verplicht om een ouderschapsplan te maken en deze tegelijk met het verzoekschrift in te dienen bij de rechtbank.

Ouderschapsplan

In het ouderschapsplan spreek je samen af hoe je de zorg en opvoeding van je (minderjarige) kind voortzet na de scheiding. Sommige ouders kiezen bijvoorbeeld voor het co-ouderschap. In het ouderschapsplan worden naast de afspraken over de zorgverdeling ook afspraken gemaakt over de alimentatie en de communicatie. Je moet dus bedenken hoe je elkaar voortaan zal informeren over je kind. Bijvoorbeeld over hoe het gaat op school.

Wat als het niet lukt?

Als je het samen niet eens kunt worden over het ouderschapsplan, dan kun je alleen een voorstel indienen voor de zorgverdeling. Daarnaast kun je ook raad en advies vragen aan de rechter. Soms wordt er een mediator ingeschakeld. De rechter maakt uiteindelijk een beslissing over de omgangsregeling.

Ontzegging van het ouderlijk gezag

Bij hoge uitzondering besluit de rechter dat een ouder het ouderlijk gezag ontzegd wordt of dat een ouder zijn kind niet meer mag zien. Bijvoorbeeld wanneer hij vindt dat een ouder niet geschikt is of in staat is tot omgang met het kind. In alle gevallen maakt de rechter een beslissing die in het belang is van jullie kind.

Telt de mening van je kind ook mee?

Als je naast je peuter nog kinderen hebt die al wat ouder zijn, dan is het raadzaam om hen te betrekken bij het maken van het ouderschapsplan. Kinderen jonger dan 12 jaar hebben zelf geen inspraak in de procedure, maar kunnen wel aangeven dat ze hun mening aan de rechter wil vertellen. De rechter zal waarschijnlijk naar hen luisteren. Pas wanneer een kind ouder is dan 12 jaar, telt zijn mening mee in de beslissing van de rechter.

Scheiden en kinderen

Voor je peuter is het normaal dat hij ouders heeft. Gaan jullie scheiden? Dan gaan jullie uit elkaar als partners. Maar jullie blijven altijd samen de ouders van je kind.

De reactie van je kind

Als je samen je kind vertelt dat jullie gaan scheiden, kan je kind op verschillende manieren reageren. Misschien schrikt je kind, is hij boos, bang, of verdrietig. Of misschien begrijpt hij het nog niet. Een scheiding heeft een grote invloed op het leventje van je peuter. Alles in zijn omgeving verandert. Soms gaan kinderen zich dan lastig gedragen of worden juist heel stil.

Je kind niet laat merken wat hij ervan vindt? Geef je kind de tijd. Blijf wel tegen hem vertellen. En met hem knuffelen. Ook als hij daar niet op reageert.

Hoe kun je je kind helpen?

  • Wees open en eerlijk tegen je kind. Vertel hem dat jullie gaan scheiden en wat dat voor hem betekent.
  • Vertel je kind niet over je relatieproblemen.
  • Je kind houdt altijd van jullie allebei. Wat jullie ook zeggen of doen. Zeg daarom geen lelijke dingen over je ex-partner. Hoe boos of verdrietig je ook bent. Anders raakt je kind in de war.
  • Laat zien dat je de gevoelens en reacties van je kind begrijpt. En zoek voor je kind en voor jezelf steun bij vertrouwde personen.
  • Blijf grenzen stellen. Dat is niet streng, maar duidelijk. Want het leven en de opvoeding gaan gewoon door.
  • Is je kind heel boos op (één van) jullie? Dat kan. Maar stimuleer dat niet. Dat is nooit goed. Je kind moet van jullie allebei kunnen houden.
  • Je kind kan soms kort blij zijn bij een scheiding. Want al die ruzies zijn dan voorbij.
  • Blijf je kind steunen. Geef hem knuffels en complimentjes voor de dingen die hij doet.
  • Wees duidelijk over waar je kind nu gaat wonen. En over hoe vaak hij zijn andere ouder ziet. Dan weet hij wat hij kan verwachten. Dat is prettig.
  • Pas vanaf 12 jaar mag je kind zelf zeggen waar hij wil wonen. Daarom spreken jullie als ouders af, bij wie je kind woont en wanneer. Kiezen jullie voor co-ouderschap? Dan is je kind evenveel bij jou als bij de andere ouder. Dat is fijn voor je kind. Maar hij heeft ook 2 huizen en 2 kamers. En hij moet veel heen en weer reizen. Dat kan onrustig voor hem zijn. Vertel hier over en leg het allemaal zo goed mogelijk uit.

Ben je zelf te verdrietig of te druk?

Zorg ervoor dat je een paar keer per dag alle aandacht hebt voor je kind. Een paar korte momenten van echte aandacht zijn belangrijk. Zoek steun bij familie of vrienden. Als je kind een middag bij opa en oma kan zijn, is dat voor jullie beiden fijn.

Meer informatie

Meer informatie over hoe je met je kind om kunt gaan, lees je op de website Kies voor het Kind.nl.

Co-ouderschap

Hoe je na de scheiding samen met je ex-partner voor je kind(eren) gaat zorgen, beschrijf je in het ouderschapsplan. Co-ouderschap is een manier waarop je samen de zorg en opvoeding van je kind voortzet na een scheiding.

Onderhoudsplicht

Als je kiest voor het co-ouderschap, vul je samen de onderhoudsplicht in. De kinderen verblijven afwisselend bij de ene en de andere ouder. Beide ouders delen de zorg, opvoeding en kosten van de kinderen. Het belang van het kind staat daarbij voorop.

Alleenstaande ouder

Je bent vanaf het moment van de scheiding wettelijk gezien een alleenstaande ouder, maar als je kiest voor een co-ouderschap blijf je samen voor je kind zorgen. In de praktijk oefen je nog steeds het gezamenlijk ouderlijk gezag uit.

Afspraken maken

Bij scheidingen die niet goed verlopen en waarbij de ex-partners veel ruzie hebben, is het meestal onmogelijk om samen de zorg te dragen voor de kinderen. Het co-ouderschap vereist een stabiele basis. Het is belangrijk dat je met elkaar kan praten, dat je dicht bij elkaar woont, dat je goede afspraken maakt en dat je het belang van je kind voorop stelt. Maak bijvoorbeeld afspraken over:

  • de roosterafspraken en verdeling van tijd over de 2 huizen;
  • de onderlinge woonafstand;
  • de taakverdeling tussen de ouders;
  • verjaardagen, vakanties en feesten;
  • regels waaraan de kinderen zich thuis moeten houden;
  • de financiën;
  • de communicatie tussen jou en je ex-partner;
  • wat te doen bij wijzigingen in de situatie.

Je kunt eventueel de hulp van een mediator inroepen bij conflicten bij echtscheiding. Deze helpt jullie om er samen uit te komen.

Meer informatie

Het Nibud heeft meer informatie over het verdelen van kosten en de gevolgen voor regelingen en tegemoetkomingen.

Kinderalimentatie

Een scheiding is natuurlijk geen leuke gebeurtenis. Zeker niet als er kinderen bij betrokken zijn. Het is daarom verstandig om goede afspraken te maken over de omgangsregeling en de kinderalimentatie. De rechter neemt hierover uiteindelijk een beslissing.

Zorgkosten

De zorgdragende ouder is waarschijnlijk veel geld kwijt aan de zorg en opvoeding. De andere ouder is vanwege zijn ouderlijk gezag verplicht om bij te dragen in die zorgkosten. Je bent als ouders in ieder geval verplicht om je kind financieel te ondersteunen tot hij 21 is geworden.

De hoogte van de alimentatie

Natuurlijk mag je zelf afspraken maken over de hoogte van de alimentatie in het ouderschapsplan. Als dit bedrag te laag is, of als je er samen niet uitkomt, dan bepaalt de rechter welk bedrag er (maandelijks) betaald moet worden aan kinderalimentatie.

Rechters hebben gezamenlijk normen ontwikkeld die ze gebruiken voor het vaststellen van alimentatie. De alimentatiebedragen veranderen jaarlijks. De overheid bepaalt rond november met welk percentage de bedragen het komende jaar moeten worden aangepast.

Wat als je ex-partner de alimentatie niet betaalt?

Als je ex-partner de alimentatie niet betaalt, dan kun je de hulp inschakelen van je advocaat of van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (het LBIO).

Als je ongehuwd bent en de biologische vader weigert zijn kind te erkennen, dan kun je het vaderschap laten vaststellen door een vaderschapstest. Hij is daarna onderhoudsplichtig aan zijn kind en moet dus ook alimentatie betalen.

Op de website van het Nibud vind je meer informatie over kinderalimentatie.

Overlijden

Als je partner overlijdt, of als je zelf niet meer lang te leven hebt, dan is dat natuurlijk heel erg. Dan is het belangrijk om te weten hoe het zit met de erfenis en wat er gebeurt met je kind.

De erfenis

Bij de verdeling van de erfenis krijgt de langstlevende echtgenoot (of geregistreerde partner) de erfenis. Kinderen kunnen hun erfdeel pas opeisen wanneer beide ouders overleden zijn. Op deze manier komt de langstlevende ouder niet in financiële problemen. Wanneer een kind minderjarig is (en beide ouders zijn overleden), krijgt hij zijn erfdeel pas als hij 18 wordt.

Niet getrouwd?

Als je niet getrouwd bent en ook geen geregistreerd partnerschap hebt met elkaar, dan gelden de regels met betrekking tot het verdelen van de erfenis niet. In dat geval kun je het best een testament vaststellen waarin je afspraken maakt over hoe de erfenis wordt verdeeld.

Ouderlijk gezag over de kinderen

Wanneer je zelf (en je partner) overlijdt, is het belangrijk dat iemand de zorg voor je kind op zich neemt. Dit heet 'voogdij' en kun je vaststellen in je testament. Een ander woord hiervoor is testamentaire voogdij. Je kunt bijvoorbeeld een familielid of een goede vriend(in) aanwijzen als voogd. Dit betekent niet dat die persoon verplicht is om de voogdij op zich te nemen. Als hij of zij het niet wil, benoemt de kinderrechter een ander persoon. Ook wanneer je geen voogd hebt benoemt in je testament, zorgt de kinderrechter ervoor dat iemand de zorg voor je kinderen op zich neemt. In de meeste gevallen is dit een familielid. In sommige gevallen komt een kind terecht in een pleeggezin.

Rouwproces

Als jij, je partner, of iemand anders overlijdt, dan is dat natuurlijk heel erg. Het is belangrijk dat je je verdriet goed verwerkt. Dit geldt ook voor je kind, hoe moeilijk dat ook is.

Een passend afscheid en een mooie begrafenis of crematie zijn heel belangrijk om op een goede manier het rouwproces in te gaan. Je hebt dan de mogelijkheid om afscheid te nemen van de overledene.

Voogdij

Een voogd is iemand die het gezag uitoefent over een minderjarig kind, omdat de ouders dat niet kunnen of overleden zijn.

Een voogd moet daarvoor ouder zijn dan 18 jaar en mag niet onder curatele staan of aan een geestelijke stoornis lijden. Een voogd is dus in de meeste gevallen een persoon, maar het kan ook zijn dat het Bureau Jeugdzorg of Stichting Nidos tot voogd benoemd wordt.

Testamentaire voogdij

Als ouder kun je zelf 1 of 2 personen aanwijzen als voogd voor je minderjarige kind(eren). Dit wordt beschreven in het testament. Een voogd is meestal een familielid, maar kan bijvoorbeeld ook een goede vriend zijn. De aangewezen voogd hoeft overigens niet de voogdij op zich te nemen als hij dat echt niet wil. De kinderrechter benoemt dan een ander geschikt persoon.

Voorlopige voogdij

De kinderrechter kan een voorlopige voogdij opleggen wanneer de ouder(s) de verzorging en opvoeding van de kinderen niet aankunnen. Dit gebeurt alleen op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of van de officier van justitie als de belangen van een kind ernstig worden bedreigd.

Het Bureau Jeugdzorg krijgt het gezag over het kind. Hierna moet de Raad voor de Kinderbescherming binnen zes weken een verzoek indienen bij de kinderrechter voor een definitieve gezagsvoorziening of voor een ontheffing van het ouderlijk gezag. Als er geen verzoek wordt ingediend door de Raad, vervalt de voorlopige voogdij en krijgen de ouders het gezag terug. Als er wel een verzoek is ingediend, dan neemt de kinderrechter hier een beslissing over.

Als ouder hoef je het natuurlijk niet eens te zijn met de uitspraak van de kinderrechter. Je kunt hiertegen in hoger beroep gaan. Voor deze gerechtelijke procedure heb je een advocaat nodig.

Geweld in het gezin

Voor een kind is de huiselijke omgeving bijna de hele wereld. Daarom is het ook zo belangrijk dat die wereld goed, voorspelbaar en veilig is. Soms zijn er redenen waardoor dat niet altijd zo is.

Ouders

Het kan zijn dat je als ouder overspannen raakt of relatieproblemen hebt. Of misschien zijn er ingrijpende dingen gebeurd en zie je het zelf even niet meer zitten. Soms is er dan sprake van geweld tussen partners of tegen kinderen waardoor het niet mogelijk is om je kind de veilige thuishaven te bieden die je zou willen geven.

De omgeving

Misschien schaam je je voor de problemen en om er voor uit te komen, of heb je zelfs het gevoel dat je met de nek wordt aangekeken. Hierdoor kun je in een isolement raken. Dit is soms de voedingsbodem voor meer problemen. De spanning wordt dan alleen maar groter.

Kinderen

Soms zijn kinderen getuige van huiselijk geweld of worden zelf thuis mishandeld. Het kan hierbij gaan om fysieke mishandeling, maar ook om emotionele mishandeling en affectieve verwaarlozing. Ook seksueel misbruik komt voor.

Verbod op geweld in de opvoeding

Aan het Burgerlijk Wetboek is in 2007 de volgende bepaling toegevoegd: "In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe." Kortom, in Nederland mogen ouders en verzorgers geen geweld gebruiken tegen kinderen.

Wat kan de omgeving doen?

Ook al is het verboden, mishandeling komt toch voor in Nederland. En mishandeling wordt vaak alleen maar erger als niemand iets doet. Het kan erg helpen wanneer iemand van buiten gewoon bijspringt door de kinderen eens op te vangen of navraag doet bij vader of moeder. Hulp bij kindermishandeling is namelijk wel mogelijk. Voor meer informatie en advies hierover kun je terecht bij het AMK (Advies- en Meldpunt kindermishandeling) of het Bureau Jeugdzorg. Er is ook een landelijk AMK nummer: 0900 123 12 30.

Het kind als getuige van geweld

Als ouders veel ruzie hebben, dan lijden de kinderen daar vaak ook onder. De meeste ouders beseffen dat heel goed en proberen meningsverschillen met hun (bestaande of nieuwe) partner zoveel mogelijk uit te praten op een apart tijdstip en op zo'n manier, dat de kinderen daar geen last van hebben.

Partnergeweld

Als er sprake is van veel boosheid, opgekropte frustratie, heftige emoties, middelengebruik of drank, dan kan ruzie uit de hand lopen en overgaan in schreeuwen, dreigen en slaan. Dit betekent niet dat de partners niet van elkaar houden. Er is meestal wel degelijk ook liefde, maar het geweld leidt vaak tot emotionele problemen.

Kinderen hebben behoefte aan veiligheid

Als kinderen getuige zijn van huiselijk geweld, is dat heel schadelijk voor ze. Wat kan gebeuren is dat je kind zich opsluit in een eigen wereldje. Wat oudere kinderen kunnen denken dat zij de schuld hebben van alle ruzies, of ze lopen weg van huis. Hoe oud je kind ook is, bij huiselijk geweld geef je je kind niet de basisveiligheid die hij nodig heeft.

Kies voor de kinderen

Als er kinderen in het spel zijn en je hebt te maken met huiselijk geweld, dan is dat een extra reden om te zorgen dat dit geweld stopt. Kinderen krijgen er altijd meer van mee dan je denkt. Zoek dus hulp. Er is hulp voor de slachtoffers, maar ook voor de daders. Vaak zitten zij samen gevangen in een patroon van goed maken, weer afstoten, weer ruzie. Het is een neergaande spiraal. Voor informatie kun je contact zoeken met een hulporganisatie bij jou in de buurt. Je kunt ook met het steunpunt huiselijk geweld bellen: 0900 1 26 26 26.

Kindermishandeling

Fysieke mishandeling

Je hebt zuiver fysieke mishandeling, waarbij een kind verwond wordt. Dit soort mishandeling is bij het kind te herkennen aan blauwe plekken, brandwonden (bijvoorbeeld van sigaretten of van het strijkijzer), botbreuken, scheuren in de lip of bij het oog en menselijke beten. In het geval van seksueel misbruik kunnen er soms ook verwondingen aan de vagina of de anus zijn. Dit kun je zien aan de manier waarop het kind loopt of gaat zitten.

Vaak gecombineerd met emotionele mishandeling

Vaak gaat fysieke mishandeling hand in hand met emotionele mishandeling. Het kind wordt vaak te streng benaderd en te streng gestraft voor zijn of haar leeftijd. Er worden te hoge eisen aan het kind gesteld en het lijkt vaak alsof de ouder niet helemaal goed beseft dat het kind maar een kind is. Het kind is geen 'treiterkop' of 'kreng' dat er speciaal op uit is om de ouders het leven zuur te maken. Ouders maken hun eigen kind zwart en gebruiken termen als 'waardeloos' en 'stuk ongeluk' als ze hun kind aanspreken.

Hoe merk je dit aan kinderen?

Bij kinderen die mishandeld worden kun je verschillende reacties waarnemen. Soms vallen de letsels op. Sommige kinderen worden stil en heel oplettend als andere kinderen huilen, trekken zich terug en schrikken als ze aangeraakt worden. Wat oudere oudere kinderen gaan soms dingen vernielen, vechten met andere kinderen, vertellen verhalen over zeer ernstige ongelukken, liegen, stelen, hebben nachtmerries en vertonen zelfdestructief gedrag. Hun zelfbeeld is heel negatief en ze gaan zich vreemd en onprettig gedragen. Dit is gezien de omstandigheden niet iets wat je het kind kwalijk kunt nemen.

Verwaarlozen van kinderen

Naast fysieke en emotionele mishandeling is er ook affectieve verwaarlozing. Die is op het oog minder zichtbaar, maar kan op lange termijn ernstige gevolgen hebben. De littekens zitten van binnen.

Wat is het?

Affectieve verwaarlozing betekent dat het kind hoegenaamd geen aandacht van de ouders krijgt. Ook kan het voorkomen dat het kind het ene moment overdreven veel en het andere moment opeens helemaal geen aandacht krijgt.

Hoe herken je affectieve verwaarlozing?

Je herkent dit probleem aan het feit dat kinderen slecht gekleed zijn of niet goed verzorgd worden: vieze of niet passende kleding, te koud gekleed voor het weertype, niet goed gewassen, onbehandelde infecties. Het kind lijkt erg passief en teruggetrokken. Wat oudere kinderen lopen vaak zonder toezicht rond in de buurt en komen te laat op school.

Wanneer komt het voor?

Affectieve verwaarlozing komt voor als de ouders of verzorgers hun ouderrol niet goed kunnen vervullen. Dat kan te maken hebben met chronische overbelasting, psychiatrische problemen (zoals een borderline stoornis), verstandelijke beperkingen (het kind als een soort pop zien), een persoonlijkheidsstoornis (zelf alle aandacht nodig hebben) of ook door ziekte, overmacht of verslavingen.

Seksueel misbruik

Bij seksueel misbruik wordt soms gedacht aan onbekende mannen die kinderen meelokken met snoepjes en dan misbruiken. In werkelijkheid wordt misbruik het meest gepleegd door bekenden van het kind. Het meeste misbruik wordt door mannen gepleegd. Als deze man familie is (broer, vader, stiefvader, adoptievader, oom), is er sprake van incest.

Wat houdt het in?

Zowel meisjes als jongens kunnen het slachtoffer worden van seksueel misbruik. De daders zijn vaak volwassen, hoewel er ook gevallen bekend zijn van oudere kinderen (pubers) die vriendjes of vriendinnetjes dwingen tot seksuele handelingen. Bij incest in de huiselijke kring zijn de gevolgen schadelijker, omdat het kind direct ook de veilige plek ontnomen wordt.

Hoe erg is het?

Seksueel misbruik is ernstige mishandeling. Uit schaamte en een onterecht gevoel van medeplichtigheid durft een kind het vaak niet aan de (andere) ouder(s) te zeggen. Kinderen kunnen zich vies voelen en bang zijn. Het kan ook zijn dat je kind nog niet begrijpt wat er gebeurd is. De dader kan tegen het kind zeggen dat hij of zij het niet verder mag vertellen.

Voorkomen?

Het is goed om al op jonge leeftijd met je kind te praten over het verschijnsel 'privacy'. Ook zonder dat moeilijke woord te gebruiken, kun je een kind uitleggen op welke plekken andere mensen je niet mogen aanraken. En als ze dat wel doen, dan mag je gewoon weglopen en altijd vertellen aan papa of mama. Als kinderen wat ouder worden is het goed om open met ze over seksualiteit te praten.

Seksueel misbruik ontdekken

Peuters zijn misschien nog niet in staat om te vertellen wat er is gebeurd. Ze begrijpen het waarschijnlijk ook nog niet goed.

Waar let je op?

Je kunt letten op symptomen, zoals bloed in de luier, scheurtjes en kloofjes bij de geslachtsdelen, vreemde afscheiding (sperma / glijmiddel), blauwe plekken op beentjes en billen, blaasontsteking, ontlastingsproblemen en eetproblemen. En let ook op het gedrag van je kind, misschien reageert hij anders dan normaal.

Wat te doen?

Als je erachter komt dat je kind misbruikt is dan is dat natuurlijk een enorme schok. Soms is er vrij veel tijd verstreken voordat je erachter komt. Er volgen dan meestal 2 processen:

  • het proces om de dader veroordeeld te krijgen;
  • en het proces waarbij je dat wat gebeurd is moet verwerken en een plek geeft.

Aangifte doen

Aangifte doen is belangrijk bij seksueel misbruik. Dat betekent tegelijkertijd een confrontatie met wat er gebeurd is. Dit kan moeilijk zijn voor zowel jezelf als voor je kind. Bijvoorbeeld als je als moeder tegen je eigen partner aangifte moet doen.

Het verwerkingsproces

Bij de verwerking van seksueel misbruik of incest is het heel belangrijk dat ouders en kind apart van elkaar de ruimte krijgen om hun verdriet en woede hierover te uiten. Er zijn groepsbehandelingen waarbij ouders en kinderen gelijktijdig met dezelfde thema's bezig zijn. Hierdoor zijn de gesprekken minder beladen en kun je zelf als ouder rustiger op je kind reageren. Je kind komt erachter dat hij niet alleen staat. Dat is belangrijk, zo doorbreek je de zwaarte.

Hulp

De noodzaak van specialistische behandeling bij seksueel misbruik wordt soms onderschat. Je kunt in het geval van misbruik contact zoeken met je eigen huisarts of de afdeling AMK (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling) op telefoonnummer 0900 - 123 123 0. Daar kunnen ze je verwijzen naar meer hulp. Ook kun je voor hulp contact opnemen met een instelling voor geestelijke gezondheidszorg voor jeugd (jeugd-GGZ).

Als een kind het vertelt

In sommige gevallen vertelt een kind wat er gebeurt is, bijvoorbeeld dat iemand hem of haar van onderen pijn heeft gedaan. In dat geval is het misschien moeilijk te bepalen hoe je moet reageren. Ook als het niet je eigen kind is. Enkele vuistregels zijn er wel.

Tip 1

Blijf rustig en luister. Je hoeft geen mening te geven over hoe erg het is. Maar het is wel heel belangrijk dat je het kind gelooft! Dat is essentieel voor de verwerking.

Tip 2

Als het gaat over mishandeling of misbruik door een eigen ouder, hou er rekening mee dat elk kind loyaal is aan de eigen ouders. Kraak dus de ouders niet af want anders krijgt het kind het gevoel dat hij of zij de ouders verraadt.

Tip 3

Ga het kind niet ondervragen maar blijf rustig luisteren. Te directe vragen kunnen het kind remmen. Maak duidelijk dat je het heel goed vindt dat het kind jou dit verteld heeft en dat je hem of haar serieus neemt. Geef aan dat het kind helemaal geen schuld heeft aan wat er gebeurd is. Dat is nodig omdat kinderen vaak schuldgevoelens hebben, omdat ze een verklaring zoeken voor al dat geweld en denken: "Het zal wel iets zijn wat ik gedaan heb."

Seksuele intimidatie

Seksuele intimidatie is ongewenste, seksueel getinte aandacht. Het kan uiteenlopen van seksueel getinte opmerkingen tot aanranding of zelfs verkrachting.

Seksueel getinte opmerkingen

Wanneer iemand rare dingen zegt bijvoorbeeld over de geslachtsdelen van je kind, dan is dat een seksueel getinte opmerking. Waarschijnlijk schrik je hier van, omdat je zo'n opmerking of vraag natuurlijk niet verwacht. Dat maakt het lastig om adequaat te reageren. Peuters zullen het waarschijnlijk zelf nog niet begrijpen. Maar probeer je kind wel van jongs af aan te leren niet in te gaan op dergelijke vragen.

Schatje, lieverd, lekker ding

Misschien is er een persoon die je kind steeds aanspreekt met bijvoorbeeld 'schatje' of met 'lieverdje'. Iemand kan er helemaal niets mee bedoelen, maar als het je niet lekker zit, maak dat dan wel duidelijk. Zeg bijvoorbeeld dat je het gewoon liever niet hebt. Als die ander moeilijk doet en vraagt 'waarom', dan hoef je alleen maar te zeggen: "Omdat mijn kind een mooie naam heeft!" Je hoeft verder niets uit te leggen.

Ongewenste aanrakingen

Soms gebeurt het dat iemand je kind aanraakt op een intieme plek. Misschien lijkt het per ongeluk te gaan, maar dan nog kan het een heel vervelend gevoel geven. Baby's en peuters begrijpen niet wat er gebeurt en kunnen daarom ook niet voor zichzelf opkomen.

Wat kun je doen?

Als ouder geef je die persoon misschien meteen een uitbrander. Maar het kan ook zijn dat je dit niet durft. Of misschien weet je ook niet zeker of het opzettelijk was. Hoe dan ook, het is verstandig om het toch bespreekbaar te maken. Zeker als je het idee hebt dat het vaker gebeurt. Als je kind al wat ouder is, leg hem dan uit dat mensen hem op bepaalde plekken niet mogen aanraken. En als dit toch gebeurt, dat je kind het jou gerust kan vertellen.

Aanranding en verkrachting

Een aanranding is iets anders dan een verkrachting, al lijkt het misschien wel bijna hetzelfde. Het kan allebei even traumatisch zijn. En helaas overkomt het ook heel jonge kinderen.

  • Een aanranding is een ernstige, ongewenste, seksuele handeling. Iemand kan een seksuele handeling bij je kind uitvoeren, maar je kind kan ook gedwongen worden om een seksuele handeling bij een ander te verrichten.
  • Bij een verkrachting wordt de vagina of de anus binnengedrongen, bijvoorbeeld met de penis of met een voorwerp.

Als iemand dus probeert om je kind te verkrachten, maar daar niet in slaagt, dan kun je wel zeggen dat die persoon je kind heeft aangerand.

Door een bekende

Soms hoor je wel eens dat een manprobeert een kindmee te lokken en aan te randen of te verkrachten. Dit gebeurt inderdaad soms. Maar het gebeurt veel vaker dat een kind misbruikt wordt door een bekende: bijvoorbeeld door een vriend of door een familielid. Misschien zelfs vaker dan één keer.

Schaamte en schuld

Aangerand of verkracht worden heeft een grote impact op het slachtoffer. Baby's en jonge kinderen begrijpen misschien niet helemaal wat er gebeurd is, maar toch kan het van grote invloed zijn op het gedrag.

Als je kind ouder wordt, zal hij erachter komen dat het niet normaal is. Misschien reageert je kind heel emotioneel of misschien probeert hij zijn gevoelens juist te onderdrukken. Het kan ook zijn dat je kind zich achteraf schuldig voelt. Je kind denkt dan dat hij meer had kunnen doen om de aanranding te voorkomen.

Erover praten

Zeker als het al langere tijd aan de gang is, zal je kind het moeilijk vinden om het te vertellen. Daarom is het goed om je kind al op jonge leeftijd uit te leggen dat andere mensen niet aan hem of haar mogen komen. En zeker niet dwingen tot seksuele handelingen! En als het toch gebeurt, dan kan je kind het jou gerust vertellen.

Wat te doen?

Als slachtoffer is je kind natuurlijk niet schuldig. De enige die schuldig is, is de dader. Als je kind is aangerand of verkracht, kun je het best samen aangifte doen bij de politie. Het is een geweldsdelict en dus strafbaar.

Als de dader een bekende is, dan zal het extra moeilijk zijn om aangifte te doen. Misschien kun je dan beter eerst iemand anders in vertrouwen nemen zodat je erover kunt praten, zoals een vriend, een vriendin of de huisarts. Je kunt eventueel ook (anoniem) naar Korrelatie bellen op telefoonnummer 0900 - 1450. Belangrijk is wel de veiligheid van je kind te waarborgen!

Lichamelijk onderzoek

Als de verkrachting net is gebeurd, is medisch onderzoek door een arts nodig. Bijvoorbeeld door de huisarts of een arts op de spoedeisende hulpafdeling van het ziekenhuis. Dit is niet alleen nodig in het kader van het politieonderzoek, maar ook voor eventuele medische hulp. Je kind kan bijvoorbeeld een geslachtsziekte (soa) hebben gekregen.

Psychische hulp

Je kind is misschien nog erg jong, maar het kan zijn dat hij er nu of op latere leeftijd last van krijgt. Gevolgen van een verkrachting kunnen zijn: slapeloosheid, depressie, angstaanvallen en ernstige schuldgevoelens. Psychische hulp bij de verwerking van een verkrachting is daarom wenselijk.

Incest

Incest is seksueel contact tussen bloedverwanten (familieleden). Alle ongewenste seksuele handelingen tussen bloedverwanten kunnen gezien worden als incest. Het gaat dus om seksueel misbruik. De meest voorkomende vorm van incest is wanneer een dochter misbruikt wordt door haar vader.

Pedofilie

Bij pedofilie denken ouders vaak aan iemand buiten het gezin of de familie, maar meestal is er een overlap tussen incest en pedofilie. Als een kind seksueel wordt misbruikt, gebeurt dat namelijk meestal door een familielid. Dat gebeurt vaak als het kind nog vrij jong is en kan jarenlang voortduren. Een ouder of familielid maakt dan misbruik van zijn overmacht. Als je kind dit overkomt, dan is dit een traumatische ervaring. Het heeft daarom meestal ook grote gevolgen voor de emotionele en lichamelijke gezondheid. Gevolgen van seksueel misbruik zijn bijvoorbeeld bedplassen, slaapproblemen, eetproblemen en zelfbeschadiging.

Emotionele gezondheid

Als je kind is misbruikt door een familielid, dan kan je kind hierdoor ernstige psychische problemen krijgen. Dat kan ook op latere leeftijd. Of als het misbruik jarenlang voortduurt. Je kind kan dan bijvoorbeeld een gebrek aan zelfvertrouwen en een negatief zelfbeeld krijgen en depressief worden. Je kind voelt zich machteloos, vernederd en vies en schaamt zich ervoor. Het kan ook zijn dat je kind zich achteraf schuldig voelt. Je kind denkt dan dat hij of zij meer had kunnen doen om het seksueel misbruik te voorkomen. Dit maakt het ook moeilijker om het te vertellen. Het is daarom verstandig om je kind van jongs af aan uit te leggen dat niemand aan zijn of haar geslachtsdelen mag komen. Ook familieleden niet. Laat je kind weten dat als het toch gebeurt, dat hij of zij het je gerust kan vertellen.

Strafbaar

Als slachtoffer is je kind natuurlijk niet schuldig. De enige die schuldig is, is de dader. Seksueel misbruik (ontucht) is strafbaar. Hiervoor kun je dan ook samen aangifte doen bij de politie. Omdat een familielid misbruik van je kind heeft gemaakt, vind je het misschien extra moeilijk om aangifte te doen. Misschien kun je dan beter eerst iemand anders in vertrouwen nemen zoals een vriendin, vriend of de huisarts. Dan kun er eerst over praten. Je kunt eventueel ook (anoniem) naar Korrelatie bellen op telefoonnummer 0900 -1450. Belangrijk is wel de veiligheid van je kind te waarborgen!

Psychische hulp

Incest is een traumatische ervaring en je kind kan daardoor psychische problemen krijgen. Ook op latere leeftijd. Psychische hulp bij de verwerking van incest is daarom wenselijk. Je kunt in het geval van incest contact zoeken met het Bureau Jeugdzorg in je provincie of de afdeling AMK (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling) op telefoonnummer 0900 - 123 123 0. Voor hulp kan je ook contact opnemen met een instelling voor geestelijke gezondheidszorg voor jeugd (jeugd-GGZ).

Wet en regelgeving seksualiteit

Er zijn er in Nederland een aantal wetten en regels omtrent seks. De meest bekende is waarschijnlijk het verbod op seks met een minderjarige. Maar welke regels bestaan er over seks met dieren, over kinderpornografie en incest?

Minderjarig

Een volwassene is strafbaar als hij seks met een minderjarige (iemand onder de 18) heeft. Maar ook minderjarigen zijn strafbaar als ze seks met elkaar hebben. De wetgever trekt deze grens bij 16 jaar. Dus als je kind van 15 jaar seks heeft met een leeftijdgenootje, is dit in principe strafbaar. Het wordt echter meestal niet als ontucht aangemerkt.

Kinderpornografie

In Nederland is het bezit van foto's en film- of video-opnames die seksuele activiteiten tonen van of met kinderen onder de 18 jaar verboden. Wanneer je vermoedt kinderporno aan te treffen op het internet, dan kun je dit melden bij Meldpunt Kinderporno op Internet.

Incest

Incest is seksueel contact tussen bloedverwanten (familieleden). Alle ongewenste seksuele handelingen tussen bloedverwanten kunnen gezien worden als incest. Het gaat dus om seksueel misbruik. Ook seksueel contact tussen adoptieouders en adoptiekinderen wordt als incest beschouwd.

Meisjesbesnijdenis

In veel landen is het een gewoonte om jongens te besnijden. In sommige landen ook om meisjes te besnijden. In Nederland zijn alle vormen van meisjes of vrouwenbesnijdenis verboden. Alle vormen worden beschouwd als ernstige, onherstelbare vormen van lichamelijk letsel, met grote kans op lichamelijke en psychische klachten. Vrouwenbesnijdenis is in Nederland strafbaar als vorm van mishandeling. Ook is het verboden om een meisje dat in Nederland verblijft met een legale verblijfstitel, in het buitenland te laten besnijden. Bijvoorbeeld tijdens een vakantie in het land van herkomst.

Op de website van Focal point meisjesbesnijdenis vind je meer informatie over meisjesbesnijdenis.

Dieren

Sinds 1 januari 2009 zijn seksuele handelingen met dieren bij wet verboden.

Opvang en onderwijs

Er zijn verschillende vormen van kinderopvang mogelijk, zoals een oppas, dagopvang en gastouderschap. Voor de formele opvangcentra geldt dat je kinderopvangtoeslag kunt aanvragen, wanneer je een werkende of studerende ouder bent.

Naar de basisschool

Je kind kan naar de peuterspeelzaal, de kinderopvang of naar de voorschool voordat hij naar de basisschool gaat. Natuurlijk is het ook verstandig om alvast een geschikte school te kiezen. Vanaf dat je kind 4 is, mag hij naar school. Vanaf zijn 5e is je kind leerplichtig.

Opvang

Er bestaan verschillende soorten kinderopvang. Kies wat het best past bij jullie gezin: opvang op een kinderdagverblijf (crèche), peuterspeelzaal, bij een gastouder of bij familie.

De volgende vormen van opvang zijn er voor peuters:

De peuterspeelzaal en de voorschool zijn speciaal bedoeld om de ontwikkeling van je kind te stimuleren. Het is voorbereidend op het basisonderwijs.

Kindercentra

Steeds meer peuterspeelzalen en kinderdagverblijven gaan samenwerken. Soms vormen ze samen één voorziening: een 'kindercentrum'.

Dit is mogelijk door veranderingen in de wet. Voor de peuterspeelzalen en kinderdagverblijven gelden nu dezelfde kwaliteitseisen, zoals het aantal kinderen per medewerk(st)er en het opleidingsniveau. Het is daardoor ook mogelijk om voorschoolse educatie aan te bieden.

Gemeenten bepalen zelf hoe zij de samenwerkingvorm willen geven. Dit kan zelfs per wijk anders zijn. Bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) bij jou in de buurt kunnen ze je hier meer over vertellen.

Oppas

Lekker een avondje weg! Maar wie past er zolang op de kinderen?

Als je buiten de formele kindercentra en gastouderopvang om een oppas nodig hebt, is het handig om snel een oppas te kunnen regelen die thuis komt oppassen. Bijvoorbeeld in de avonduren, in de weekenden, of op tijdstippen waarop je geen afspraken hebt gemaakt met het kinderdagverblijf.

Oppassers

Oppassers zijn vaak vertrouwde personen uit de directe omgeving, zoals familieleden, buren en vrienden. Maar zij zullen misschien niet altijd beschikbaar zijn. Je kunt ook scholieren en studenten vragen om oppaswerk te doen. Daarbij moet je wel zelf goed nagaan of die scholier geschikt is om eventueel op hele jonge kinderen te passen.

Au pair

Als je voor langere tijd een oppas zoekt, zou je ook een au pair kunnen nemen. Dit zijn vaak buitenlandse, vrouwelijke studenten die op de kinderen passen en licht huishoudelijke taken verrichten in ruil voor kost en inwoning en een bepaald maandbedrag.

Kosten

Bij het Nibud kun je informatie vinden over redelijke vergoedingen voor informele oppassers. Meestal betaal je de oppas contant. Het is echter niet zo dat een oppas daarom altijd zwart werkt. Als de oppas niet meer dan 3 dagen per week bij jou oppast, werkt de oppas in principe wit. Als de oppas wel meer dan 3 dagen bij jou werkt, dan moet de oppas dat zelf aangeven bij de Belastingdienst. En er moet dan onder andere loonbelasting ingehouden worden.

Alle overige formele vormen van kinderopvang en gastouderschap vallen onder de Wet Kinderopvang. Hiervoor kunnen werkende of studerende ouders kinderopvangtoeslag ontvangen.

Gastouderopvang

Gastouderopvang is kleinschalige en flexibele opvang voor kinderen van 0 tot 13 jaar.

Flexibel

Het voordeel van gastouderopvang is dat het flexibel is. Je regelt zelf met de gastouder wanneer je opvang nodig hebt. Gastouderopvang is daarom ook geschikt als je onregelmatige werktijden hebt of als je 's avonds opvang nodig hebt. Vaak woont de gastouder in de buurt.

Gastouderopvang thuis

Gastouders mogen op meerdere locaties kinderen opvangen. Dat kan bij de gastouder thuis zijn, maar ook bij jou thuis. Voorwaarden zijn onder andere dat:

  • er op de locatie een slaapruimte is voor kinderen jonger dan 1,5;
  • dat de ruimte rookvrij is;
  • en dat er ook voldoende speelmogelijkheden aanwezig zijn.

Aantal kinderen

Gastouders mogen meerdere kinderen tegelijkertijd opvangen. Hoeveel kinderen dat zijn, hangt af van de leeftijd van de kinderen. Ook tellen de eigen kinderen van de gastouder mee.

  • Bij een gastouder mogen maximaal 6 kinderen tegelijk zijn, inclusief de eigen kinderen onder de 10 jaar.
  • Echter niet meer dan 5 kinderen, als deze jonger dan 4 jaar zijn.
  • Of maximaal 4 kinderen van 0 en 1 jaar tegelijk, waarvan maximaal 2 kinderen van 0 jaar.

Kortom hoe jonger de kinderen, hoe minder kinderen een gastouder mag opvangen.

Landelijk Register Kinderopvang

In het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) worden alle kinderdagverblijven, organisaties voor buitenschoolse opvang, gastouderbureaus en gastouders bijgehouden. Dit zijn organisaties die voldoen aan de kwaliteitseisen van de Wet Kinderopvang.

Kwaliteit van de opvang

Aan gastouders worden steeds hogere eisen gesteld om de kwaliteit van de opvang te garanderen.

  • Gastouders moeten aangemeld zijn bij de gemeente en bij geregistreerde gastouderbureaus.
  • Ook worden ze gecontroleerd door de GGD of ze voldoen aan alle kwaliteitseisen van de Wet Kinderopvang.
  • Gastouders moeten minimaal een diploma mbo-2 Helpende (Zorg en) Welzijn of een ervaringscertificaat hebben.
  • Daarnaast ook een geregistreerd certificaat Eerste Hulp aan kinderen en een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).

Als een gastouder voldoet aan alle eisen van de Wet Kinderopvang, wordt hij of zij geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang.

Kinderopvangtoeslag

Als je gebruik maakt van gastouderopvang, kun je in 2011 maximaal €5,09 per uur kinderopvangtoeslag krijgen. Je hebt alleen recht op kinderopvangtoeslag, als de gastouder of het gastouderbureau opgenomen is het Landelijk Register Kinderopvang.

Peuterspeelzaal

Kinderen kunnen vanaf 2 tot 2,5 jaar naar de peuterspeelzaal. Vaak mogen ze voor die datum al een paar keer komen wennen. Het gaat om 2 tot 4 dagdelen, afhankelijk van het aanbod in je gemeente.

Wat leert je kind?

Kinderen vinden het leuk om naar de speelzaal te gaan. Hun ontwikkeling wordt spelenderwijs bevorderd. Peuters leren samen spelen, rekening houden met andere kinderen, op de beurt wachten en eerlijk delen. Ze leren beter taal begrijpen en spreken, praten in een groep en vragen stellen.

Vast ritme

Op een speelzaal is een vast ritme. Dit geeft de peuters een veilig gevoel.

  • Meestal gaan de kinderen eerst vrij spelen. Ze bouwen, knutselen, spelen in de huishoek, fietsen of doen een spelletje.
  • Na het spelen is er vaak een moment rust. De kinderen zitten in een kring met drinken en fruit. Kinderen vertellen bijvoorbeeld iets over hun belevenissen en luisteren naar de verhalen van de anderen. Meestal wordt er ook een liedje gezongen.
  • Na de kring wordt er vaak een activiteit gedaan met de hele groep of met kleine groepjes.
  • De leidster leest regelmatig verhaaltjes voor.
  • Als het weer het toelaat kunnen de kinderen buiten spelen.

Je kind went aan dit ritme. De stap naar groep 1 is dan gemakkelijker.

Nederlands leren

Voor kinderen die thuis geen Nederlands spreken, is de peuterspeelzaal van extra groot belang. Er wordt daar veel aandacht besteed aan de taalontwikkeling. Sommige peuterspeelzalen gebruiken daarvoor een speciale methode zoals Piramide.

Je kind leert zo al een beetje Nederlands begrijpen en praten. Hij verstaat dan in groep 1 de leerkracht en de kinderen, begrijpt de opdrachtjes beter en kan zelf wat vragen of zeggen in het Nederlands. Je kind voelt zich dan beter op zijn gemak in de nieuwe situatie.

De leidsters

In iedere groep zijn minimaal 2 leidsters werkzaam. Een leidster die professioneel geschoold is en vaak een assistent leidster die haar ondersteunt. Als je kind naar de basisschool gaat, zorgt de leidster ervoor dat er een goede overdracht plaatsvindt naar de basisschool.

Aanmelden

Geef je kind tijdig op voor de speelzaal, want er kunnen wachtlijsten zijn. Wat je moet betalen is afhankelijk van het gezinsinkomen. Sinds 2010 zijn de kwaliteitseisen voor peuterspeelzalen opgenomen in de Wet Kinderopvang. Net als het toezicht van de gemeente daarop. Voor meer informatie kun je terecht bij de peuterspeelzaal in de buurt.

Kinderopvang

In Nederland zijn veel verschillende vormen van kinderopvang. Dit maakt het mogelijk om het ouderschap te combineren met je werk. Er is zelfs een wet waarin staat dat kinderopvang zowel de verantwoordelijkheid is van de ouders als van de overheid en de werkgevers.

De Wet

Volgens de Wet kinderopvang houdt de overheid toezicht op de kwaliteit en de financiering van kinderopvang. Elk kinderopvangcentrum moet daarom geregistreerd staan bij de gemeente en in het Landelijk Register Kinderopvang. Jaarlijks controleert de GGD of ze aan alle kwaliteitseisen voldoen.

De kosten van kinderopvang

Als je een erkend kinderopvangcentrum hebt gevonden voor je peuter, sluit je met hen een contract af voor het aantal uren dat je afneemt en welke prijs je daarvoor betaalt. Je kunt voor deze kosten kinderopvangtoeslag ontvangen als:

  • het bureau geregistreerd staat bij de gemeente;
  • en voldoet aan bepaalde regels voor de kwaliteit.

Kinderopvangtoeslag

Voor dagopvang kun je in 2011 maximaal €6,36 per uur kinderopvangtoeslag krijgen. De meeste opvangcentra hanteren daarom een uurtarief van €6,36. Als je gebruikt maakt van gastouderopvang, kun je maximaal €5,09 per uur vergoed krijgen.

Kinderopvang regelen

Als je voor je peuter nog geen kinderopvang had geregeld, is dat natuurlijk alsnog mogelijk. Bijvoorbeeld als je zelf weer wilt gaan werken. Het is wel belangrijk er op tijd over na te denken, want vaak is er een wachtlijst. En je moet veel beslissen en regelen.

Wat moet je regelen?

  • Kies de vorm van kinderopvang die bij je gezin past.
  • Bedenk hoeveel dagen opvang je nodig hebt en welke dagen dat zijn.
  • Bekijk of je de kinderopvang kunt betalen en of je recht hebt op kinderopvangtoeslag.
  • Ga bij verschillende crèches of kindercentra in de buurt kijken. Praat met de leidsters en kijk of je de sfeer prettig vindt.
  • Vind een kindercentrum dat plaats heeft voor je kind. Veel centra hebben wachtlijsten en moet je soms een paar maanden wachten voordat er plaats is. Vraag daar dus naar voordat je je kind inschrijft.
  • Heb je een plek? Dan sluit je met het kindercentrum een contract af. Iedere maand krijg je een rekening.

Kwaliteitseisen kinderopvang

In het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP) worden alle kinderdagverblijven, organisaties voor buitenschoolse opvang, gastouderbureaus en gastouders bijgehouden.

Registratie

Aan kinderopvangcentra en gastouders worden steeds hogere eisen gesteld om de kwaliteit van de opvang te garanderen. De GGD controleert of ze voldoen aan alle kwaliteitseisen van de Wet Kinderopvang. Is dat het geval, dan krijgen ze de vermelding 'geregistreerd' in het LRKP. Als een organisatie niet meer voldoet aan de kwaliteitseisen, dan krijgt deze de vermelding 'niet meer geregistreerd' in het LRKP.

Kwaliteitseisen

De kwaliteitseisen gaan bijvoorbeeld over:

  • de betrokkenheid en inspraak van ouders;
  • de opleiding en deskundigheid van de leidsters;
  • het waarborgen van de veiligheid en de gezondheid van de kinderen;
  • de accommodatie en de inrichting;
  • de groepsgrootte en het aantal kinderen per leidster;
  • het pedagogisch beleid en de uitvoering daarvan in de praktijk.

Kinderopvangtoeslag

Je hebt alleen recht op kinderopvangtoeslag als het kinderopvangcentrum of het gastouderbureau als geregistreerd is opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen.

Medisch Kinderdagverblijf

Het medisch kinderdagverblijf (MKD) is voor kinderen van ongeveer 2 maanden tot 7 jaar met een achterstand in de emotionele of psychosociale ontwikkeling.

Kinderdagcentrum

Het kinderdagcentrum (KDC) is voor kinderen van 0 tot 18 jaar. Je kind kan hier terecht, als hij een verstandelijke of meervoudige handicap heeft en niet of moeilijk naar een regulier kinderdagverblijf of naar school kan.

Achterstand in de ontwikkeling

Vanwege de ontwikkelingsfase is vaak sprake van een combinatie met achterstanden in de motorische ontwikkeling of in de spraak- en taalontwikkeling. Je kunt hierbij denken aan kinderen die erg druk en onhandelbaar zijn, maar ook aan kinderen die niet praten en geen contact maken met andere kinderen. Vaak is de oorzaak van de problemen nog onduidelijk. Het medisch kinderdagverblijf kan onderzoeken wat er aan de hand is. En ze bieden specifieke hulp, dat precies past bij de problematiek van je kind.

Gezondheidsproblemen

Als je kind bepaalde problemen heeft, dan verwijst de huisarts, de jeugdverpleegkundige, de jeugdarts of de peuterspeelzaal je kind door naar het Bureau Jeugdzorg. Het Bureau Jeugdzorg bepaalt of een medisch kinderdagverblijf een geschikte plek is voor je kind.

Als ouder word je natuurlijk ook bij de hulpverlening betrokken. Daarom informeert het medisch kinderdagverblijf je zoveel mogelijk over de problematiek van je kind. En vaak geven ze ook thuis hulp en begeleiding.

Kosten

Als je kind opgenomen wordt in een medisch kinderdagverblijf, moet je een eigen bijdrage betalen. De hoogte van deze bijdrage is afhankelijk van de leeftijd van je kind, het soort hulp dat je kind krijgt en het aantal dagdelen dat je kind naar het medisch kinderdagverblijf gaat. Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen regelt deze ouderbijdragen.

Als je kind in het medisch kinderdagverblijf een dagbehandeling krijgt, behoud je het recht op kinderbijslag. Als je kind er woont, kan dit gevolgen hebben voor de kinderbijslag. Het is raadzaam om dit van te voren goed uit te zoeken.

Kinderdagcentrum

Het kinderdagcentrum (KDC) is voor kinderen van 0 tot 18 jaar. Je kind kan hier terecht, als hij een verstandelijke of meervoudige handicap heeft en niet of moeilijk naar een regulier kinderdagverblijf of naar school kan.

Medisch kinderdagverblijf

Het medisch kinderdagverblijf (MKD) is voor kinderen van ongeveer 2 maanden tot 7 jaar met een achterstand in de emotionele of psychosociale ontwikkeling. Vanwege de ontwikkelingsfase is vaak sprake van een combinatie met achterstanden in de motorische ontwikkeling of in de spraak- en taalontwikkeling.

Zorg en begeleiding

Op het kinderdagcentrum wordt je kind opgevangen en behandeld. Er is een team van behandelaars, zoals een orthopedagoog, een logopedist en een fysiotherapeut. De behandeling is erop gericht, dat je kind zich verder ontwikkelt. Bijvoorbeeld dat hij leert spelen, leert communiceren, zich beter gaat bewegen en zelfstandig wordt. De kinderen krijgen dus activiteiten aangeboden die goed zijn afgestemd op hun ontwikkeling. Je kind krijgt vaak stimulering en training volgens een bepaald programma.

Thuis

Meestal is er veel overleg met de ouders. Als ouder kun je hulp krijgen van het kinderdagcentrum bij de opvoeding, maar ook voor aanpassingen en hulpmiddelen thuis. Als je kind wel gebruik maakt van de reguliere kinderopvang of naar de peuterspeelzaal gaat, kun je bij het kinderdagcentrum terecht voor ondersteuning en hulp met het uitvoeren van het programma.

Gehandicaptenzorg

Kinderdagcentra zijn meestal onderdeel van een instelling voor gehandicaptenzorg. Soms nemen ouders het initiatief om zelf met het persoonsgebonden budget een kinderdagcentrum te starten. Voor een kinderdagcentrum heb je in ieder geval een indicatie nodig van het CIZ.

Onderwijs

Als je kind 2 of 3 jaar oud is, kun je hem een paar uren of dagdelen per week naar de peuterspeelzaal of naar de voorschool laten gaan.

Voorschool

Voorscholen zijn er voor kinderen vanaf 2 jaar. Deze zijn bedoeld voor alle kinderen. En speciaal geschikt voor kinderen die geen goed Nederlands spreken of extra stimulering nodig hebben.

Leerprogramma's

De leerprogramma's zijn gericht op alle gebieden van ontwikkeling: taal, denken, lichamelijke ontwikkeling en sociaal-emotionele ontwikkeling. Ze worden gegeven door speciaal opgeleide leerkrachten. Een voorschool helpt kinderen voor te bereiden op de basisschool.

Samenwerking

De leidster van de peuterspeelzaal of de voorschool waar je kind staat ingeschreven, heeft regelmatig overleg met de verpleegkundige van het consultatiebureau. Samen met de leidsters en leerkrachten kan zij in deze belangrijke eerste levensfase je kind in zijn ontwikkeling volgen. Daar waar nodig wordt je kind (en jij als ouder) zo vroeg en zo goed mogelijk ondersteund.

Een basisschool kiezen

Het is verstandig om je alvast te oriënteren op verschillende basisscholen bij jullie in de buurt. Op elke school wordt op een andere manier lesgegeven. Ook zijn er verschillende soorten scholen, bijvoorbeeld openbare scholen en bijzondere scholen. Als je een keuze hebt gemaakt voor een basisschool, meld je je kind aan.

Voorschoolse educatie

Een goede start op school is van groot belang.

De laatste jaren zijn daarom in veel gemeenten speciale programma's gestart om de ontwikkeling van kinderen te stimuleren. Deze zijn bedoeld voor alle kinderen. En speciaal geschikt voor kinderen die geen goed Nederlands spreken of extra stimulering nodig hebben.

Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE)

  • Voorschoolse educatie begint op de peuterspeelzaal, de voorschool of het kinderdagverblijf, als je kind 2 of 3 jaar is.
  • Als je kind naar de basisschool gaat, gaan de programma's door in groep 1 en 2. Het heet dan vroegschoolse educatie.

Het best is dus dat je kind met hetzelfde programma naar een basisschool gaat, als hij toen hij 3 jaar was.

VVE-programma's

Sommige peuterspeelzalen en kinderdagverblijven besteden extra aandacht aan het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen. Ze hebben daarvoor een speciaal VVE-programma, zoals Kaleidoscoop, Piramide, Startblokken, Speelplezier, Puk en Ko, Sporen en Doe meer met Bas.

Wat leert je kind?

De VVE-programma's zijn gericht op het stimuleren van de ontwikkeling van je kind en worden gegeven door speciaal hiervoor opgeleide beroepskrachten. Alle ontwikkelingsgebieden komen aan bod: taal, denken, lichamelijke ontwikkeling en sociaal-emotionele ontwikkeling.

Je kind gaat minimaal 4 dagdelen of 10 uur per week naar de peuterspeelzaal, voorschool of kinderdagverblijf. Door voorschoolse educatie begint je kind beter voorbereid aan groep 1.

Voorschool

Een peuterspeelzaal met een VVE-programma wordt ook wel een voorschool genoemd. De peuterspeelzaal werkt dan samen met een basisschool. Vlakbij of in hetzelfde gebouw, met hetzelfde VVE-programma.

Samenwerking

De pedagogische medewerkster van de peuterspeelzaal of voorschool heeft regelmatig overleg met de verpleegkundige van het consultatiebureau. Zij volgen de ontwikkeling van je kind. Waar nodig worden kinderen en ouders ondersteund.

Wat kun je zelf doen?

Als ouder kun je actief meehelpen bij de ontwikkeling van je kind door thuis ook voor te lezen, te tekenen en te zingen. En door thuis (in de eigen taal) te praten over onderwerpen die op de peuterspeelzaal, voorschool of kinderdagverblijf worden behandeld.

Een school kiezen

Kinderen van 5 jaar tot en met 16 jaar moeten volgens de Leerplichtwet naar school. De meeste kinderen gaan al met 4 jaar naar groep 1 van de basisschool.

Ga op tijd op zoek naar een school die past bij je kind, maar zeker ook bij jezelf. Laat je goed voorlichten, want de school speelt een belangrijke rol in de opvoeding en ontwikkeling van je kind.

Schoolsoorten

Je kunt als ouders kiezen uit verschillende vormen van onderwijs. Er zijn 3 typen onderwijs, waaronder de openbare school, de bijzondere school en de algemeen bijzondere school.

  • Openbare scholen geven geen les vanuit een levensbeschouwelijke of een godsdienstige overtuiging. Alle kinderen, ongeacht hun achtergronden, zijn welkom op deze scholen.
  • Confessioneel bijzondere scholen geven les vanuit een levensbeschouwelijke of een godsdienstige overtuiging. Bijvoorbeeld Rooms-Katholieke, Protestants-Christelijke, Islamitische en Joodse scholen
  • Algemeen bijzondere scholen gaan uit van een onderwijskundige visie. Bijvoorbeeld Montessori, Dalton, Jenaplan, Freinet en de Vrije School

Bij je gemeente of de stadsdelen is informatie verkrijgbaar over alle soorten scholen bij jou in de buurt. Bijzondere scholen mogen kinderen weigeren, openbare scholen mogen dat alleen als ze vol zijn. Sommige scholen hebben een wachtlijst.

Onderwijsmethode

In Nederland is er vrijheid van onderwijs. Dit betekent dat de manier van lesgeven per school anders kan zijn. Natuurlijk stelt de overheid wel een aantal kwaliteitseisen aan de scholen waaraan ze moeten voldoen. De onderwijsinspectie controleert of alle basisscholen daaraan voldoen.

De vensterschool en de brede school zijn schoolsoorten die veel samenwerken met andere organisaties en instellingen die veel met de ontwikkeling van kinderen en onderwijs te maken hebben.

Een goede keuze maken

Om een goede keuze te maken kun je jezelf de volgende vragen stellen.

  • Welk soort onderwijs past het best bij je kind en bij je eigen aanpak?
  • Zoek je een school met een bepaald geloof of juist niet?
  • Hoe ver ligt de school van jullie huis?
  • In wat voor buurt staat de school? Hoe is het verkeer rondom de school?
  • Is de school goed te bereiken lopend, met de fiets of met de auto?
  • Is er een buitenschoolse opvang? Hoe ver ligt die van de school af?
  • Hoe groot zijn de klassen? Hoe is de sfeer?
  • Wat is op deze school de onderwijsmethode: wordt er vooral klassikaal lesgegeven of in kleine groepjes?
  • Wordt er gewerkt met een VVE-programma?
  • Is er extra zorg voor 'achterblijvers' en vlugge kinderen?
  • Wat wordt van ouders verwacht? Hoe worden ouders betrokken?

Informeren

Op de website van een school vind je meer informatie over de school. En over de dingen die ze voor de kinderen organiseren. Praat eens met het hoofd van de school, de 'intern begeleider' of een leerkracht. Vraag ook andere ouders naar hun ervaringen.

Scholen met een VVE-programma

Sommige peuterspeelzalen en kinderdagverblijven besteden extra aandacht aan het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen. Ze hebben daarvoor een speciaal programma. Deze zogenoemde voor- en vroegschoolse programma’s beginnen op de peuterspeelzaal, de voorschool of het kinderdagverblijf als het kind 2 of 3 jaar is. Dit gaat door op de basisschool in groep 1 en 2. Het best is dan ook dat je kind naar een basisschool gaat met hetzelfde programma als toen je kind 3 jaar was.

Aanmelden basisschool

Als je kind 3 jaar is, kun je alvast uitkijken naar een leuke en geschikte basisschool. In totaal zijn er maar liefst 7500 basisscholen in Nederland, genoeg keuze dus!

Aanmelding

Je kind is welkom als hij 4 wordt. Als je kind 3 jaar is, kun je je kind alvast aanmelden bij de basisschool. Je kind mag dan ook alvast eens een middag langskomen om te wennen. Als je kind 5 wordt, dan is je kind leerplichtig.

Om je kind aan te melden, kun je contact zoeken met de basisschool. Wees er op tijd bij, want het kan voorkomen dat de school vol is en met wachtlijsten werkt.

Toelating

Nadat je je kind hebt aangemeld, beslist het schoolbestuur of ze je kind toelaten. Als er geen plek is en het betreft een openbare school, dan is de gemeente verantwoordelijk voor het uitzoeken van een andere geschikte openbare basisschool. Als je kind op de wachtlijst komt, dan wordt hij toegelaten zodra er een plek vrij komt.

Groep 1

Je kind begint natuurlijk in groep 1. Het is voor jonge kinderen vermoeiend om de hele dag en de hele week op school te zijn. Daarom krijgen kinderen uit groep 1 en 2 minder lesuren dan kinderen uit hogere groepen. Ook kinderen uit groep 3 kunnen een paar lesuren minder krijgen.

Speciaal onderwijs

Het speciaal onderwijs is er voor alle kinderen en jongeren van 4 tot en met 20 jaar met een lichamelijke handicap of met een chronische ziekte, maar ook voor kinderen met leer- en gedragsproblemen.

Indicatiestelling

Voordat je kind naar het speciaal onderwijs mag gaan, heeft hij een indicatiestelling nodig van het Regionale Expertisecentrum (REC). Deze indicatie heeft tot gevolg dat je kind een leerlinggebonden financiering krijgt, om zo de extra schoolkosten te kunnen betalen. Dit heet ook wel het rugzakje. Het REC helpt ouders met de indicatiestelling en met het kiezen van de juiste school voor het kind. Vanaf 2012 gaat dit systeem veranderen.

Speciaal onderwijs

Op het speciaal onderwijs wordt er veel aandacht en hulp gegeven aan de kinderen. Het speciaal onderwijs houdt altijd rekening met de specifieke problematiek van je kind en zal daar ook altijd goede, gerichte en deskundige begeleiding in geven.

Er wordt vaak aangepast lesmateriaal gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan schrift in braille voor blinde kinderen. Kinderen kunnen ook therapie en lessen krijgen in praktische vaardigheden. Bijvoorbeeld leren omgaan met geld.

Schoolgeld

Je hoeft geen lesgeld te betalen voor het speciaal onderwijs.

Wonen en werken

Bij elke nieuwe leeftijdsfase van je kind dienen er zich veranderingen en nieuwe vragen aan betreffende je woon- en werksituatie. Bijvoorbeeld: "Zal ik fulltime gaan werken als mijn kind volgend jaar naar de basisschool gaat?" Steeds zijn er veel mogelijkheden en belangrijke keuzes te maken.

Leven zoals jij dat wilt

Deze site biedt je de informatie die je nodig hebt om de juiste keuzes te maken. Ook wordt er aandacht besteed aan verhuizen met kinderen en wonen met een kind dat een beperking heeft. Voor alle omstandigheden geldt: kies zoveel mogelijk voor een leven zoals jij dat wilt.

Verlof

In Nederland zijn er verschillende vormen van verlof, die je kunt opnemen als je bijvoorbeeld extra tijd nodig hebt voor de zorg van je kind, of als je kind plotseling ziek wordt.

Ouderschapsverlof

Als je de zorg hebt voor een kind jonger dan 8 jaar, en je hebt moeite om dit te combineren met je werk, dan kun je ouderschapsverlof opnemen.

Calamiteitenverlof

Calamiteitenverlof is verlof dat je direct kunt opnemen als er plotseling een ernstig probleem is. Bijvoorbeeld wanneer je kind plotseling ziek wordt, en je hem moet verzorgen.

Kortdurend en langdurend verlof

Kortdurend en langdurend verlof kun je opnemen als je kind, partner of ouder ziek is geworden en je de zorg op je neemt. Het gaat hierbij om ziektes die in het algemeen lang duren, zoals ziekenhuisopnames. Langdurend verlof kun je alleen opnemen als het echt gaat om een ernstige, levensbedreigende ziekte.

Calamiteitenverlof

Bij noodgevallen mag je calamiteitenverlof opnemen. Bijvoorbeeld wanneer je kind ineens ziek wordt of wanneer thuis de waterleidingen zijn gesprongen.

Op je werk

In principe moet je zo snel mogelijk je werkgever op de hoogte brengen van je verlof en de reden waarom je niet op je werk kan komen. Je werkgever zal ongetwijfeld begrip hebben voor de situatie als er iets ernstigs aan de hand is.

Je werkgever betaalt deze uren door. Je werkgever kan vragen het calamiteitenverlof te compenseren met je vakantiedagen. Je moet daar dan uitdrukkelijk toestemming voor geven. Het recht op calamiteitenverlof zorgt ervoor dat je werk en privé beter kunt combineren.

Ouderschapsverlof

Iedere ouder die minstens een jaar voor zijn huidige werkgever werkt, heeft recht op ouderschapsverlof. Je kunt ouderschapsverlof aanvragen als je de zorg hebt voor een kind jonger dan 8 jaar. Je kind moet dan wel bij je in huis wonen.

Regeling

Als je samen met je partner de zorg voor je kind hebt, mag je beiden ouderschapsverlof opnemen. Dat kan alleen als je kind nog geen 8 jaar is. Als je meerdere kinderen hebt, mag je per kind eenmaal ouderschapsverlof aanvragen. Het geldt ook als je een kind geadopteerd hebt of voor een pleegkind zorgt.

Termijn

Je mag maximaal 26 keer de wekelijkse arbeidsduur verlof opnemen. Als je bijvoorbeeld een 32-urige werkweek hebt, dan mag je een jaar lang 16 uur per week gaan werken. In overleg met je werkgever mag je afwijken van deze uurverdeling. Je kunt bijvoorbeeld de uren spreiden of minder uren opnemen. Als je het ouderschapsverlof stopzet, dan vervalt je recht op ouderschapsverlof.

Doorbetaald worden?

Of je (gedeeltelijk) wordt doorbetaald, is vastgelegd in je CAO. Overleg daarom met je werkgever wat er met je salaris zal gebeuren. Je bent verplicht om de verandering van inkomen door te geven aan de Belastingdienst, dit kan namelijk gevolgen hebben voor bepaalde toeslagen en heffingskortingen.

Heffingskorting

Je hebt recht op ouderschapsverlofkorting als je een ouderschapsverlofverklaring van je werkgever kunt laten zien.

Kortdurend zorgverlof

Kortdurend zorgverlof kun je opnemen als je je zieke kind, je partner of je ouder moet verzorgen. Bijvoorbeeld wanneer er een operatie gepland staat en je daarna diegene wilt verzorgen.

Regelingen

Je kunt alleen kortdurend zorgverlof opnemen als je de enige persoon bent die op dat moment in staat is om je kind, je partner of je ouder te verzorgen. Voorwaarden zijn dat je kind thuis woont en dat je samenwoont met je partner.

Pleegouders

Het is ook mogelijk om kortdurend zorgverlof op te nemen om voor je zieke pleegkind te kunnen zorgen. Je pleegkind moet dan ook bij je thuis wonen en er moet een pleegcontract zijn.

Hoeveel verlof kun je opnemen?

Het aantal verlofuren dat je mag opnemen is afhankelijk van het aantal uren dat je werkt. Je mag binnen een jaar 2 weken verlof opnemen. Als je bijvoorbeeld 32 uren per week werkt, dan mag je binnen een jaar 64 uren kortdurend zorgverlof opnemen. Je kunt deze uren in 1 keer opnemen, maar je kunt deze uren eventueel ook in gedeeltes opnemen. Overleg dit goed met je werkgever.

Doorbetaald worden?

Je werkgever is verplicht om minstens 70 procent van je salaris door te betalen. Als dat minder is dan het minimumloon, dan betaalt je werkgever je in ieder geval het minimumloon. Je werkgever kan het verlof alleen weigeren als het bedrijf of de organisatie door het verlof in ernstige problemen komt. Als je werkgever en jij er niet in slagen om samen afspraken te maken, kun je de rechter om een uitspraak vragen.

Calamiteitenverlof

Als je kind, partner of ouder onverwacht ziek wordt, is het niet nodig om kortdurend zorgverlof op te nemen. Bij onverwachte gebeurtenissen, kun je calamiteitenverlof opnemen.

Langdurig zorgverlof

Langdurend zorgverlof kun je opnemen als je kind, je partner of je ouder ernstig ziek is geworden en je voor langere tijd de zorg op je neemt. Het moet hierbij gaan om levensbedreigende ziektes.

Aanvragen langdurend zorgverlof

Je moet langdurend zorgverlof minimaal 2 weken van te voren aanvragen bij je werkgever. Je werkgever is verplicht binnen een week te beslissen of hij akkoord gaat met de ingangsdatum. Doet hij dit niet, dan gaat het langdurend zorgverlof in op de datum die je zelf hebt aangegeven in je aanvraag.

Hoeveel verlof kun je opnemen?

Het aantal verlofuren dat je mag opnemen is afhankelijk van het aantal uren dat je werkt. Je mag maximaal de helft van het aantal uren dat je werkt zorgverlof opnemen voor een periode van 12 weken per jaar.

Als je bijvoorbeeld 32 uren werkt, dan mag je gedurende 12 weken 16 uren per week gaan werken. In overleg met je werkgever mag je deze uren spreiden of in 1 keer opnemen, zolang de periode niet langer duurt dan 18 weken. Het langdurend zorgverlof stopt na verloop van deze periode, of wanneer de persoon (voor wie je het zorgverlof opneemt) overlijdt of niet langer levensbedreigend ziek is.

Doorbetaald worden?

In de meeste gevallen worden de uren dat je langdurend zorgverlof opneemt niet uitbetaald, maar het kan zijn dat er in je CAO andere afspraken staan en dat je de uren toch (gedeeltelijk) uitbetaald krijgt. Overleg dit goed met je werkgever. Een verandering van inkomen moet je doorgeven aan de belastingdienst, omdat dit gevolgen kan hebben voor toeslagen en kortingen.

Geen langdurend zorgverlof

Als je kind, partner of ouder onverwacht ziek wordt, is het niet nodig om meteen langdurend zorgverlof op te nemen. Bij onverwachte (ernstige) gebeurtenissen, kun je eerst calamiteitenverlof opnemen. En bij minder ernstige of geplande operaties kun je kortdurend zorgverlof opnemen.

Werken

De zorg en opvoeding voor je kind combineren met een drukke baan of studie. Dat is vaak een hele uitdaging!

Dan is het goed om te weten dat er verschillende regelingen zijn waar je gebruik van kunt maken. Bijvoorbeeld kinderopvang, maar ook ouderschapsverlof. Je kunt in goed overleg met je werkgever vaak een heel eind komen. Denk ook maar eens aan telewerken.

Combineren werk en kinderen

Jonge kinderen hebben veel zorg en aandacht nodig. Als ouder is het daarom soms moeilijk om werk en zorg op een passende manier te combineren.

Hoge verwachtingen

Sommige moeders verwachten te veel van zichzelf. Ze willen niet falen als moeder, als partner en als werkende vrouw. Dit verhoogt vaak de spanningen en de stress zowel thuis als op het werk. Een goede taakverdeling thuis is dus net zo belangrijk als een goede planning op het werk.

Een goede planning

Werk en gezin combineren vraagt om een goede planning. Je moet veel regelen en op elkaar afstemmen, zoals je werktijden, afspraken en vergaderingen, maar ook de kinderopvang en het huishouden. Als er dan iets niet loopt zoals gepland, geeft dat misschien spanningen.

Fulltime of parttime werken

Als je fulltime werkt, zul je minder tijd hebben voor je gezin. Als ouder kun je daarom ook kiezen voor een parttime baan. Je kunt met je werkgever overleggen of het mogelijk is minder uren te gaan werken. Misschien is het ook mogelijk om meer thuis te werken. Waar je ook voor kiest, bovenal is het natuurlijk belangrijk dat je ook financieel in staat blijft om voor je gezin te zorgen.

Veranderingen in je netto-inkomen?

Als jij of je partner overweegt om minder of juist meer te gaan werken, is het natuurlijk belangrijk wat dat betekent voor jullie netto-inkomen. Ook kan een verandering gevolgen hebben voor de hoogte van inkomensafhankelijke regelingen zoals huurtoeslag. Met de webwijzer Werk en Geld bereken je het meteen. Het voordeel van weer of meer werken is vaak groter dan verwacht!

Je kunt ook verschillende scenario's naast elkaar uitrekenen. Varieer bijvoorbeeld met het aantal te werken uren van jezelf en je partner om na te gaan wat voor jullie de beste verdeling is: zowel persoonlijk als financieel.

Ouderschapsverlof

Je kunt er ook voor kiezen om ouderschapsverlof op te nemen. Dit is mogelijk als je kinderen hebt onder de 8 jaar. Per kind mag je een jaar ouderschapsverlof opnemen. Je mag dan voor de helft van je normale werkweek gaan werken, maar niet minder dan dat. Het is verstandig om de mogelijkheden goed te overleggen met je werkgever.

Combineren school en kinderen

Voor studerende ouders is het soms lastig om hun studie te combineren met de zorg en de verantwoordelijkheid voor hun gezin. Hoeveel tijd heb je voor je studie, hoe betaal je je studie en en houden ze op school rekening met je situatie?

Studie

Het is soms lastig om goed voor je kind te zorgen en ook geconcentreerd met je studie bezig te zijn. Scholen kunnen meestal een aangepast programma bieden dat past bij je situatie. Je kunt hierbij denken aan een deeltijdstudie, of aan een avondstudie. Het is verstandig om goed uit te zoeken welke regelingen en voorzieningen van toepassing zijn, zoals kinderopvang.

Studiefinanciering

Om je studie te kunnen betalen, kun je studiefinanciering aanvragen bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO, voorheen de IB-Groep). Zij hebben aparte regelingen voor studerende ouders. De studiefinanciering is echter niet altijd genoeg om je studie en je levensonderhoud van te betalen. En als je 30 bent geworden, heb je ook geen recht meer op studiefinanciering. Daarom zijn er nog een aantal studiefondsen. En je kunt als studerende ouder ook kinderopvangtoeslag ontvangen als je peuter naar de kinderopvang gaat.

Studietips

Om goed te kunnen studeren is het ten eerste belangrijk dat je een rustige studieplek hebt. Wat ook kan helpen is om zelf elke week een plan van aanpak te maken waarin je al je bezigheden organiseert. En vergeet natuurlijk niet de momenten waarop je zelf een uurtje ontspanning neemt.

Afwezigheid en re-integratie

Als je langdurig afwezig bent dan is het lastig om na verloop van tijd weer aan het werk te gaan. Misschien ben je ziek, heb je een burn-out door bijvoorbeeld te veel stress op het werk of ben je met verlof.

Verlof

Veel vrouwen vinden het moeilijk om hun werk te combineren met de zorg voor hun kinderen. Sommige ouders nemen daarom ouderschapsverlof op. Verlof is een vorm van langdurige afwezigheid. Werkgevers mogen verlof niet weigeren.

Re-integratie

Als je ziek bent gemeld, ben je de eerste 2 jaar van je afwezigheid samen met je werkgever verantwoordelijk voor de re-integratie op je werk. Samen bespreek je de mogelijkheden. Je kunt bijvoorbeeld (tijdelijk) parttime gaan werken, maar je kunt ook om een aangepast takenpakket vragen. Of misschien zelfs een geheel andere functie binnen hetzelfde bedrijf, of bij een ander bedrijf. Het uiteindelijke doel van het re-integratieplan is dat je na twee jaar weer volledig aan het werk bent.

Thuis werken

Door de aanwezigheid van internet en telefoon kun je tegenwoordig makkelijk telewerken. Of je doet thuis productiewerk. Dit zijn beide manieren van 'thuis aan het werk zijn'.

Telewerken

Telewerk is thuiswerk door gebruik te maken van telefoon- en internetverbinding met de buitenwereld. Het gaat om: arbeid op afstand van de werk- of opdrachtgever, met behulp van informatie- en communicatietechnologie (ICT). Er worden 3 soorten te